den dood wordt gestraft, en eenige andere verloren zouden zijn
gegaan? En hoe dikwijls werden niet vroegere voorschriften door
latere veranderd, zonder dat altijd degenen, welke zich de vroegere
voorschriften in het geheugen hadden geprent, bij het herroepen
tegenwoordig waren? Moest Mahomet toen niet veronderstellen--wat
naderhand inderdaad gebeurde--dat er ten minste over de letter zijner
openbaringen, later twist zou ontstaan. Moest hij niet vreezen,
dat men er geheel vreemdsoortige dingen onder zoude schuiven? Dit
toch moest hij te eerder, omdat hij aanneemt, dat zoowel de Joden
als de Christenen de Heilige Schrift vervalscht hebben? Voor deze
zorgeloosheid nu weten wij geen' anderen grond op te geven, dan dat de
meeste dusgenoemde openbaringen alleen door de omstandigheden van het
oogenblik in het leven werden geroepen, en derhalve niet meer dan een
tijdelijke beteekenis hadden, zoodat het bewaren van deze, hem niet
zeer gewichtig scheen te zijn. Voorts schijnt het, dat hij, uithoofde
der menigvuldige tegenstrijdigheden in zijne openbaringen vervat,
hebbe geaarzeld, deze als een geheel aan de toekomst over te geven,
terwijl hij ook vÛÛr zijnen dood, waarvan hij natuurlijk het oogenblik
niet kende, speelruimte wilde houden om er verbeteringen en bijvoegsels
in te brengen. De volgende overlevering van een rechtzinnigen Muzelman
toont ons, hoe gewichtig het voor Mahomet was, zijne openbaringen elk
oogenblik te kunnen wijzigen, wat niet zoo gemakkelijk had kunnen
geschieden, indien hij die, bijeengebracht en gerangschikt, aan de
handen der geloovigen had overgegeven. Toen het vers verscheen: "Zijn
ook misschien zij die te huis blijven, (voor God) gelijk aan hen die
voor hun geloof strijden [31]?" zeide Abd Allah Ibn Djahsh en Ibn Um
Maktum tot Mahomet: "Wij zijn blind, en zou nu geene uitzondering met
ons gemaakt worden?" en dadelijk openbaarde hem God: "Met uitzondering
dergenen, welke lichaamsgebreken hebben." De profeet deed zich hierop
het schouderblad brengen, waarop dit vers geschreven was en beval
zijnen secretaris ZeÔd Ibn Thabit, die woorden er bij te voegen. "Ik
verbeeld mij--verhaalde ZeÔd naderhand--als zag ik nog die plaats naast
eene spleet op het schouderblad." Eene andere overlevering, volgens
welke Abd Allah Ibn Masoed, een der gezellen van Mahomet, des avonds
een vers opschreef, dat hij den volgenden ochtend niet meer vond,
en tot wien Mahomet zeide, dat het weder in den hemel teruggenomen,
of met andere woorden, dat het door hem des nachts uitgewischt was,
bewijst, dat, indien eene nieuwe openbaring met eene vroegere streed,
hij er zich niet mede vergenoegde, deze als niet geldig te verklaren,
maar haar vernietigde, zoo het nog in zijne macht stond. Nog eene
onbetwiste overlevering in den Koran zelf [32] bevestigt dit, gelijk
ook, dat, indien herroepen openbaringen reeds van buiten waren geleerd,
zij weder moesten worden vergeten. Wij gelooven derhalve niet te
ver te gaan, door aan te nemen, dat, volgens Mahomets bedoeling,
de Koran in het geheel geene herroepene plaatsen moet bevatten, en
dus Aboe Bekr tegen den wil des profeets handelde, toen hij verzen,
welke desniettemin opgeteekend, of bij eenig Muzelman in het geheugen
gebleven waren, in den Koran opnam. Mahomet immers heeft zelfs de
goddelijkheid des Korans ook, onder anderen, willen betoogen door de
omstandigheid, dat die vrij van tegenstrijdigheden was.
Maar hebben wij Mahomet eens gekenschetst als een man, die er voor
terugdeinsde, datgene wat hij, in eene reeks van drieÎntwintig
jaren, in den naam des Hemels had verkondigd, aan de geloovigen als
een volkomen godsdienst- en wetboek achter te laten; hebben wij hem
daarin de grootste schuld opgeladen, die tegen zijne waarheidsliefde
en rechtschapenheid spreekt, zoo mogen wij toch de gebreken, welke
wij thans in den Koran waarnemen, niet hem, maar wel aan Aboe Bekr en
Othman toeschrijven. Na den oorlog met den valschen profeet MossaÔlama,
die aan vele Koranlezers het leven kostte, liet de eerstgenoemde alles
wat van Mahomets openbaringen op perkament, palmbladen, beenderen,
steenen en andere ruwe schrijfmaterialen opgeteekend en onder de
Muzelmannen verstrooid was, bijeenzamelen en, uit wezenlijke of
gehuichelde vroomheid, zonder eenigerlei zifting opzamelen.
Ook de khalif Othman, die later eene tweede redactie van den Koran
bezorgde [33], droeg geene zorg voor diens inwendige verbetering
en rangschikking, maar vestigde zijn oogmerk slechts op ÈÈn punt,
en wel om er weder eenheid in te brengen, uithoofde reeds in zijnen
tijd onderscheidene lezingen van den Koran in omloop waren, die
natuurlijk onder de geleerden tot hevige twisten aanleiding gaven. Hij
deed derhalve, naar de oorkonden, welke door ZeÔd, onder Aboe Bekr,
verzameld en door Omars dochter Hafsa bewaard geworden waren, nieuwe
afschriften vervaardigen, welke slechts in zooverre van die van Aboe
Bekr verschilden, dat de onderscheiden lezingen, welke door dezen
opgenomen waren, achterwege bleven en daarin slechts ÈÈne leeswijze
opgenomen werd. Aan de kritiek des Korans bracht Othman nochtans
het grootste nadeel toe, door het bevel, hetwelk hij gaf, al de
vroegere afschriften van den Koran te verbranden, zoodat slechts de
lezingen die van hem waren uitgegaan, in de kopieÎn van deze, voor het
nageslacht bewaard bleven. Wel is waar de Muzelmannen stellen vast,
dat die varianten alleen verschillen van dialecten hadden gegolden,
nademaal de Koran door Mahomet zelven in zeven verschillende dialecten
geopenbaard zoude zijn geworden, en dat Othman, onder deze, het dialect
gekozen had, hetgeen het nauwste met dat der KoreÔshieten verwant
was. Maar deze stelling is tegenover eene gezonde kritiek niet alleen
onhoudbaar, zij is ook in strijd met andere erkende en geloofwaardige
Muzelmansche overleveringen. In de eerste plaats toch wordt verhaald,
dat Omar het 25e hoofdstuk eens door Hisham anders had hooren lezen,
dan het hem door Mahomet geopenbaard was geworden. Hij geleidde hem
derhalve tot den profeet en deed dat hoofdstuk door hem herhalen;
toen zei ook hij het op, en Mahomet gaf beiden gelijk, terwijl
hij verklaarde, dat de Koran naar zeven verschillende leeswijzen
geopenbaard was geworden. Wij gelooven reeds uit die overlevering te
kunnen besluiten, dat er hier geen sprake van eenige provincialismen
kan zijn; want dan hadden immers niet beiden het geheele hoofdstuk
behoeven te lezen. De genoemde stelling der Muzelmannen wordt echter
nog krachtiger door de volgende overlevering wedersproken: "Elk
jaar in de maand Ramadhan herhaalde Mahomet voor den engel GabriÎl,
wat tot dat tijdstip van den koran geopenbaard was: men zegt zelfs,
dat hij in zijn laatste levensjaar dit twee malen zoude herhaald
hebben. Zoo dikwijls hij nu eene nieuwe lezing er bij voegde, of iets
wegliet, waaruit de eerste zeven uitgaven ontstonden, prentten zijne
volgelingen zich die wijzigingen dadelijk in het geheugen; en handelden
overeenkomstig die bijvoegsels of veranderingen [34]. Hier zien wij
duidelijk dat de voorgewende, van elka‚r afwijkende openbaringen,
waardoor Mahomet, in gevallen, als dat tusschen Omar en Hisham, zich
uit elke verlegenheid vermocht te redden, niet alleen de uitdrukkingen
maar ook den inhoud betroffen. Onder de verschillen die Othman wegliet,
behooren derhalve ook dezulken en zijne weglatingen bepaalden zich
geenszins alleen bij dialectverschillen, gelijk men tot hiertoe
meende. Door het vernietigen van alle varianten of tekstverschillen,
wilde Othman dus ÈÈnen Koran vormen, over welks inhoud niet meer
getwist kon worden Aan de zuiverheid en gelijkmatigheid, uit het
oogpunt van spelling en spraakleer, schijnt hij echter minder zorg
besteed te hebben. In dien zin verstaan wij dan ook eene overlevering,
volgens welke Otham, toen hij in de afschriften des Korans, welke op
zijn bevel waren vervaardigd, spelfouten ontdekt had, gezegd zoude
hebben: "Laat die staan! De Arabieren zullen die wel verbeteren." Op
dezelfde wijze begrijpen wij ook de volgende overlevering, waaraan
door de Muzelmannen de zonderlingste uitleggingen worden gegeven,
om elken twijfel aan de reinheid van den Koran tegen te gaan: "Hisman
de zoon van Urwas verhaalt, dat zijn vader eens AÔsha gevraagd had,
hoe er toch zoo menigvuldige feilen tegen de Arabische woordvoeging
in den Koran hadden kunnen ontstaan;" waarop hem geantwoord werd,
"dat dit het gevolg van misslagen der afschrijvers was geweest."
De handelwijze moge nu ook door de politiek gerechtvaardigd kunnen
worden; uit het oogpunt nochtans der kritiek, zoowel als uit dat van
het geloof, moet zij veroordeeld worden, en de ontevredenheid der
geloovigen zoowel als der geleerden nog verhoogen. Ongelukkigerwijze
waren de afschriften van den Koran toen ook nog zÛÛ zeldzaam, dat het
hem werkelijk schijnt gelukt te zijn, al die er bestonden te verzamelen
en te verbranden, en degenen welke eigenhandig door hem geschreven,
of de afschriften, die naar deze vervaardigd en aan de hoofdsteden van
het rijk toegezonden waren, aan den geheelen Islam op te dringen. Het
valt nochtans te betwijfelen, of Othmans exemplaar zÛÛ lang bewaard
gebleven zij [35], en door de Mahomedaansche Masorethen, tot het
vaststellen van den tekst kon worden gebruikt, gelijk onderscheidene
Muzelmannen aannemen. Daarentegen is het bewaard blijven der door hem
bezorgde afschriften, zoowel als der kopieÎn, welke door onderscheidene
tijdgenooten vervaardigd zijn, wel schier niet aan eenigen twijfel
onderhevig [36]. Men kan derhalve bepaald aannemen, dat, na Othman,
niet verder wezenlijke veranderingen in den Korantekst, of ten minste
opzettelijke toevoegsels of weglatingen plaats vonden. Desniettemin
mogen wij echter ook de oudste der bekende afschriften niet volkomen
als het werk van Othman aanzien, omdat ten tijde van Othman het
Arabische schrift nog geene teekens bezat ter onderscheiding van
eenige naar elkander gelijkende letters, of toonteekens tot aanwijzing
der verschillende klinkers had. Deze punten en strepen werden eerst
in de tweede eeuw gebezigd, toen er ten aanzien van menige letters
en klinkers reeds twijfelingen bestonden. Daardoor zijn dan ook,
tot op onzen tijd, vele daaruit ontstane en van elka‚r afwijkende
lezingen bewaard gebleven; die dikwijls den grootsten invloed op den
zin uitoefenen.
Onbegrijpelijk blijft het altoos, dat Othman, die, bij de redactie
van den Koran, op minder bezorgde en nauwlettende wijze dan Aboe
Bekr te werk ging, niet ook een deel hebbe weggelaten van de wetten,
leerstellingen en legenden, welke somwijlen met dezelfde woorden
zijn herhaald, en welke Mahomet wel onderscheiden keeren kon hebben
voorgedragen, doch hem voorzeker eigenlijk maar eenmaal hebben kunnen
geopenbaard worden; ook voorts dat hij niets voor het vaststellen
van eene stelselmatige en tijdrekenkundige orde in de reeks van
Soeren of hoofdstukken en verzen hebbe gedaan. De wanorde die in den
Koran heerscht, verwart niet alleen den Europeeschen geleerde, al
is hij uiterst bekend met Mahomets leven, maar zelfs de degelijkste
Muzelmansche uitleggers weten dikwijls geen raad, en twisten met
elkaÍr, zoowel over enkele verzen, als over geheele kapittels; over
de aanleiding tot hunne verschijning, en of zij reeds van Mekka, dan
wel van Medina, na Mahomets vlucht of uittocht, dagteekenen. Maar
zelfs ook waar zij tijd en aanleiding der openbaring op bepaalde
wijze vermelden, zijn zij niet te vertrouwen, omdat zij meer de
doode letter eener overlevering volgen, die dikwijls valsch is, dan
wel dat zij op een zelfstandigen, levenden, kritischen geest gegrond
zijn. Dat de indeeling des Korans in honderd veertien hoofdstukken,
gelijk zij thans voor ons liggen, niet van Mahomet afkomstig is
gelijk de rechtzinnige Muzelmannen gelooven, is in het leven van
Mahomet bewezen; ofschoon niet tegengesproken kan worden, dat Mahomet
ten minste een deel van den Koran in afdeelingen openbaarde, die hij
Soeren of hoofdstukken noemde. Zij die den Koran van buiten leerden,
hebben mogelijk, om hun geheugen ter hulp te komen, een bijzonderen
naam aan elke afdeeling gegeven. Van vele dier afdeelingen, vooral
van de oudste, schijnt echter het grootste gedeelte verloren gegaan
of opzettelijk vernietigd te zijn, zoodat nog slechts hare namen
en weinige verzen er van overgebleven zijn, terwijl bij de latere
en uitgebreider afdeelingen, vele gedeelten bijeen werden geworpen,
welke volstrekt niet bij elkaÍr behooren.
Wij hebben gepoogd, niet alleen den tijd der verschijning van de
geheele hoofdstukken, maar ook, vooral bij de wetgevende stukken uit
Medina, dien der afzonderlijke gedeelten van elk hoofdstuk te bepalen.
Bij deze laatsten is het ons ook doenlijk geweest eene juiste
tijdorde der afzonderlijke hoofdstukken op te geven, terwijl die
uit Mekka, omdat zij algemeener van aard zijn en sterk op elka‚r
gelijken, in slechts drie tijdvakken zijn verdeeld. Bij het bepalen
der tijdorde dienden ons tot leiddraad: _a._ Duidelijk blijkende
betrekkingen op historische gebeurtenissen, waarvan het tijdstip
uit andere biographische bronnen bekend is; _b._ Het karakter
der openbaring, dat na den uittocht van Mekka geheel verandert,
aangezien Mahomet niet meer uitsluitend als hervormer, maar ook als
stichter van eenen nieuwen godsdienst en wetgever optreedt, en _c._
De uitwendige vorm; omdat Mahomet, in den eersten tijd zijner leer,
zijne voordrachten, zoo al niet streng naar de regels der prosodie,
nochtans in poteÔsche, rhytmische taal kleedde, gelijk dit bij de
vroegere Arabische waarzeggers plaats vond, terwijl hij in lateren tijd
anders schreef, deels opzettelijk, om niet voor dichter of waarzegger
te worden aangezien, deels omdat hij zich zelven uitgeput had, doch
vooral ook omdat het hem, op latere jaren en op zijn standpunt als
godsdienststichter, regeerder en wetgever, aan wezenlijke, innerlijke
begeestering mangelde; zoodat hij zelfs d··r een geheel prozaÔschen
vorm bezigde, waar hij hetzelfde onderwerp behandelt, dat vroeger
zijne geheele ziel had doorgloeid.
Naardien de hoofdstukken, in welke Mahomet, in zekeren zin, zelfs eerst
tot 's Heeren gezant gewijd wordt, voorzeker de oudsten zijn, zoo nemen
wij de overlevering opzichtens de beide het eerst geopenbaarden aan,
en geven als de zoodanigen op het 96e en 74e. Wij doen hier echter
opmerken, dat waarschijnlijk eenige andere verzen of hoofdstukken,
die verloren gegaan, in andere hoofdstukken gevoegd, of misschien later
opzettelijk vernietigd zijn, en welke de kern der oorspronkelijke leer
van Mahomet bevatten, gelijktijdig zijn verschenen; want blijkbaar
zijn slechts de eerste vijf verzen van het 96e hoofdstuk en de eerste
zeven verzen van het 74e hoofdstuk als eene wijding tot profeet aan te
zien. In de volgende verzen is er slechts sprake van de zoodanigen, die
Mahomet geen gehoor schenken en met den Koran spotten. Overigens duiden
reeds de eerste woorden van hoofdstuk 96, zoo al niet rechtstreeks op
een volslagen godsdienstboek, dan toch ten minste op eene gelijktijdig
verschenen openbaring, welke hij lezen en voorlezen moest. Het 31e vers
van het 74e hoofdstuk behoort gewisselijk tot een later tijdvak. Ook
de eerste acht verzen van hoofdstuk 73 rekenen wij onder de oudsten;
de tien volgende verschenen later, en het laatste voorzeker eerst te
Medina. Zonder twijfel behooren ook vers 77-104 van het 26e hoofdstuk
tot de vroegste openbaringen, in welke Mahomet opgeroepen wordt,
slechts ÈÈn God te aanbidden en zijne stamgenoten voor afgoderij te
waarschuwen; en evenzeer hoofdstuk 106, hetwelk voornamelijk op de
KoreÔshieten betrekking heeft. Daarop volgt dan hoofdst. 111, dat
een verwensching bevat, die gericht is tegen Mahomets oom Aboe Lahab,
welke, gelijk wij uit biographische bronnen weten, tegen zijnen neef
een steen ophief, toen deze zijn eerste prediking hield. Evenzeer is
dit waarschijnlijk het geval met de laatste zes verzen van het 15e
hoofdstuk waarin hem bevolen wordt, zijne leer luide en niet alleen
voor stamgenooten en vrienden te verkondigen. Het geheele overige
gedeelte van hoofdstuk 15 behoort tot het tweede tijdvak.
Nu volgt eene reeks hoofdstukken, waarin Mahomet zelfs vermaand
wordt, standvastig op het betreden pad te blijven, en zich door de
tegenspraak der Mekkanen niet van het geloof aan een eenigen God te
laten aftrekken; daarin wordt voorts de goddelijkheid des Korans
verkondigd. Mahomets karakter als profeet, als des Heeren gezant
wordt nauwkeurig opgegeven; van dat der bezetenen, der dichters,
der toovenaars en waarzeggers onderscheiden, en de leer van de
opstanding en vergelding tegen de spotzieke Arabieren verdedigd. Al
deze hoofdstukken welke wij in de eerste vijf jaren van Mahomets
zending plaatsen, dragen den stempel eener echte begeestering en van
eene diepe, innige overtuiging, en degene welke op Mahomet zelven
betrekking hebben, zelfs dien van een wezenlijk visioen. Dit gaat
zoo ver, dat men tot het denkbeeld moet komen, dat Mahomet zelf, ten
minste in den eersten tijd, slechts het werktuig van een' wezenlijken
hervormer was, die hem als engel verscheen. Hoe laten zich wel
anders verzen verklaren, in welke aan Mahomet bevel wordt gegeven,
den Koran, zoolang die hem wordt voorgelezen, niet na te zeggen,
maar te wachten, tot de engel voleindigd hebben zou [37]. Hoe zou
men anders eene verklaring kunnen geven van zoodanige verzen, waarin
hem bevolen wordt, zich van de ongeloovigen te verwijderen, als zij
met den Koran spotten, en, indien de satan hem dit gebod mocht doen
vergeten, het althans op te volgen zoodra hij het zich herinnerde
[38]? Is het wel denkbaar, dat Mahomet tot zich zelven zou hebben
gezegd: Wellicht laat gij een deel der openbaring achterwege, omdat
het gesnap der spotters u de borst vernauwt [39]; of: volgt gij hunne
(der ongeloovigen) begeerten, dan is God uw beschermer niet meer
[40]; of: als gij den Koran leest, dan neem uwe toevlucht bij God
tegen den Satan [41]. Deze en soortgelijke verzen, bij welke zich
geen bedrog laat veronderstellen--want wij kunnen daarin slechts
eene gekunstelde naÔviteit zien, die al te zeer zou strijden met
de waarheid der leerstellingen, welke in den eersten tijd werden
geopenbaard en met de geestdrift waarmede zij voorgedragen zijn--geven
ons derhalve aanleiding, ook bij andere uit dien tijd, elke verdenking
van opzettelijke misleiding, zelfs van Mahomets zijde te verwijderen,
en hem veeleer voor een godsdienstigen dweper vol zelfmisleiding,
dan voor een bedrieger te houden.
Ten aanzien der hoofdstukken, in welke, behalve de leer van God,
Mahomet, den Koran en van de opstanding, slechts hier en daar ook
eenige zedelijke voorschriften gevlochten zijn, die de leer van elken
godsdienst vormen, en waarin ook niet meer dan korte aanwijzingen
voorkomen van vroegere volken, die, uithoofde van hun ongeloof, zijn
ondergegaan, kan men, uithoofde van hunnen gelijksoortigen inhoud en
vorm, de tijdorde niet met eenige nauwkeurigheid bepalen. Uit dien
hoofde tellen wij diegene, welke wij in dat tijdvak plaatsen, naar de
volgorde op, gelijk zij in de vroeger vermelde overlevering op elkaar
volgen. Wij behoorden hier dan ook niet met hoofdstuk 81 te beginnen,
dat volgens die overlevering na het 111e hoofdstuk volgt, omdat dit
hoofdstuk, gelijk vooral uit vers 23 volgt, waarschijnlijk te gelijk
met het 53e hoofdstuk verscheen. Beide spreken over Mahomets visioen,
in hetwelk hij geloofde in den hemel gedragen te zijn, en dat, volgens
de opgave van de meeste levensbeschrijvers, eerst na zijnen terugkeer
van TaÔf plaats had [42]. Nademaal echter hunne schrijfwijze tot de
oudste behoort gelijk reeds blijkt uit hun volslagen afwijken van het
hoofdstuk der geniÎn, dat werkelijk eerst na de terugkomst van TaÔf
verscheen, zoo is voorzeker in beide sprake van eenig ander visioen,
en deze verzen werden eerst later, valschelijk, tot ondersteuning van
de legende der hemelvaart gebezigd. Dit is des te waarschijnlijker,
nademaal vers 17 en 18 van het 53e hoofdstuk, zelfs volgens de
Muzelmansche levensbeschrijvingen, kort na den eersten veldtocht
naar AbyssiniÎ verschenen, en aanleiding geven tot terugkeer der
eerste uitgewekenen [43]. Slechts, vers 30, 31 en 32 schijnen tot de
laatste verzen uit Mekka te behooren. Na de bovengenoemde hoofdstukken
komen de 68e, 87e, 92e, 89e, 93e en 94e soeras. Het 103e hoofdstuk
volgt, dat waarschijnlijk, evenals menig ander hoofdstuk, slechts uit
afzonderlijke verzen bestaat, die geen eigen hoofdstuk moesten vormen,
of van welke een gedeelte verloren is. Hierna komen de hoofdstukken
100, 108, 102 en 107. Hoofdstuk 109, hetgeen onderscheidene uitleggers
zelfs tot de Medinasche tellen, behoort gewis niet tot het eerste
tijdvak, maar in het tweede, waarin. Mahomets leer reeds zÛÛ zeer
verbreid was, dat de afgodendienaars hem eenige concessiÎn wilden
doen. Dan volgen hoofdstuk 105, 113, 114, 112, 80, 97, 91, 85, 90,
95, 101, 75, 104, 77 en 86. Vervolgens 70 [44], 78, 79, 82 en 84,
in welken de dag des oordeels, op meesterlijke wijze, in zeer korte,
rhytmische zinnen wordt geschilderd; evenzeer hoofdstuk 56, 88,
52, 69 en eindelijk 83. Ook hoofdst. 99, hetwelk door onderscheiden
Muzelmannen onder de Medinasche wordt gerangschikt, behoort nog tot
de oudste van Mekka.
Het tweede tijdvak omvat ook nog zeer poÎtische hoofdstukken; in
welken tijd Mahomet reeds meer als profeet dan als een in verrukking
verkeerende optreedt, en waarbij men in zijne voorstelling reeds meer
spel en kunst, dan rechtstreeksche uitgietingen van een overvloeiend
gemoed opgemerkt. Mahomet komt reeds meer in bijzonderheden, zoo wel in
het gispen der bijgeloovige Mekkanen, als opzichtens zijne grondvesting
des waren geloofs. De hel en het paradijs worden gaandeweg wijdloopiger
beschreven; ook worden er de goddelijke attributen nader bepaald en
met bewijsgronden gestaafd. De legenden der profeten vermeerderen en
worden bepaalder van teekening, hetgeen reeds bij die van Mekka den
argwaan opwekte, dat Mahomet een medearbeider had. Deze argwaan wordt
zelfs uitgedrukt en niet behoorlijk wederlegd [45]. Immers indien ook
zij, welke door de Mekkanen als zijn leermeesters worden aangezien,
vreemdelingen en de Arabische taal niet volkomen machtig waren, zoo
konden zij hem des niettemin de stof voor zijne openbaringen geleverd
hebben, welke hij dan vrij bewerkte. Totdat tijdvak, hetgeen zich
tot Mahomets terugkeer van TaÔf uitstrekt, rekenen wij te behooren,
behalve de reeds genoemde ook de hoofdstukken: 1, 51 [46], 36, 50,
54, 44, 19, 20, 21, 23, 25, 67, 37, 38, 43 en 71, en eindelijk nog
55 en 76, welke door vele Muzelmannen worden aangezien, als te Medina
geschreven te zijn.
De hoofdstukken in de laatste jaren te Mekka verschenen, en welke
zich van toen nog maar zeldzaam boven het gewone proza verheffen,
doch in welke echter nog veel redenaarstalent aanwezig is, zijn de
hoofdstukken: 7, 72, 35, 27, 28, 17, 10, 11, 12, 6, 31, 34, 39, 40, 32,
42, 45, 46, 18, 16, 14, 41, 30, 29, 13 en 64. De beide laatste worden
gewoonlijk onder de Medinasche hoofdstukken geteld. In het laatste
vindt men, wel is waar, in het 14e vers: "O gij, die gelooft!" eene
wijze van aanspreken, die gewoonlijk in de Medinasche hoofdstukken
voorkomt; doch deze wijze van aanspreken kan door Mahomet nochtans
reeds te Mekka gebezigd zijn geworden, als hij iets openbaarde,
wat diegenen betrof, welke reeds tot den Islam bekeerd waren.