aanduiden, zonder ons met het bijzondere der verschillende secten
bezig te houden, in welke zij verdeeld werden, had overigens de meest
overdreven begrippen van de waardigheid en de heiligheid van den
Imam. Andere Muzelmannen echter zagen, reeds ten tijde van Ali, in het
khalifaat slechts eene zuiver staatkundige instelling, die het welzijn
der volken tot eersten grondslag zou hebben. Zij leerden daarom dat
het Imamaat, op zich zelven beschouwd, in het geheel niet noodig is,
dat iedere deugdzame, hij zij vrij of slaaf, uit welk geslacht hij
ook afstamme, daartoe kon worden verheven, en dat, indien de Imam of
khalif niet aan zijn heiligen plicht voldeed, de wet veroorloofde,
en zelfs gebood, zich tegen hem te verzetten en hem te bekampen. Deze
meening, die natuurlijk door de machthebbenden ten sterkste werd
bestreden, en wier bekenners den naam CharÔdjiten [74] ontvingen, vond
zelfs onder de meest geleerde mannen van de eerste eeuw der hedjira
talrijke aanhangers, en bewijst genoegzaam, dat de heilige schrift der
Muzelmannen niet ter gunste van het khalifaat spreekt, gelijk zich dat
later vormde. Merkwaardig en pleitende voor den zoogenaamden orthodoxen
Islam is het, dat deze leer hier verdoemd en hare bekenners als ketters
werden bestraft, hoewel, naar eene zeer oude, authentieke overlevering,
Aboe Bekr zelf, in zijne eerste rede, die hij als khalif in de moskee
te Medina hield, zeide: "O, gijlieden! Gij hebt mij tot uw opperhoofd
gekozen, hoewel ik niet de voornaamste onder u ben. Handel ik recht,
zoo weigert mij uwe medewerking niet, bega ik een onrecht, zoo biedt
mij tegenstand!.... Gehoorzaamt mij, zoo lang ik God en zijnen gezant
gehoorzaam. Handel ik echter tegen de geboden van God en zijnen gezant,
weigert mij dan gehoorzaamheid!"
Ook de leer van het goddelijke raadsbesluit is, in de strengheid
en consequentie, die alle vrijheid van 's menschen wil vernietigt,
gelijk zij door menigen orthodoxen Muzelman opgevat en door alle
vijanden van den Islam voorgesteld wordt, meer eene uitvinding
der politiek, dan van het geloof. In den Koran verschijnt zij meer
tot bekamping der vrees, tot bevestiging van het vertrouwen en der
onderwerping aan den wil des Heeren, tot troost in het ongeluk en
tot bewaring der bescheidenheid in het geluk, dan tot verlamming
der menschelijke werkzaamheid, of wel tot berooving der zedelijke
vrijheid. Roekeloosheid wordt uitdrukkelijk in den Koran verboden
[75]. Voorzichtigheid wordt zeer dikwijls aanbevolen, en zelfs het
gebed, de hoogste ceremoniÎele wet van den Islam, ondergaat eene
wijziging, zoo, door de verrichtingen volgens het voorschrift,
de biddende in gevaar kon worden gebracht [76]. En indien het ook
dikwijls wordt herhaald, dat God de menschen naar Zijnen wil voedsel
geeft, zoo wordt toch nergens daarmede bedoeld, dat de Muzelmannen
de handen werkeloos in den schoot moeten leggen. Veeleer is het zelfs
veroorloofd, op den heiligen Vrijdag, na de verrichting van het gebed,
zijne zaken te verrichten [77]. Ook moet slechts een klein gedeelte
van den Koran bij het gebed worden gelezen, naardien velen het land
moeten doorkruisen om hun levensonderhoud te zoeken [78]. Enkele andere
plaatsen, in welke eene zekere zorgeloosheid tot deugd wordt verheven,
kunnen dus slechts daarop doelen, dat de mensch door versaagdheid
niet al te zeer in de zorgen voor zijn onderhoud moet worden
tegengehouden, en daardoor zijne hoogere plichten, het trachten naar
Gods welbehagen, door oefening der deugd, op den achtergrond plaatse,
gelijk ook de apostel Petrus schrijft [79] "Werp al uwe zorgen op Hem
(God), want Hij zorgt voor u". Wat de leerstelling van de volstrekte
voorbestemming van den mensch tot zaligheid of tot lijden betreft,
is Mahomets, geheel op vrees en verwachting gebouwd godsdienststelsel
niet alleen er tegen, daar hij voortdurend tot gelooven en tot vrome
handelingen, om het loon in het paradijs, vermaant, en voor ongeloof
en zonden waarschuwt, om de straf in de hel, en dus noodzakelijk
ook het toekomstig lot van den mensch van zijn eigen wil afhankelijk
moet maken; maar bovendien wederleggen eenige plaatsen in den Koran
zulk eene Augustiniaansche predestinatieleer ten stelligste. Daar
zij echter door de orthodoxe Imams aangenomen en voortdurend in alle
Europeesche werken den stichter van den Islam worden toegeschreven
en verweten. Zoo moeten wij hier uitvoeriger zijn en meer bewijzen
voor Mahomets leer van de vrijheid des wils aanvoeren, dan eigenlijk
noodig zou zijn. De mondelinge overleveringen kunnen wij omdat men er
zich niet op kan verlaten, noch hier, noch bij andere verschillen in
aanmerking nemen. Wat hiervan in dit opzicht kan worden aangenomen,
blijkt voor den onderzoeker genoegzaam daaruit, dat zij Mahomet reeds
vooruit laten zeggen: De Islam zou zich in drie-en-zeventig secten
verdeelen, onder welke de bekenners van den vrijen wil als de MagiÎrs
van den Islam worden aangeduid. Wij mogen alzoo op dit punt slechts
naar den Koran verwijzen [80].
Deze verzen, bij welke nog vele andere gevoegd kunnen worden, bewijzen
genoegzaam, dat Mahomet niet slechts de consequente predestinatieleer,
zooals zij door eenige secten in het Christendom en door de Djabariten
en eenige andere secten in den Islam ontwikkeld werd, niet huldigde,
maar dat hij in het algemeen veel meer nabij het Pelagiaansche
stelsel was, dan het nieuw opgevatte Augustiaansche systeem. Hoe
ware het overigens mogelijk, daar hij den val van den mensch niet
als Augustijn en de Christelijke kerk aanneemt, en de leer der
erfzonde loochent, die alleen de volstrekte predestinatieleer met
de goddelijke gerechtigheid en heiligheid kan verzoenen. Volgens
de leer van den Koran werd namelijk het eerste menschenpaar, om
zijne ongehoorzaamheid, wel uit het hemelsche paradijs op de aarde
verstooten, en ook wordt, voor zoo verre de eerste zonde door de zege
van de baatzuchtigheid over Gods wil werd begaan, het menschenras
wederkeerige haat en onvrede voorspeld; de Koran weet echter niets van
eenen zich voortplantenden toestand van innerlijk verderf, ten gevolge
der zonde van Adam, en neemt zich op vele plaatsen in acht voor het
denkbeeld eener toerekening van vreemde zonden. Mahomet kent daardoor
ook geene andere genade, dan de openbaring door profeten, deels tot
volmaking der menschelijke erkenning van het goede en het kwade,
deels als hulp tegen de verzoekingen van den satan, wien de mensch
door zijnen val geheel werd prijs gegeven, of eigenlijk zich zelven
nog meer heeft blootgesteld. Adam had berouw over zijne zonde en God
schonk het menschenpaar weder genade, terwijl hij zeide: "Verwijdert
u van hier; ik zal u eene leiding geven: wie deze leiding volgt zal
vrees noch droefheid kennen. Die deze echter niet gelooven en onze
teekenen verloochenen, worden ten eeuwigen vure gedoemd [81]." Iedere
profeet, van Adam tot Mahomet, is diensvolgens een door God gezonden
verlosser; om echter verlost te worden: dat is, tot het ware begrip
en tot hoogere erkenning te geraken en, ten gevolge daarvan, weder de
zaligheid van het paradijs te genieten, is het geloof aan de openbaring
en het handelen daarnaar noodig. Beiden hangen zij echter alleen van
den menschelijken wil af. Geheel werkeloos, blijft intusschen, ook
bij het individu, de Goddelijke wil naar de leer van den Koran niet,
maar hij uit zich voortdurend, naar gelang van het innerlijke van den
mensch, als genade of gerechtigheid. Mahomet geeft namelijk ook toe,
wat Pelagius aan Augustinus toestond; te weten, dat God desgenen
meening in het geloof sterkt, die den wil tot het goede heeft,
terwijl hij dengeen, bij wien de zucht naar het booze den boventoon
voert, aan zijn altijd toenemend bederf overlaat, en dus in zekeren
zin verhardt. Ook blijft het natuurlijk aan de raadsbesluiten der
Hemelsche wijsheid overgelaten, op welken tijd en welk volk Zij door
hare leiding genade wil schenken. Deze concessie der rede aan het
geloof, welke zoowel in het Oude als in het Nieuwe Testament niet te
loochenen is [82], maar geene onvoorwaardelijke predestinatie, wordt
op verschillende plaatsen gepredikt [83]. Uit deze verzen blijkt ten
duidelijkste, dat de mensch, met betrekking tot geloof en deugd, geen
werktuig der Goddelijke willekeur is, maar dat hij het in zijne macht
heeft, het ware te gelooven en het goede te willen; dat God echter
den voor het goede en ware vastbaren mensch ondersteunt, terwijl
hij degenen, welke hun hart sluiten voor Zijne, zich als openbaring
uitende genade, aan hunne verdorvenheid overlaat. De woorden, die
dikwijls in den Koran worden gevonden, dat God leidt wien Hij wil
en in dwaling laat wien Hij wil, welke, uit hun verband gerukt, in
elk geval tot de leer van Augustinus konden voeren, moeten daarom,
naar gelang van hun verband (hetgeen echter, zoo als wij reeds hebben
gezegd, niet altijd met zekerheid is te ontdekken), of in het algemeen
op de zending van een profeet, Úf op den goddelijken bijstand tot
ontwikkeling van het geloof toegepast worden, hetwelk identisch is
met het goede door zijnen wil te ondersteunen, terwijl het, door eene
bijzondere inwerking, dwingen van den roekelooze tot gelooven, met de
Hemelsche gerechtigheid zou strijden, en daarom ook niet in Haren wil
kan liggen. Dit denkbeeld blijkt duidelijk uit het 209e vers van de
tweede Soera, waar onmiddellijk na de woorden; "God zond de profeten
om de waarheid te verkondigen," volgt: "en God leidt de geloovigen
naar de waarheid," en daarna: "God leidt op den rechten weg wien hij
wil." Evenzoo ook in het 19e vers der 39e Soera. Iederen onpartijdigen
lezer moet het daarom klaar zijn, dat Mahomet de vrijheid van den
menschelijken wil in geenen deele loochende. Overigens trad reeds in
de eerste eeuw der hedjira eene hevige oppositie op, tegen de door de
regeering begunstigde bekenners der predestinatieleer, bij welke zich
zelfs een zoon van Omar aansloot. Zij werd echter natuurlijk door de
Omejaden bestreden en onderdrukt, dewijl hunne heerschappij, die op
list en geweld berustte, tot hare ondersteuning en rechtvaardiging,
te zeer behoefte had aan de leer der goddelijke raadsbesluiten en der
predestinatie van alle menschelijke handelingen. Maabad, die aan het
hoofd dezer oppositie stond, zeide luide van zijne tegenstanders:
"Deze lieden vergieten het bloed der menschen en wagen het dan te
beweren, dat al onze handelingen vooraf door een goddelijk raadsbesluit
bepaald zijn." Maar inderdaad werd hij dan ook wegens zijne meening,
niet omdat zij tegen de heilige schrift aandruischte, maar omdat zij
voor de willekeur van den heerscher gevaarlijk was, in het tachtigste
jaar der hedjira, op bevel van den khalif Abd-Almalik, door den wreeden
Haddjadi gefolterd en daarna opgehangen [84]. Desniettegenstaande
plantte zich zijne leer voort, riep de secte der Mutaral in het
leven en bleef zelfs niet zonder invloed op den orthodoxen Islam,
die wel aan de leerstelling der voorbestemming van de uitverkorenen
en verworpenen vasthoudt, doch inderdaad zonder dialectische
consequentie, de predestinatie niet tot de enkele goede of slechte
handelingen van den mensch uitbreidt, en dien ten gevolge ook, zoo
als vele Christelijke dogmatici, eigenlijk slechts ten gevolge van
vooruitweten eene predestinatie aanneemt [85]. De Koran verwerpt
echter, zoo als uit de door ons aangehaalde verzen blijkt, ook dit
dogma en bevat geene enkele plaats, die zoo beslissend daarvoor
zou kunnen pleiten, als die van het Evangelie (Apost. XIII vs. 48
en Rom. VIII vs. 28-30 enz.). Wij zullen ons niet lang meer met de
overige leerstellingen van den Islam ophouden, deels dewijl zij niet
zoo diep in het innerlijke wezen van het geloof grijpen, en minder
betrekking op het leven hebben, deels omdat hare verdere ontwikkeling
eerst tot een lateren tijd behoort, en dus met Mahomet en den Koran,
waarmede wij ons hier bijzonder bezig houden, minder in verband
staan dan met de Arabische wijsbegeerte. Al deze dogmen baarden vele
tegenstrijdigheden en secten, daar de eenen aan de letter des Korans
hingen, en de anderen eener meer vrije uitlegging de voorkeur gaven;
dewijl de eenen zich blindelings aan de voorgewende uitspraken van den
profeet onderwierpen, de anderen de wetten der onveranderlijke rede
boven alles plaatsten, en met de elementen der Grieksche wijsbegeerte
naar eenheid in het godsdienststelsel streefden.
Aangezien wij hier niet verder willen gaan dan de bondgenooten
van den profeet, volgen wij ook de geschiedenis der dogmen van
den Islam niet langer, en merken slechts ten slotte nog aan, dat,
hoezeer Mahomet ook in den Koran op het geloof aan een eenigen God,
aan de profeten en de onsterfelijkheid der ziel aandringt, toch ook,
op tallooze plaatsen, niet minder het volgen der geopenbaarde leer,
een deugdzame, reine levenswandel, naar de voorschriften van den Koran,
van den waren geloovige gevorderd en als het middel aangeduid worden,
om Gods welbehagen en de zaligheid van het paradijs te erlangen. Men
begaat dus ook hierin, omtrent den stichter van den Islam een
onrecht, als men beweert, dat hij aan de uitoefening der deugd en
het bekampen der hartstochten in het geheel geene waarde hecht,
en slechts geloof vordert. Hoe dikwijls vindt men in den Koran de
woorden terug: "die gelooven en goede daden verrichten, komen in
het paradijs," en dergelijken meer. Daar intusschen deze dwaling in
den nieuweren tijd weder is herhaald, verwijzen wij hier naar eenige
plaatsen in den Koran [86]. Indien dus op andere plaatsen, al gewis,
het paradijs aan hen wordt beloofd, die aan God gelooven en voor
de zaak Gods kampen, dan wordt daardoor in het geheel niet gezegd,
dat de overige door God geopenbaarde voorschriften ter zijde mogen
gesteld worden. Veeleer wordt bij den waren geloovige, die bereid is
zijn leven ieder oogenblik voor zijnen God te offeren, eene volkomene
heerschappij over de menschelijke hartstochten en een strikt volgen
van den goddelijken wil, die in den Koran wordt verkondigd op den
voorgrond geplaatst. De Muzelmansche dogmatici, die toch nog minder
met Mahomet mogen worden verwisseld, dan de kerkvaderen met Christus,
nemen wel aan, dat de geloovige, niettegenstaande zijne slechte
handelingen, niet eeuwig uit het paradijs verstooten blijft, maar
zij geven toch toe, dat hij eerst voor zijne ondeugd wordt gestraft
[87]. Overigens is toch ook door Christelijke secten beweerd, dat
het ongeloof allÈÈn den naam van zonde verdient en den mensch in het
toekomstige leven wordt aangerekend, maar dat hij voor de goede werken
op geene belooning aanspraak heeft.
Als hervormer, hetgeen Mahomet oorspronkelijk was en wilde zijn,
verdient hij onze volkomene hulde en bewondering. Een Arabier,
die de schaduwzijde van het toenmalige Joden- en Christendom
openbaarde, en niet zonder levensgevaar trachtte, het veelgodendom
te verdringen en zijn volk de leer van de onsterfelijkheid der
ziel in te prenten, verdient niet alleen naast de grootste mannen
der geschiedenis geplaatst te worden, maar ook, in zeker opzicht,
den naam van profeet. Zoodra hij echter ophoudt te verdragen, zoodra
hij der waarheid door het zwaard de zegepraal tracht te verschaffen,
en in den naam Gods nieuwe ceremoniÎele, burgerlijke, politie- en
lijfstraffelijke wetten voorschrijft, drukt hij op zijne woorden den
stempel van menschelijke zwakheid en vergankelijkheid.
De ceremoniÎele wetten van den Islam zijn wel niet zoo talrijk als men
gewoonlijk in Europa gelooft, maar een enkele is er bij, welke Mahomet
ten minste van de blaam zuivert, dat hij in zijne voorschriften de
zinnelijkheid der Arabieren zou hebben begunstigd. Wij bedoelen het
vasten van den Ramadhan. Men verbeelde zich de gloeiende zandwoestijnen
van ArabiÎ [88] met het verbod, gedurende eene geheele maand, van
zonsopgang tot zonsondergang, zich met eenigerhande spijzen te laven,
en ook geen droppel water te drinken, en men zal de vervulling der
Mahomedaansche voorschriften niet meer zoo gemakkelijk vinden, en
ook niet meer kunnen beweren, dat zij geen kamp tusschen geest en
lichaam vorderen. Het dagelijks vijf malen te verrichten gebed, met de
voorafgaande reiniging, is om zijne kortheid en omdat ieder het voor
zich verrichten kan, minder bezwaarlijk, terwijl de pelgrimstocht naar
Mekka eenmaal gedurende het leven, slechts voor hem verplichtend is,
wiens omstandigheden zulk eene reis veroorloven.
De gewichtigste politiewetten bestaan in het verbod van hazardspelen,
van het genieten van den wijn, het bloed van gestorvene, of ter eere
eens afgods geslachte dieren en van het varkensvleesch.
De staatswetten van den Islam bepalen de op te brengen belastingen, de
deeling van den buit, en de betrekking der geloovigen, zoowel tot de
afgodendienaars als tot de Joden en Christenen. Volgens de strengere
wet der laatste jaren, moeten de eerstgenoemde beoorloogd worden,
tot alle neiging tot afgoderij ophoudt, en de laatsten tot zij zich
onderwerpen en schatting opbrengen. Wij hebben reeds bemerkt, dat
Mahomet, hoewel hij, als mensch, onder de toenmalige omstandigheden
niet anders leeren en handelen kon, nochtans door deze krijgswetten
zijn profetisch karakter in zijn naaktheid heeft getoond. Hoe groot
echter de verzoeking is, indien men eenmaal tot de macht is geraakt, om
die tot het bekampen en onderdrukken van andersdenkenden te gebruiken,
heeft ook het Christendom genoegzaam bewezen, van den dag dat het
den troon der Cesars besteeg tot op den huldigen dag.
Het strafrecht van den Koran is uiterst vrijgevig. De doodstraf wordt
slechts voor tegennatuurlijke vermenging der geslachten en moord
toegepast; en willen de bloedverwanten van een vermoorden liever eene
schadeloosstelling aannemen, dan zich wreken, dan blijft zelfs de
moordenaar in het leven. Ook echtbrekers worden, ten minste in den
tot ons gekomen Koran, niet met den dood gestraft. Voor lichamelijke
verwondingen wordt geene wraak geduld, maar alleen geldstraffen,
of liever schadeloosstelling.
De strengste crimineele wet, die echter kan worden gerechtvaardigd
door de noodzakelijkheid, om de aangeboren lust der Arabieren tot
diefstal en rooftochten te onderdrukken, is het afkappen der hand
voor elke toeÎigening van eens anderen goed.
De burgerlijke wetten van den Koran betreffen vooral het erf en
huwelijksrecht, en hare hoofdstrekking is de vaststelling van de
rechten der vrouwen en beperking van den willekeur des mans. De
veelwijverij wordt niet opgeheven, doch aan voorwaarden onderworpen,
welke de ware geloovige slechts zelden kan vervullen. De huwelijkstrouw
wordt ook de man tot plicht gesteld. Een ander deel der burgerlijke
wetgeving betreft het lot der slaven, hetwelk Mahomet niet minder
dan dat der vrouwen tracht te verzachten. De geheele opheffing
der slavernij wordt voorbereid en in grondbeginsel, vooral bij
geloovigen, uitgesproken. Een volkomen emancipatie was echter, bij
de voortdurende oorlogen, in welk slechts door de verandering der
gevangenen in slaven den overwonnenen het leven kon worden gespaard,
schier niet mogelijk. De armoede van den Koran aan burgerlijke wetten,
hetwelk deels te verklaren is uit de eenvoudige omstandigheden waarin
men leefde, meer echter nog daardoor dat hij waarschijnlijk daar, waar
hij het bestaande behield, niets openbaarde, werd spoedig gevoeld. Men
beriep zich echter ten eerste op mondelinge uitspraken van Mahomet,
daarna op het voorbeeld van een eersten khalif, later op de besluiten
der eerste Imams, en eindelijk, toen onder de geheel veranderde
omstandigheden ook deze niet meer toereikend waren, handelde men
analogisch: zoodat altijd de moeilijkste vraag, over een of ander
onderwerp, al zou het ook den nadruk of de stoomvaart hebben betroffen,
door een Muzelmansche rechtsgeleerde even goed als door een rabijn,
een christen geestelijke die naar de kanonnieke wet, of door een
jurist die naar het Romeinsche recht uitspraak doet, in naam des
Hemels kon worden opgelost.
De zedeleer van den Koran eindelijk kan als het volkomenste gedeelte
van dit merkwaardige boek worden beschouwd. Zij is wel niet, even
als de andere bouwstoffen, die er den inhoud van vormen, in een
kapittel bij elkander verzameld; maar de schoonste zedekundige
grondbeginselen en voorschriften loopen als gouden draden door
het geheele weefsel van bijgeloof en misleiding, Ongerechtigheid,
wraakzucht inbeelding, hoogmoed, logen, veinzerij, kwaadsprekerij,
smaad, spot, gierigheid, verkwisting, buitensporigheid, ijdelheid,
praal, wantrouwen en argwaan worden als goddelooze ondeugden verklaard;
daarentegen worden milddadigheid, menschlievendheid, bescheidenheid,
toegevendheid, geduld, standvastigheid, tevredenheid, oprechtheid,
rechtschapenheid, tucht, vrede en waarheidsliefde, doch voor alles
vertrouwen en onderwerping, als deugden aanbevolen, welke Gode het
welgevalligst zijn.
IV.
DE KORAN [89].
EERSTE HOOFDSTUK.
INLEIDING [90].
Gegeven te Mekka--7 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God [91].
1. Lof aan God, meester des heelals [92]. 2. Den lankmoedige, den
albarmhartige. 3. Rechter op den dag des gerichts. 4. U bidden wij aan,
Uwe hulp roepen wij in. 5. Voer ons langs den rechten weg. 6. Langs
den weg dergenen, die zich in Uwe weldaden verheugen [93]. 7. Niet
langs den weg dergenen, die Uwen toorn hebben opgewekt, en niet op
dien der dwalenden [94].
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE KOE [95].
Gegeven te Medina--286 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.