1. A. L. M. [248] Er is geen andere God dan God, de levende en

eeuwig levende. 2. Hij heeft u het boek in waarheid geopenbaard,

dat het vroeger geopenbaarde bevestigt. Hij openbaarde de thora en

het evangelie reeds vroeger, als leiding voor de menschen. Thans

heeft hij de onderscheiding [249] gezonden. 3. Waarlijk, zij die Gods

teekenen niet gelooven, zullen eene vreeselijke straf ontvangen; want

God is machtig en kan zich wreken. 4. Niets is voor God verborgen van

hetgeen in den hemel en op aarde is. Hij is het, die u in het lijf uwer

moeder naar zijn welbehagen gevormd heeft; buiten hem, den machtige

en wijze, is geen God. 5. Hij is het, die u de schrift zond, waarin

verschillende verzen klaar en duidelijk zijn, die de grondzuilen van

het boek zijn; anderen zijn beeldsprakig [250]. Zij nu, welker harten

twijfelen, willen het beeldsprakige volgen, uit liefde tot scheiding

en uit lust tot vertolking daarvan. Maar God alleen kent hunne ware

beteekenis. Maar zij, die grondig in hunne kennis zijn, zeggen: Wij

gelooven daaraan; het geheel is van onzen Heer. Zoo denken slechts de

verstandigen. 6. O Heer! laat onze harten niet meer dwalen, nadat gij

ons op den rechten weg hebt geleid. Schenk ons Uwe barmhartigheid;

want gij zijt de gever. 7. O Heer! gij zult eens, op eenen bepaalden

dag, de menschen verzamelen, daaraan is geen twijfel; want God

herroept zijne belofte niet. 8. Den ongeloovigen zal echter vermogen

noch kinderen bij God hebben. Zij zullen tot voedsel van het vuur

verstrekken. 9. Op de wijze van het volk van Pharao [251] en die welke

vÛÛr hen geleefd hebben, beschouwden zij mijne teekens als leugens,

God heeft hen gegrepen om hunne zonden, en God is streng in zijne

straffen. 10. Zeg tot de ongeloovigen: Gij zult overwonnen en in de hel

verstooten worden, en een onzalig verblijf hebben. 11. Gij hebt reeds

een wonder gezien in deze twee legers, die op elkander stieten; de eene

schaar kampte voor des Heeren godsdienst, de andere was ongeloovig. De

eene hield de andere voor twee malen zoo sterk als zich zelve [252];

want God sterkt met zijne hulp wien Hij wil. Waarlijk, daarin was een

voorbeeld voor verstandige menschen. 12. Den menschen werd prikkel en

begeerte tot vrouwen, kinderen, goud en zilver, edele paarden [253],

kudden en akkers ingeplant; dit zijn allen slechts de genietingen van

dit leven, doch de schoonste terugkeer is die tot God. 13. Zeg, kan

ik u betere dingen dan deze verkondigen? De vromen zullen bij hunnen

Heer eens tuinen vinden met wateren doorsneden, en eeuwig zullen zij

daarin verblijven; onbevlekte vrouwen en Gods welbehagen zijn hun ten

deel, God slaat zijne dienaren gade. 14. Die zeggen: o Heer! wij zijn

geloovigen; vergeef ons onze zonden en bevrijd ons van de straf van

het hellevuur. 15. Zoo spreken de geduldigen, de waarheidminnenden,

de aandachtigen; zij die aalmoezen geven en bij iederen zonsopgang

om Gods genade smeeken. 16. God heeft het zelf betuigd, dat er

buiten hem geen God bestaat: de engelen en de menschen met verstand

begaafd, bevestigen het in waarheid: Er is geen andere God dan hij,

de machtige en wijze. 17. De ware godsdienst des Heeren is de Islam,

en zij die de schrift hadden ontvangen, werden het niet eerder oneens,

dan nadat de kennis onder hen was gekomen; toen werden zij uit nijd

oneens met elkander; maar hij die niet in de teekenen van God gelooft,

wete, dat God snel is om rekenschap te vragen. 18. Indien zij met

u twisten, zeg dan: Ik heb mij aan God overgegeven, evenals zij die

mij volgen. 19. Zeg tot hen, die de schrift hebben ontvangen en tot

de onwetenden: [254] Neemt gij den Islam aan? Zoo zij hem aannemen,

zijn zij op den rechten weg; zoo zij echter weigeren, moet gij hun

slechts prediken; want God ziet zijne dienaren. 20. En diegenen

welke de teekenen Gods loochenen en de profeten zonder oorzaak

dooden, en hen vermoorden die recht en gerechtigheid prediken,

verkondig hun eene pijnlijke straf. 21. Deze zijn het, wier werken

voor deze en de toekomstige wereld verloren zijn; en zij zullen

niemand hebben om hen te helpen. 22. Hebt gij hen niet opgemerkt,

die een deel der openbaring hebben ontvangen [255]? Zij werden op de

schrift van God gewezen, daar deze de strijdpunten besliste [256];

maar een deel van hen keerde zich om en verwijderde zich. 23. Dit

deden zij omdat zij zeiden: "Het Hellevuur treft ons slechts een

bepaald aantal dagen," en zoo vervielen zij, door eigene denkbeelden

in den godsdienst, tot dwaling [257]. 24. Hoe zal het zijn, als wij

hen op den dag verzamelen, waarover geen twijfel is, en iedere ziel

zijn verdiend loon zal ontvangen? Niemand zal dan onrechtvaardig

behandeld worden. 25. Zeg: o God! gij die het rijk bezit, gij geeft

het rijk aan wien gij wilt, en gij ontneemt het wien gij wilt, en gij

verhoogt en gij vernedert wien gij wilt. In uwe hand is al het goede;

want gij zijt almachtig. 26. Op den nacht laat gij den dag en op den

dag den nacht volgen; gij brengt het leven uit den dood voort. Gij

geeft voedsel aan wien gij wilt, zonder maat. 27. Laten de geloovigen

geene ongeloovigen, in plaats van geloovigen tot beschermers nemen. Zij

die dit echter doen, hebben van God in niets op bijstand te hopen,

of gij moest gevaar van hen vreezen; maar God zelf zal u beschermen

en gij zult eens tot hem komen. Zeg: gij moogt geheim houden wat in

uwe harten is, of het openbaar maken. God weet het; want hij weet wat

in den hemel en wat op aarde is; God is almachtig. 28. Op den jongsten

dag zal iedere ziel het goede tegenwoordig vinden wat zij gedaan heeft,

en zal wenschen, dat tusschen haar en het booze hetwelk zij verricht

heeft, eene groote klove moge zijn. God zal u echter zelf beschutten;

want hij is genadig omtrent zijne dienaren. 29. Zeg: Indien gij God

mint, volgt mij. God zal u beminnen en uwe zonden vergeven, want God

is vergevend en barmhartig. Zeg: gehoorzaamt God en zijnen profeet;

wendt gij u echter af, weet, God bemint waarlijk de ongeloovigen

niet. 30. Zekerlijk, God heeft Adam en Noach en het gezin van Abraham

en de familie Imram [258] boven alle andere menschen gekozen. Het

eene geslacht sproot uit het andere voort. God hoort en kent

alles. 31. Gedenkt dat de vrouw van Imram [259] zeide: O Heer! ik heb

u geofferd hetgeen in mijnen boezem is, om aan u te worden gewijd;

neem het aan; want gij hoort en weet alles. Toen zij gebaard had,

zeide zij: Heer! waarlijk, ik heb een meisje voortgebracht (God wist

wel wat zij voortgebracht had), en een knaap is niet gelijk een meisje

[260]. Ik heb haar Maria genaamd; haar en hare nakomelingschap stel

ik onder uwe bescherming tegen den gesteenigden satan [261]. 32. God

nam haar met welgevallen aan [262], en liet een uitmuntenden tak uit

haar voortspruiten Zacharias droeg zorg voor haar. Toen Zacharias in

hare kamer kwam, vond hij spijzen bij haar [263]. O Maria! van wien

bekomt gij dit? Zij antwoordde: Van God; want God spijst wien hij

wil, zonder het te rekenen. 33. Daarop bad Zacharias God, en zeide:

o God! schenk mij eene gezegende nakomelingschap; want Gij zijt de

verhoorder der gebeden. Terwijl hij nog in de kamer stond te bidden,

riepen de engelen hem toe: 34. God verkondigt u de geboorte van

Yahia [264], die Gods woord zal bevestigen. Hij zal een eerwaardig en

kuisch man [265] zijn en een rechtvaardig profeet. 35. Hij antwoordde:

Hoe zal ik een zoon krijgen; ik ben reeds door den ouderdom bereikt

[266] en mijne vrouw is onvruchtbaar? De engel antwoordde: God doet

wat hij wil. 36. Zacharias zeide: o Heer! geef mij een teeken. Hij

antwoordde: Dit zal u een teeken zijn, dat gij drie dagen lang slechts

met gebaarden tot de menschen zult kunnen spreken. Gedenk uwen Heer

dikwijls, en loof hem des avonds en des ochtends. 37. De engelen zeiden

tot Maria: God heeft u gekozen, gezuiverd en boven alle andere vrouwen

der wereld uitverkoren. 38. O Maria! wees uwen Heer onderdanig; vereer

hem en kniel neder met hem, die voor hem nederknielen [267]. 39. Dit

is eene geheime geschiedenis, die wij u openbaren. Gij waart er niet

bij, toen zij hunne roeden wierpen, wie zorg voor Maria zou dragen;

gij waart niet er bij, toen zij er om streden [268]. 40. De engelen

zeiden verder; o Maria! God verkondigt u zijn woord; zijn naam

zal zijn: Jezus Christus, zoon van Maria. Heerlijk zal hij zijn

in deze en in de toekomstige wereld, en een van hen die in Gods

nabijheid zijn. 41. En hij zal tot de menschen spreken als kind in

de wieg [269] en als volwassen man, en zal een vroom man zijn. 42. O

Heer! antwoordde Maria: Hoe zal ik een zoon baren, terwijl geen man

mij heeft aangeraakt!" De engel antwoordde: God doet wat en hoe hij

wil; en heeft hij eene zaak besloten, dan zegt hij slechts: Wees, en

het is. 43. Hij zal hem ook onderwijzen in de schrift en de wijsheid,

in de thora en het evangelie en hem tot de kinderen IsraÎls zenden,

zeggende: Ik kom tot u met teekens van uwen Heer. Ik wil u uit klei

een vogel maken [270], ik zal er op blazen, en hij zal, met Gods

verlof, een levende vogel worden, en ik zal den blindgeborene en den

melaatsche genezen, en met Gods verlof dooden levend maken [271]. Ik

zal u zeggen wat gij eet en verder in uwe huizen verricht. Dit

alles zal u een teeken wezen, indien gij geloovig zijt. 44. Ik

kom om de thora te bevestigen, die gij vÛÛr mij hebt ontvangen;

ik zal u het gebruik van eenige zaken veroorloven, die u vroeger

verboden zijn. Ik kom tot u met teekens van uwen Heer. Vreest God en

gehoorzaamt mij. Hij is mijn en uw Heer. Vereert hem; dit is de rechte

weg. 45. Toen Jezus hun ongeloof zag, zeide hij: Wie wil mij voor Gods

zaak helpen. De apostelen antwoordden: Wij willen Gods helpers zijn;

wij gelooven aan God; betuig het, dat wij geloovigen zijn. 46. O

Heer! wij gelooven aan wat gij geopenbaard hebt, wij gelooven uwen

afgezant; schrijf ons daarom in, bij het getal der getuigen. 47. De

Joden verzonnen eene list; God bedacht beter tegen hen, en God is

de listigste. 48. God zeide: o Jezus! ik wil u doen sterven [272]

en u tot mij verheffen [273], en u van de ongeloovigen bevrijden;

en hen die u gevolgd zijn, wil ik boven de ongeloovigen plaatsen, tot

den dag der opstanding. Gij zult allen tot mij terugkeeren, en ik zal

tusschen u richten over de strijdpunten. 49. Ik zal de ongeloovigen

in deze en in de volgende wereld streng bestraffen, en niemand zal

hen helpen. 50. Maar zij die gelooven en doen wat goed is, zullen hun

loon ontvangen; want God bemint de onrechtvaardigen niet. 51. Deze

teekens en wijze waarschuwingen maken wij u bekend. 52. In de

oogen van God is Jezus gelijk aan Adam; hij schiep hem uit stof en

zeide: Zij, en hij was. 53. Deze waarheid komt van God; wees dus

geen twijfelaar. 54. Indien iemand, nadat gij de ware kennis hebt

gekregen, daarover [274] met u twisten wil, zeg dan: Kom, laat ons

onze en uwe zonen te zamen roepen, onze en uwe vrouwen, onze en uwe

slaven, en tot God bidden, en Gods vloek over de leugenaars inroepen

[275]. 55. Dit is eene ware geschiedenis, en er is geen God, buiten

God en God is machtig en wijs. 56. Indien zij omkeeren; waarlijk, God

kent de goddeloozen. 57. Zeg: o gij! die de schrift hebt ontvangen,

komt en laat ons de volgende vereeniging tusschen ons vinden: Laat

ons slechts God vereeren, en geen schepsel met hem gelijk stellen,

en dat geen van ons een ander, buiten God, als Heer erkenne [276]

en aanbidde. Weigeren zij dit, zeg dan: Wees getuige, dat wij trouwe

geloovigen zijn. 58. O gij! die de schrift hebt ontvangen, waarom

twist gij omtrent Abraham? De thora en het evangelie werden toch

eerst na zijnen tijd geopenbaard. Begrijpt gij dit niet? 59. Gij,

die immer twist omtrent zaken, welke gij kunt weten, waarom strijdt

gij omtrent zaken, die gij niet kunt weten. God weet, maar gij weet

niet. 60. Abraham was noch Jood noch Christen, maar hij was vroom

en God onderworpen en geen afgodendienaar. 61. Die, welke Abraham

volgen, komen hem het dichtst nabij, en zijn profeet (Mahomet) en de

geloovigen. God is de beschermer der geloovigen. 62. Eenigen van hen

die de schrift hebben ontvangen, zouden u willen verleiden, maar zij

verleiden slechts zich zelven, en zij bemerken het niet. 63. O gij

bezitters der schrift! waarom loochent gij Gods teekenen, terwijl

gij zelven er getuigen van waart. 64. O gij! die de schrift hebt

ontvangen, bemantelt de waarheid toch niet met de onwaarheid, om

de waarheid te verbergen, terwijl gij die kent [277]. 65. Eenigen

van hen, die de schrift bezitten, zeggen: Geloof des ochtends aan

het boek, den geloovigen gezonden, en loochen het des avonds weder;

opdat zij weder terugkeeren [278]. 66. Geloof slechts hem, die uwen

godsdienst volgt. Zeg: De ware leiding is Gods leiding; indien zij

ook een ander is geopenbaard, zooals zij u gegeven is. Zullen zij voor

God met u strijden? Zeg hun: Al het goede is in Gods hand. Hij geeft

het aan wien hij wil; want hij is goed en wijs. 67. Hij zal zijne

barmhartigheid verleenen aan wien hij wil; want God bezit groote

genade. 68. Onder hen die de schrift hebben ontvangen zijn er, die

gij een talent kunt toevertrouwen; zij zullen u dit teruggeven [279];

maar er zijn ook anderen, die u een, hun geleenden dinar, niet zullen

teruggeven, indien gij hen niet aanhoudend dit herinnert. 69. Dit

geschiedt omdat zij zeggen: Wij hebben geen verplichting omtrent

de onwetenden. Maar zij liegen omtrent God, tegen beter weten aan,

70. Hij, die zijne verplichtingen nakomt en God vreest, dien bemint

God. 71. Die met Gods verbond handel drijven en met hunnen eed, voor

een nietigen prijs, hebben geen deel aan het volgende leven; op den dag

der opstanding zal God hen niet aanspreken. Hij zal geen enkelen blik

op hen werpen en hen niet reinigen; maar zij zullen een strenge straf

ondergaan. 72. Velen van hen lezen hunne vervalschingen van de schrift

zÛÛ voor, dat gij zoudt gelooven, dat het werkelijk in de schrift

voorhanden was. Dit is niet zoo in de schrift, en zij antwoorden: Dit

is van God, maar het is niet van God, en zij zeggen leugens van God,

tegen beter weten aan. 73. Het past den mensch niet, nadat God hem de

schrift, wijsheid en de profetie heeft gegeven, dat hij daarop tot

de menschen zegge: Bidt mij aan, even als God [280]; maar het past

hem te zeggen: Volmaakt u in de schrift, die gij kent, en oefent u

er in. 74. God gebiedt u niet, dat gij engelen of profeten voor uwe

meesters zoudt nemen [281]. Zou hij u gebieden ongetrouw te worden,

nadat gij trouwe geloovigen (Muzelmannen) zijt geworden. 75. Toen God

het verbond der profeten aannam, zeide hij hun: Dit is de schrift

en de wijsheid die ik u geef. Hierna zal een gezant tot u komen en

datgene wat ik u thans geef, bevestigen. Gij moet hem gelooven en

hem ondersteunen. God sprak voorts: Hebt gij ernstig besloten, mijn

verbond aan te nemen? Zij antwoordden: wij zijn vast besloten. Daarop

zeide God: weest dus getuigen, en ik zal met u getuige zijn. 76. Hij

die dan terug treden wil behoort tot de zondaren. 77. Verlangen zij

eenen anderen godsdienst dan dien des Heeren, terwijl wat in den hemel

en op aarde woont, hetzij vrijwillig of gedwongen, hem onderworpen is

en alles eens tot hem moet terug keeren. 78. Zegt: Wij gelooven aan

God, aan hetgeen hij ons geopenbaard heeft, en aan datgene wat hij aan

Abraham, en IsmaÎl, en Izaak, Jacob en de stammen heeft geopenbaard,

en aan datgene wat aan Mozes, Jezus en de profeten door hunnen Heer

werd geopenbaard. Wij maken geen onderscheid tusschen hen. Wij zijn

God onderworpen (Muzelmannen). 79. Die eenen anderen godsdienst dan

den Islam aanneemt, wordt door God niet aangenomen, en hij zal in

de toekomstige wereld tot hen behooren die vergaan. 80. Hoe zou God

de menschen kunnen leiden, die ongeloovigen zijn geworden, nadat zij

geloovigen zijn geweest en betuigd hebben, dat de apostel waarachtig

was, en zij getuigen waren van de teekens. God leidt de goddeloozen

niet. 81. Hunne belooning zal zijn, dat Gods vloek hen zal treffen,

en die der engelen en van alle menschen. 82. Eeuwig zullen zij

daaronder gebukt gaan; hunne kwelling zal niet verzacht worden,

en nimmer zal een blik hen treffen. 83. Niet evenzoo zal het zijn

met hen, welke berouw hebben en boete doen; want God is genadig en

barmhartig. 84. Zij echter, die ongetrouw zijn geworden nadat zij

geloofd hebben, en nog in ongetrouwheid toenemen, hun berouw wordt

nimmer aangenomen; want zij blijven in hunne dwaling. 85. Waarlijk,

zij die niet gelooven en als ongeloovigen sterven, van hen worden

alle schatten der aarde niet aangenomen, indien zij zich daarmede

willen los koopen; zij zullen eene strenge straf ondergaan en zullen

geen verdediger hebben. 86. Nimmer zult gij de gerechtigheid bereiken,

dan nadat gij aalmoezen zult hebben gegeven van hetgeen gij lief hebt;

en God weet wat gij geeft. 87. Het gebruik van alle spijzen was den

kinderen IsraÎls geoorloofd, uitgezonderd datgene wat IsraÎl zich

zelven verbood, vÛÛr de thora werd gegeven. Zeg: breng de thora en

lees die, indien gij oprecht zijt. 88. Wie dus God leugens toedicht,

behoort tot de goddeloozen. 89. Zeg: God is waarachtig; volgt daarom

den godsdienst van den rechtgeloovigen Abraham die geen afgodendienaar

was. 90. De eerste tempel voor de menschen gesticht, was die te Becca

[282], tot zegen en tot rechtsnoer voor alle menschen. 91. Daarin zijn

duidelijke teekens. Dit is de plaats van Abraham, en wie die betreedt,

zal veilig zijn. Het is de plicht van alle menschen die het kunnen,

een pelgrimstocht daarheen te doen. 92. Wat de ongeloovigen betreft,

God heeft geen schepsel noodig. 93. Zeg: o gij! die de schrift hebt

ontvangen, waarom gelooft gij Gods teekenen niet? God is getuige van

al hetgeen gij doet. 94. Zeg: o gij! die de schrift hebt ontvangen,

waarom wilt gij de geloovigen van den weg Gods afleiden? Gij tracht

hen te verwarren, en gij zijt zelven getuigen. Maar God is niet

onopmerkzaam omtrent hetgeen gij doet. 95. O geloovigen! Indien gij

eenigen van hen volgt, die de schrift hebben ontvangen, dan zullen

zij u ongeloovig maken, nadat gij geloovig zijt geweest. 96. Hoe

kunt gij echter ongeloovig worden, indien men u de teekens van God

voorleest, en zijn gezant onder u is? Wie God vast aankleeft, wordt

op den rechten weg gevoerd. 97. O geloovigen! vreest God met oprechte

vrees en sterft niet, zonder dat gij trouwe geloovigen (Muzelmannen)

zijt. 98. Kleeft allen God sterk aan [283] en verlaat hem niet, en

gedenkt de weldaden, die hij u heeft bewezen. Terwijl gij vijanden

waardt, heeft hij uwe harten vereenigd, en gij zijt door zijne genade

een volk van broeders geworden. 99. Gij waart aan den rand van het

hellevuur, en hij bevrijdde u. God maakte u zijne teekens bekend,

opdat gij op den rechten weg zoudt mogen geleid worden. 100. Opdat

gij een volk zoudt worden, dat de anderen tot het goede zou brengen,

het goede gebiedende, het slechte verbiedende. Dit volk zal gelukkig

zijn. 101. Weest niet als zij die zich gescheiden hebben, en die nog

oneenig zijn [284], nadat zij de duidelijke leer hebben ontvangen; zij

zullen eene strenge straf ondergaan. 102. Op den dag der opstanding

zullen eenige blanke, anderen zwarte gezichten hebben. God zal

zeggen tot hen die zwarte gezichten hebben; zijt gij ongeloovigen

geworden, nadat gij geloovigen waart? Ontvangt dan de straf voor

uw ongeloof. 103. Zij wier gezichten blank zijn, zullen Gods genade

ontvangen en die eeuwig genieten. 104. Dit zijn Gods teekenen; die wij

u in waarheid openbaren. 105. Hem behoort alles wat in den hemel en op

aarde is, en tot hem zullen eens alle dingen terugkeeren. 106. Gij zijt

het beste volk dat ooit onder de menschen is opgestaan: gij beveelt wat

rechtvaardig is, verbiedt wat slecht is, en gelooft aan God. En indien

zij, die de schrift hebben ontvangen, geloofd hadden, waarlijk het ware

beter voor hen geweest. Er zijn eenige geloovigen onder hen [285],

maar het grootste gedeelte hunner zijn goddeloozen. 107. Zij zullen

u slechts weinig nadeel kunnen toebrengen, en als zij met u kampen,

zullen zij vluchten en niet geholpen worden. 108. Overal waar men hen

vindt, zal smaad hen treffen, behalve indien zij een verbond met God

en de menschen sluiten. Gods toorn laden zij op zich, en gebrek zal hen

treffen, omdat zij Gods teekenen geloochend, de profeten onrechtvaardig

gedood, en oproer en boosheid gesticht hebben. 109. Maar de bezitters

der schrift zijn niet allen gelijk. Er zijn rechtschapene onder hen

[286], die elken nacht doorbrengen met nadenken over Gods teekenen

en hen te aanbidden. 110. Zij gelooven aan God en aan den jongsten

dag; zij gebieden wat goed is, verbieden wat slecht is en streven

naar goede daden; zij behooren tot de vromen. 111. Het goede zal niet

onbeloond blijven: want God kent de vromen. 112. Niets zal bij God de

ongeloovige helpen: noch vermogen noch kinderen. Zij worden aan het

hellevuur overgeleverd en zullen eeuwig daarin blijven. 113. Wat zij

in deze wereld uitleenen, gelijkt een hevigen, kouden wind, die over

het staande koren van de menschen waait en het verwoest. God is niet

onrechtvaardig omtrent hen; zij waren veeleer onrechtvaardig omtrent

zich zelven. 114. O gij geloovigen! sluit geene vriendschap met hen

die niet tot de uwen [287] behooren; zij laten niet na, u te verleiden;

zij wenschen slechts uw verderf. Hunnen haat hebben zij reeds met den

mond uitgesproken, maar wat in hunne borst blijft besloten, is nog

verderfelijker. Wij hebben u daarvan reeds bewijzen gegeven, indien

gij deze slechts verstaat. 115. Ziet, gij bemint hen, en zij beminnen

u niet. Gij gelooft aan de geheele schrift; indien zij u ontmoeten,

zeggen zij: wij gelooven; zijn zij echter heimelijk bij elkander

gekomen, dan bijten zij zich uit toorn tegen u op de nagels. Zeg hun:

sterft van toorn; God kent het binnenste uws harten. 116. Als het u

goed gaat, zullen zij bedroefd zijn, en indien u een ongeluk overkomt,

zijn zij van vreugde vervuld. Indien gij echter geduldig zijt en

God vreest dan zullen hunne listen u niet schaden; want God weet

wat zij doen. 117. Herinner u den dag, toen gij met het aanbreken

van den dag uwe familie verliet, om de geloovigen een kamp voor den

oorlog te bereiden [288], God hoorde en wist het. 118. Toen twee van

de heerscharen den moed verloren [289] en God hen ondersteunde. Op

God moeten de geloovigen dus vertrouwen. 119. God heeft u geholpen

bij den slag van Bedr, toen gij zwakker in getal waart. Vreest dus

God en weest dankbaar. 120. En toen gij tot de geloovigen zeidet:

Is het niet genoeg, dat God u met drieduizend van den hemel dalende

engelen helpt? 121. Waarlijk indien gij volhardt en God vreest, dan

zal, indien de vijand u plotseling overvalt, God u met vijfduizend

uitgeruste engelen versterken. 122. En God verkondigt dit als

eene gelukkige tijding, opdat uwe harten gerust zouden zijn. Er

is geene andere hulp dan bij God, de machtige, de wijze. Dat hij

de ongeloovigen met den wortel zal uitroeien, of verdelgen, en

dat zij omvergeworpen of bestraft zullen worden, is u onnoodig te

weten. 123. Het gaat u niet aan, of God hen bestraft of hun vergeeft;

het zijn zondaren [290]. 124. Gode behoort alles wat in den hemel en

op aarde is; hij vergeeft en straft wien hij wil; God is genadig en

barmhartig. 125. O geloovigen! vermijdt den woeker, door tweevoudig

te verdubbelen. Vreest God, opdat gij gelukkig zijt. 126. Vreest het

vuur, voor de goddeloozen bereid, en gehoorzaamt God en den profeet,

om Gods genade te verwerven. 127. Wedijvert om de genade van uwen

Heer te ontvangen en het paradijs, dat, zoo groot als de hemel en

de aarde, bestemd is voor de godvreezenden. 128. Voor hen die in

goede en slechte tijden aalmoezen geven, hunnen toorn beheerschen

en de menschen vergeven; want God mint de goeden. 129. Degenen, die

nadat zij eene booze daad bedreven of een zonde begaan hebben, God

gedenken en om vergeving bidden--en wie kan buiten God hunne zonden

vergeven?--en niet volharden in het booze dat zij erkennen. 130. Deze

allen zullen genade van hunnen Heer ontvangen, en tuinen van beken

doorsneden, waarin zij eeuwig zullen wonen. Hoe heerlijk is het loon

van hen die wel handelen. 131. Reeds vÛÛr u waren er voorbeelden

van straffen op boozen. Doorloop de aarde, en zie hoe het einde was

van hen, die Gods gezanten van bedrog hebben beschuldigd. 132. Dit

boek is eene verklaring aan de menschen, een richtsnoer en vermaning

voor u, vromen. 133. Weest dus niet ontmoedigd en treurig. Gij zult

de bovenhand behouden, indien gij gelooft. 134. Zoo gij in den krijg

eene wonde ontvangt, dan heeft de booze mede er eene ontvangen [291]

en wij laten de dagen zoo afwisselend op elkander volgen onder de

menschen, opdat God hen kenne die gelooven en wie martelaars onder u

zijn (God mint de boozen niet). 135. Om de geloovigen te beproeven

en de ongeloovigen te verdelgen. 136. Gelooft gij dan het paradijs

binnen te gaan, vÛÛr God hen kent, die voor hem gekampt en volhard

hebben. 137. Gij verlangdet den dood vÛÛr hij nabij was [292], gij

hebt dien gezien en gij beschouwdet dien. 138. Mahomet is slechts

een gezant. Andere gezanten zijn reeds vÛÛr hem gestorven: indien

hij zou sterven of gedood worden, zoudt gij dan op uwe voetstappen

willen terugkeeren? Maar hij die op zijne voetstappen terugkeert,

schendt God niet, en God zal de dankbaren beloonen. 139. Geene ziel

kan sterven dan op Gods verlof, naar het boek waarin de bestemming

van alle dingen is opgeschreven [293]. Wie de belooning in deze

wereld verlangt, zullen wij die geven; wij zullen haar echter ook

hun geven, die hunne belooning in het toekomstige leven verlangen. De

dankbaren zullen wij beloonen. 140. Hoevele profeten kampten met hen,

die tienduizendmaal zoo sterk waren; toch lieten zij den moed

niet zakken om hetgeen zij doorstonden, terwijl zij voor des

Heeren godsdienst kampten, en gedroegen zich niet zwak en niet

verachtelijk. God mint hen die geduldig volharden. 141. En zij

zeiden niet anders dan: o Heer vergeef ons onze zonden en wat wij in

onze daden misdreven hebben; sterk onze voeten en sta ons bij tegen

de ongeloovigen. God gaf hun daarvoor in deze wereld belooning en

een heerlijk loon in de toekomstige; want God bemint hen die goed

doen. 142. O geloovigen! indien gij naar de ongeloovigen luistert,

zullen zij op uwe vroegere voetstappen terug brengen, opdat gij

afvallig zoudt worden, en u in het verderf storten. 143. God is

uw beschermer en hij is de beste helper. 144. Wij vervullen het

hart der ongeloovigen met schrik, omdat zij God nog andere wezens

hebben toegedicht, waartoe zij geene macht hadden. Het vuur zal

hunne woning wezen, en de verblijfplaats der goddeloozen zal

verschrikkelijk zijn. 145. God had reeds zijne beloften vervuld,

toen gij, met zijnen wil, de vijanden hebt verslagen; maar gij liet

den moed zinken, streedt over de bevelen, werd oproerig, hoewel hij

u de vervulling uwer wenschen [294] had getoond. 146. Eenige onder u

kozen deze wereld, anderen weder de toekomstige. Hij heeft u op de

vlucht gejaagd om u te beproeven; maar hij heeft u reeds vergeven;

want God is genadig omtrent de geloovigen. 147. Herinnert u, hoe gij

tegen de hoogte opgeklommen zijt, en naar geen uwer omzaagt, terwijl

de profeet u riep [295]. Toen liet God bedroefenis op bedroefenis over

u komen, opdat gij geene droefheid zoudt gevoelen over het verlies

van den buit en over andere treurige gebeurtenissen. God kent al uwe

daden. 148. Toen liet God, na de droefheid, tot verkwikking, eenigen in

diepen slaap vallen [296]. Een ander deel der uwen werd verontrust door

zich zelven, terwijl zij valsche en dwaze denkbeelden van God hadden,

en zeiden: zal een gedeelte van die zaak met ons gebeuren [297]. Zeg:

waarlijk, alles behoort God. Zij verbergen gedachten in hunne harten,

die zij u niet openbaren, zeggende: indien een dergelijke zaak met ons

gebeurd ware, wij waren hier niet geslagen geworden [298]. Antwoordt

hun: Indien gij zelfs in uwe huizen waart gebleven, dan hadden toch

zij, wier dood bestemd was, naar buiten naar de plaats moeten gaan

om daar te sterven. God wilde daardoor de gevoelens en gedachten

uwer harten onderzoeken; want God kent het binnenste van het hart

der menschen. 149. Zij die zich op den dag des slags tusschen de

beide legers verwijderden, werden door satan verleid, tot straf van

eenigerhande misdaad door hen bedreven; maar God heeft hun thans

vergeven; want God is vergevend en genadig. 150. O geloovigen! weest

niet als de ongeloovigen, die van hunne broeders zeggen, als zij het

land doorreizen, of naar den oorlog gaan: Indien zij met ons waren

gebleven, zouden zij niet gestorven of niet gedood zijn. God heeft

dit gedaan om hun hart te beproeven. God geeft leven en dood, en ziet

wat gij doet. 151. En indien gij ook gedood wordt, of sterft voor de

verdediging van des Heeren godsdienst, waarlijk dan is Gods genade

en barmhartigheid beter dan alle wereldsche schatten. 152. Hetzij

gij sterft of gedood wordt, gij wordt tot God verzameld. 153. En

wat de barmhartigheid betreft, die gij hun van God hebt geopenbaard,

gij o Mahomet! waart mild omtrent hen; waart gij strenger en harder

geweest, dan hadden zij zich zekerlijk van u gescheiden. Vergeef hun

dus en vraag vergiffenis voor hen, en raadpleeg hen omtrent de zaak

van den oorlog, en nadat gij hebt beraadslaagd, vertrouwt op God;

want God bemint die op hem vertrouwen. 154. Indien God u helpt,

dan kan u niemand overwinnen; indien hij u echter verlaat; wie zou

u dan na hem kunnen helpen? Vertrouw daarom op God. 155. Het is de

gewoonte van den profeet niet, te bedriegen [299]. Hij, die bedriegt,

zal op den dag der opstanding met zijn bedrog moeten verschijnen

[300]. Dan zal iedere ziel het loon ontvangen wat zij heeft verdiend,

en niemand zal onrechtvaardig behandeld worden. 156. Zou hij, die

naar Gods welbehagen leeft, evenzoo behandeld worden als hij, die

Gods toorn heeft op zich geladen, en de hel zijne woning zijn? Eene

ongelukkige reis zal dat zijn, 157. Er zullen graden van belooning en

straf bij God zijn; want God ziet wat gij doet. 158. God heeft ook

daardoor zijne goedheid omtrent de geloovigen getoond, dat hij hun

een apostel uit hun midden heeft gezonden, om hun zijne teekens te

leeren en hen te reinigen, en hen te onderwijzen in de wijsheid [301],

daar zij vroeger in eene openbare dwaling verkeerden. 159. Toen u een

onheil geschiedde (bij Ohod) nadat gij reeds twee gelijke voordeelen

had behaald, zeidet gij: Van waar komt ons dit? Antwoord: Dit is van

u zelven [302]; want God is almachtig. 160. En wat u trof op den dag,

toen de twee legers elkander ontmoeten, was zekerlijk door Gods wil,

opdat hij de geloovigen en de goddeloozen zou leeren kennen. Toen

men hun zeide: komt, vecht voor des Heeren godsdienst en drijft den

vijand terug, zeiden zij: Indien wij konden vechten zouden wij u

volgen. Toen waren zij het ongeloof nader dan het geloof. 161. Zij

spraken met hunne monden, wat niet in hunne harten was: maar God

wist wat zij verborgen. 162. Die te huis gebleven waren, zeide van

hunne broeders: Hadden zij ons gevolgd, dan waren zij niet geslagen

geworden. Antwoord hun: Keert den dood dan van u af, indien gij

waarheid zegt. 163. Rekent hen toch niet onder de dooden, die voor

des Heeren godsdienst zijn gevallen: zij leven bij hunnen God, die

hen voor eeuwig verzorgt. 164. Zij verblijden zich om de weldaden,

waarmede God hen heeft overladen, en verheugen zich om degenen, die

na hen zullen komen, maar nog niet bij hen zijn, en die door vrees

noch droefheid zullen getroffen worden. 165. Zij verheugen zich om de

weldaden en de genade die zij van hem hebben ontvangen, en omdat hij

de belooningen der geloovigen niet verloren laat gaan. 166. Zij, die

God en zijnen apostel gevolgd zijn en nadat zij te Ohod verwond waren,

even als zij die goede daden verrichten en God vreezen, zullen eene

ruime belooning ontvangen. 167. Tot hen zeiden de menschen: Waarlijk:

de bewoners van Mekka hebben zich reeds met macht tegen u uitgerust:

vreest hen dus; maar dit vermeerderde slechts hun vertrouwen, en

zij zeiden: God is onze hulp en de beste beschermer. 168. Daarom

kwamen zij ook met Gods gunst en weldaden terug: geen ongeluk had

hen getroffen, en zij volgden Gods welbehagen; want zijne genade is

oneindig. 169. Satan wil u vrees voor zijne vrienden veroorzaken;

doch vreest niet hen, maar mij alleen, indien gij geloovigen

zijt. 170. Laten zij u niet bedroeven, die het ongeloof zoo haastig

najagen: zij zullen God nooit het minst schaden. God zal hun geen deel

in de toekomstige wereld geven, en zij zullen eene gestrenge straf

ondergaan. 171. Waarlijk, zij die het geloof tegen ongeloof verruilen,

kunnen God niet de minste schade toebrengen, maar eene gestrenge straf

wacht hen. 172. Laten de ongeloovigen toch niet denken, dat, zoo wij

hun leven verlengen en gelukkig maken, dit eene weldaad zij: neen! wij

verlengen hun leven en maken het gelukkig, opdat zij slechts hunne

zonden vermeerderen en eene strengen straf zouden ondergaan. 173. God

zal de geloovigen niet langer in den toestand laten, waarin gij

u thans bevindt, dan tot dat hij de slechten van de goeden heeft

afgezonderd. 174. God zal u ook niet met zijne geheimen bekend

maken [303]; maar God kiest hiertoe een zijner gezanten; naar zijn

welbehagen. Gelooft daarom in God en zijne Gezanten: indien gij gelooft

en God vreest, zult gij eene ruime belooning ontvangen. 175. Laat

ook zij die gierig zijn met de weldaden, die hun door Gods goedheid

zijn geworden, niet gelooven dat hunne gierigheid tot hun geluk

dient: neen zij dient veeleer tot hun verderf. 176. Wat zij met

gierigheid verzameld hebben, zal op den dag der opstanding hun als

een halsband om den hals gehangen worden [304]. God is erfgenaam van

hemel en aarde; hij kent al uwe daden. 177. God heeft reeds de woorden

gehoord van hen die zeiden: God is arm en wij zijn rijk. Wij willen

opschrijven wat zij gezegd hebben, even als den moord der profeten,

die zij zonder oorzaak hebben begaan en wij willen tot hen zeggen:

Neemt nu de straf der verbranding aan. 178. Dit zullen zij ondergaan

voor het booze, dat zij met hunne handen hebben verricht; want God

is niet onrechtvaardig omtrent zijne dienaren. 179. Anderen zeggen:

God heeft ons beloofd, dat wij geen gezant zouden moeten gelooven,

dan alleen indien hij met een offer tot ons komt, dat dadelijk door

het vuur verteerd wordt. 180. Antwoord: Reeds vÛÛr mij zijn gezanten

gekomen met duidelijke bewijzen en met het wonder waarvan hij spreekt:

waarom hebt gij hen dan gedood, indien gij waarheidlievende menschen

zijt? 181. Beschuldigen zij u van bedrog o Mahomet! de gezanten vÛÛr u

werden reeds van bedrog beschuldigd, terwijl zij duidelijke bewijzen

medebrachten en de schrift het verlichtende boek. 182. Iedereen zal

den dood proeven, en op den dag der opstanding zult gij uw loon

ontvangen; en hij, die zich ver van het vuur heeft verwijderd en

in het paradijs zal toegelaten worden, zal gelukkig zijn; want het

aardsche leven is bedriegelijk bezit. 183. Gij zult beproefd worden

in uwe bezittingen en in u zelven, en gij zult vele harde woorden

moeten aanhooren van hen, die de schrift vÛÛr u hebben ontvangen en

van de afgodendienaars; maar weest geduldig en vreest God; want zoo

is het vastbesloten. 184. En toen God een verbond sloot met hen, die

hij de schrift gaf, met den last, die den menschen bekend te maken

en haar niet te verbergen, wierpen zij dit achter hunne ruggen en

verkochten het voor een lagen prijs. Hoe slecht was de prijs dien

zij er voor ontvingen. 185. Denk niet dat zij, die zich verblijden

in hetgeen zij gedaan hebben, en wenschen geprezen te worden om

hetgeen zij niet gedaan hebben, denk niet dat zij van de straf zijn

uitgesloten; eene groote straf wacht hen. 186. God is de Heer over

hemel en aarde. Hij is de almachtige. 187. In de schepping van hemel

en aarde; in de afwisseling van dag en nacht zijn teekens voor hen

die nadenken. 188. Die staande, zittende en liggende aan God denken

en, bij het nadenken over de schepping van hemel en aarde, uitroepen:

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 11 / 89 段