de richtsnoer van de godvreezenden, 2. Van hen, die de mysteriÎn [97]
gelooven, het gebed nauwlettend doen, en weldaden verspreiden van de
bezittingen, die wij hun verleenen. 3. Van hen, die aan openbaringen
gelooven, u van boven gezonden en voor u gezonden [98]; van hen die
aan het volgend leven [99] gelooven. 4. Zij alleen zullen door hunnen
Heer worden geleid; zij alleen zullen welzalig zijn. 5. Den boozen is
het gelijk, of gij hun de waarheid verkondigt of niet. 6. God heeft
hunne harten en ooren verzegeld, hunne oogen geblinddoekt en eene
verschrikkelijke straf wacht hen. 7. Er zijn menschen, die zeggen: "Wij
gelooven aan God en aan het jongste gericht," en toch behooren zij niet
tot het getal der geloovigen. 8. Zij trachten God en de geloovigen te
misleiden; maar zij zullen slechts zich zelven misleiden, en begrijpen
het niet. 9. Eene ziekte zetelt in hunne harten, en God zal die slechts
doen toenemen [100]; eene pijnlijke straf blijft hun bewaard; want
zij hebben de profeten [101] voor leugenaars gehouden. 10. Als men hun
zegt: "Verleidt de wereld toch niet" [102] dan antwoorden zij: "Verre
van daar, wij zijn rechtschapen lieden." 11. Helaas! zij misleiden
de wereld, maar zij begrijpen het niet. 12. Zegt men hun: "Gelooft
toch, gelijk zoo veel anderen gelooven," [103] dan antwoorden zij:
"Zullen wij gelooven als de zotten?" Helaas! zij zelven zijn zotten,
maar zij gevoelen het niet. 13. Ontmoeten zij geloovigen, dan zeggen
zij: "Wij gelooven ook,'" maar zoodra zij weder bij hunne verleiders
[104] zijn, zeggen zij: "Wij houden het met u, en deze bespotten wij
slechts." 14. Maar God zal met hen spotten: Hij zal hen langen tijd
in hunne dwaling laten, onzeker heen en weder geslingerd. 15. Zij
zijn het, die de dwaling voor de munt der waarheid gekocht hebben;
maar hun handel heeft hun geen winst opgebracht; want zij zijn van den
rechten weg afgedwaald. 16. Zij gelijken op hem, die een vuur ontsteekt
[105] en dat, wanneer het zijn licht op de omringende voorwerpen heeft
geworpen [106], door God wordt uitgebluscht, hen in de duisternis
latende opdat zij niet kunnen zien. 17. Doof, stom en blind zijn zij
en kunnen daarom op den afgelegden weg niet terugkeeren [107]. 18. Of
zij zijn gelijk aan hen, die, wanneer een van regen zwangere wolk met
donder en weÍrlicht [108] van den hemel nederdaalt, voor het gerol
van den donder en omdat zij den dood vreezen, hunne ooren met hunne
vingers dichtstoppen, terwijl God de ongeloovigen aan alle zijden
aangrijpt. 19. Weinig is er slechts noodig, opdat de bliksem hun
het gezicht ontroove; als de bliksem alles om hen heen verlicht,
wandelen zij in zijn licht; wordt het weder duister om hen heen,
dan staan zij onbewegelijk. Als God slechts wilde, zou Hij hen van
het gezicht en gehoor berooven; want Hij is Almachtig. Menschen [109]
dient uwen Heer, die u en uwen voorgangers heeft geschapen, opdat gij
Hem vereert. 20. Hij heeft u de aarde tot een tapijt en den hemel tot
een overwelfsel gegeven. Hij laat het water van den hemel stroomen,
om vruchten tot uw onderhoud voort te brengen. Stel dus geen gelijke
naast God, tegen beter weten aan. 21. Twijfelt gij aan het boek, dat
wij onzen dienaar hebben geopenbaard, brengt dan, al is het slechts een
der hoofdstukken voort, die het bevat, roept uwen getuigen buiten God
[110] ter hulp, indien gij waarheid spreekt. 22. Doet gij dit niet,
en gij zult het niet doen, vreest dan voor de ongeloovigen het vuur
dat menschen en steenen [111] verteert. 23. Verkondig hun die gelooven
en wel doen, dat zij tuinen tot woonplaats zullen hebben, van beken
doorsneden, Iederen keer als zij eenig voedsel van de vruchten dier
tuinen zullen nemen, zullen zij uitroepen: "Ziedaar de vruchten,
waarmede wij ons vroeger hebben gevoed", zoo zullen zij daarop gelijken
[112]. Daar zullen zij reine en onbevlekte vrouwen vinden, en eeuwig
zullen zij daar verwijlen. 24. Voorwaar God behoeft zich niet te
schamen, vergelijkingen met insecten of nog kleinere voorwerpen te
maken [113]. De geloovigen wisten, dat slechts waarheid van hunnen
Heer komt; maar de ongeloovigen zeggen: "Wat heeft God met deze
vergelijkingen bedoeld? Hij doet velen daardoor dwalen en wijst anderen
daardoor terecht, maar slechts de boozen zullen dwalen. 25. Die het met
God aangegane verbond verbreken; die het door hem vereenigde zullen
scheiden, die verderf op aarde stichten, zullen ondergaan. 26. Hoe
kunt gij God verloochenen? Gij waart eens dood; Hij heeft u het leven
hergeven en Hij zal u weder dooden en weder levend maken; dan zult
gij eens tot hem terugkeeren? 27. Hij is het, die alles op de aarde
voor u geschapen heeft, daarna den hemel uitbreidde en dien tot zeven
hemelen maakte; Hij, de alwetende." 28. Toen God tot de engelen zeide:
"Ik wil een stadhouder op aarde [114] plaatsen," zeiden zij: "Zult
Gij er een plaatsen, die daar wanorde sticht en bloed vergiet? Wij
echter zingen Uw lof en heiligen U." Hij zeide echter; "Ik weet wat gij
niet weet." 29. God leerde daarop aan Adam de namen van alle dingen,
en vertoonde die daarop aan de engelen, zeggende: "Noem mij de namen
dezer dingen indien gij oprecht zijt." Zij antwoordden: 30. "Geloofd
zijt Gij! wij weten slechts wat Gij ons hebt geleerd; want Gij zijt de
Alwetende, de Alwijze." 31. God zeide: "Adam, noem hun de namen." Toen
hij (Adam) dit had gedaan, zeide God: "Heb ik u niet gezegd, dat ik
de geheimen van hemel en aarde ken, en weet wat gij bekent en wat gij
verbergt?" 32. En toen wij tot de engelen zeiden: "Knielt voor Adam,"
deden zij het, slechts Eblis [115] weigerde; hij was ongeloovig,
[116]. 33. Wij zeiden: "o Adam bewoon den tuin [117] met uwe vrouw
en geniet er van wat gij wilt, maar nadert dezen boom niet [118];
anders zult gij zondaar zijn." 34. Maar Satan verleidde hen en
dreef hen er uit, en wij zeiden; "Weg van hier [119]; de een zij
des anderen vijand [120]; de aarde zal uwe woonplaats zijn en tot
tijdelijk gebruik." 35. Daarop leerde Adam woorden des gebeds van
God, en hij keerde tot den Heer terug; want Hij is de lankmoedige en
barmhartige. 36. Wij zeiden: Verwijdert u van hier, Ik zal u eene
leiding geven; wie deze leiding volgt, zal vrees noch droefheid
kennen. 37. Die deze echter niet gelooven en onze teekenen [121]
verloochenen, worden ten eeuwigen vure gedoemd. 38. o Kinderen IsraÎls
[122] bedenkt het goede, dat ik u heb gedaan; weest getrouw aan
mijn verbond; ook ik wil daaraan getrouw zijn, en vereert slechts
mij, en gelooft wat wij tot bevestiging uwer vroegere openbaring
thans geopenbaard hebben, en weest niet de eersten, welk niet
daaraan gelooven; en verruil het niet met nietigheden en vereert
mij. 39. Kleedt de waarheid niet in het gewaad der leugen en verbergt
de waarheid niet tegen beter weten aan. 40. Doet nauwkeurig het gebed,
geeft aalmoezen en buigt u met hen die zich buigen [123]. 41. Hoe zoudt
gij anders de menschen tot vroomheid aansporen, zoo gij het welzijn
uwer eigene ziel vergeet. Gij leest het boek [124]: moet gij het dan
niet ook verstaan. 42. Roept geduld en gebed ter hulpe; het gebed is
licht voor den geloovige. 43. Die gelooven, dat zij eens hunnen Heer
zien, en tot Hem terugkeeren zullen. 44. o Kinderen IsraÎls, herinnert
u de weldaden, die ik u heb bewezen, terwijl ik u boven alle volkeren
bevoorrechtte. 45. Vreest den dag, waarop geene ziel genoegdoening
voor eene andere zal kunnen geven, geene smeeking van anderen
aangenomen, waarop geen losgeld ontvangen zal worden; waarop niets
kan helpen. 46. Denkt er aan, hoe wij u van Pharaos volk hebben gered,
dat u met hardheid onderdrukte, uwe zonen doodde en slechts uwe vrouwen
[125] liet leven; dit zij u een groot bewijs voor de goedheid van uwen
God. 47. Gedenkt, hoe wij de zee ter uwer redding hebben gespleten
en voor uw oogen Pharaos volk lieten verdrinken [126]. 48. Gedenkt,
dat, toen ik gedurende veertig nachten met Mozes sprak, gij het kalf
[127] hebt aangebeden; en gij hebt snood gehandeld. 49. Wij hebben u
later vergeven, opdat gij dankbaar zoudt zijn. 50. Wij gaven Mozes
de schriften en de onderscheiding [128], opdat gij op den rechten
weg zoudt geleid worden. 51. Mozes zeide tot zijn volk: Gij hebt uwe
zielen door dit kalf verontreinigd, keert tot uwen Schepper terug of
doodt u zelven; dit zal uwen Schepper welgevalliger zijn. Hij zal zich
weder tot u wenden; want Hij is vergevensgezind en albarmhartig. 52. En
toen gij tot Mozes zeidet: O Mozes, wij willen u niet eerder gelooven,
dan na dat wij God met eigen oogen hebben gezien, toen kwam er straf
over u, terwijl gij er naar zaagt. 53. Wij wekten u op na uwen dood,
opdat gij het dankbaar zoudt erkennen. 54. Wij gaven wolken om u te
overschaduwen en zonden manna en kwartels [129], zeggende: eet van
de heerlijke spijzen, die wij u hebben gegeven. Zij hadden ons geen
leed gedaan, maar zich zelven. 55. Wij zeiden: Gaat in deze stad
[130], geniet naar welbehagen van hetgeen zich daar bevindt: treedt
de poort aandachtig binnen, en roept uit: Vergiffenis Heer! [131]
Wij willen u uwe misstappen ook vergeven, en het geluk der goeden
verhoogen. 56. Maar de boozen veranderen dit woord met een ander
[132], wat hun niet was gegeven, en wij hebben onzen toorn op de
boozen uit den hemel neÍrgezonden, om hunne goddeloosheid te straffen
[133]. 57. Mozes bad God om water, en wij zeiden: "sla met uwen
staf op de rotsen," en er ontsprongen twaalf bronnen, opdat allen
hunne bron zouden erkennen. Eet en drinkt van de weldaden die God
u geeft, en doet geen boosheid meer op aarde. 58. Toen zeidet gij:
O Mozes! wij kunnen niet langer immer dezelfde spijzen verdragen;
bid uwen Heer, dat hij voor ons de vruchten der aarde doe groeien,
groenten, komkommers, knoflook, linzen en uien [134]. Mozes antwoordde:
"Verkiest gij het slechte boven het goede? keert dan naar Egypte terug,
daar vindt gij wat gij verlangt." Vernedering en armoede spreidden
zich over hen uit; zij waren in den goddelijken toorn vervallen,
daar zij niet aan zijne wonderen geloofden, en brachten hunne
profeten onrechtvaardig ter dood [135]. Ziedaar het gevolg van hunne
weÍrspannigheid en hun geweld. 59. De geloovigen, het mogen Joden,
Christenen en SabÎisten [136] zijn, indien zij slechts aan God en aan
den oordeelsdag gelooven en wel doen, zullen door hunnen Heer beloond
worden; noch vrees noch droefheid zal over hen komen. 60. Toen wij het
verbond met u sloten en den berg SinaÔ [137] over uw hoofd verhieven,
zeiden wij: Ontvangt met vastheid hetgeen wij u geopenbaard hebben;
bedenkt den inhoud, en bewaart dien. 61. Maar gij zijt daarop er van
afgekeerd; en had God u niet beschermd en zich over u erbarmd, dan
waart ge reeds lang verdelgd. Gij wist reeds wat hun was wedervaren
die den Sabbat hadden ontwijd, en tot welken wij zeiden: "Verandert
in apen en zijt uit de maatschappij gestooten" [138]. 62. En wij
lieten hen dienen tot een voorbeeld voor hunne tijdgenooten en voor
hunne nakomelingen, en tot eene waarschuwing voor de vromen. 63. Toen
Mozes tot zijn volk zeide: "God gebiedt u eene koe te offeren," [139]
toen antwoordden zij; "Spot gij met ons?" Hij zeide: "God beware mij
tot de zotten te behooren." Zij antwoordden: "Bid uwen Heer voor ons,
dat hij ons duidelijk verklare welke een koe dit zijn moet."--"God
wil," zeide hij, "Dat dit noch eene oude koe, noch een vaars zij,
maar van middelbaren ouderdom. Doet derhalve wat u bevolen is." 64. De
IsraÎlieten antwoordden: "Bid uwen Heer, ons duidelijk te verklaren
welke kleur zij moet hebben."--"God zeide," antwoordde hij, "zij zijn
rood en geel, en aangenaam voor het oog des beschouwers." 65. "Bid
uwen Heer, ons duidelijk te verklaren hoe deze koe moet zijn; want
wij vinden wel koeien die elkander gelijken, en zij zullen dan alleen
goed in onze keuze geleid worden, als God het wil." 66. Mozes hernam:
"God zegt u: "Het zij eene koe die niet vermagerd is door het beploegen
of besproeien van het veld, maar het zij eene zonder gebrek." "Nu,"
zeiden zij, "komt gij met de waarheid." Zij doodden de koe, doch er
ontbrak weinig aan of zij hadden het niet gedaan [140]. 67. Indien gij
iemand vermoord hebt en over de daders strijdt, dan zal God uitbrengen
wat gij geheim houdt. 68. Wij bevalen den doode met een deel der koe
[141] te slaan [142] en God zal den doode weder levend maken; Hij toont
u zijne wonderen, opdat gij wijs zoudet worden. 69. Maar spoedig daarop
werden uwe harten verhard; zij zijn als steenen en nog harder; want uit
sommige steenen ontspringen bronnen, andere splijten en er vloeit water
uit; andere zakken in elkander uit vreeze voor God; maar inderdaad,
God is niet onbekend met uwe daden. 70. Meent gij thans dat zij u
gelooven zullen. Maar een deel van hen heeft het woord Gods vernomen:
maar zij hebben het daarna, tegen beter weten aan, verdraaid. 71. Als
zij de geloovigen ontmoeten, zeggen zij; wij gelooven, doch als zij
onder zich bij elkander komen, zeggen zij; wilt gij hun dan verhalen,
wat God u geopenbaard heeft, opdat zij u daarover voor uwen Heer
zouden bestrijden. Begrijpt gij dat niet. 72. Weet gij dan niet,
dat God kent wat zij verbergen en wat zij openbaren. 73. Er zijn
wel onwetende menschen onder hen, welke de schrift (de vijf boeken)
niet verstaan, maar alleen de leugenachtige verhalen, en zij weten
het niet. Wee hun, welke de schrift met hun eigene handen schrijven,
en uit nietige winzucht zeggen [143]: "Dit is van God. Wee hun om
hunner handen schrift, wee hun om hunne winzicht. 74. Zij zeggen: als
het vuur ons kwetst, zal dit slechts voor weinige dagen zijn [144];
zeg hun: Hebt gij deze verzekering van God? zal God om u zijne gelofte
breken? Of zegt ge iets van God wat gij niet weet? 75. Waarlijk, die
slechte daden [145] verricht en der zonde vervalt, dien treft eeuwig
vuur. 76. Die echter gelooft en goed doet, komt voor eeuwig in het
paradijs. 77. Toen wij met de kinderen IsraÎls een verbond sloten,
bevalen wij: Vereert een eenigen God, weest goed omtrent uwe ouders,
bloedverwanten, weezen en armen, en wenscht den menschen slechts
goeds; doet het gebed en geeft aalmoezen; doch spoedig daarop zijt
gij enkelen uitgezonderd, afgevallen en daarvan afgekeerd. 78. Toen
wij een verbond met u sloten, geen bloed te vergieten, niemand
uit zijne woning te verdrijven, hebt gij verklaard daaraan vast te
houden. 79. Doch spoedig daarop hebt gij elkander vermoord [146],
een deel uwer uit hunne woningen verjaagd. Gij stondt elkander bij
in vijandschap en ongerechtigheid. Maar komen zij als gevangenen tot
u, dan koopt gij hen weder, hoewel het u verboden was, hen uit hunne
woningen te verjagen. Gelooft gij dan slechts een deel van uwe schrift
en wilt gij het andere loochenen? Wie dit doet, dien zal schande
treffen in dit leven, en de hardste straf op den dag der opstanding;
want God is niet onopmerkzaam omtrent hetgeen gij doet. 80. Het zijn
diegene welke dit leven ten koste van het toekomstig verkoopen; hunne
straf wordt niet verzacht en nimmer worden zij geholpen. 81. Eens
openbaarden wij Mozes de schrift, lieten hem door nog andere boden
volgen, rusteden Jezus, den zoon van Maria, met kracht van overtuiging
uit en wij gaven hem den heiligen geest [147]. Maar telkens als een
dezer boden iets bracht wat u niet beviel, bleeft gij halsstarrig:
eenige hebt gij van bedrog beschuldigd, en anderen gedood. 82. Zij
zeiden: "Onze harten zijn onbesneden," [148]. Maar God heeft hen om
hun ongeloof vervloekt, en slechts weinigen hebben geloofd. 83. Toen
zij nu de schrift van God ontvingen, waardoor hunne vroegere schriften
werden bevestigd, en hoewel zij vroeger om hulp tegen de ongeloovigen
hadden gesmeekt, wilden zij toch deze loochenen, hoewel zij die kennen,
Gods vloek ruste op deze ongeloovigen. 84. Voor eene nietigheid hebben
zij hunne zielen verkocht. Zij loochenen de openbaring Gods [149]
uit nijd: want God zendt zijne gunsten aan zijne dienaren, die hem
behagen. Toorn op toorn komt over hen; schandelijke straf treft de
ongeloovigen. 85. Zegt men hun: Gelooft wat God heeft geopenbaard,
dan antwoorden zij: Wij gelooven slechts aan datgene, wat ons werd
geopenbaard [150], en zoo loochenen zij al het daarop volgende,
hoewel het waarheid is en het vroegere slechts bevestigt. Zeg hun:
Waarom hebt gij dan, als gij geloovigen zijt de vroegere profeten
Gods gedood? 86. Toen Mozes met wonderkracht tot u kwam, hebt gij
desniettegenstaande een kalf vereerd en boos gehandeld. 87. Toen wij
een verbond met u sloten en den berg boven u verhieven, zeiden wij:
Neemt met vastheid aan wat wij openbaren, en hoort. Zij antwoorden:
Wij hoorden het wel, maar wij gehoorzamen niet, en zij moesten het
kalf in hun hart drinken [151]. Zeg hun: Een zware taak legt uw geloof
u op, zoo ge er een hebt [152]. 88. Zeg hun: Indien gij dan eens eene
bijzondere woning bij God, gescheiden van de overige menschen hoopt,
dan moet gij den dood verlangen, indien gij oprecht zijt. 89. Maar
nimmer wenscht gij dien, om het werk uwer handen, dewijl God de
booswichten kent. 90. Gij zult vinden, dat juist zij, meer nog dan de
afgodendienaars, dit leven vurig wenschen; ieder bidt dat hij duizend
jaren moge leven. Maar al zou hij ook duizend jaren leven, dan nog zou
hij de straf niet ontgaan want God ziet wat zij gedaan hebben. 91. Zeg:
Wee den vijand van GabriÎl [153], die u, door Gods wil de openbaring
ingegeven heeft; diegeene welke gij reeds bezit, bevestigend als
een richtsnoer en eene belofte voor de geloovigen. 92. Wee hem,
die den vijand van God, van zijn engelen, zijne boden, van GabriÎl
en MichaÎl is. Waarlijk God is een vijand der ongeloovigen. 93. Wij
hebben u overtuigende kracht van wonderen gegeven [154], en niemand
kan die betwijfelen dan de goddeloozen. 94. Hoe dikwijls zij ook ons
geloof bezweren, een deel van hen verwerpen het toch: ja de meesten
onder hen gelooven niet daaraan. 95. Toen de apostel Gods tot hen
kwam, de schrift bevestigende, die hen reeds vroeger was gegeven,
wierp een deel der schriftgeleerden het boek Gods achter hunnen rug,
als kenden zij het niet. 96. Zij volgden de plannen, die de duivelen
tegen den koning Salomo [155] hadden verzonnen; en Salomo was geen
ongeloovige, maar de duivels waren het, en leerden de menschen
tooverkunsten, die de beide engelen van Babel: Haroet en Maroet
[156], waren medegedeeld. Maar zij leeren deze kunst niemand, tenzij
hij zegge: "Wij zijn geneigd tot de verzoeking," wees daarom geen
ongeloovige. Van hen leerde men ook wat oneenigheid tusschen man en
vrouw sticht, maar zij doen niemand kwaad dan met Gods toestemming. Wat
zij leeren brengt nadeel en heeft geen nut, en daarbij wisten zij,
dat hij die deze kunst had gekocht, geen deel aan het leven hier
namaals zou hebben. Voor een onzaligen prijs hebben zij hunne zielen
verkocht. Hadden zij het geweten! 97. Ach! hadden zij maar geloofd
en God gevreesd, dan ware hun een schooner loon geworden. Indien zij
het hadden geweten! 98. O, gij geloovigen, zegt niet RaÔna, maar
Ondhorna [157] en gehoorzaamt; den ongeloovigen wacht eene groote
straf. 99. De ongeloovigen en de schriftbezitters wenschen, even
als de heidenen, dat geenerhande gunst van uwen Heer op u nederdale;
maar God beweldadigt wien hij wil; want God is almachtig. 100. Als
wij verzen uit dit boek afschaffen of u doen vergeten, dan geven
wij betere, of vervangen die door gelijksoortige. Weet gij dan niet
dat God almachtig is. 101. Weet gij niet dat hij regeerder van den
hemel en van de aarde is; en gij buiten hem geen beschermer en helper
hebt? 102. Wilt gij van uwen profeet vorderen wat men eens van Mozes
vorderde [158]? Maar wie het geloof tegen het ongeloof verwisselt, is
reeds van den weg afgedwaald. 103. Velen der bezitters van de schrift
wenschen, dat gij, nadat gij geloovig zijt geworden, weder ongeloovig
zoudt worden, uit nijd hunner zielen, daar zij de waarheid hebben
gezien. Vergeeft hun, laat hen gaan, tot God gebiedt [159]; want God is
almachtig. 104. Verricht het gebed, geeft aalmoezen; en het goede wat
gij hier voor uw zielenheil doet, vindt gij eens bij God weder; want
God weet wat gij doet. 105. Zij zeggen: slechts Joden en Christenen
komen in het paradijs, zegt hun echter: Toont uwe bewijzen, indien
gij waarachtig zijt. 106. Neen, wie zijn aangezicht tot God wendt,
en deugdzaam is [160], ontvangt belooning van zijnen Heer; noch vrees,
noch droefheid zullen hem treffen. 107. De Joden zeggen: De Christenen
gronden zich op niets, de Christenen zeggen: de Joden gronden zich
op niets, en toch lezen beiden de schriften. Zij die niets kennen
[161], spreken evenzoo. Maar God zal eens, op den dag der opstanding,
datgene beslechten, waarover zij thans oneenig zijn. 108. Wie
is onrechtvaardiger dan hij, welke de tempelen beletten wil, waar
Gods naam geprezen zal worden en deze tracht te vernietigen. Slechts
sidderend kunnen zij die binnentreden. Zij zullen in deze wereld door
smaad, in de toekomende door strenge straf getroffen worden. 109. God
is Heer van Oost en West, en waar gij u heen wendt, is het oog van God
[162]: want God is alomtegenwoordig en alwetend. 110. Eenigen zeggen;
God heeft kinderen voortgebracht. Dit zij verre [163]! Hemel en aarde
behoort hem en alles gehoorzaamt hem. 111. De schepper van hemel
en aarde is bezitter van alles; zoo hij slechts bezielt, indien hij
slechts zegt: Wees! dan bestaat het. 112. En zij die niets kennen,
zeggen: wij willen niets gelooven, tot God zelf met ons spreekt, of
gij ons wonderen toont. ZÛÛ zeiden anderen, die vÛÛr hen bestonden;
hunne harten zijn gelijk. Wij hebben reeds genoeg bewijzen gegeven
voor hen die gelooven wilden. 113. Wij hebben u in waarheid gezonden,
met goede tijdingen en ook straffende, maar zij die ter helle
zullen gaan, zullen u zelfs niet ondervragen. 114. Maar de Joden
en Christenen zullen niet eerder met u tevreden zijn, dan zoo gij
tot hunnen godsdienst overgaat; zeg echter slechts: het richtsnoer
dat van God komt, is het ware. En waarlijk, indien gij hun verlangen
waart nagekomen, na de reeds door u verkregen kennis [164], gij hadt
bij God geene bescherming en geene redding gevonden. 115. Zij wie wij
de schrift hebben gegeven en die haar lezen, zooals zij gelezen moet
worden, gelooven er aan; die welke er echter niet in gelooven, storten
zich in de ellende. 116. O Kinderen IsraÎls, herinnert u het goede,
dat ik u heb gedaan, dat ik u boven de andere natiÎn bevoorrecht
heb. 117. Vreest den dag waarop de eene ziel niets voor de andere
vermag, waarop geen losgeld aangenomen worden, geene bemiddeling baten
en geene redding zijn zal. 118. Toen God Abraham met zekere woorden
beproefde [165] en deze Zijne geboden vervulde, zeide God: Ik stel
u aan als hoogsten priester [166] voor de menschen. Hij antwoordde:
En mijn gezin ook? God antwoordde: de boozen zijn niet begrepen in
mijn verbond. 119. En toen wij een huis tot verzameling der menschen
en een toevluchtsoord oprichtten [167] zeggende: Neemt Abrahams huis
[168] bedeplaats, sloten wij een verbond met Abraham en IsmaÎl, dat
zij dit huis zouden reinigen, zoowel voor die welke er om heen gaan,
als voor diegenen welke het bezoeken en zich er biddend nederwerpen
[169]. 120. Toen Abraham zeide: Heer maak dit eene plaats van zekerheid
en geef aan zijne bewoners, die aan God en aan het laatste oordeel
gelooven, het voedsel uwer vruchten, toen antwoordde God: ook de
ongeloovigen wil ik spijzen, maar slechts met weinig en hen dan in het
vuur der hel drijven. Eene harde reis zal dat zijn. 121. Toen Abraham
en IsmaÎl den grondslag voor dit huis legden, baden zij: o Heer neem
het genadig van ons aan; want gij hoort en kent alles. 122. Heer,
maak ons u geheel onderworpen [170] en onze nakomelingen tot een
u onderworpen volk; toon ons onze heilige ceremoniÎn en wend u tot
ons; want gij zijt de genadige en barmhartige. 123. Heer zend een
gezant onder hen, die hun uwe wonderen openbare, en hun de schrift
[171] en de wijsheid verklare en hen zuivere; want gij zijt de
machtigste en wijste. 124. Wie zal afkeer voor den godsdienst van
Abraham hebben? Slechts hij, wiens hart ingebeeld is. Wij hebben hem
reeds op deze wereld gekozen en in de andere zal hij tot het getal
der rechtvaardigen behooren. 125. Toen God tot hem zeide: wees mij
onderworpen, antwoordde hij: ik onderwerp mij den meester van het
heelal. 126. En Abraham leerde zijnen kinderen dien godsdienst, en ook
Jacob deed dat, zeggende: O mijn kinderen! waarlijk, God heeft dezen
godsdienst voor u uitverkoren; sterft niet zonder God onderworpen te
zijn (muzelmannen). 127. Waart gij tegenwoordig, toen Jacob op het
punt was te sterven, en tot zijne zonen zeide: Wien wilt gij vereeren
na mijnen dood? Zij antwoordden: wij zullen uwen God aanbidden, en
den God uwer vaderen Abraham, IsmaÎl en Izaak; den eenigen God; hem
willen wij onderworpen zijn. 128. Dit volk is voorbijgegaan; zij hebben
wat zij verdienden: gij zult mede ontvangen wat gij zult verdienen,
en men zal u niet vragen wat anderen gedaan hebben. 129. Zij zeggen:
weest Joden of christenen, dan zijt gij op den rechten weg. Zegt hun:
Wij volgen het geloof van Abraham, den waren geloovige, die geen
afgodendienaar was. 130. Zegt; wij gelooven aan God en wat hij ons
heeft geopenbaard, en wat hij heeft geopenbaard aan Abraham, IsmaÎl,
Izaak en Jacob en de stammen, en aan datgene wat Mozes, Jezus en de
profeten door hunnen God werd gezonden. Wij maken geen onderscheid
tusschen hen, en zijn God onderworpen. 131. Gelooft gij nu wat wij
gelooven, dan zijt gij op den rechten weg; dwaalt gij echter daarvan
af, dan maakt gij tweespalt. God zal u ondersteunen tegen hen; want God
hoort en weet alles. 132. Wij hebben Gods doop en wat is beter dan Gods
leer [172]? Hem dienen wij. 133. Wilt gij met ons over God strijden
[173]? Wie is onze God en de uwe? Wij hebben onze handelingen en gij
de uwe, en wij zijn hem oprecht onderworpen. 134. Wilt gij zeggen
dat Abraham, Izaak, Jacob en de stammen, Joden of Christenen zijn
geweest? Zegt: zijt gij wijzer dan God? En wie is schuldiger dan hij,
die de getuigenis verduistert welke hij van God heeft ontvangen? Maar
God is niet onopmerkzaam nopens hetgeen gij doet. 135. Dit volk is
voorbijgegaan; wat het verdiende, heeft het ontvangen, en ook gij
zult ontvangen wat gij verdient hebt; maar men zal u niet vragen wat
anderen gedaan hebben. 136. De dwazen onder de menschen zullen vragen:
Wat heeft hen van hunne Kebla afgewend, welke zij vroeger aangenomen
hadden [174]? Zegt hun; God behoort het Oosten en het Westen;
hij geleidt wien hij wil op den rechten weg. 137. Zoo hebben wij u
geplaatst als een bemiddelend volk [175], opdat gij getuigen zoudt
zijn tusschen de menschen, en dat de apostel een getuigen tegen u
zou wezen. 138. Wij hebben de Kebla daarom veranderd, opdat men zou
kunnen onderscheiden tusschen hen, welke hem volgen en diegenen welke
hem den rug toekeeren [176]. Menigeen hindert dit, doch niet hun die
door God worden geleid. Maar God beloont uw geloof [177]; want God is
genadig en barmhartig omtrent de menschen. 139. Wij hebben gezien,
dat gij uw gezicht naar den Hemel wendt, maar wij willen het eene
richting geven die u aangenaam is. Wendt daarom uw gezicht naar
den heiligen tempel; waar gij u ook bevindt, wendt uw aangezicht
daarheen. Zij die de schrift ontvingen, weten het wel, dat deze
waarheid van hunnen Heer komt, en God is niet onopmerkzaam omtrent
hunne daden. 140. En indien gij zelfs de bezitters der schrift nog
zoo vele bewijzen zoudt brengen, zouden zij nog uw Kebla niet volgen;
volgt dus de hunne niet. Zelfs onder hen volgt de eene den andere niet
na [178]. Indien gij echter, na de kennis welke gij hebt opgedaan, hun