verlangen zoudt volgen, dan behoordet gij tot de goddeloozen. 141. Zij

die de schrift bezitten, kennen hem (onzen apostel), zoo goed als zij

hunne eigen kinderen kennen [179], maar velen van hen verbergen de

waarheid tegen hun beter weten aan. 142. De waarheid komt van uwen

Heer, behoort dus niet tot den twijfelenden. 143. Ieder volk heeft

eene richting van den hemel, waarheen het zijn gezicht wendt; keert u

echter tot de betere, dan zal God u eens terugbrengen, waar gij ook

zijn moogt; want God is almachtig. 144. En aan welke plaats gij ook

komen moogt, wendt uw aangezicht naar den heiligen tempel; want dit

is de waarheid die van uwen God komt, en God is niet onopmerkzaam

nopens hetgeen gij doet. 145. Van waar gij ook komen moogt, wendt

uw aangezicht naar den heiligen tempel. Waar gij ook mocht zijn,

wendt uw aangezicht daarheen, opdat de menschen geen voorwensel tot

strijden tegen u hebben. Wat de goddeloozen betreft, vreest hen niet,

maar vreest mij, opdat ik u mijne genade verleene en op den rechten

weg voere. 146. Wij hebben u een apostel uit uw midden gezonden,

om u onze wonderen te brengen; om u te reinigen en u het boek en

wijsheid te leeren, en u te onderrichten nopens datgene wat ge nog niet

weet. 147. Denkt aan mij, opdat ik u gedenke. Weest dankbaar en wordt

niet ongeloovig. 148. O geloovige! smeekt hulp met geduld en gebed;

want God is met de geduldigen. 149. Zegt niet van hen welke op Gods weg

[180] gedood werden; "Zij zijn dood," maar; "Zij leven," [181] want dit

verstaat zij niet. 150. Waarlijk wij willen u beproeven door vrees en

honger, en door schade, welke gij aan vermogen, leven en vruchten zult

lijden. Maar verkondig heil aan de vrome lijdenden. 151. Hun die bij

een ongeluk uitroepen: Wij behooren God en keeren eens tot hem terug

[182]. 152. Over hen komt Gods zegen en barmhartigheid: zij zijn op

den rechten weg. 153. Ook Safa en Merwa [183] zijn gedenkstukken van

God, en wie in bedevaart naar den tempel gaat of die plaats bezoekt,

dien treft geen kwaad, indien hij om beiden heen gaat. Die het goede

uit eigene beweging doet, zal beloond worden; want God beloont alles

en is alwetend. 154. Zij die de duidelijke leer en leiding verbergen,

welke wij geopenbaard en in de schrift geleerd hebben, worden van God

vervloekt en, allen die vloeken, zullen hen vervloeken [184]. 155. Maar

zij die berouw hebben, en zich beteren en terugkeeren, neem ik weder

in genade aan; want ik ben genadig en barmhartig. 156. Waarlijk zij

die niet gelooven en ongeloovig sterven, hun treft Gods vloek en de

vloek van de engelen en van al de menschen. 157. Eeuwig zal die op

hen rusten; hunne straf wordt niet verzacht en nimmer zal God op hen

nederzien [185]. 158. Uw God is een eenige God; er is geen God buiten

hem, de albarmhartige. 159. In de schepping van hemel en aarde, en

de wisseling van nacht en dag; in het schip dat op de zee zeilt,

met hetgeen nuttig voor de menschen is, en in het water dat God

van den hemel doet stroomen, om de in den nood verkeerende aarde te

doen herleven, waarop hij de verschillende diersoorten verspreidt;

in de verandering der winden, en de beweging der wolken, tot het

verrichten van den dienst tusschen hemel en aarde [186] bestemd,

zijn wonderen voor nadenkende menschen gelegen. 160. Toch zijn er

nog menschen, die afgoden naast God plaatsen, en deze beminnen,

zooals men slechts God moet beminnen; maar zij die gelooven,

beminnen God nog inniger. O mochten de ongeloovigen, wanneer de

straf hen bereikt, het inzien, dat God alleen alle macht is, en dat

Hij streng in zijne straffen is. 161. Wanneer de verleiden zich eens

van de verleiders afzonderen [187] en de straffen zien, en hoe alle

banden tusschen hen scheuren. 162. Dan zullen de verleiders zeggen:

Indien wij konden herleven, dan zouden wij ons van hen afscheiden,

zooals zij thans ons vlieden. Zoo zal God hun hunne werken toonen,

dan zullen zij zuchten van smart, maar zullen niet uit het vuur

komen. 163. O menschen! geniet wat goed en geoorloofd is op aarde,

en volgt niet de stappen van satan; want hij is uw verklaarde

vijand. 164. Hij beveelt u het booze en schandelijke, en leert u van

God zeggen wat ge niet kent. 165. Als men hun zegt: Volgt datgene wat

God heeft gezonden! dan antwoordt gij: Neen, wij volgen de gebruiken

onzer vaderen. Maar waren hunne vaderen dan geen onverstandigen en

verkeerd geleiden? 166. De ongeloovigen gelijken op iemand, die een

man roept, welke slechts den klank der stem en het geluid hoort,

zonder de woorden te kunnen onderscheiden. Doof, stom en blind zijn

zij, en verstaan het niet. 167. O geloovigen! geniet het goede dat wij

u tot voeding hebben gegeven, en dankt God daarvoor, indien gij Hem

vereert. 168. Er is u verboden, doode dieren, bloed, varkensvleesch

en elk dier te eten, waarover men een anderen naam dan dien van

God heeft aangeroepen [188]. Maar hij die gedwongen, onvrijwillig

of zonder boos opzet daarvan geniet, zal geene zonde begaan hebben;

want God is genadig en barmhartig. 169. Hun die verbergen wat God in

de schrift geopenbaard heeft, en het voor een nietig loon verkoopen,

zullen de ingewanden door vuur verteerd worden. God zal hen op den dag

der opstanding niet aanspreken en hen niet voor rein verklaren, en zij

zullen eene strenge straf ondergaan. 170. Zij zijn het, die de ware

richting voor de dwaling verwisselen en genade voor straf; maar wat

zullen zij van het vuur moeten lijden. 171. Daarom zullen zij lijden,

omdat God dit boek met waarheid openbaarde, en zij die daarover in

strijd komen, in eene groote dwaling geraken. 172. De godvruchtigheid

bestaat niet daarin, dat gij uw gezicht (bij het gebed) naar het

Oosten of het Westen wendt. Godvruchtig is hij die aan God gelooft,

aan den jongsten dag en de engelen, en de schrift en de profeten:

die van zijn vermogen geeft aan aanverwanten; weezen en armen en

de vreemdelingen, en hun die vragen; hij die gevangenen loskoopt,

het gebed verricht en aalmoezen geeft; die aangegane verbintenissen

nakomt; die geduldig is in tegenspoed, nood en krijgsgevaar; hij

is rechtvaardig; hij is godvreezend. 173. O geloovigen! u is het

vergeldingsrecht voor den doodslag voorgeschreven. Een vrije man tegen

een vrijen man, een slaaf tegen een slaaf, eene vrouw voor eene vrouw

[189]. Indien echter de broeder [190] den moordenaar vergeeft, dan kan

deze toch naar rechterlijke uitspraak en billijkheid bestraft worden

[191]. 174. Dit is genade en barmhartigheid van uwen Heer. Wie dit

echter overtreedt, zal eene groote straf ondergaan. 175. In deze

wedervergeldingswet [192] ligt uw leven, indien gij verstandig en

godsvruchtig zijt. 176. U is voorgeschreven: Indien een uwer op het

punt is van te sterven en vermogen nalaat, zal hij daarvan, naar

billijkheid [193], zijne ouders door testament achterlaten. Het is

een plicht voor geloovigen. 177. Die echter dit testament vervalscht,

nadat hij het kent, laadt schuld op zich [194]. God hoort en weet

alles. 178. Vermoedt men echter, dat hij die het testament achterliet,

eene dwaling of eene onrechtvaardigheid heeft begaan, en zoekt men

het te schikken, dan laadt men geene schuld op zich; want God is

vergevend en barmhartig. 179. O geloovigen! eene vaste is u bevolen,

even als die uwen voorgangers bevolen was, opdat gij godvreezend

zoudt zijn. 180. Een zeker getal dagen zult gij vasten. Indien

echter iemand onder u ziek of op reis is, dan zal hij een gelijk

getal andere dagen vasten. Die het echter kan [195] en het toch

niet doet, moet daarvoor een arme voeden [196]. Hij die dit echter

vrijwillig doet, handelt beter, en nog beter indien hij de vasten

daarbij in acht neemt. Mocht gij dat inzien. 181. De maand Ramadan,

waarin de Koran werd geopenbaard, als eene leiding voor de menschen

en tot onderscheiding van goed en kwaad, zult gij vasten. Daarom

laat hem welke onder u tegenwoordig is [197] die maand vasten; doch

hij die ziek of op reis is, zal later een gelijk getal andere dagen

vasten. God wil het u gemakkelijk maken; hij wil slechts dat gij

de bepaalde vastendagen houdt en God verheerlijkt, omdat hij u op

den rechten weg geleid heeft, en dat ge hem zoudt danken. 182. Als

mijne dienaren u omtrent mij ondervragen, zal ik nabij hem zijn;

ik wil het gebed hooren van hen die mij gelooven; doch dat zij naar

mij luisteren, en mij gelooven; opdat zij langs den rechten weg

geleid mochten worden. 183. Het is veroorloofd, in den nacht van

den vastentijd uwe vrouwen te naderen [198]. Zij zijn uw deksel

en gij het hunne. God weet dat gij u zelven (daarin) bedriegt,

daarom keert hij tot u terug en vergeeft u dit. Nadert haar daarom

en begeert ernstig wat God u veroorloofd heeft, en eet en drinkt,

tot gij bij den ochtendglans een witten draad van een zwarten draad

kunt onderscheiden; dan vast gij tot den nacht: nadert haar niet

en brengt den tijd in het bedehuis door. Dit zijn de grenzen die

God heeft gesteld [199]; komt die niet te nabij. Zoo leert God den

mensch zijne teekenen [200], opdat zij hem vreezen. 184. Verteert

uw vermogen niet onder u in ijdele zaken [201]; besteekt den rechter

niet daarmede, om het vermogen van uwe naasten onrechtvaardig, tegen

uw eigen geweten, te bekomen. 185. Zij zullen u ondervragen omtrent de

maansveranderingen. Antwoord; zij dienen om den mensch den tijd en de

bedevaart naar Mekka te bepalen. De gerechtigheid bestaat niet daarin,

dat gij uwe huizen van achteren ingaat [202]; maar hij is rechtvaardig,

die God vreest. Gaat daarom uwe huizen door de deur binnen, en vreest

God, opdat gij gelukkig moogt zijn 186. Strijdt voor Gods weg [203]

tegen hen die u bestrijden, maar begaat geene ongerechtigheid en

begint niet met de vijandelijkheden; want God bemint de zondaren

niet. 187. Doodt hen overal waar gij hen vindt, verdrijft hen van

waar zij u verdrijven; want de verzoeking tot afgoderij is sterker

dan de doodslag. Bestrijdt hen nochtans niet in de nabijheid van

den heiligen tempel: zoo ze u echter daar aangrijpen, doodt hen ook

daar. Dit zij het loon der ongeloovigen. 188. Indien zij zich beteren,

dan is God genadig en barmhartig. 189. Bestrijdt hen daarom, tot de

verzoeking ophoudt en Gods richting gezegevierd heeft. Maar indien

zij zich beteren, dan geene vijandelijkheid meer, behalve tegen de

boozen. 190. Zelfs de maand Haram voor de maand Haram, en de heilige

grenzen van Mekka als wedervergeldingsrecht [204]. Wie u vijandig

aangrijpt, grijpt gij op gelijke wijze aan. Vreest God en weet dat God

met hen is die hem vereeren. 191. Draagt bij tot verdediging van Gods

weg, en stort u niet met eigene hand in het verderf [205]. Doet goed;

want God bemint hen die goed doen. 192. Doet de bedevaart en bezoekt

den tempel [206], en indien gij belegerd zijt, brengt dan een klein

offer. Scheert uw hoofd niet, tot uw offer de offerplaats bereikt

heeft. Wie echter ziek is, of aan eene hoofdziekte lijdt, moet boete

doen door vasten, aalmoezen geven, of een ander offer [207]. Indien

gij veilig zijt voor vijanden, en iemand nalaat het bedehuis tot de

bedevaart te bezoeken, zal hij een klein offer brengen. Wie dit echter

niet kan, vaste drie dagen gedurende de bedevaarten en zeven na den

terugkeer; te zamen dus tien dagen. Dit zal hij doen, wiens gezin

niet in den heiligen tempel tegenwoordig is. Vreest God en weet dat

hij streng in zijne straffen is. 193. De bedevaart moet in de bekende

maanden geschieden [208]. Wie echter de bedevaart ondernemen wil,

zal zich van den bijslaap moeten onthouden, even als van alle onrecht

en krakeel gedurende de reis. Het goede echter wat gij doet, ziet

God. Voorziet u van het noodige voor de reis, doch het meest noodige

is vroomheid. Daarom vereert mij, gij die verstandig zijt. 194. Het

is geene zonde indien gij gunsten van uwen God afsmeekt [209]. Als

gij met de sterke schreden den berg Arafat [210] afdaalt, gedenkt

dan God nabij de heilige plaats [211] en denkt aan hem, daar hij u op

den rechten weg heeft gebracht en gij vroeger tot de dwalenden hebt

behoord. 195. Gaat dan in optocht zooals de anderen, en bidt God om

genade; want God is genadig en barmhartig. 196. Als gij uwe heiligen

gebruiken hebt voleindigd, denkt dan aan God, zooals gij aan uwe

vaderen denkt, maar met meer eerbied. Er zijn menschen die zeggen:

O Heer! geef ons ons deel in deze wereld. Deze hebben geen deel in

het volgende leven. 197. Er zijn anderen die zeggen: O Heer! geef

ons goed in deze en in de volgende wereld en bevrijd ons van het

vuur der hel. 198. Zij zullen het deel hebben dat zij verdienen;

want God is snel in het opmaken van rekeningen [212]. 199. Gedenkt God

op de bepaalde dagen [213]. Die het vertrek uit de vallei van Mina zal

hebben verhaast, zal niet schuldig zijn. Ook hij niet die nog langer

blijft, indien hij God slechts vreest. Vreest daarom God en weet dat

gij eens tot hem verzameld wordt. 200. Er is een man die u verbazen

zal door zijn spreken in dit leven, en die God tot getuige zal roepen

over de gedachten van zijn hart; maar hij is de hardnekkigste uwer

tegenstanders. 201. Zoodra hij zich echter van u verwijdert, haast

hij zich, verderf op de aarde aan te richten, en vernietigt alles

wat groeit en opschiet. Maar God bemint het verderf niet. 202. En

indien iemand tot hem zegt: "Vrees God" dan maken zich trotschheid en

misdaad van hem meester; maar de hel zal zijne belooning zijn [214],

en dat is eene ongelukkige rustplaats. 203. Een ander heeft zichzelven

verkocht om God te behagen [215]. God is barmhartig voor hen die hem

dienen. 204. O geloovigen neemt den waren godsdienst aan, volgt niet

de voetstappen van satan, hij is uw verklaarde vijand. 205. Indien

gij echter afwijkt na de u geopenbaarde teekenen, weet dan dat God

almachtig en alwijs is. 206. Of verwachten de goddeloozen dat God zelf

met de engelen in de schaduw der wolken tot hen zal komen. Maar het

is reeds bepaald; eens zal alles tot God terugkeeren. 207. Vraag de

kinderen IsraÎls hoeveel duidelijke teekenen ik hun heb gegeven. Wie

echter Gods genade verwisselt nadat hij die bekomen heeft, voor dien is

hij een strengbestraffend God. 208. Het leven in deze wereld is voor

hen die niet gelooven en de geloovigen bespotten; maar zij die God

vreezen, zullen boven hen staan op den dag der opstanding; want God is

genadig zonder maat omtrent dengene die hem behaagt. 209. De menschen

hadden vroeger ÈÈn geloof, en God zond hen profeten, om hun het heil

te verkondigen en met straffen te bedreigen. Door hen openbaarde

hij de schrift in waarheid, om tusschen de menschen en het voorwerp

hunner twist uitspraak te doen. Maar juist nadat zij de schrift

hadden ontvangen, twisten zij uit nijd met elkander. En God leidt de

geloovigen naar die waarheid, waarover zij twisten, naar zijnen wil;

want God leidt op den rechten weg wien hij wil. 210. Gelooft gij in

het paradijs te komen, zonder dat gij ondergaan hebt wat anderen voor

u hebben geleden? Zij ondergingen ongeluk, tegenspoed en droefheid,

zoodat de apostel en zij die met hem geloofden, uitriepen: Wanneer

komt Gods hulp? Waarlijk Gods hulp is nabij. 211. Zij zullen u vragen,

welke aalmoezen zij moeten geven. Zeg hun: Geeft aan ouders, verwanten,

weezen, armen en reizigers. God kent het goede dat gij doet. 212. De

oorlog is u voorgeschreven en gij haat dien. 213 Mogelijk dat gij

haat wat u goed is en dat gij mint wat u nadeel doet. God weet het,

maar gij weet het niet. 214. Zij zullen u ondervragen omtrent den

oorlog in de maand Haram. Antwoordt hun: Slecht is het in deze maand

krijg te voeren, maar af te wijken van Gods weg, hem niet getrouw te

zijn en den heiligen tempel, en zijn volk er uit te verdrijven, is nog

veel slechter. De verzoeking (tot afgoderij) is erger dan de krijg (in

de heilige maand). Zij zullen niet ophouden u te bestrijden, tot het

hun gelukt is, u van uw geloof af te brengen; maar degene onder u, die

van zijn geloof afvallig wordt en als ongeloovige sterft, diens werken

zullen op deze en op de volgende wereld te vergeefs zijn. Zij zullen

ter hel gedoemd wezen en eeuwig daarin blijven. 215. Zij echter die

gelooven en hun land verlaten, en strijden voor Gods zaak, zij mogen op

Gods genade hopen; want God is genadig en barmhartig. 216. Zij zullen u

ondervragen omtrent wijn [216] en gelukspel [217]. Zeg hun: In beiden

is groote zonde, maar ook nut voor de menschen [218]; maar de zonde

is grooter dan het nut. Zij zullen u vragen, wat zij aan aalmoezen

moeten besteden. 217. Antwoord hun: Uw overvloed. Zoo heeft God u

zijne teekens geopenbaard, opdat gij zoudt nadenken. 218. Over deze en

de volgende wereld. Zij zullen u vragen omtrent weezen. Zeg hun: Het

beste is goed met hen te handelen. 219. Zoodra gij u met hen inlaat,

zijn zij uwe broeders. God weet den gerechtige van den ongerechtige

te onderscheiden, en indien God wil, kan hij u bedroeven; want God

is machtig en wijs. 220. Huwt niet met vrouwen die afgoden dienen,

tot zij geloovig geworden zijn; waarlijk een slavin die gelooft,

is beter dan eene vrije die niet gelooft; zelfs indien deze u

meer behaagt. Huwt ook geene aan een afgodendienaar uit, tot hij

geloovig is geworden; want eene geloovige slaaf is beter dan een

vrije afgodendienaar; zelfs indien deze u meer bevalt. 221. Zij

noodigen u tot het vuur der hel. God noodigt u tot het paradijs

en tot de vergiffenis, zooals hij wil. Hij verklaart de menschen

zijne teekens, opdat zij hem gedenken. 222. Zij zullen u ondervragen

omtrent de maandelijksche reiniging der vrouwen. Zeg hun: Dit is een

onreinheid. Scheidt u daarom gedurende de maandelijksche reiniging

van de vrouwen af; komt haar niet nabij, tot zij gereinigd zullen

zijn. Maar als zij gereinigd zijn, gaat dan tot haar, zoo als

God u heeft bevolen. Want God bemint hen die berouw hebben en de

reinen. 223. Uwe vrouwen zijn uw veld. Gaat in uw veld zoo als gij

wilt, maar doet eerst iets wat goed is voor uwe zielen. Vreest God en

weet dat gij eens voor hem zult verschijnen. Kondigt de geloovigen

goede daden aan. 224. Maakt God niet tot onderwerp uwer eeden,

dat gij rechtvaardig, vroom en vredebevorderend zult zijn; want God

weet en hoort alles. 225. God zal u niet straffen voor een onbedacht

woord in uwe eeden; hij zal u straffen voor de voorbedachtzaamheid

uws harten. God is genadig en mild. 226. Hun die de gelofte afleggen,

zich van hunne vrouwen te onthouden, is het vergund, zich vier maanden

te bedenken; nemen zij dan die gelofte terug, dan is God verzoenend

en barmhartig. 227. Besluiten zij bepaald tot eene echtscheiding,

dan ziet God het en weet het. 228. De vrouwen die gescheiden zijn,

zullen zoo lang wachten, tot zij driemaal hare reiniging gehad hebben,

en zij zullen niet verbergen, wat God in haar lichaam heeft geschapen,

als zij aan God en aan den jongsten dag gelooven. Hare mannen zullen

rechtvaardiger zijn, door haar in dien staat te hernemen indien

zij hereeniging verlangen. Zij zullen dan wederkeerig naar het

rechtvaardige voorschrift omgaan; maar de man heeft de macht over de

vrouw, God is machtig en wijs. 229. De echtscheiding mag tweemaal

plaats hebben; dan moet hij haar met rechtvaardigheid behandelen,

of met edelmoedigheid ontslaan. Het is u niet veroorloofd iets te

behouden wat gij haar hebt geschonken, tenzij gij beiden vreest,

Gods geboden niet te kunnen vervullen. Vreest gij echter Gods geboden

niet te kunnen vervullen, dan is er geene zonde in, dat zij zich

door haar weduwgift loskoope. Dit zijn de geboden Gods (overtreedt

die niet); wie die overtreedt, behoort tot de zondaren. 230. Scheidt

hij zich nogmaals (ten derden male) van haar, dan mag hij haar niet

weder terug nemen, of zij moest weder met een ander man getrouwd

en van dien gescheiden zijn [219]; dan is het geene zonde, indien

zij zich weder vereenigen, als zij meenen Gods geboden te kunnen

vervullen. Dit zijn de geboden Gods, welke hij het volk heeft bekend

gemaakt, dat verstandig is. 231. Maar indien gij u van uwe vrouwen

scheidt en zij hebben haren voorgeschreven tijd vervuld, dan moet gij

haar met billijkheid behouden, of met edelmoedigheid ontslaan. Houdt

haar echter niet met geweld terug, om onrechtvaardig omtrent haar

te handelen. Wie dit doet, bezondigt zijne eigene ziel. Maakt de

teekenen van God niet tot spotternij, en herinnert u Gods weldaden

jegens u, en dat hij het boek en de wijsheid tot u gezonden heeft tot

onderricht. Vreest God en beseft dat hij alwetend is. 232. Indien gij

u van uwe vrouwen scheidt, en zij hebben den haar voorgeschreven tijd

vervuld, verhindert haar dan niet een anderen man te nemen, indien zij

zich naar billijkheid willen vereenigen. Dit is tot onderricht van hen

onder u, die aan God en den jongsten dag gelooven. Dit is gerechter

en reiner [220] voor u God weet, maar gij weet niet. 233. Moeders

zullen hare kinderen twee volle jaren zogen, indien de vader wil dat

de zoging volkomen zij. De vader zal verplicht zijn, haar voeding en

kleeding naar billijkheid (gedurende dien tijd) te geven. Niemand is

echter verplicht, boven zijne krachten te gaan. Noch de moeder zal

in hare belangen ten opzichte van het kind benadeeld worden, noch de

vader. De erfgenaam van den vader heeft dezelfde plichten. Indien de

echtgenooten verkiezen, het kind (vÛÛr den bepaalden tijd) te spenen,

zal dit geene zonde zijn. En indien gij verkiest, eene min voor het

kind te nemen, zal dit geene zonde zijn, ingeval gij haar ten volle

betaalt wat gij haar hebt beloofd. Vreest God en weet dat hij alles

weet wat gij doet. 234. Indien zij die sterven vrouwen nalaten,

moeten deze vier maanden en tien dagen wachten.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 9 / 89 段