van de straf des vuurs. 189. O, Heer! indien gij iemand in het vuur
stort, zult gij hem met schande bedekken. De goddeloozen hebben geene
hulp van u te hopen. 190. O Heer! wij hebben een prediker gehoord
[305], die ons tot geloof aanspoorde, zeggende: Gelooft in uwen
Heer! en wij geloofden. 191. O Heer! vergeef ons dus onze zonden;
wisch onze misstappen uit en laat ons met de vromen sterven. 192. O
Heer! geef ons ook wat gij door uwe gezanten hebt beloofd, en bedek
ons niet met schande op den dag der opstanding. Gij verbreekt uwe
belofte niet. 193. God antwoordde hun, zeggende: Ik laat geene
goede daad verloren gaan, wie die ook gedaan hebbe; hetzij man of
vrouw [306]. De eene onder u is uit den andere gesproten. 194. Zij
die hunne woonplaatsen hebben verlaten en uit hunne huizen werden
verdreven, voor mijnen godsdienst hebben geleden, en in den slag zijn
omgekomen, wil ik van alle schuld bevrijden, en zal hen brengen in
de tuinen van wateren doorsneden. 195. Dit is de belooning van God;
dit is de schoonste belooning. 196. Laat u niet verblinden door den
voorspoed der ongeloovigen [307]. IJdel genot [308]. Hunne woning zal
de hel zijn; een ongelukkig verblijf. 197. Maar zij, die God vreezen,
zullen tuinen bewonen met wateren doorsneden, en zullen eeuwig daarin
verblijven. Dit is de belooning van God. Wat van God komt, is beter
voor de geloovigen. 198. Onder hen die de schrift hebben ontvangen,
zijn er, die God gelooven en in hetgeen u is gezonden, en hetgeen
hun is gezonden; die zich aan God onderwerpen en Gods teekenen niet
voor een geringen prijs verkoopen. 199. Zij zullen hunne belooning
van God ontvangen; want God is vlug in het samenstellen. 200. O,
geloovigen! weest geduldig; streeft er naar, in geduld uit te munten;
weest standvastig en vreest God, opdat gij gelukkig zijt.
VIERDE HOOFDSTUK.
DE VROUWEN [309].
Gegeven te Medina--175 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.