Is deze tijd verloopen, dan is het geene zonde, als zij naar

billijkheid met zich zelven handelen. God weet wat gij doet. 235. Ook

is er geene zonde in, zoo gij vÛÛr dezen tijd [221] openlijk eene

vrouw ten huwelijk vraagt of dit voornemen in uwen boezem verborgen

houdt. God kent uwe wenschen. Doet haar echter geene beloften in het

geheim, dan wanneer gij dit met kuische woorden doet. 236. Gaat echter

de verbintenis zelve niet aan, tot de bestemde tijd is verloopen:

weet, dat God kent wat in uwe harten geschiedt, en weet, dat hij

genadig en barmhartig is. 237. Ook is het geene zonde, zich van de

vrouw te scheiden, zoo lang gij haar niet aangeraakt of haar nog

geene huwelijksgift toegekend hebt; doch dan moet gij, de rijke

en de arme, ieder naar omstandigheden en billijkheid, voor haar

onderhoud zorgen. Dit is de plicht der rechtvaardigen. 238. Verstoot

gij eene vrouw vÛÛr gij haar hebt aangeraakt, maar nadat gij haar

eene huwelijksgift hebt toegekend, dan zult gij haar de helft geven

van hetgeen gij haar toegekent hebt, behalve wanneer zij, of hij die

het huwelijks-contract in handen heeft, van alles afziet. Zijt gij

echter toegevend, dan nadert gij de vroomheid des te meer. Vergeet

de edelmoedigheid niet onder u. God ziet wat gij doet. 239. Neemt

het gebed in acht; vooral het middengebed [222]. Bidt God met

eerbied. 240. Vreest gij (eenig gevaar, bidt dan) te voet of te paard;

zijt ge in zekerheid, gedenkt dan God, die u heeft geleerd wat gij

nog niet wist. 241. Zij onder u die sterven en vrouwen achter laten,

moeten haar onderhoud voor een jaar achter laten, zonder haar uit

het huis te verdrijven. Verlaten zij het vrijwillig, dan hebt gij

er geene zonde van, indien zij naar billijkheid met zich zelven

handelen. God is machtig en wijs. 242. De gescheiden vrouwen zijt

gij mede verplicht naar billijkheid te onderhouden, zoo als het den

godvruchtige betaamt. 243. Dit heeft God u duidelijk voorgeschreven,

opdat gij het zoudt verstaan. 244. Hebt gij hen nog niet beschouwd

die hunne woningen verlieten (zoo waren er duizenden) uit vrees voor

den dood [223]. God zeide tot hen: Sterft. Daarop wekte Hij hen weder

op; want God is genadig voor de menschen, doch het grootste gedeelte

hunner bedankt hem niet voor zijne weldaden. 245. Kampt voor des Heeren

godsdienst, en beseft dat God alles hoort en kent. 246. Wie wil God

tegen goede renten leenen? Veelvoudig verdubbeld geeft hij het hem

weder; want God verbreidt en beperkt zijne weldaden naar zijnen wil, en

tot hem keert gij eens terug. 247. Hebt gij nog niet teruggeblikt op de

vergadering der kinderen IsraÎls, na den tijd van Mozes, toen zij tot

den profeet zeiden: stel een koning over ons, dat wij voor des Heeren

godsdienst mogen strijden. Hij antwoordde; Zult gij misschien niet

weigeren te vechten, als u de oorlog bevolen wordt? Zij antwoordden;

Zouden wij niet kampen voor den godsdienst onzes Heeren; wij die uit

ons land verdreven en van onze kinderen gescheiden zijn? Toen hun nu

echter de krijg werd bevolen, vloden zij op weinigen na. Maar God

kent de goddeloozen. 248. En hun profeet zeide tot hen: Waarlijk,

God heeft Talut [224] als koning over u gesteld; toen zeiden zij:

Hoe zal hij over ons regeeren, daar wij den schepter meer waardig

zijn dan hij; daarbij bezit hij geene rijkdommen? De profeet zeide:

God heeft hem voor u gekozen; hij heeft hem uitgerust met voordeelen

van geest en lichaam. God geeft de regeering wien hij wil: God is

goed en wijs. 249. De profeet zeide tot hen: een teeken van zijn rijk

zal zijn, dat de arke [225] waarin de Godheid woont, tot u zal komen

en ook de reliquieÎn, welke door de gezinnen van Mozes en A‰ron zijn

achtergelaten. Engelen zullen u die brengen. Dit zijn teekenen voor

u, indien gij geloovig zijt. 250. Toen nu Talut met zijne soldaten

uittrok, zeide hij: God wil u aan de rivier beproeven. Wie daaruit

drinken zal, is niet met mij, doch wie daaruit niet drinkt, zal met

mij zijn. Hij die echter met de vlakke hand een weinig daaruit schept,

is daarvan uitgezonderd. Maar op weinigen na dronken allen daaruit

[226]. Toen zij nu de rivier waren overgetrokken, hij en die met

hem geloofden, riepen zij: Wij hebben heden geene kracht tegen Jalut

[227] en zijne soldaten. Zij echter die geloofden dat zij God eens

zouden zien, zeiden: Hoe dikwijls heeft niet reeds een klein leger,

door Gods hulp, een talrijker leger overwonnen. God is met de geduldig

volhardenden. 251. Toen zij nu tot den strijd met Jalut en zijn leger

optrokken, zeiden zij: O Heer! stort geduld over ons uit, sterk

onzen voet en help ons tegen dit ongeloovige volk. 252. Door Gods

wil overwonnen zij, en David doodde Jalut. En God gaf hem het rijk

[228] en wijsheid, en leerde hem, wat hij wilde. Zou God den mensch

niet door den mensch binnen de grenzen houden, dan ware de aarde reeds

verdorven. Maar God is genadig voor zijne schepselen. 253. Dit zijn de

teekens van God, en wij openbaren u die in waarheid; want gij behoort

tot de gezanten. 254. Onder de apostelen hebben wij eenigen boven de

anderen bevoorrecht. Met eenige sprak God zelf, anderen bevoorrechte

hij nog meer. Jezus, den zoon van Maria, gaven wij kracht van teekenen

en versterkten hem met den heiligen geest [229]. Indien God gewild

had, dan zouden de later levenden, nadat hun zulke duidelijke teekens

waren geopenbaard, niet van meening verschillen. Maar zij zijn van

verschillende meening. Eenige gelooven, anderen gelooven niet. En

indien het Gode behaagd had, zouden zij niet onder elkander strijden;

maar God doet wat hij wil. 255. O geloovigen! geeft aalmoezen van

hetgeen wij u schonken, tot de dag komt, waarop noch onderhandeling,

noch vriendschap, noch bemiddeling zal zijn. Goddeloozen zijn de

ongeloovigen. 256. God is de eenige God; buiten hem is geen God,

de levende, de eeuwige [230]. Hem bereikt sluimering noch slaap;

hem behoort wat in den hemel en op aarde is. Wie kan bemiddelaar bij

hem zijn, zonder zijnen wil. Hij weet wat was, wat zijn zal, en de

menschen begrijpen slechts wat hij hun wil leeren. Zijn troon [231] is

over hemel en aarde uitgespreid en de bewaking van beide kost hem geene

moeite. Hij is de verhevene, de machtige. 257. Laat geen dwang in den

godsdienst zijn. De ware leer is duidelijk van de valsche onderscheiden

[232]. Wie echter den Tagut [233] verloochent en aan God gelooft, rust

op eenen staf, die nimmer breekt. God hoort en weet alles. 258. God is

de beschermer der geloovigen. Hij voert hen door de duisternis naar

het licht. 259, De ongeloovigen hebben geen anderen beschermer dan

Tagut, die hen uit het licht in de duisternis zal leiden; zij behooren

tot de hel, en eeuwig zullen zij daar blijven. 260. Hebt gij niet

teruggeblikt op hem die met Abraham over God heeft gestreden [234],

omdat God hem het koninkrijk had gegeven. Toen Abraham zeide: Mijn Heer

is hij, die leven geeft en doodt. Hij antwoordde: Ook ik maak levend

en dood. Abraham hernam: Hij brengt de zon van het Oosten hierheen,

breng gij die van het Westen. De ongeloovige was verbaasd. God leidt

de ongeloovigen niet. 261. Of hebt ge niet teruggeblikt op hem die

eene stad voorbijging, welke verwoest was tot op den grond [235]

en zeide: Hoe zal God deze stad weder doen herleven, nadat zij dood

is. God liet hem daarop sterven en eerst na honderd jaren weder

opstaan, en God zeide: Hoe lang hebt gij hier doorgebracht? Hij

antwoordde: een dag of een deel van eenen dag. En God zeide: Neen,

gij hebt hier honderd jaren doorgebracht. Zie op uw spijs en drank;

zij zijn nog niet bedorven. Zie ook op uwen ezel, dien wij als een

teeken voor de menschen hebben ingesteld. Betracht deze hoe wij die

opwekken en met vleesch omkleeden. Toen hij dit wonder zag, riep

hij uit: Nu weet ik dat God almachtig is. 262. Toen Abraham zeide;

O Heer! toon mij, hoe gij de dooden levend maakt [236], zeide God:

Wilt gij nog niet gelooven? Ja, maar ik vraag slechts om mijn hart

gerust te stellen. God zeide, neem daartoe vier vogels [237], snijd

die in stukken, en leg een stuk op iederen berg; roep ze daarna en zij

zullen tot u komen; want weet dat God almachtig en wijs is. 263. Zij

die hun vermogen voor des Heeren Godsdienst verteren, gelijken een

zaadkorrel, die zeven aren oplevert en waarvan iedere aar honderd

zaadkorrels voortbrengt; want God geeft tweevoudig aan hen die hem

behagen; God is goed en wijs. 264. Zij die hun vermogen voor des

Heeren Godsdienst verteren en die gaven niet terugvorderen, en ook

geen strijd daarom beginnen, zullen door hunnen Heer beloond worden;

hun treft vrees noch droefheid. 265. Woorden van vriendelijkheid en

vergeving zijn beter dan eene aalmoes door onvriendelijkheid gevolgd

[238]. God is rijk en genadig. 266. O geloovigen! maakt uwe aalmoezen

toch niet ijdel door verwijtingen of onvriendelijkheid, evenals

diegenen, welke slechts aalmoezen geven, opdat de lieden het zullen

zien, maar niet aan God en aan den jongsten dag gelooven. Zij gelijken

de kiezelsteenen die op de aarde liggen; het moge er op regenen, zij

blijven toch hard. Hunne zaken zullen hun geene winst aanbrengen; want

God leidt de ongeloovigen niet. 267. Zij echter die aalmoezen geven om

God te behagen en tot heil hunner zielen, gelijken eenen tuin, die op

eenen heuvel ligt waarop een sterke regen valt, en die zijne vruchten

tweevoudig voortbrengt; en indien er geen regen op valt, wordt hij

toch door den dauw bevochtigd, God ziet wat gij doet. 268. Begeert

een uwer een tuin te hebben met palmboomen en wijnstokken [239],

door beken besproeid, waarin alle soorten van vruchten voorkomen;

dat door hem een hooge ouderdom worde bereikt; dat hij kinderen hebbe

die hem gelijk zijn, en dat een vreeselijke storm met vlammen dien

tuin verwoeste? Zoo verklaart God u zijne teekens, opdat gij zoudt

nadenken. 269. O geloovigen! geeft aalmoezen van de goede zaken

die gij verworven hebt, en van datgene wat wij voor u uit de aarde

hebben doen voortkomen, en zoekt niet het slechtste voor aalmoezen

uit. 270. Zoo als gij zelven het niet hebt ontvangen, of het moest

door wederzijdsch goedvinden zijn met hem die het u aanbood. Weet,

dat God groot en hooggeprezen is. 271. Satan bedreigt u met armoede

[240] en beveelt u met schandelijkheden. God belooft u vergeving en

rijkdom, en waarlijk God is mild en wijs. 272. Hij geeft wijsheid

aan wien hij wil, en degene die de wijsheid heeft ontvangen, bezit

een groot goed; maar slechts de wijzen bedenken dit. 273. Wat gij

aan aalmoezen geeft en wat gij gelooft, God weet het; zondaren worden

niet beschermd. Maakt gij uwe aalmoezen bekend, het is goed; maar zoo

gij verbergt wat gij den armen geeft, dan is het nog beter. Dit zal

al uwe zonden uitwisschen. God weet wat gij doet. 274. Gij zijt niet

verplicht hen terecht te wijzen, God leidt wien hij wil. Wat gij aan

aalmoezen geeft is voor uw heil; wat gij geeft, geeft het met het

doel, Gods aangezicht te zien [241]. Wat gij den armen goed doet,

zal u eens betaald worden, en gij zult niet onrechtvaardig behandeld

worden. De armen die in den godsdienstoorlog bezig zijn, kunnen het

land niet doorloopen om hun onderhoud te zoeken. De onwetenden houden

hen om hunne bescheidenheid voor rijk. Aan hunne merken zult gij hen

erkennen [242]; zij vragen niet met onbescheidenheid. Het goede wat

gij hun doet is God bekend. 275. Zij die nacht en dag aalmoezen van

hun vermogen geven, in het geheim en openbaar, zullen hun loon van den

Heer ontvangen, en vrees noch droefheid zal hen bereiken. 276. Zij,

die van woeker leven, zullen eens weder opstaan, als bezetenen,

die door Satan zijn aangeraakt, en wel omdat zij zeggen: "Koophandel

staat gelijk met woeker." Maar God heeft den handel veroorloofd

en den woeker verboden. Wie nu, door Gods waarschuwing, zich

daarvan onthoudt, ontvangt vergeving voor het verledene, en zijn

lot wordt dan door Gods wil geregeld. Zij echter die tot den woeker

terugkeeren, zullen deelgenooten der hel zijn: eeuwig zullen zij daarin

blijven. 277. God geeft den woeker geen zegen, de aalmoezen zal hij

vermeerderen. God bemint de Goddeloozen niet. Zij die gelooven, goed

doen, het gebed verrichten en aalmoezen geven, hebben loon van hunnen

Heer te verwachten, en vrees noch droefheid zal hen bereiken. 278. O

geloovigen! vreest God en geeft den woeker [243] terug, dien gij in

handen hebt, voor zoo ver gij geloovigen zijt. 279. Doet gij dit echter

niet, verwacht dan den oorlog met God en zijnen apostel. Maar bekeert

gij u, dan zal u uw kapitaal verblijven. Doet niemand onrecht, dan

zal u geen onrecht geschieden. 280. Valt een schuldenaar de betaling

moeilijk, wacht dan tot zij hem gemakkelijker is; schenkt gij zijn

schuld hem echter, als aalmoes, des te beter voor u; indien gij

het weet. 281. Vreest den dag waarop gij tot God zult terugkeeren,

dan ontvangt iedere ziel het loon dat zij verdient, en niemand zal

onrecht gebeuren. 282. O geloovigen! indien gij bij eene schuld u voor

een bepaalden tijd verbindt, doet het dan schriftelijk. Een schrijver

schrijve dit nauwkeurig voor u neder. De schrijver schrijve alleen en

niet anders dan zoo als het hem door God geleerd is. Laat hem schrijven

zoo als de schuldenaar het hem voorzegt, naar waarheid; hij vreeze

God zijnen Heer en vervalsche niets. Is echter de schuldenaar dwaas

of zwak, of kan hij zelf niet voorzeggen, dan zegge zijn voogd [244]

naar waarheid, en neme twee mannen onder u tot getuigen. Kent gij

geene twee mannen, neemt dan een man en twee vrouwen, van die welke

u geschikt voorkomen, tot getuigen; indien zich eene dezer (vrouwen)

vergist, kan de andere haar helpen. De getuigen mogen niet weigeren,

indien zij geroepen worden. Versmaadt het niet op te schrijven, hetzij

een groote of kleine schuld, met het tijdstip van betaling. Dit zal

rechtvaardiger zijn in het oog van God; het dient tot verzekering

en neemt allen twijfel weg. Maar is het eene zaak, die gij dadelijk

tusschen u beiden afmaakt, dan zal het geene zonde zijn indien gij

niets opschrijft; maar neemt getuigen indien de een den ander iets

verkoopt. Maar doe den schrijver noch den getuige geweld. Handelt

gij echter anders, dan begaat gij eene zonde. Vreest God: hij zal u

onderrichten; want hij weet alles. 283. Zijt gij echter op reis en

vindt gij geen schrijver, neemt dan een onderpand. Vertrouwt echter de

een den ander zonder dat, dan geve hij, wien het vertrouwd werd, het

vertrouwde weder terug en hij vreeze God. Weiger geene getuigenis. Wie

het verbergt, heeft een boos hart, en God weet wat gij doet. 284. Gode

behoort wat in den hemel en op aarde is. Hij zal u rekenschap vragen

van hetgeen in uwe harten is, hetzij gij het openbaar maakt of

verbergt. Hij zal vergeven en bestraffen wien hij wil; want God is

almachtig. 285. De profeet gelooft aan hetgeen hem geopenbaard is,

en alle geloovigen gelooven aan God, aan zijne engelen, aan zijne

schrift en aan zijne profeten. Zij zeggen: Wij maken geen onderscheid

tusschen zijne profeten [245]. Wij hooren en wij gehoorzamen. U,

o Heer bidden wij om genade; want tot U keeren wij terug. 286. God

dwingt niemand boven zijne kracht te gaan; maar het loon van het goede

en kwade hetwelk men gedaan heeft, zal men ontvangen. O Heer! bestraf

ons niet, indien wij door verzuim of vergissing gezondigd hebben. Leg

ons het juk niet op, dat gij hun hebt opgelegd, die vÛÛr ons leefden

[246]. O Heer, leg ons niet meer op, dan wij dragen kunnen. Wees ons

genadig, vergeef ons, erbarm u onzer. Gij zijt onze beschermer. Help

ons tegen de ongeloovigen.

DERDE HOOFDSTUK.

DE FAMILIE IMRAM [247].

Gegeven te Mekka--200 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 10 / 89 段