Den volgenden dag, zijnde voor de slachtoffers bestemd, offerde

Mahomet, met eigen hand, drieÎnzestig kameelen en schonk aan

drieÎnzestig slaven de vrijheid, welk getal juist gelijk was aan

zijnen ouderdom, in maanjaren geteld, welker behoud hij pas had

aanbevolen. Vervolgens deed hij zich het hoofd kaal scheren; want

gedurende den pelgrimstocht is het niet geoorloofd, het hoofd te

scheren of de nagels te knippen. De personen die het dichtst bij

hem waren, verdeelden toen de afgesneden haren onder elka‚r. De

bedevaartstocht, waarvan wij zoo even hebben gesproken, wordt de

afscheidspelgrimage genoemd. In Mahomets aanspraak op den berg

_Arafat_ had hij doen doorschemeren, dat het hem wellicht niet

zoude vergund zijn, _Mekka_ weÍr te zien. Inderdaad werd hij eenigen

tijd na zijn' terugkeer te _Medina_ ziek. Hoezeer die krankte zijne

lichaamskrachten verzwakte, werden zijne geestvermogens er niet door

benadeeld. Gedurende die ongesteldheid vormde hij het plan voor eenen

nieuwen tocht tegen de Romeinsche provinciÎn, en wees zelfs Oekama, den

zoon van zijn vrijgemaakten slaaf SeÔd, aan, als het hoofd der troepen,

die dezen krijgstocht zou aanvoeren. Omstreeks dat tijdsgewricht brak

er een storm in _ArabiÎ_ zelf uit. In drie verschillende provinciÎn,

noemden drie onderscheidene personen zich profeet der Arabieren. Een

van dezen was TolaÔka, de tweede was MossaÔlama, en de derde AÔhama

(die ook el-Aswad of _de zwarte_ werd genaamd) van den stam der

_Ans_ of der _el Ansia_. Deze profeten, welke door de Muzelmannen

niet anders dan als valsche profeten konden worden beschouwd, hadden

onder de kortelings bekeerde, maar van _Medina_ verwijderde stammen

eenige vorderingen gemaakt; en MossaÔlama richtte zelfs een schrijven

aan Mahomet, waarin hij hem voorsloeg, de macht met hem te deelen,

aangezien zij beiden gelijkelijk profeten en Godsgezanten waren. Op

deze boodschap antwoordde Mahomet door de volgende woorden: "Mahomet,

gezant van God, aan MossaÔlama, den bedrieger. Heil, hun die den

rechten weg volgen [21]. De aarde behoort aan God en Hij geeft haar

bezit aan wien het hem behaagt. Zij alleen die den Heer vreezen, hebben

voorspoed." De uitdrukkingen van dat antwoord gaven te kennen, dat

Mahomet niet van de beslissing der wapenen zoude laten afhangen, aan

wien de macht zou behooren; in afwachting daarvan zond hij aan zijne

legerhoofden bevelen, om de vorderingen der bedriegers te beletten. Hem

werd echter alleen de nederlaag van el-Aswad bekend, welke door een'

van zijne eigene bevelhebbers werd gedood. Meer vernam hij niet; want

de koorts die hem verlaten had, keerde na weinig tijds terug en deed

al zijne krachten zinken. Toen hij gevoelde, dat hij al zwakker en

zwakker werd, vestigde hij zich in het verblijf zijner vrouw AÔsha,

en bepaalde zeer nauwkeurig de wijze waarop hij begraven wilde worden.

"Zoodra gij mij gewasschen en in de doodskleederen zult hebben gehuld,"

zeide hij tot zijne verwanten, "zult gij mij, op dit bed, aan den rand

van mijn graf plaatsen, dat in ditzelfde vertrek gegraven moet worden,

op de plaats waar ik mij nu bevind; daarna zult ge mij alleen laten

en wachten tot de engel GabriÎl en al de engelen des hemels voor mij

gebeden hebben. Vervolgens zult gij binnen komen, namelijk eerst mijn

gezin en hierna al de Muzelmannen, om bij mij te bidden."

In weÍrwil zijner zeer groote zwakte, begaf hij zich nog, door zijn

beide neven ondersteund, naar de moskee of Mahomedaansche kerk,

en toen hij er het gestoelte (_minber_) had bestegen, hield hij de

volgende toespraak aan de Muzelmannen.

"O! Muzelmannen, heb ik iemand onder u geslagen, zie hier dan mijn rug;

laat hij mij terugslaan. Is er iemand door mij beleedigd geworden, laat

hij mij dan beleediging met beleediging vergelden; heb ik iemand zijn

goed ontroofd, laat hij het dan terug nemen. Men vreeze niet, daardoor

mijn' haat op te wekken; de haat ligt niet in mijne natuur [22]." Een

persoon kwam toen drie dirhems [23] van hem terug vorderen. Mahomet gaf

hem die dadelijk terug, met de woorden; "Het is beter schande in deze

wereld, dan in de andere te hebben." Toen hij, eenige dagen daarna,

zich te zwak gevoelde om het bed te verlaten, zeide hij eensklaps,

in een oogenblik waarin hij schier aan het ijlen was geraakt, tot

de omstanders: "Laat men mij inkt en papier brengen; ik zal u een

geschrift geven, dat u altijd voor dwaling zal behoeden." Maar Omar

belette het uitvoeren van dat bevel. "De profeet is aan 't ijlen,"

zeide hij. "Hebben wij niet den Koran om ons te leiden?" Onderwijl

men aan't twisten was over de vraag, of men de bevelen moest uitvoeren

van iemand die reeds stervende was, zeide Mahomet tot de omstanders:

"Gaat heen! het is niet voegzaam in tegenwoordigheid van den gezant

Gods aldus te twisten."

Hij verscheen nog eens in de moskee, waartoe men uit zijne kamer

toegang had, en dezen keer gaf hij de aanbeveling, den Koran te

volgen, als eene onfeilbare gids te midden der beproevingen, die de

Muzelmannen stonden te wachten. Deze raadgevingen werden uitgesproken

met eene krachtige en helderklinkende stem die scheen aan te duiden,

dat de krachten terugkeerden. Dit was echter niet meer dan het laatste

opflikkeren van een licht, dat weldra uit zoude gaan. Toen hij in

zijn vertrek was teruggekeerd, bleef hij eenige uren ineengezakt

zitten, nadat hij eenige afgebroken woorden had uitgesproken, als:

"Mijn God ... ja... met den gezel van boven (de engel GabriÎl)." Hij

stierf op de knieÎn van AÔsha, den 13den dag der maand _Rabi_ van

het tiende jaar der hedjira (8 Juni 632), hetgeen Maandag was. Zijn

graf is derhalve te _Medina_, welke stad, uit dien hoofde den bijnaam

_monewwereh_, de verlichte, heeft verkregen. De tijding van zijnen dood

verspreidde zich weldra te _Medina,_ en veroorzaakte er eene algemeene

verslagenheid. Eenigen wilden het niet gelooven, anderen waren geneigd

om weder tot den afgodendienst terug te keeren; maar Aboe Bekrs

besluit, dat met spoed genomen werd, verstikte de wanorde in de kiem

en vestigde voor altijd de toekomst van den Islam. Door hetgeen hier

gezegd is, ziet men, dat Mahomet volstrekt geen opvolger had aangewezen

[24]. Bij zijn afsterven liet hij geen enkel kind van het mannelijk

geslacht na. Hij had in alles vijftien vrouwen gehuwd en met twaalf van

haar echtelijke gemeenschap gehad. Met uitzondering van Israhim, een

zoon, welken hij bij de Kophtische Maria had, die eerst zijn bijwijf

en naderhand zijne vrouw was geweest, en welke zoon vÛÛr hem stierf,

waren ook al de andere kinderen hem door zijne eerste vrouw, Khadidja,

gebaard, en de zonen der overige vrouwen vÛÛr hem gestorven. Dit waren

vier zonen: Kacim, Taiib, Tahir, Abdallah, en vier dochters: Fatima,

die gehuwd was met Ali, RokaÔa en Omm Kolthoem, beiden gehuwd met

Othman, die later Khalif was, en eindelijk ZeÔnab (Zenobia). Onder

diegene zijner vrouwen, welke eenige vermaardheid hebben verkregen,

behooren: Khadidja, dochter van KwowaÔlid; AÔsha, dochter van Aboe

Bekr; Hafsa, dochter van Omar; Omm Habiba, dochter van Aboe Sofian,

een der machtige KoreÔshieten; Safia eene IsraÎlietin en ZeÔnab,

dochter van Djahch, die eerst gehuwd was aan zijn vrijgemaakten slaaf

SeÔd (zie Hoofdstuk XXXIII ten aanzien van dat huwelijk). Negen van

zijne vrouwen overleefden Mahomet; maar aangezien hij de Muzelmannen

had verboden, haar na zijn dood te huwen (XXXIII : 53), hertrouwde

geene van haar. Dat aantal vrouwen is lijnrecht in strijd met het

voorschrift van den Koran, waarbij aan de Muzelmannen verboden wordt,

te gelijk meer dan vier wettig gehuwde vrouwen te hebben, (Hoofdst. IV)

maar het was een voorrecht, dat Mahomet, in zijne hoedanigheid van

geestelijk opperhoofd en profeet, voor zich zelven had ingeroepen.

Mahomet had, zegt men, in tegenwoordigheid van Aboe Bekr verklaard,

dat al wat een profeet bij diens dood bezat, weer aan het volk,

dat is aan den Staat, terug moest komen. Bij zijnen dood ging men

waarschijnlijk van deze woorden uit, om aan zijne vrouwen een jaargeld

op de schatkist aan te wijzen, en, anderdeels, om zijner dochter

Fatima de eigendom te ontnemen van _Fadak_, een vlek, dat op de joden

veroverd was. Krachtens de voorschriften van den Koran, had het hoofd

van den Staat, die ook het geestelijke hoofd, of de opperpriester was,

aanspraak op het vijfde gedeelte van den buit welke op den vijand was

veroverd. Nadat Mahomet zijn vijfde gedeelte, na elken gelukkigen tocht

had genomen, besteedde hij een groot gedeelte aan ondersteuning van

armen, weduwen en weezen. Zijne matige en eenvoudige levenswijze, zijne

onafgebroken werkzaamheid brachten hem niet tot bovenmatige uitgaven;

maar het onderhouden van een groot aantal vrouwen, waarvan elkeen

een afzonderlijk huis of verblijf bewoonde, verzwolg zijn vermogen.

Hij bezat tweeÎntwintig paarden, twee ezels _Ofair_ en _Ya'foer_; vijf

muilezels, vijf wijfjes kameelen, welke hij bereed, waartoe ook die

behoorde, welke bekend was onder den naam van _Koswa_ (met afgesneden

ooren); voorts nog twintig melkkameelen, honderd schapen en eenige

geiten. Van negen sabels was diegene de beroemdste, welke naderhand

in het bezit van Ali overging en _dhoelfikar_ heette; zijnde een

sabel die bestond uit twee klingen, welke naar de punt uiteenliepen;

voorts had hij drie lansen, drie bogen, zeven harnassen, drie schilden,

een standaard (_liwa_) van een witte kleur, en een andere, die zwart

was en _okuk_ (zwarte adelaar), genoemd werd, en welke, naar men

zegt, nog dezelfde is, dien men tot op onze dagen, onder den naam

van _sandjak sherif_ (doorluchtige vaan) te Konstantinopel bewaard

heeft. Vervolgens liet hij na: een mantel (_borda_) thans nog in de

laatstgenoemde stad bewaard, onder den naam van _kherkaÔ sherifsh_

en, naar men zegt, dezelfde welken Mahomet aan den dichter Ca'b gaf,

die zijne lofrede had geschreven. De groene tulband werd later het

onderscheidingsteeken van de afstammelingen, die uit zijne dochter

Fatima waren voortgesproten, terwijl de zwarte dat van den zijtak werd,

die uit Abbas, den stamvader des Abbassiden, voortgesproten waren.

Mahomet was, wat zijn uiterlijk voorkomen betreft, van middelbare

gestalte en had een stevig gebouwd en welgevormd lichaam. Hij had

zwarte oogen, zwart, sluik haar, een' arendsneus, gladde en blozende

wangen, en zijne tanden stonden een weinig van een. In weÍrwil van

zijn gevorderden ouderdom, bemerkte men nauwelijks eenige grijze

haren aan hem. Overigens had hij, naar het gebruik der Arabieren,

de gewoonte, die zwart te verven, en zijne nagels door middel der

_henna_ te kleuren, en _collyre_ op zijn oogleden te doen. Hij was

er op gesteld, een spiegel te gebruiken, of zich in een met water

gevuld vat te spiegelen, om zijn tulband in orde te schikken. Wat

zijne neigingen betreft, vermeldt men van hem de woorden: "waar ik

ter wereld het meest op gesteld ben, zijn de vrouwen en de reukwerken,

maar wat mij de ziel verstrekt, is het gebed." Het innemende van zijn

uiterlijk voorkomen werd overigens door eene sterke uitdrukking van

goedheid en minzaamheid verhoogd. Hij verliet nimmer het eerst dengeen

die hem aansprak, en trok zijne hand nooit terug, vÛÛr de hand van

dengeen die haar drukte, werd teruggetrokken. In Hoofdstuk LXXX doet

hij zich een streng verwijt, omdat hij een armen man op onvriendelijke

wijze had ontvangen. Hij gebruikte nochtans de voorzorg, zich van de

lostigheden en de onbeschoftheid zijner medeburgers te vrijwaren, door

gedeelten van den Koran, waarin de regelen der wellevendheid worden

onderwezen. Hij, die zich bovenal met zijn voornamen doel bezig hield,

wist scheldwoorden en beleedigingen met geduld te verdragen, en vond

niet het minste behagen in het voldoen zijner persoonlijke wraak, als

het goede gevolg zijner zaak die nutteloos maakte. Na het innemen van

_Mekka_, voerde men een zijner hardnekkigste vijanden voor hem; hij

zweeg geruimen tijd en eindigde met hem vergiffenis te schenken. "Ik

heb gezwegen," zeide hij tot zijne aanhangers "in afwachting,

dat er een opstaan en dien man dooden zou." Zij antwoorden daarop:

"wij hebben een teeken van u, o profeet, afgewacht," Hij hernam:

"Teekens van verstandhouding geven, die een verraad zouden zijn, voegt

den profeet niet." Daarmede scheen hij eenigermate kenbaar te maken,

hoedanig men het zwijgen van den profeet tegenover een vijand had uit

te leggen. De overlevering heeft onderscheidene trekken uit Mahomets

leven bewaard, die hem als een zeer zachtaardig, zeer menschelijk

en zeer welwillend man schetsen, ten aanzien van allen die aan hem

verknocht waren. Hij had echter een diep gevoel van de hekeldichten,

door sommige dichters der afgodendienaars geschreven, en belastte

eenigen van hem, die zijne partij hadden omhelsd, hun te antwoorden. De

vermaardste dier aan Mahomet verknochte dichters zijn Hassan, zoon van

Thabit en Ca'b, zoon van ZohaÔr. Wat hemzelven betreft, was poÎzie hem

zÛÛ vreemd, dat men voorbeelden van hem aanvoert, waarin hij, bij het

herhalen van het vers eens dichters, de woorden derwijze verplaatste,

dat maat en rijm er geheel door verloren gingen. Het oordeel, dat hij

in den Koran (hoofdstuk XXVI), over de dichters in het algemeen velt,

mag doen aannemen, dat hij evenzeer geneigd was, zich, in zijn'

Muzelmanschen staat, zonder hen te behelpen, als Plato het was,

om hen uit zijne republiek te verjagen. Terzelfder tijd dient men te

erkennen, dat de godsdienstige overspanning, welke het medeslepen door

den nieuwen eerdienst voorbracht, de poÎtische verheffingen van het

heidendom eenklaps heeft onderdrukt. Een beroemd Arabisch dichter,

Lebid genaamd, schreef geene verzen meer, van het oogenblik dat hij

Muzelman was geworden, en Mahomets lofdichters kunnen niet wedijveren

met AmrilkaÔs, Chanfara, Tarafa enz.

Het laat zich moeilijk beslissen, of Mahomet lezen en schrijven

kon. Het gedeelte van den Koran, waarin de engel GabriÎl hem zegt:

"Lees!" en zijn antwoord: "wat zal ik lezen?" zoude doen aannemen,

dat hij kon lezen, terwijl de omstandigheid, dat hij weinige dagen

voor zijnen dood, pen en inkt vroeg, om zijne meeste beschikkingen op

te schrijven, grond schijnt te leveren tot het veronderstellen, dat

hij schrijven kon. In allen gevalle en hoe het daarmee gelegen zij,

bediende hij zich gaarne van zijne secretarissen, welke nederschreven

wat hij hun voorzegde. Die geheimschrijvers waren Ali, Othman, SeÔd,

ObaÔ, Moawia. Wat nu eenige letterkennis betreft, gelijk die, op

dat tijdstip, onder de IsraÎlieten en Christenen kon bestaan, zoo

bezat hij deze niet, en kende van de heilige schriften dier beide

godsdiensten alleen brokstukken, gelijk men ze in gesprekken of van

hooren zeggen opdoet. Dit is dan ook oorzaak, dat eenige bijbelsche

verhalen, welke door den Koran worden aangevoerd, verminkt en verward

zijn, en dat het valsche en twijfelachtige er, bijna doorgaans, naast

het ware en echte ligt. Overigens erkent Mahomet zelf, dat hij een

ongeletterd profeet (_ommi_) is, die tot de ongeletterden gezonden

was, hetgeen waarschijnlijk geschiedde om zijn karakter, als man die

door den hemel bezield was, des te beter te doen uitkomen. Eenige

Muzelmansche schrijvers wenden nochtans voor, dat het woord _ommi_

(moederlijk, of gelijk men is als men uit het moederlijf komt, te

weten: onwetend, ongeletterd), als het op Mahomet toegepast wordt,

niets anders beteekent, dan dat hij geboortig was van _Mekka_,

welke stad _Ommoel-Koera_ of _moeder der steden_, genoemd wordt

[25]. De eigen bekentenis, welke Mahomet bij herhaling van zijne

gebrekkige kunde aflegt en van zijne onbekendheid ten aanzien der

toekomst, zijn voor zijne metgezellen, en nog veel meer voor de latere

geslachten, geen beletsel geweest, om hem de gaaf toe te schrijven,

in de toekomst te lezen en mirakelen te doen. De godsdienstige

overspanning, de ijver voor het uitbreiden van eenen godsdienst,

die reeds grond had gewonnen, en ook het godsdienstbedrog--al welke

oorzaken aanleiding geven tot zoodanige wonderwerken, welke in geene

enkele der verkondigde godsdiensten ontbreken--hebben zich tot de

onwetenden en lichtgeloovigen gewend en Mahomet als den bewerker van

duizende mirakels doen voorkomen [26]. Daarbij bleef men echter zelfs

niet staan. Toen, op de natuurlijke helling van eenen eeredienst

in de ontwikkelingsperiode, de godsdienstige redetwisten over de

leerstukken geopend werden; toen de Muzelmansche eerdienst met het

joden- en christendom in aanraking kwam, werd men tot de verzekering

gebracht, dat de Koran, die voor eene rechtstreeksche openbaring

van God en zijn woord werd verklaard, eene zaak even eeuwig als God,

en niet geschapen was.

Zoodra men zekerheid had, dat Mahomet gestorven was, begonnen de

twisten over de keuze van een' _Khalif_. Aangezien Ali echter niet

daaraan deel nam, zoo had de partij die voor Aboe Bekr was, alleen

de aanspraken van een deel van die van _Medina_ te bestrijden, aan

welker hoofd Saad Ibn Ibada stond. Aboe Bekrs welsprekendheid en Omars

zielskracht, gevoegd bij de tweespalt tusschen _Medinas_ inwoners,

waren oorzaak van het beslissen der zege, en dat de eerstgenoemde door

de aanzienlijkste Muzelmannen te _Medina_ gehuldigd werd. Wij vermelden

hier nog, dat zijne grafstede, vroeger in de woning van AÔcha of

AÔsha gelegen, later, door de vergrooting der moskee, binnen deze kwam.

Nog het een en ander willen wij omtrent zijne vrouwen hierbij voegen

en terwijl wij de Kophtische Maria, welke hij van den stadhouder

van Egypte ten geschenke had gekregen, slechts in het voorbijgaan

aanvoeren; omdat zij aanleiding heeft gegeven tot eenige merkwaardige

Koranverzen, zullen wij eenige oogenblikken langer verwijlen bij AÔsha

of AÔcha, die evenzeer oorzaak is van het ontstaan van een gedeelte

des Korans. Met AÔsha, de dochter van Aboe Bekr verloofde Mahomet zich

eenige maanden na Khadidjas dood; aangezien zij echter toen niet ouder

dan zeven jaren was, huwde hij haar eerst later te _Medina_. Zij was

de eenige van Mahomets vrouwen, welke hij niet als weduwe gehuwd had,

en zij werd ook het meest door hem bemind. Zij oefende een' grooten

invloed op hem uit en gaf het bestaan aan de meeste overleveringen,

welke tot grondslag dienen, zoowel van de Muzelmansche legenden,

als van de geschiedenis der vestiging van het Islamisme, terwijl zij

zelfs eene rol speelde in de burgeroorlogen, die onder het Khalifaat

van Othman begonnen en met de overwinning der Omejjaden eindigden.

Alvorens echter over te gaan tot het mededeelen der gebeurtenis,

waardoor AÔsha aanleiding gaf tot een gedeelte van den Koran, en

waardoor eene belangrijke bijdrage wordt geleverd tot de kennis van

Mahomet als wetgever en profeet, noemen wij nog eene andere zijner

vrouwen. Dit is Hafsa, de dochter van Omar, welke evenzeer aanleiding

gaf tot het ontstaan van eene plaats in den Koran, en bovendien

degene was, bij welke de eerste verzameling bewaard bleef van de

fragmenten des Korans, door Aboe Bekr bijeen gebracht, en waarvan

Othman verdere afschriften maakte. De bedoelde plaats in den Koran,

waartoe Hafsa aanleiding gaf, ontstond bij de volgende gelegenheid:

Mahomet had namelijk op zekeren dag eene heimelijke bijeenkomst met de

reeds genoemde Maria, en wel, op zeer onvoegzame wijze, in de woning

van Hafsa, die hen bijeen vond. Om nu de minijverige en gekwetste

echtgenoot tevreden te stellen, beloofde hij niet weÍr gemeenschap met

Maria te hebben. Hafsa maakte desniettemin geen geheim van de zaak,

en Mahomet werd door zijn' geheelen harem, maar vooral door Hafsa en

AÔsha met zulke kleinachting behandeld, dat hij eene geheele maand

in een zolderkamertje alleen doorbracht. Toen echter dreigde hij,

in naam des Hemels, met echtscheiding, en veroorloofde zich, evenzeer

ten gevolge eener openbaring, weder den omgang met Maria [27].

De Openbaring en de wet op overspel, waartoe AÔsha aanleiding

gaf, ontstond bij eene belangrijke gebeurtenis. AÔsha (of AÔcha)

vergezelde Mahomet op een' veldtocht tegen de _Benoe Moestalik_. Zij

bleef nochtans op den laatsten dag van den terugkeer achter, toen de

troepen in de vroegte opbraken, en kwam toen met Moeattal, die tot

de achterhoede behoorde, eenige uren later te _Medina_ aan. Daardoor

gold AÔsha in de oogen der menigte natuurlijk als een overspeelster,

en Mahomet vond in dat voorval grond genoeg, om aan hare echtelijke

trouw te twijfelen; want hare verontschuldiging scheen hem niet

geheel voldoende. Zij verklaarde namelijk, dat zij, toen zij in haren

draagstoel wilde stijgen, haar halsketen gemist had, en dat zij weder

was teruggekeerd, om die op te zoeken. Intusschen hadden nochtans

hare kameeldrijvers, meenende dat zij werkelijk ingestegen was,

den draagstoel, als gewoonlijk, op den kameel vastgebonden en dezen

voortgedreven. Toen zij nu terug kwam, was de draagstoel verdwenen,

en de manschap reeds zoover vooruitgetrokken, dat zij dezen niet meer

kon inhalen. Mahomet behandelde haar koel en met onverschilligheid,

gedurende de ziekte, waaraan zij--schijnbaar of werkelijk--kort na hare

aankomst leed, en liet haar zelfs later naar het huis harer ouders

brengen. Geheel _Medina_ sprak over dat voorval, en zelfs Mahomet

maakte er bij zijne vrienden geen geheim van, dat hij aan AÔshas

onschuld twijfelde. Omstreeks eene maand nochtans na die treurige

gebeurtenis, zegepraalde de liefde voor AÔsha, en misschien ook het

gevoel voor zijn' oudsten en getrouwsten aanhanger--zijn schoonvader

Aboe Bekr--bij hem, op den minnenijd en het wraakgevoel. Hij bezocht

haar toen in haars vaders woning en verklaarde, na een' aanval

van vallende ziekte, door welke zijne openbaringen dikwijls werden

voorafgegaan, in naam des Hemels, dat zij onschuldig was. Diegenen,

welke op de meest bepaalde wijze tegen zijne vrouw hadden gesproken,

werden gegeeseld, en deze straf werd ook van toen af, tegen een' ieder

bepaald, welke eens anderen vrouw van ontrouw beschuldigt en zijne

beschuldiging niet door vier geloofwaardige getuigen kan bewijzen. [28]

De zwakheid, welke Mahomet in zijne betrekking tot het vrouwelijke

geslacht vertoonde, en die gewis reeds volstaat om een zeer

dubbelzinnig licht op zijn karakter als profeet te werpen, is

overigens de eenige, welke wij in zijn bijzonder leven opmerken. In

elk ander opzicht was hij een toonbeeld van huisselijke en gezellige

deugd. In zijne woning, manier van leven en spijze, heerschte de

grootste eenvoud, ja zelfs was daarin somtijds gebrek en armoede. Hij

maakte zoo weinig aanspraak op hulde, dat hij niet wilde, dat zijne

aanhangers hem eenigerhande uiterlijk bewijs van eerbied zouden

geven, ja dat hij diensten welke hij zelf verrichten kon, niet eens

van zijne slaven aannam, zoodat hij dikwijls in persoon ter markt

ging, om levensmiddelen in te koopen en deze zelf toebereidde, zijne

kleederen verstelde, zijn geiten melkte en zijne woning veegde. Een elk

had vrijen toegang tot hem, en zelfs op straat verleende hij elkeen

gehoor, welke iets had te verzoeken. Zijne weldadigheid en mildheid

waren onbegrensd, zoodat hij, in spijt van zijn groot aandeel in

allen buit, altijd arm bleef en bij zijnen dood slechts weinige dinars

naliet. Niet alleen jegens armen echter maakte zijne weldadigheid zich

kenbaar; hij zocht ook, op alle mogelijke wijzen, alle andere lijdenden

te troosten. Niemand was in _Medina_ ziek, of hij bezocht hem, en

niemand stierf daar ter stede, of hij voegde zich bij hen die het

lijk volgden. Niemand ondervond eene onrechtvaardigheid, die hij niet

ter hulpe ijlde; overal waar het gold, den zwakke tegen den sterke te

verdedigen, was hij. Alleen waar de staatkunde het gebood, kon hij zich

tot de grootste wreedaardigheden laten wegslepen; maar in alle overige

gevallen, toonde hij zich uiterst toegevend en grootmoedig. Men vindt

wel menige voorbeelden van ter dood gebrachte misdadigers of werkzame

vijanden van den Islam, maar in evenredigheid van den duur zijner

heerschappij is het aantal van dezen zeer gering. Een der bloedigste

moordtooneelen richtte hij onder de _Benoe KoraÔza_ aan. Dit was niet

zoo zeer uit godsdiensthaat, als wel omdat zij hem in het oogenblik

van gevaar verlaten hadden, en tot den vijand waren overgegaan; iets

waardoor hij zijn' ondergang nabij was geweest. Moesten wij nu Mahomet,

die zich profeet en Godsgezant noemt, niet strenger beoordeelen dan een

gewoon opperhoofd der Arabieren, dan zouden, in onze oogen, de vlekken,

welke wij in zijne levensgeschiedenis waarnemen, des te gemakkelijker

verdwijnen, uithoofde zij door de zeden en gebruiken van zijnen tijd

zijn te rechtvaardigen. Wij zouden hem een' sluwen staatsman noemen,

welke, ten deele uit liefde tot zijn volk, ten deele uit eerzucht,

groote zaken heeft volvoerd. Ook als verbeteraar der zeden, als

verkondiger van het monotheÔsmus of stelsels van de eenheid Gods,

der leer van de onsterfelijkheid der ziel en de vergelding, welke hij

't eerst in _ArabiÎ_ deed wortelen, kunnen wij hem onzen bijval en,

met het oog op zijn menigvuldig lijden in den eersten tijd, zelfs onze

bewondering niet onthouden. Dat hij echter volstrekt niet opgewassen

was tegen de rol van stichter van eenen nieuwen godsdienst en van

wetgever, blijkt uit een nauwkeurig onderzoek van den Koran, niet

minder dan uit zijn leven.

II

DE KORAN.

Algemeen overzicht.

Wat wij Mahomet niet kunnen vergeven, is, dat hij zijne voorgewende of

werkelijke openbaringen, welke, gelijk hij zelf zich dikwijls uitdrukt,

de geloovigen voor alle tijden licht en leiding zouden verschaffen,

niet bij zijn leven, volgens chronologische orde, of volgens den

inhoud, tot een geheel heeft doen verzamelen [29].

De Muzelmannen, wel is waar--doch blijkbaar alleen met het doel om

hunnen profeet te verontschuldigen en de echtheid des Korans te

verdedigen--stellen vast, dat dit niet noodig was, omdat de door

hem geopenbaarde verzen door zijne volgelingen van buiten geleerd,

en langs dien weg aan de vergetelheid onttrokken werden. Zien wij

echter niet bij Mahomets dood, dat, behalve Aboe-Bekr, niemand iets

van een vers wist, waarin Mahomets sterfelijkheid bepaald uitgedrukt

zou geworden zijn? [30]

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 4 / 89 段