1. A. L. M. [96] Dit is het boek, waaromtrent geen twijfel bestaat;

de richtsnoer van de godvreezenden, 2. Van hen, die de mysteriÎn [97]

gelooven, het gebed nauwlettend doen, en weldaden verspreiden van de

bezittingen, die wij hun verleenen. 3. Van hen, die aan openbaringen

gelooven, u van boven gezonden en voor u gezonden [98]; van hen die

aan het volgend leven [99] gelooven. 4. Zij alleen zullen door hunnen

Heer worden geleid; zij alleen zullen welzalig zijn. 5. Den boozen is

het gelijk, of gij hun de waarheid verkondigt of niet. 6. God heeft

hunne harten en ooren verzegeld, hunne oogen geblinddoekt en eene

verschrikkelijke straf wacht hen. 7. Er zijn menschen, die zeggen: "Wij

gelooven aan God en aan het jongste gericht," en toch behooren zij niet

tot het getal der geloovigen. 8. Zij trachten God en de geloovigen te

misleiden; maar zij zullen slechts zich zelven misleiden, en begrijpen

het niet. 9. Eene ziekte zetelt in hunne harten, en God zal die slechts

doen toenemen [100]; eene pijnlijke straf blijft hun bewaard; want

zij hebben de profeten [101] voor leugenaars gehouden. 10. Als men hun

zegt: "Verleidt de wereld toch niet" [102] dan antwoorden zij: "Verre

van daar, wij zijn rechtschapen lieden." 11. Helaas! zij misleiden

de wereld, maar zij begrijpen het niet. 12. Zegt men hun: "Gelooft

toch, gelijk zoo veel anderen gelooven," [103] dan antwoorden zij:

"Zullen wij gelooven als de zotten?" Helaas! zij zelven zijn zotten,

maar zij gevoelen het niet. 13. Ontmoeten zij geloovigen, dan zeggen

zij: "Wij gelooven ook,'" maar zoodra zij weder bij hunne verleiders

[104] zijn, zeggen zij: "Wij houden het met u, en deze bespotten wij

slechts." 14. Maar God zal met hen spotten: Hij zal hen langen tijd

in hunne dwaling laten, onzeker heen en weder geslingerd. 15. Zij

zijn het, die de dwaling voor de munt der waarheid gekocht hebben;

maar hun handel heeft hun geen winst opgebracht; want zij zijn van den

rechten weg afgedwaald. 16. Zij gelijken op hem, die een vuur ontsteekt

[105] en dat, wanneer het zijn licht op de omringende voorwerpen heeft

geworpen [106], door God wordt uitgebluscht, hen in de duisternis

latende opdat zij niet kunnen zien. 17. Doof, stom en blind zijn zij

en kunnen daarom op den afgelegden weg niet terugkeeren [107]. 18. Of

zij zijn gelijk aan hen, die, wanneer een van regen zwangere wolk met

donder en weÍrlicht [108] van den hemel nederdaalt, voor het gerol

van den donder en omdat zij den dood vreezen, hunne ooren met hunne

vingers dichtstoppen, terwijl God de ongeloovigen aan alle zijden

aangrijpt. 19. Weinig is er slechts noodig, opdat de bliksem hun

het gezicht ontroove; als de bliksem alles om hen heen verlicht,

wandelen zij in zijn licht; wordt het weder duister om hen heen,

dan staan zij onbewegelijk. Als God slechts wilde, zou Hij hen van

het gezicht en gehoor berooven; want Hij is Almachtig. Menschen [109]

dient uwen Heer, die u en uwen voorgangers heeft geschapen, opdat gij

Hem vereert. 20. Hij heeft u de aarde tot een tapijt en den hemel tot

een overwelfsel gegeven. Hij laat het water van den hemel stroomen,

om vruchten tot uw onderhoud voort te brengen. Stel dus geen gelijke

naast God, tegen beter weten aan. 21. Twijfelt gij aan het boek, dat

wij onzen dienaar hebben geopenbaard, brengt dan, al is het slechts een

der hoofdstukken voort, die het bevat, roept uwen getuigen buiten God

[110] ter hulp, indien gij waarheid spreekt. 22. Doet gij dit niet,

en gij zult het niet doen, vreest dan voor de ongeloovigen het vuur

dat menschen en steenen [111] verteert. 23. Verkondig hun die gelooven

en wel doen, dat zij tuinen tot woonplaats zullen hebben, van beken

doorsneden, Iederen keer als zij eenig voedsel van de vruchten dier

tuinen zullen nemen, zullen zij uitroepen: "Ziedaar de vruchten,

waarmede wij ons vroeger hebben gevoed", zoo zullen zij daarop gelijken

[112]. Daar zullen zij reine en onbevlekte vrouwen vinden, en eeuwig

zullen zij daar verwijlen. 24. Voorwaar God behoeft zich niet te

schamen, vergelijkingen met insecten of nog kleinere voorwerpen te

maken [113]. De geloovigen wisten, dat slechts waarheid van hunnen

Heer komt; maar de ongeloovigen zeggen: "Wat heeft God met deze

vergelijkingen bedoeld? Hij doet velen daardoor dwalen en wijst anderen

daardoor terecht, maar slechts de boozen zullen dwalen. 25. Die het met

God aangegane verbond verbreken; die het door hem vereenigde zullen

scheiden, die verderf op aarde stichten, zullen ondergaan. 26. Hoe

kunt gij God verloochenen? Gij waart eens dood; Hij heeft u het leven

hergeven en Hij zal u weder dooden en weder levend maken; dan zult

gij eens tot hem terugkeeren? 27. Hij is het, die alles op de aarde

voor u geschapen heeft, daarna den hemel uitbreidde en dien tot zeven

hemelen maakte; Hij, de alwetende." 28. Toen God tot de engelen zeide:

"Ik wil een stadhouder op aarde [114] plaatsen," zeiden zij: "Zult

Gij er een plaatsen, die daar wanorde sticht en bloed vergiet? Wij

echter zingen Uw lof en heiligen U." Hij zeide echter; "Ik weet wat gij

niet weet." 29. God leerde daarop aan Adam de namen van alle dingen,

en vertoonde die daarop aan de engelen, zeggende: "Noem mij de namen

dezer dingen indien gij oprecht zijt." Zij antwoordden: 30. "Geloofd

zijt Gij! wij weten slechts wat Gij ons hebt geleerd; want Gij zijt de

Alwetende, de Alwijze." 31. God zeide: "Adam, noem hun de namen." Toen

hij (Adam) dit had gedaan, zeide God: "Heb ik u niet gezegd, dat ik

de geheimen van hemel en aarde ken, en weet wat gij bekent en wat gij

verbergt?" 32. En toen wij tot de engelen zeiden: "Knielt voor Adam,"

deden zij het, slechts Eblis [115] weigerde; hij was ongeloovig,

[116]. 33. Wij zeiden: "o Adam bewoon den tuin [117] met uwe vrouw

en geniet er van wat gij wilt, maar nadert dezen boom niet [118];

anders zult gij zondaar zijn." 34. Maar Satan verleidde hen en

dreef hen er uit, en wij zeiden; "Weg van hier [119]; de een zij

des anderen vijand [120]; de aarde zal uwe woonplaats zijn en tot

tijdelijk gebruik." 35. Daarop leerde Adam woorden des gebeds van

God, en hij keerde tot den Heer terug; want Hij is de lankmoedige en

barmhartige. 36. Wij zeiden: Verwijdert u van hier, Ik zal u eene

leiding geven; wie deze leiding volgt, zal vrees noch droefheid

kennen. 37. Die deze echter niet gelooven en onze teekenen [121]

verloochenen, worden ten eeuwigen vure gedoemd. 38. o Kinderen IsraÎls

[122] bedenkt het goede, dat ik u heb gedaan; weest getrouw aan

mijn verbond; ook ik wil daaraan getrouw zijn, en vereert slechts

mij, en gelooft wat wij tot bevestiging uwer vroegere openbaring

thans geopenbaard hebben, en weest niet de eersten, welk niet

daaraan gelooven; en verruil het niet met nietigheden en vereert

mij. 39. Kleedt de waarheid niet in het gewaad der leugen en verbergt

de waarheid niet tegen beter weten aan. 40. Doet nauwkeurig het gebed,

geeft aalmoezen en buigt u met hen die zich buigen [123]. 41. Hoe zoudt

gij anders de menschen tot vroomheid aansporen, zoo gij het welzijn

uwer eigene ziel vergeet. Gij leest het boek [124]: moet gij het dan

niet ook verstaan. 42. Roept geduld en gebed ter hulpe; het gebed is

licht voor den geloovige. 43. Die gelooven, dat zij eens hunnen Heer

zien, en tot Hem terugkeeren zullen. 44. o Kinderen IsraÎls, herinnert

u de weldaden, die ik u heb bewezen, terwijl ik u boven alle volkeren

bevoorrechtte. 45. Vreest den dag, waarop geene ziel genoegdoening

voor eene andere zal kunnen geven, geene smeeking van anderen

aangenomen, waarop geen losgeld ontvangen zal worden; waarop niets

kan helpen. 46. Denkt er aan, hoe wij u van Pharaos volk hebben gered,

dat u met hardheid onderdrukte, uwe zonen doodde en slechts uwe vrouwen

[125] liet leven; dit zij u een groot bewijs voor de goedheid van uwen

God. 47. Gedenkt, hoe wij de zee ter uwer redding hebben gespleten

en voor uw oogen Pharaos volk lieten verdrinken [126]. 48. Gedenkt,

dat, toen ik gedurende veertig nachten met Mozes sprak, gij het kalf

[127] hebt aangebeden; en gij hebt snood gehandeld. 49. Wij hebben u

later vergeven, opdat gij dankbaar zoudt zijn. 50. Wij gaven Mozes

de schriften en de onderscheiding [128], opdat gij op den rechten

weg zoudt geleid worden. 51. Mozes zeide tot zijn volk: Gij hebt uwe

zielen door dit kalf verontreinigd, keert tot uwen Schepper terug of

doodt u zelven; dit zal uwen Schepper welgevalliger zijn. Hij zal zich

weder tot u wenden; want Hij is vergevensgezind en albarmhartig. 52. En

toen gij tot Mozes zeidet: O Mozes, wij willen u niet eerder gelooven,

dan na dat wij God met eigen oogen hebben gezien, toen kwam er straf

over u, terwijl gij er naar zaagt. 53. Wij wekten u op na uwen dood,

opdat gij het dankbaar zoudt erkennen. 54. Wij gaven wolken om u te

overschaduwen en zonden manna en kwartels [129], zeggende: eet van

de heerlijke spijzen, die wij u hebben gegeven. Zij hadden ons geen

leed gedaan, maar zich zelven. 55. Wij zeiden: Gaat in deze stad

[130], geniet naar welbehagen van hetgeen zich daar bevindt: treedt

de poort aandachtig binnen, en roept uit: Vergiffenis Heer! [131]

Wij willen u uwe misstappen ook vergeven, en het geluk der goeden

verhoogen. 56. Maar de boozen veranderen dit woord met een ander

[132], wat hun niet was gegeven, en wij hebben onzen toorn op de

boozen uit den hemel neÍrgezonden, om hunne goddeloosheid te straffen

[133]. 57. Mozes bad God om water, en wij zeiden: "sla met uwen

staf op de rotsen," en er ontsprongen twaalf bronnen, opdat allen

hunne bron zouden erkennen. Eet en drinkt van de weldaden die God

u geeft, en doet geen boosheid meer op aarde. 58. Toen zeidet gij:

O Mozes! wij kunnen niet langer immer dezelfde spijzen verdragen;

bid uwen Heer, dat hij voor ons de vruchten der aarde doe groeien,

groenten, komkommers, knoflook, linzen en uien [134]. Mozes antwoordde:

"Verkiest gij het slechte boven het goede? keert dan naar Egypte terug,

daar vindt gij wat gij verlangt." Vernedering en armoede spreidden

zich over hen uit; zij waren in den goddelijken toorn vervallen,

daar zij niet aan zijne wonderen geloofden, en brachten hunne

profeten onrechtvaardig ter dood [135]. Ziedaar het gevolg van hunne

weÍrspannigheid en hun geweld. 59. De geloovigen, het mogen Joden,

Christenen en SabÎisten [136] zijn, indien zij slechts aan God en aan

den oordeelsdag gelooven en wel doen, zullen door hunnen Heer beloond

worden; noch vrees noch droefheid zal over hen komen. 60. Toen wij het

verbond met u sloten en den berg SinaÔ [137] over uw hoofd verhieven,

zeiden wij: Ontvangt met vastheid hetgeen wij u geopenbaard hebben;

bedenkt den inhoud, en bewaart dien. 61. Maar gij zijt daarop er van

afgekeerd; en had God u niet beschermd en zich over u erbarmd, dan

waart ge reeds lang verdelgd. Gij wist reeds wat hun was wedervaren

die den Sabbat hadden ontwijd, en tot welken wij zeiden: "Verandert

in apen en zijt uit de maatschappij gestooten" [138]. 62. En wij

lieten hen dienen tot een voorbeeld voor hunne tijdgenooten en voor

hunne nakomelingen, en tot eene waarschuwing voor de vromen. 63. Toen

Mozes tot zijn volk zeide: "God gebiedt u eene koe te offeren," [139]

toen antwoordden zij; "Spot gij met ons?" Hij zeide: "God beware mij

tot de zotten te behooren." Zij antwoordden: "Bid uwen Heer voor ons,

dat hij ons duidelijk verklare welke een koe dit zijn moet."--"God

wil," zeide hij, "Dat dit noch eene oude koe, noch een vaars zij,

maar van middelbaren ouderdom. Doet derhalve wat u bevolen is." 64. De

IsraÎlieten antwoordden: "Bid uwen Heer, ons duidelijk te verklaren

welke kleur zij moet hebben."--"God zeide," antwoordde hij, "zij zijn

rood en geel, en aangenaam voor het oog des beschouwers." 65. "Bid

uwen Heer, ons duidelijk te verklaren hoe deze koe moet zijn; want

wij vinden wel koeien die elkander gelijken, en zij zullen dan alleen

goed in onze keuze geleid worden, als God het wil." 66. Mozes hernam:

"God zegt u: "Het zij eene koe die niet vermagerd is door het beploegen

of besproeien van het veld, maar het zij eene zonder gebrek." "Nu,"

zeiden zij, "komt gij met de waarheid." Zij doodden de koe, doch er

ontbrak weinig aan of zij hadden het niet gedaan [140]. 67. Indien gij

iemand vermoord hebt en over de daders strijdt, dan zal God uitbrengen

wat gij geheim houdt. 68. Wij bevalen den doode met een deel der koe

[141] te slaan [142] en God zal den doode weder levend maken; Hij toont

u zijne wonderen, opdat gij wijs zoudet worden. 69. Maar spoedig daarop

werden uwe harten verhard; zij zijn als steenen en nog harder; want uit

sommige steenen ontspringen bronnen, andere splijten en er vloeit water

uit; andere zakken in elkander uit vreeze voor God; maar inderdaad,

God is niet onbekend met uwe daden. 70. Meent gij thans dat zij u

gelooven zullen. Maar een deel van hen heeft het woord Gods vernomen:

maar zij hebben het daarna, tegen beter weten aan, verdraaid. 71. Als

zij de geloovigen ontmoeten, zeggen zij; wij gelooven, doch als zij

onder zich bij elkander komen, zeggen zij; wilt gij hun dan verhalen,

wat God u geopenbaard heeft, opdat zij u daarover voor uwen Heer

zouden bestrijden. Begrijpt gij dat niet. 72. Weet gij dan niet,

dat God kent wat zij verbergen en wat zij openbaren. 73. Er zijn

wel onwetende menschen onder hen, welke de schrift (de vijf boeken)

niet verstaan, maar alleen de leugenachtige verhalen, en zij weten

het niet. Wee hun, welke de schrift met hun eigene handen schrijven,

en uit nietige winzucht zeggen [143]: "Dit is van God. Wee hun om

hunner handen schrift, wee hun om hunne winzicht. 74. Zij zeggen: als

het vuur ons kwetst, zal dit slechts voor weinige dagen zijn [144];

zeg hun: Hebt gij deze verzekering van God? zal God om u zijne gelofte

breken? Of zegt ge iets van God wat gij niet weet? 75. Waarlijk, die

slechte daden [145] verricht en der zonde vervalt, dien treft eeuwig

vuur. 76. Die echter gelooft en goed doet, komt voor eeuwig in het

paradijs. 77. Toen wij met de kinderen IsraÎls een verbond sloten,

bevalen wij: Vereert een eenigen God, weest goed omtrent uwe ouders,

bloedverwanten, weezen en armen, en wenscht den menschen slechts

goeds; doet het gebed en geeft aalmoezen; doch spoedig daarop zijt

gij enkelen uitgezonderd, afgevallen en daarvan afgekeerd. 78. Toen

wij een verbond met u sloten, geen bloed te vergieten, niemand

uit zijne woning te verdrijven, hebt gij verklaard daaraan vast te

houden. 79. Doch spoedig daarop hebt gij elkander vermoord [146],

een deel uwer uit hunne woningen verjaagd. Gij stondt elkander bij

in vijandschap en ongerechtigheid. Maar komen zij als gevangenen tot

u, dan koopt gij hen weder, hoewel het u verboden was, hen uit hunne

woningen te verjagen. Gelooft gij dan slechts een deel van uwe schrift

en wilt gij het andere loochenen? Wie dit doet, dien zal schande

treffen in dit leven, en de hardste straf op den dag der opstanding;

want God is niet onopmerkzaam omtrent hetgeen gij doet. 80. Het zijn

diegene welke dit leven ten koste van het toekomstig verkoopen; hunne

straf wordt niet verzacht en nimmer worden zij geholpen. 81. Eens

openbaarden wij Mozes de schrift, lieten hem door nog andere boden

volgen, rusteden Jezus, den zoon van Maria, met kracht van overtuiging

uit en wij gaven hem den heiligen geest [147]. Maar telkens als een

dezer boden iets bracht wat u niet beviel, bleeft gij halsstarrig:

eenige hebt gij van bedrog beschuldigd, en anderen gedood. 82. Zij

zeiden: "Onze harten zijn onbesneden," [148]. Maar God heeft hen om

hun ongeloof vervloekt, en slechts weinigen hebben geloofd. 83. Toen

zij nu de schrift van God ontvingen, waardoor hunne vroegere schriften

werden bevestigd, en hoewel zij vroeger om hulp tegen de ongeloovigen

hadden gesmeekt, wilden zij toch deze loochenen, hoewel zij die kennen,

Gods vloek ruste op deze ongeloovigen. 84. Voor eene nietigheid hebben

zij hunne zielen verkocht. Zij loochenen de openbaring Gods [149]

uit nijd: want God zendt zijne gunsten aan zijne dienaren, die hem

behagen. Toorn op toorn komt over hen; schandelijke straf treft de

ongeloovigen. 85. Zegt men hun: Gelooft wat God heeft geopenbaard,

dan antwoorden zij: Wij gelooven slechts aan datgene, wat ons werd

geopenbaard [150], en zoo loochenen zij al het daarop volgende,

hoewel het waarheid is en het vroegere slechts bevestigt. Zeg hun:

Waarom hebt gij dan, als gij geloovigen zijt de vroegere profeten

Gods gedood? 86. Toen Mozes met wonderkracht tot u kwam, hebt gij

desniettegenstaande een kalf vereerd en boos gehandeld. 87. Toen wij

een verbond met u sloten en den berg boven u verhieven, zeiden wij:

Neemt met vastheid aan wat wij openbaren, en hoort. Zij antwoorden:

Wij hoorden het wel, maar wij gehoorzamen niet, en zij moesten het

kalf in hun hart drinken [151]. Zeg hun: Een zware taak legt uw geloof

u op, zoo ge er een hebt [152]. 88. Zeg hun: Indien gij dan eens eene

bijzondere woning bij God, gescheiden van de overige menschen hoopt,

dan moet gij den dood verlangen, indien gij oprecht zijt. 89. Maar

nimmer wenscht gij dien, om het werk uwer handen, dewijl God de

booswichten kent. 90. Gij zult vinden, dat juist zij, meer nog dan de

afgodendienaars, dit leven vurig wenschen; ieder bidt dat hij duizend

jaren moge leven. Maar al zou hij ook duizend jaren leven, dan nog zou

hij de straf niet ontgaan want God ziet wat zij gedaan hebben. 91. Zeg:

Wee den vijand van GabriÎl [153], die u, door Gods wil de openbaring

ingegeven heeft; diegeene welke gij reeds bezit, bevestigend als

een richtsnoer en eene belofte voor de geloovigen. 92. Wee hem,

die den vijand van God, van zijn engelen, zijne boden, van GabriÎl

en MichaÎl is. Waarlijk God is een vijand der ongeloovigen. 93. Wij

hebben u overtuigende kracht van wonderen gegeven [154], en niemand

kan die betwijfelen dan de goddeloozen. 94. Hoe dikwijls zij ook ons

geloof bezweren, een deel van hen verwerpen het toch: ja de meesten

onder hen gelooven niet daaraan. 95. Toen de apostel Gods tot hen

kwam, de schrift bevestigende, die hen reeds vroeger was gegeven,

wierp een deel der schriftgeleerden het boek Gods achter hunnen rug,

als kenden zij het niet. 96. Zij volgden de plannen, die de duivelen

tegen den koning Salomo [155] hadden verzonnen; en Salomo was geen

ongeloovige, maar de duivels waren het, en leerden de menschen

tooverkunsten, die de beide engelen van Babel: Haroet en Maroet

[156], waren medegedeeld. Maar zij leeren deze kunst niemand, tenzij

hij zegge: "Wij zijn geneigd tot de verzoeking," wees daarom geen

ongeloovige. Van hen leerde men ook wat oneenigheid tusschen man en

vrouw sticht, maar zij doen niemand kwaad dan met Gods toestemming. Wat

zij leeren brengt nadeel en heeft geen nut, en daarbij wisten zij,

dat hij die deze kunst had gekocht, geen deel aan het leven hier

namaals zou hebben. Voor een onzaligen prijs hebben zij hunne zielen

verkocht. Hadden zij het geweten! 97. Ach! hadden zij maar geloofd

en God gevreesd, dan ware hun een schooner loon geworden. Indien zij

het hadden geweten! 98. O, gij geloovigen, zegt niet RaÔna, maar

Ondhorna [157] en gehoorzaamt; den ongeloovigen wacht eene groote

straf. 99. De ongeloovigen en de schriftbezitters wenschen, even

als de heidenen, dat geenerhande gunst van uwen Heer op u nederdale;

maar God beweldadigt wien hij wil; want God is almachtig. 100. Als

wij verzen uit dit boek afschaffen of u doen vergeten, dan geven

wij betere, of vervangen die door gelijksoortige. Weet gij dan niet

dat God almachtig is. 101. Weet gij niet dat hij regeerder van den

hemel en van de aarde is; en gij buiten hem geen beschermer en helper

hebt? 102. Wilt gij van uwen profeet vorderen wat men eens van Mozes

vorderde [158]? Maar wie het geloof tegen het ongeloof verwisselt, is

reeds van den weg afgedwaald. 103. Velen der bezitters van de schrift

wenschen, dat gij, nadat gij geloovig zijt geworden, weder ongeloovig

zoudt worden, uit nijd hunner zielen, daar zij de waarheid hebben

gezien. Vergeeft hun, laat hen gaan, tot God gebiedt [159]; want God is

almachtig. 104. Verricht het gebed, geeft aalmoezen; en het goede wat

gij hier voor uw zielenheil doet, vindt gij eens bij God weder; want

God weet wat gij doet. 105. Zij zeggen: slechts Joden en Christenen

komen in het paradijs, zegt hun echter: Toont uwe bewijzen, indien

gij waarachtig zijt. 106. Neen, wie zijn aangezicht tot God wendt,

en deugdzaam is [160], ontvangt belooning van zijnen Heer; noch vrees,

noch droefheid zullen hem treffen. 107. De Joden zeggen: De Christenen

gronden zich op niets, de Christenen zeggen: de Joden gronden zich

op niets, en toch lezen beiden de schriften. Zij die niets kennen

[161], spreken evenzoo. Maar God zal eens, op den dag der opstanding,

datgene beslechten, waarover zij thans oneenig zijn. 108. Wie

is onrechtvaardiger dan hij, welke de tempelen beletten wil, waar

Gods naam geprezen zal worden en deze tracht te vernietigen. Slechts

sidderend kunnen zij die binnentreden. Zij zullen in deze wereld door

smaad, in de toekomende door strenge straf getroffen worden. 109. God

is Heer van Oost en West, en waar gij u heen wendt, is het oog van God

[162]: want God is alomtegenwoordig en alwetend. 110. Eenigen zeggen;

God heeft kinderen voortgebracht. Dit zij verre [163]! Hemel en aarde

behoort hem en alles gehoorzaamt hem. 111. De schepper van hemel

en aarde is bezitter van alles; zoo hij slechts bezielt, indien hij

slechts zegt: Wees! dan bestaat het. 112. En zij die niets kennen,

zeggen: wij willen niets gelooven, tot God zelf met ons spreekt, of

gij ons wonderen toont. ZÛÛ zeiden anderen, die vÛÛr hen bestonden;

hunne harten zijn gelijk. Wij hebben reeds genoeg bewijzen gegeven

voor hen die gelooven wilden. 113. Wij hebben u in waarheid gezonden,

met goede tijdingen en ook straffende, maar zij die ter helle

zullen gaan, zullen u zelfs niet ondervragen. 114. Maar de Joden

en Christenen zullen niet eerder met u tevreden zijn, dan zoo gij

tot hunnen godsdienst overgaat; zeg echter slechts: het richtsnoer

dat van God komt, is het ware. En waarlijk, indien gij hun verlangen

waart nagekomen, na de reeds door u verkregen kennis [164], gij hadt

bij God geene bescherming en geene redding gevonden. 115. Zij wie wij

de schrift hebben gegeven en die haar lezen, zooals zij gelezen moet

worden, gelooven er aan; die welke er echter niet in gelooven, storten

zich in de ellende. 116. O Kinderen IsraÎls, herinnert u het goede,

dat ik u heb gedaan, dat ik u boven de andere natiÎn bevoorrecht

heb. 117. Vreest den dag waarop de eene ziel niets voor de andere

vermag, waarop geen losgeld aangenomen worden, geene bemiddeling baten

en geene redding zijn zal. 118. Toen God Abraham met zekere woorden

beproefde [165] en deze Zijne geboden vervulde, zeide God: Ik stel

u aan als hoogsten priester [166] voor de menschen. Hij antwoordde:

En mijn gezin ook? God antwoordde: de boozen zijn niet begrepen in

mijn verbond. 119. En toen wij een huis tot verzameling der menschen

en een toevluchtsoord oprichtten [167] zeggende: Neemt Abrahams huis

[168] bedeplaats, sloten wij een verbond met Abraham en IsmaÎl, dat

zij dit huis zouden reinigen, zoowel voor die welke er om heen gaan,

als voor diegenen welke het bezoeken en zich er biddend nederwerpen

[169]. 120. Toen Abraham zeide: Heer maak dit eene plaats van zekerheid

en geef aan zijne bewoners, die aan God en aan het laatste oordeel

gelooven, het voedsel uwer vruchten, toen antwoordde God: ook de

ongeloovigen wil ik spijzen, maar slechts met weinig en hen dan in het

vuur der hel drijven. Eene harde reis zal dat zijn. 121. Toen Abraham

en IsmaÎl den grondslag voor dit huis legden, baden zij: o Heer neem

het genadig van ons aan; want gij hoort en kent alles. 122. Heer,

maak ons u geheel onderworpen [170] en onze nakomelingen tot een

u onderworpen volk; toon ons onze heilige ceremoniÎn en wend u tot

ons; want gij zijt de genadige en barmhartige. 123. Heer zend een

gezant onder hen, die hun uwe wonderen openbare, en hun de schrift

[171] en de wijsheid verklare en hen zuivere; want gij zijt de

machtigste en wijste. 124. Wie zal afkeer voor den godsdienst van

Abraham hebben? Slechts hij, wiens hart ingebeeld is. Wij hebben hem

reeds op deze wereld gekozen en in de andere zal hij tot het getal

der rechtvaardigen behooren. 125. Toen God tot hem zeide: wees mij

onderworpen, antwoordde hij: ik onderwerp mij den meester van het

heelal. 126. En Abraham leerde zijnen kinderen dien godsdienst, en ook

Jacob deed dat, zeggende: O mijn kinderen! waarlijk, God heeft dezen

godsdienst voor u uitverkoren; sterft niet zonder God onderworpen te

zijn (muzelmannen). 127. Waart gij tegenwoordig, toen Jacob op het

punt was te sterven, en tot zijne zonen zeide: Wien wilt gij vereeren

na mijnen dood? Zij antwoordden: wij zullen uwen God aanbidden, en

den God uwer vaderen Abraham, IsmaÎl en Izaak; den eenigen God; hem

willen wij onderworpen zijn. 128. Dit volk is voorbijgegaan; zij hebben

wat zij verdienden: gij zult mede ontvangen wat gij zult verdienen,

en men zal u niet vragen wat anderen gedaan hebben. 129. Zij zeggen:

weest Joden of christenen, dan zijt gij op den rechten weg. Zegt hun:

Wij volgen het geloof van Abraham, den waren geloovige, die geen

afgodendienaar was. 130. Zegt; wij gelooven aan God en wat hij ons

heeft geopenbaard, en wat hij heeft geopenbaard aan Abraham, IsmaÎl,

Izaak en Jacob en de stammen, en aan datgene wat Mozes, Jezus en de

profeten door hunnen God werd gezonden. Wij maken geen onderscheid

tusschen hen, en zijn God onderworpen. 131. Gelooft gij nu wat wij

gelooven, dan zijt gij op den rechten weg; dwaalt gij echter daarvan

af, dan maakt gij tweespalt. God zal u ondersteunen tegen hen; want God

hoort en weet alles. 132. Wij hebben Gods doop en wat is beter dan Gods

leer [172]? Hem dienen wij. 133. Wilt gij met ons over God strijden

[173]? Wie is onze God en de uwe? Wij hebben onze handelingen en gij

de uwe, en wij zijn hem oprecht onderworpen. 134. Wilt gij zeggen

dat Abraham, Izaak, Jacob en de stammen, Joden of Christenen zijn

geweest? Zegt: zijt gij wijzer dan God? En wie is schuldiger dan hij,

die de getuigenis verduistert welke hij van God heeft ontvangen? Maar

God is niet onopmerkzaam nopens hetgeen gij doet. 135. Dit volk is

voorbijgegaan; wat het verdiende, heeft het ontvangen, en ook gij

zult ontvangen wat gij verdient hebt; maar men zal u niet vragen wat

anderen gedaan hebben. 136. De dwazen onder de menschen zullen vragen:

Wat heeft hen van hunne Kebla afgewend, welke zij vroeger aangenomen

hadden [174]? Zegt hun; God behoort het Oosten en het Westen;

hij geleidt wien hij wil op den rechten weg. 137. Zoo hebben wij u

geplaatst als een bemiddelend volk [175], opdat gij getuigen zoudt

zijn tusschen de menschen, en dat de apostel een getuigen tegen u

zou wezen. 138. Wij hebben de Kebla daarom veranderd, opdat men zou

kunnen onderscheiden tusschen hen, welke hem volgen en diegenen welke

hem den rug toekeeren [176]. Menigeen hindert dit, doch niet hun die

door God worden geleid. Maar God beloont uw geloof [177]; want God is

genadig en barmhartig omtrent de menschen. 139. Wij hebben gezien,

dat gij uw gezicht naar den Hemel wendt, maar wij willen het eene

richting geven die u aangenaam is. Wendt daarom uw gezicht naar

den heiligen tempel; waar gij u ook bevindt, wendt uw aangezicht

daarheen. Zij die de schrift ontvingen, weten het wel, dat deze

waarheid van hunnen Heer komt, en God is niet onopmerkzaam omtrent

hunne daden. 140. En indien gij zelfs de bezitters der schrift nog

zoo vele bewijzen zoudt brengen, zouden zij nog uw Kebla niet volgen;

volgt dus de hunne niet. Zelfs onder hen volgt de eene den andere niet

na [178]. Indien gij echter, na de kennis welke gij hebt opgedaan, hun

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 8 / 89 段