Alvorens wij tot de hoofdstukken overgaan, die te Medina geschreven

zijn, en bij welke, uithoofde zij tot historische feiten in betrekking

staan, eene nauwkeuriger tijdsbepaling mogelijk en, uit genoemden

hoofde, ook noodzakelijker is, moeten wij nog enkele aanmerkingen laten

volgen, over de hoofdstukken die te Mekka geschreven zijn. Volgens

eene Muzelmansche overlevering zou vers 93 van het 6e hoofdstuk niet

dan later verschenen zijn en op valsche profeten betrekking hebben,

welke eerst na Mahomets uittocht opkwamen. Intusschen kan het mogelijk

wezen, dat Mahomet, zonder toespeling op anderen, alleen om des te

meer geloof te vinden, gezegd hebbe: Bestaat er wel iets snooders,

dan God logen toe te dichten, of te zeggen: mij is iets geopenbaard,

indien dit niet waar is, enz. Als wilde hij daardoor zeggen; hoe kunt

ge mij voor zoo goddeloos houden?

Vers 30 van het 7e hoofdstuk moet gelijkerwijze eerst in Medina en wel

eveneens eerst na de verovering van Mekka verschenen zijn, hetgeen

ontwijfelbaar is, indien men dat vers als een gebod aanneemt. Het

blijft echter altijd mogelijk, dat het slechts een vermaning ware

tegen de KoreÔshieten, welke den bedevaartgangers nieuwe kleederen

wilden opdringen, of hen dwongen, maakt den tempel om te trekken;

zoodat het reeds vroeger verschenen kon zijn.

Van het 17e hoofdstuk is voorzeker vers 35 (waar gezegd wordt: "wij

hebben den bloedverwant eens vermoorden reeds macht over een moordenaar

gegeven," en waarin waarschijnlijk op hoofdstuk 2 vers 173 wordt

verwezen), eerst in Medina verschenen, waar Mahomet een uitvoerende

macht bezat. Ook vers 78 kon eerst te Medina geopenbaard zijn; want er

wordt van eene poging gesproken, om Mahomet uit het land te verdrijven,

hetgeen die van Mekka werkelijk gedaan hadden. De volgende echter en

vers 83 kunnen reeds in Mekka geopenbaard zijn; want reeds voor de

verovering van die stad kon hij zeggen: "De waarheid is gekomen, de

leugen is ontvloden." Wat het eerste vers van dit hoofdstuk betreft,

zoo houden wij het niet alleen niet te behooren tot die, welke in

Mekka zijn geschreven, maar voor een, dat eerst na Mahomets dood

verdicht, of bij vergissing in den Koran opgenomen is. Onderscheiden

Koranplaatsen pleiten er voor, dat Mahomet zelf de nachtelijke reize,

naar Jeruzalem en den hemel, slechts als een visioen aangezien wilde

hebben. Reeds Mahomets gedurige verzekeringen, dat hij niet meer dan

een prediker en geen wonderdoener was [47], behoorde ook overigens de

geloovigen te overtuigen, dat er geen grond voorhanden is, om hier

aan het doen eener werkelijke reize, gelijk ook aan eene gespleten

maan te denken. Desniettemin had deze legende zich spoedig na den

dood van den profeet verbreid, en langs dien weg kon ook dit vers,

door eenig geloovige voor zich zelven opgeteekend, wellicht reeds

ten tijde van Aboe Bekr, in den Koran overgegaan zijn. Dat vers komt

overigens volstrekt niet bij het daaropvolgende, is voor een ieder,

die de legende niet kent, onverstaanbaar, en bovendien voor dengeen,

die er mede bekend is, duister en taalkundig onjuist. Woordelijk

luidt het vers: "Geprezen zij degeen, die met zijn knecht des nachts

reisde, van den heiligen tempel naar den verwijderden tempel, wiens

omgeving wij gezegend hebben [48], opdat wij hem onze wonderen

toonen. Gewisselijk hij is de hoorende, de zienden."

In vers 85 van hoofdst. 28 moet, volgens eenige Koranverklaarders, aan

Mahomet voorspeld zijn, dat hij eens naar Mekka terug zou keeren. Ten

gevolge daarvan zou dat vers zeker in Medina, of tenminste daarheen

geschreven moeten zijn. Er komt echter een woord in voor (Maad)

hetgeen woordelijk "plaats des terugkeers" beteekent, zoodat daarmede

even goed de wereld hier namaals, als Mekka bedoeld kan zijn.

Vers 9 en 10 van hoofdstuk 29 schijnen ook naar Medina verplaatst

te moeten worden; want daarin wordt gezegd: dat zekere lieden zich

van de geloovigen afscheiden, indien zij in kommer zitten, maar zich

weder bij hen voegen als er bijstand van God komt; dat echter God

de ware geloovigen wel van de huichelaars weet te onderscheiden. De

vijf eerste verzen van Hoofdstuk 30, welke betrekking hebben op de

zegepraal der Perzen op de Grieken, behooren tot het vroegere tijdvak.

Het 15e vers eindelijk van het 46e Hoofdstuk, ten minste de tweede

helft er van, welke door de Muzelmannen betrokken wordt op Aboe Bekr,

wiens vader, zoon en kleinzoon zich tot den Islam bekeerden, is niet

minder verdacht dan het 1e van Hoofdstuk 17.

Tot de nog overige drieÎntwintig Medinasche Soeras overgaande,

volgen wij het algemeene gevoelen, en noemen de 2e Soera (die van

de Koe) als de eerste van Medina, omdat Mahomet in den eersten tijd

voorzeker niets belangrijkers te doen kon hebben dan de Joden, die te

Medina in grooten getale aanwezig waren en grooten invloed bezaten,

te zijnen voordeele te stemmen, en dit wel te meer, nademaal hij te

Mekka zich dikwijls op de getuigenis der Joden beroepen had [49]. Dit

is het thema, waarover namelijk het eerste gedeelte van dat hoofdstuk

loopt. Hij toont de Joden van Medina uit hunne eigene geschiedenis

aan, hoe het hun, zelfs toen Mozes onder hen was, aan waar geloof en

vertrouwen had ontbroken, en stelt Abrahams natuurlijken godsdienst

tegenover het strenge MozaÔsme en het van dogmas zoo zeer vervulde

Christendom. Hij kent geene andere verboden spijzen dan bloed (wat

overigens ook in het vroegere Christendom verboden was) aas of krengen,

varkensvleesch en wat ter eere van eenigen afgod geslacht was [50]. En

dit verbod komt ook reeds in Mekkasche hoofdstukken voor, in verband

met verschillende andere gebruiken, die onder de bewoners van Mekka

heerschten [51]. Ook schrijft hij in den eersten tijd geen ander

gebod voor, dan het geloof aan God, engelen, opstanding, profeten en

hunne openbaring; milddadigheid jegens armen, weezen, bloedverwanten,

reizigers en slaven; gebed, vervulling van zijn woord en lijdzaamheid

in het ongeluk. Op de richting des lichaams bij het gebed komt het niet

aan; God is Heer van het Oosten en Westen [52]. Op deze algemeene leer

der plichten, door Mahomet in den vroegsten tijd van zijn verblijf te

Medina geopenbaard, volgden intusschen andere wetten, welke eerst in

het tweede jaar verschenen. De oorlog tegen ongeloovigen wordt er nu

bevolen en zelfs in de heilige maanden veroorloofd. Niemand mag zich

echter in al te groote gevaren storten, en in zulke gevallen mag het

gebed zelfs onder het rijden of gaan verricht worden, terwijl het

anders ten deele staande, deels knielend gedaan wordt. Mekka wordt

nu als de plaats aangewezen, waarheen men zich bij het doen van het

gebed moet richten. Het genot van den wijn en de hasardspelen wordt

zoo al niet bepaald verboden, dan toch ten minste gegispt. De maand

Ramadhan wordt als vaste-maand bepaald. Ook worden in dien tijd eenige

wetten ten opzichte van gezondheids-maatregelen en omtrent burgerlijke

en lijfstraffelijke aangelegenheden bepaald. Van dien aard zijn de

bepalingen omtrent de reiniging der vrouwen [53]; testamenten [54],

schuldverbintenissen [55], woeker [56], echtscheiding en rechten der

vrouwen [57], huwelijk met ongeloovigen [58] en moord [59] Alleen

vers 192-199, welke de voorschriften omtrent de bedevaart bevatten,

behooren voorzeker tot een lateren tijd, en wel waarschijnlijk tot

het 6e of 7e jaar der hedjirah.

Gelijktijdig met het tweede Hoofdstuk, en alleen tot zijne aanvulling,

verscheen waarschijnlijk het 98e Hoofdstuk, dat voornamelijk tegen de

ongeloovige Joden en Christenen gericht is, en evenzeer het 62e, dat

het gebod behelst over het vieren van den Vrijdag, of eigenlijk over

de godsdienstoefening op dien dag, voorafgegaan door een twistgeschrijf

tegen de Joden, en bijna met dezelfde woorden als in het 2e Hoofdstuk.

Het 65e Hoofdstuk is slechts ten deele eene herhaling, deels eene

aanvulling der huwelijkswetten, welke in het 2e Hoofdstuk vervat

zijn, en moet derhalve ook omstreeks denzelfden tijd geplaatst

worden. Hoofdstuk 22, dat het verlof bevat tot het oorlog voeren, over

de bedevaart handelt, gelijk zij door Abraham is vastgesteld [60] en

over het loon, dat de landverhuizers verbeidt, die sterven of gedood

worden, behoort ook tot dezen tijd; maar, zelfs volgens het gevoelen

de Mahomedanen is een gedeelte daarvan reeds te Mekka verschenen;

want het bevat meer redetwisten tegen de afgodendienaars van _Mekka_

dan tegen de bewoners van Medina. Vers 51-53, in welke Mahomet eene

concessie terug neemt, welke hij aan de ongeloovigen heeft gedaan, en

eene vroegere openbaring aan de kunstenarijen des satans toeschrijft,

laten hierover niet den minsten twijfel bestaan.

Tot de eerste Medinasche Hoofdstukken behoort eigenlijk ook het 4e,

waarin het verdere over het huwelijksrecht en het daarmede in verband

staande erfrecht is bevat [61] en voorts verbod van den zelfmoord

[62], bepalingen omtrent doodslag bij vergissing [63]; eenige

krijgswetten, bijzonder tot bevrijding der te Mekka teruggehouden

geloovigen: twistreden tegen afgodendienaars, Joden en Christenen [64],

verordeningen over het gebed in den oorlog en de reiniging vÛÛr dezen,

en eindelijk nog eenige algemeene, zedelijke vermaningen, zooals

over milddadigheid zonder vertoon te maken [65], rechtschapenheid

[66] en waarheid [67].

Aangezien het derde hoofdstuk, of tenminste een gedeelte daarvan,

gezonden werd om de Muzelmannen over het verlies bij Ohod te troosten,

zoo is het voorzeker in het derde jaar der hedjirah verschenen. De

overige verzen van dat Hoofdstuk, welke ten deele twistgeschrijf en ten

deele vriendelijk tegemoet komen ten aanzien van Joden en Christenen

bevatten, met verwijzing op Abrahams geloof, kunnen ouder zijn:

doch v. 82 daarentegen, dat elken niet-Muzelman in alle eeuwigheid

verdoemt, is gewis eerst later verschenen.

Eene opmerkelijke bijzonderheid voeren wij uit Hoofdstuk 33 vers 47

aan. Nadat daarin gezegd is, de ongeloovigen en huichelaars niet na

te volgen (of zoo als anderen vertolken, niet naar hen te luisteren),

besluit het vers met te bevelen, hun geen leed te doen.

Hoofdstuk 48 betreft de verongelukte bedevaart, of den tocht van

HoedeÔbia, en wordt daarin het verdrag, met de Mekkanen gesloten,

als eene verovering afgeschilderd, en de onmiddellijk daarop volgende

oorlog van Cheribar vermeld. Ook de drie verzen, welke het 110e

Hoofdstuk vormen, zijn waarschijnlijk in dien tijd, zoo niet zelfs na

de verovering van Mekka verschenen. Zoo is het ook met Hoofdstuk 61:

vooral vers 13, waarin evenzeer de spoedige verovering wordt beloofd,

en de vier eerste verzen, waarin den geloovigen verweten wordt, dat zij

hun woord niet houden; waarbij hun achterblijven van den tocht naar

Mekka wordt bedoeld. Eindelijk nog Hoofdstuk 60, dat het huwelijk

tusschen geloovigen en ongeloovigen ontbindt--hetgeen dadelijk na

den terugkeer van HoedeÔbia plaats had--en het huldigings-formulier

der vrouwen voorschrijft. Het begin van dat Hoofdstuk zoude kort

voor de verovering zijn verschenen, toen Hatib Ibn Baltaa zijne

vrienden te Mekka van Mahomets voornemen wilde onderrichten. Het

gebod, geene ongeloovigen tot vrienden te kiezen, wordt nochtans

zoo dikwijls herhaald, dat het waarschijnlijk ook reeds vroeger werd

medegedeeld, nademaal de vriendschapsbetrekkingen tusschen geloovigen

en ongeloovigen reeds lang te voren niet wenschelijk kon toeschijnen.

Hoofdstuk 49, welks begin op het gedrag der afgevaardigden van

de Thakifieten betrekking heeft, verscheen na de verovering van

Mekka. In de volgende verzen tracht Mahomet de eendracht tusschen

de verwonnelingen en de veroveraars te herstellen, en waarschuwt

voor wantrouwen, argwaan, beluisteren, achterklap en geboortetrots,

omdat die ondeugden onvrede tusschen de geloovigen bewerkten, welke

elkander als broeders moesten beminnen.

Het vijfde Hoofdstuk eindelijk bevat eenige verzen, welke Mahomet bij

zijne laatste bedevaart geopenbaard heeft, en dat derhalve door eenige

Muzelmannen als het laatst verschenen wordt beschouwd. Daartoe tellen

wij diegenen, welke betrekking op de bedevaart hebben, en eenige

spijswetten, vooral die, welke in het vierde vers herhaald zijn;

uit hoofde van de tweede helft, waarin de godsdienstlessen thans

als volkomen worden erkend. Het gebod van het wrijven met zand, bij

gebrek aan water [68], bevindt zich reeds in een vroeger Hoofdstuk,

en is, zelfs naar de Muzelmansche overlevering, ouder. Zoo is het

ook met den zoen voor een' niet gehouden eed [69], waarop reeds in

Hoofdstuk 66 v. 2 wordt geduid.

Ook de wet, om bij testamenten twee getuigen te doen onderteekenen

[70], is waarschijnlijk reeds vroeger, met vers 176 van het 2e

Hoofdstuk, verschenen. Evenzeer het gispen van het wijn drinken en

dobbelspel [71]. Alleen de wet, die den diefstal met het afhouden

der hand straft, kan nog bij de laatste bedevaart zijn gegeven. Het

overige gedeelte van het hoofdstuk, dat Bijbelsche legenden bevat,

en voorts twistgeschrijf tegen Joden en afgodendienaars, maar meer

nog tegen Christenen, en vooral tegen de leer der DrieÎenheid,

is voorzeker nog ouder. Dit bewijst hoofdzakelijk v. 85, waarin de

Christenen vrienden der muzelmannen genoemd worden, hetgeen althans

na den slag van Moeta en den veldtocht van Taboek niet meer gezegd

kon worden; ook vers 73, waarin, even als in Hoofdstuk 2 v. 59, den

geloovigen Joden en Christenen eene zalige toekomst wordt beloofd,

terwijl in het 3e Hoofdstuk wordt gezegd [72]: wie eenen anderen

godsdienst dan den Islam aanhangt, wordt door haar niet (bij God)

aangenomen en behoort in de toekomstige wereld tot de verdoemden;

en evenzeer Hoofdstuk 48 v. 17: "wie niet aan God en zijnen gezant

gelooft, voor zulke ongeloovigen hebben wij de hel bereid". Immers het

is niet aan te nemen, dat Mahomet in den laatsten tijd verdraagzamer

en vrijzinniger jegens Joden en Christenen geworden zij, daar hun

zelfs verboden wordt, het gebied van Mekka te betreden.

III

DE ISLAM.

Algemeen overzicht.

Wij zullen thans van de geschiedenis der uiterlijke ontwikkeling van

den Koran en de ontleding zijner deelen, tot het innerlijke wezen

overgaan, en hem meer beschouwen met betrekking tot het blijvend

gehalte en in zijn geheel als godsdienst- en wetboek. Wij zullen met

de geloofsleer van den Koran beginnen, zonder juist een dogmatiek

in de streng wetenschappelijke beteekenis van het woord te geven,

of in de subtiliteiten der latere, scholastieke dogmatici te treden;

eensdeels dewijl ons dit te ver zou voeren, en anderdeels omdat,

vooral bij een natuur-mensch als Mahomet, ook niet in het minst aan

een systematisch leerstelsel kan worden gedacht. Dit blijkt reeds

ten duidelijkste daaruit, dat de gewichtigste leerstellingen van den

Islam, om hare onbestemdheid, niet minder dan die van het Christendom,

een onderwerp der heftigste polemiek en later zelfs van de bloedigste

oorlogen en vervolgingen zijn geworden; een verschijnsel, dat bij

de volgelingen van Mahomet meer bevreemdend is dan bij die van

Christus. Het Christendom toch is rijker aan geloofsstellingen, dan

het Mahomedanismus, en leerstellingen als die van de DrieÎnigheid,

van de wonderbare geboorte van Christus en diens opstanding, van

de sacramenten en van de kerken, geven meer stof tot verschillende

opvatting dan die van den Islam, welke slechts ÈÈn eenige God kent,

in Mahomet een profeet ziet en volstrekt niets van priesterdom

weet, zelfs hoewel latere Imams zich, uit staatkundige redenen,

tot hoogepriesters willen verheffen. Maar niet alleen het innerlijk

wezen van het Christendom was eerder er toe geschikt, scheidingen te

doen ontstaan, ook de wijze waarop het aan de nakomelingschap werd

medegedeeld, begunstigde het sectenwezen meer dan de Islam. Christus

zelf droeg zijne leerstellingen slechts mondeling en bij gelegenheid,

grootendeels zonder stelsel en samenhang voor; zijne woorden werden

eerst lang na zijnen dood opgeteekend, in vreemde talen vertolkt en

met subjective meeningen vermengd, zoodat reeds de in vele punten

van elkander afwijkende bronnen van het Christendom de kiem tot

verschillende godsdienstbegrippen in zich moesten bevatten. Mahomet

daarentegen liet zelf, indien al niet den geheelen Koran, zoo als

de Muzelmannen gelooven, dan toch een groot deel zijner openbaringen

opteekenen, en het kleinere deel werd reeds twee jaren na zijnen dood

aan het schrift overgeleverd, en dat wel in de Arabische taal; in de

taal, waarin de profeet sinds zijne jeugd dacht, en welke ook die van

zijn volk was en bleef. Desniettemin werd ook de Islam reeds in de

eerste eeuwen der hedjira in vele secten verdeeld, en geloofsoorlogen,

even bloedig als die door het Christendom veroorzaakt, verstoorden het

Mahomedaansche rijk. Slechts omdat Mahomet er niet in het minst aan

had gedacht, een bepaald leerstellig systeem te vormen, kon ook later,

toen onder zijne volgelingen een sterkere drang naar kennis ontwaakte,

dan dit bij hem het geval was geweest, over menig punt in zijne leer

op verschillende wijze worden gestreden. Mahomet vorderde namelijk

van zijne volgelingen slechts het geloof aan ÈÈn eenigen, eeuwigen,

alomtegenwoordigen, onzichtbaren, almachtigen, alwetenden, alwijzen,

algerechten, algenoegzamen en genadigen God, schepper en onderhouder

van het heelal, voorts aan Mahomet en de hem voorafgegane profeten,

als overbrengers der goddelijke openbaringen, die de menschen voor

dwaling behoeden en tot heil voeren zullen; aan de engelen, als de

werktuigen van Gods wil, en eindelijk aan de opstanding der dooden en

een leven hier namaals, waarin de vromen voor hunne werken beloond en

de zondaren gestraft zullen worden. Hoe eenvoudig echter ook deze,

bijna op ieder blad des Korans terugkeerende, drie grondleeren

van den Islam: God, openbaring en laatst oordeel zijn, werden zij

toch een voorwerp van strijd, zoodra slechts bij de Mohamedanen,

nog voor zij met de Grieksche philosophie nader bekend werden, het

verlangen levendig werd, deze leer eene speculatieve volmaking te

geven, die zelfs aan Mahomet, welke gewoonlijk slechts sprak naar den

oogenblikkelijken drang van het gevoel, geheel vreemd was. Menig punt,

dat oppervlakkig en beeldsprakig in den Koran was voorgesteld, naar

den aard zijner verzameling, waardoor de werkelijke samenhang van twee

op elkander volgende verzen, en ook de tijd of de aanleiding hunner

verschijning, nooit bepaald kan worden opgegeven, en menig schijnbare

of werkelijke tegenspraak, openden natuurlijk een uitgebreid slagveld

voor alle afwijkenden secten, wat in dezelfde mate nog in omvang

won, toen de wijsgeerige studien der Arabieren zich uitbreiden, en

al hetgeen op dit gebied verkregen was, door kunstmatige verklaring

in de godgeleerdheid gebracht en uit de heilige schrift afgeleid

moest worden.

Mahomet verliet deze wereld, zonder ook slechts de minste bepaling

omtrent zijne opvolging gemaakt te hebben. Wij vinden niet alleen geene

plaats in den Koran, welke over den toestand van het rijk na zijnen

dood handelt, maar ook geene authentieke, mondelinge overlevering,

zoo als reeds uit de vergezochte bewijzen van iedere partij voor

hun recht op het khalifaat blijkt; immers of Mahomet vermeed, in

het geheel van zijne vergankelijkheid te spreken, en de verzen die

hem sterfelijk noemen, zijn door Aboe Bekr tusschen gevoegd, of hij

waagde het niet, door bevoorrechting der eene partij zich de andere

tot vijand te maken. Het gold namelijk niet alleen tusschen Ali en

Aboe Bekr te kiezen, en zijne geliefde dochter Fatima of zijne vrouw

AÔsha--die vol intrigues was--in hare hoop teleur te stellen, maar ook

tusschen de met hem uitgeweken burgers van Mekka en die van Medina,

aan wier bescherming en bijstand hij de uitbreiding zijner macht

had te danken. Intusschen was het ook mogelijk, dat hij zich in het

algemeen niet gerechtigd achtte, in een land, waar de republikeinsche

regeeringsvorm steeds de overhand had, eene erfelijke monarchie in

te stellen, en dat hij daarom liever zweeg, in de verwachting, dat

de beste zijner makkers zich wel den weg tot de heerschappij zoude

banen. Hoe het zij, in geen geval mag de erfelijk monarchale, en

nog minder de volstrekt despotische regeeringsvorm der Muzelmansche

rijken, aan Mahomet zelf, of aan den door hem gestichten godsdienst

worden toegeschreven zoo als dit dikwijls door Europeesche geleerden

is geschied. Mahomet zelf wilde in het geheel niet als wereldlijk

heerscher maar slechts als profeet worden aangezien. Toen hij, bij de

verovering van Mekka, te midden der bondgenooten en uitgewekenen Abel

SofaÔn voorbijtrok en deze tot Abbas zeide: "bij God, het rijk van

uwen neef is groot," hernam Abbas: "Hij is een groot profeet." Daar

Mahomet zich echter de laatste profeet noemde, zoo kan ook dan na

hem geen sprake zijn van een goddelijk recht op eene geestelijke

macht. Dit blijkt ook uit het eigen gedrag van Aboe Bekr bij de

keuze der khalifen, die in het algemeen slechts van de voorrangen

der uitgetrokkenen sprak en geene eigene rechter deed gelden, ja

zelfs Omar of Aboe Ubeida tot khalif voorstelde. Was nu ook deze

voorstelling misschien niet ernstig gemeend, omdat hij te voren wist,

dat beiden de heerschappij bij zijn leven niet zouden overnemen,

dan bewijst dit toch ten minste, dat de hoofden van het volk en geen

aangeboren rechten over de opvolging zouden beslissen. Als wetgever

kon een Muzelmansch vorst in het geheel geene macht hebben; want de

Koran zou de eeuwige wet der Muzelmannen blijven, en was zeker ook in

den eersten tijd des Islams volkomen toereikend. In den Koran echter

wordt niet slechts het leven der geloovigen gewaarborgd, maar ook hunne

bezittingen. Het eerste kan slechts den moordenaar ontnomen worden,

en van het laatste kunnen alleen de wettelijk bepaalde belastingen

gevorderd worden. De verrichtingen van het opperhoofd van den staat

bestonden dus, naar het begrip van den Koran eenvoudig in het waken

voor de navolging der wet, in de handhaving der militaire macht, in

haar gebruik, tot bevestiging en uitbreiding van het geloof. Mahomet

dus verantwoordelijk te maken voor den regeeringsvorm, welke zijne

opvolgers hebben ingevoerd, of zelfs voor de gruwelen, door enkele

Moslemische heerschers gepleegd, ware nog veel onbillijker, dan

indien wij het despotismus van verschillende Christelijke staten uit

het Evangelie wilden afleiden. Gelijk overigens in het Christendom

dikwijls is beproefd geworden, de erfelijke en onbegrensde macht op

de Heilige Schrift te doen steunen [73], zoo bekwam ook in den Islam

de wereldlijke macht reeds vroeg eene godsdienstige wijding, en de

leer van het Imamaat vormt een tegenhanger van die der kerk. Terwijl

intusschen de factische khalifen, namelijk de drie eersten, zich

nog meer als wereldlijke dan als geestelijke navolgers van Mahomet

beschouwden, en hun recht meer op de keuze, of minstens op de

overeenstemming der Muzelmannen steunden, grondden de aanhangers

van Ali en zijn geslacht reeds onder de heerschappij van Othman,

bijzonder echter gedurende den oorlog met Muawia en diens overwinning,

hunne aanspraken op een vormelijk erfrecht. De Imams werden toen als

bijzondere door God verlichte menschen aangezien, en ten laatste zelfs

als eene incarnatie der Godheid vereerd en aangebeden. De versmade,

ware Imams bleven zelfs na hunnen dood een voorwerp van vereering

en hoop voor hunne partij, daar spoedig ook het geloof aan hunne,

eens plaats te hebben terugkeer tot herstelling van het recht en

der waarheid zich vormde, even als bij de Joden ten opzichte van

den Messias.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 6 / 89 段