Mahomet trok _Medina_ aan het hoofd van duizend man uit, om de

KoreÔshieten aan te vallen. De Muzelmannen putten hun vertrouwen uit

de herinnering van den gelukkigen uitslag te _Bedr_; de KoreÔshieten

daarentegen vonden zich bemoedigd door hun getal en hunnen haat;

en hun aanvoerder had twee afgodsbeelden met zich gevoerd, om den

moed zijner troepen aan te wakkeren. De strijd was zeer hardnekkig,

en reeds waande Mahomet dat hij overwinnaar was, toen een gedeelte

zijner troepen bij het vervolgen van den vluchtenden vijand zich

op de bagage wierp om die te plunderen. De KoreÔshieten hereenigden

zich toen en vielen de Muzelmannen aan. Mahomet stort in een ravijn

en wordt door een' steen getroffen, die hem een tand aan stukken

slaat; desniettemin roept hij zijn krijgsmakkers toe: "wie wil zijn

leven voor mij geven? Hij die zijn bloed met het mijne vermengt,

zal niet door het helsche vuur bereikt worden." Men snelde te

zijner hulp, maar eenigen van zijne dapperste krijgsmakkers werden

daarbij gedood, en de Muzelmannen trokken naar een hollen weg terug,

waar zij door de KoreÔshieten niet vervolgd werden. Het gevecht bij

_Ohod_ was verloren en men vatte van wederzijde het voornemen op,

het volgende jaar elkander te _Bedr_ nogmaals te ontmoeten. In den

Koran heeft Mahomet de oprechtheid gehad, de nederlaag van _Ohod_

niet te verzwijgen, maar toe te schrijven aan het te groot vertrouwen

der Muzelmannen op hunne krachten en aan de groote hebzuchtigheid,

waarmede zij zich op den buit hadden geworpen. Bij die gelegenheid

was het, dat Mahomet verbood de dooden van het slagveld te vervoeren

om die elders te begraven. Hij verbood zelfs hun het bloed af te

wasschen, daar hij zeide, dat de martelaars op den dag der opstanding

met hunne bloedende wonden verschijnen en eene muskuslucht van zich

geven zouden. Hij beval hun slechts aan, een gebed voor de lijken

te doen. Wij zouden de grenzen van deze levensschets te buiten gaan,

door hier een omstandig verhaal te geven van de tochten, de marschen en

gevechten, waartoe Mahomet, in de jaren die op de gevechten van _Bedr_

en _Ohod_ volgden, bij zijne botsingen, vooral met de afgodendienaars,

verplicht was. Wij zullen ons derhalve bij een zeer beknopt verslag van

die worstelingen bepalen. De KoreÔshieten kwamen in het vierde jaar der

_hedjira_ niet opdagen voor het treffen bij _Bedr_, gelijk men elkander

in het vorige jaar beloofd had, doch daarentegen vormde zich tegen

Mahomet een verbond van Arabische en Joodsche stammen, naar Mahomets

meening vooral op aandrijven der Joden van _Medina_, die den stam

van _KoraÔza_ uitmaakten. Dit verbond liep uit op het belegeren van

_Medina_ en aangezien de Muzelmannen op drie zijden van _Medina_ eene

gracht groeven, is die oorlog bekend onder den naam van _den oorlog der

gracht_. Deze gebeurtenis had plaats in het vijfde jaar der _hedjira_

(627), en op dat verbond heeft het hoofdstuk uit den Koran betrekking,

het welk _Al-ahzab_ (de verbondenen) heet, zijnde het XXXIIIe. Bij die

gracht hadden eenige gevechten tusschen de belegerden en de belegeraars

plaats. Het beleg duurde omstreeks eene maand, maar door den naijver

welken de heimelijke aanhangers van Mahomet in het leger wisten op

te wekken, ging het verbond, dat tienduizend man telde weldra uiteen

en het beleg werd toen opgeheven. Aan het hoofd van drieduizend man

ging Mahomet nu, terecht of niet, wraak nemen op den Joodschen stam

_KoraÔza_--aan den anderen waagde hij zich niet--en belegerde hen in

hunne versterkingen. De _KoraÔza_, die geene levensmiddelen hadden,

gaven zich na eenigen tijd over. Mahomet deed toen al de hoofden

ombrengen en verdeelde al de overigen benevens hunne vrouwen,

hunne kinderen en al hunne roerende en onroerende eigendommen,

onder de Muzelmannen. In het zesde jaar der _hedjira_ ondernam

Mahomet, zoowel in eigen persoon als door zijne krijgsbevelhebbers,

eenige kruistochten tegen onderscheidene Arabische stammen, welke hij

spoedig onderwierp. Zonder moeite namen deze den Islam aan. Uit dien

tijd verhalen Mahomet's levensbeschrijvers een' menschlievenden trek

van hem ten aanzien der afgodendienende KoreÔshieten. Er waren eenige

pas bekeerde stammen die geweigerd hadden _Mekka_ van levensmiddelen

te voorzien, waar toen schaarschte daarvan was, doch Mahomet hief

dat verbod op. Het was evenzeer na een' dezer krijgstochten--dien

tegen de _Mostaliks_--dat de gebeurtenis voorviel met AÔsha, Mahomets

vrouw, die door het algemeen gerucht beschuldigd werd, in misdadige

betrekking te staan tot een jong Muzelman. De openbaring nu, vervat

in Hoofdstuk XXIV is door Mahomet niet alleen gewijd aan het doel

om AÔsha te zuiveren van de lasteringen te haren aanzien verbreid,

maar ook om in het vervolg de rechtspleging in gevallen van overspel

te regelen. In het zesde jaar der _hedjira_ beschouwden Mahomet en de

Muzelmannen, die sedert hunne vlucht uit _Mekka_ niet ter bedevaart

naar den heiligen tempel waren geweest, het als plicht, dit te

bewerkstelligen. Mahomet deed daartoe de KoreÔshieten verlof vragen,

tegelijkertijd verklarende, dat zijne bedoelingen vredelievend waren,

hetzij nu dat hij werkelijk geene andere voornemens koesterde, hetzij

dat hij op eenige gunstige gebeurtenis wachtte, om zich van _Mekka_

meester te maken, bij gelegenheid dat hij deze bedevaart zou houden

aan het hoofd der Muzelmannen, bij welke zich de Arabieren zouden

hebben gevoegd, welke nog den afgodendienst waren toegedaan. Maar de

KoreÔshieten lieten zich niet gemakkelijk belezen om dat verlof toe te

staan, en al de stappen door Mahomet gedaan, hadden alleen tot uitslag,

het sluiten eener overeenkomst, welke als eene zedelijke nederlaag kan

worden beschouwd. Deze overeenkomst bepaalde: 1∫. een tienjarig bestand

zal getrouwelijk tusschen de Muzelmannen en de KoreÔshieten in acht

worden genomen; 2∫. ieder persoon die de KoreÔshieten mocht verlaten,

om, zonder verlof zijner hoofden, tot Mahomet over te gaan, zal aan

de KoreÔshieten uitgeleverd worden; 3∫. zij die van Mahomets partij

tot die der KoreÔshieten mochten overgaan, zouden niet uitgeleverd

worden; 4∫. den Arabischen stammen wordt vrijheid gelaten, zich met

de KoreÔshieten of met de Muzelmannen te verbinden; 5∫. Mahomet

en de zijnen zullen onmiddellijk zich uit den omtrek van _Mekka_

terugtrekken; 6∫. het volgende jaar zullen zij den _Caaba_ kunnen

bezoeken, maar zij zullen er niet langer dan drie dagen blijven,

en geene andere wapens dragen dan hunne sabels, die zij niet uit

de scheede zullen trekken. Deze overeenkomst, waarin het gewone

verschijnsel--overmoed tegen de zwakken, kruipen voor de sterken

zichtbaar was--mishaagde den Muzelmannen zeer, maar Mahomet deed,

vooral ten aanzien der artikelen 2 en 3, opmerken, dat God degenen niet

zou verlaten, welke aan de KoreÔshieten mochten worden overgeleverd,

en wat diegenen betrof, welke tot de afgodendienaars mochten overgaan,

dat het openlijke verlaten door eenige huichelaars veeleer voor-

dan nadeel was. Deze overeenkomst werd gesloten te _HodaÔbiia_.

Voor dat jaar moest Mahomet van de bedevaart naar _Mekka_ afzien,

en zelfs weinig tijds na het sluiten der overeenkomst, toen een

KoreÔshiet tot den Islam overging en door zijne hoofden opgeÎischt

werd, haastte zich Mahomet om hem uit te leveren, waarover de

Muzelmannen zeer misnoegd waren; maar hij deed het stilzwijgen der

overeenkomst ten aanzien der vrouwen gelden, toen eenige vrouwen

na het verlaten van _Mekka_ in zijn kamp den Islam kwamen omhelzen,

en gaf haar niet aan hare mannen terug, die haar kwamen opeischen. In

hetzelfde jaar, het zesde der _hedjira_, zond Mahomet een' gezant aan

den koning van _PerziÎ_, om bij hem aan te dringen tot het aannemen

van zijn godsdienst. De brief dien hij CosroÎs toezond, begon met de

volgende woorden: Mohammet zoon van Abdallah, gezant van God, aan Kesra

(CosroÎs), koning van _PerziÎ_. Men kan begrijpen met welke verachting

dat schrijven door de Perzianen ontvangen moet zijn, als men weet,

dat deze al de Arabieren als een lomp en barbaarsch volk beschouwden,

dat ten deele aan de macht van _PerziÎ_ onderworpen was. De koning

en de koningin verscheurden Mahomets brief. Toen deze het vernomen

had, riep hij uit: "Dat God zijn rijk verscheure!" en deze vloek

werd aangezien als een onfeilbaar voorteeken van den spoedigen val

der Perzische monarchie. Die voorzegging werd echter eerst in het

achttiende jaar der _hedjira_ onder het khalifaat van Omar vervuld.

Volgens de Muzelmansche geschiedschrijvers werden de gezantschappen,

die door Mahomet aan den koning van _Abysenie_ en den gouverneur van

_Egypte_ werden gezonden, met eerbied ontvangen. Het zevende jaar der

_hedjira_ werd door eene belangrijke overwinning gekenmerkt en wel

door die op de Joden van _KhaÔbar_, eene stad die door onderscheidene

forten verdedigd werd, en die drie of vier dagreizen van _Medina_,

te midden eener vruchtbare landstreek was gelegen. Mahomet toog naar

_KhaÔbar_ aan het hoofd van veertien honderd man, waarbij twee honderd

ruiters. Het beleg duurde omstreeks twaalf dagen, en de Muzelmannen

vonden er een' krachtigen tegenstand; maar na eenige hardnekkige

gevechten, in welke Ali, Mahomets schoonzoon zich onderscheidde, werden

al de forten, het een na het andere ingenomen, en daardoor de macht der

Joden van _KhaÔbar_ vernietigd. Maar aangezien zij aan hun land waren

gehecht, bleven zij in het bezit er van; dit was echter niet langer

als eigenaars, maar als pachters der Muzelmannen, en dit tengevolge

eener met Mahomet gesloten overeenkomst. Deze wederrechtelijke en

door niets te weeg gebrachte nederlaag der IsraÎlieten, deed bij

eene van Mahomets vrouwen, die ook tot dezen godsdienst behoorde,

de zucht ontstaan haar landgenooten te wreken. Zij gaf hem daarom

een stuk vergiftigd schapenvleesch te eten, en alleen ternauwernood

was het, dat hij aan den dood ontsnapte.

De overmeestering van _KhaÔbar_ werd door die van _Fadak_ gevolgd,

zijnde dit een vlek dat tot _KhaÔbar_ behoorde. Mahomet maakte _Fadak_

tot zijn bijzonder eigendom, hetwelk aan zijn dochter Fatima overging,

die met Ali gehuwd was. De IsraÎlieten van _Wadi-l-Kora_ ondergingen

hetzelfde lot, en die van _Taima_, op de grenzen van _SyriÎ,_

achtten het voorzichtig, eene onvermijdelijke vernieling voor te

komen, en zonden hunne onderwerping aan Mahomet in. In hetzelfde

jaar zond de nieuwe profeet een' gezant aan keizer Heraclius [19]

die zich toen, bij zijn terugkeer van den veldtocht naar _PerziÎ_,

in _SyriÎ_ bevond. De Muzelmansche levensbeschrijvers zeggen,

dat Heraclius den Muzelmansche gezant met onderscheiding ontving;

maar de gezantschappen die Mahomet aan twee Ghassanidisch-Arabische

vorsten zond, welke leenmannen van het Romeinsche keizerrijk waren,

werden met verontwaardiging en verachting ontvangen; in zijne brieven

had Mahomet hen uitgenoodigd, het Islamisme te omhelzen.

Op het einde van het zevende jaar der _hedjira_ (629), hetgeen

het tijdstip was voor de bedevaart naar _Mekka_, vastgesteld in de

overeenkomst, die in het vorige jaar met de KoreÔshieten gesloten

was geworden, kon Mahomet eindelijk de gelofte van het bezoeken

der heilige plaatsen volbrengen, en hij volbracht haar op vreedzame

wijze. Hij trok _Mekka_ binnen, te midden van een grooten toeloop

van afgodendienaars. Hij zat op zijn wijfjes-kameel _Koswa_ en werd

omringd door zijne leerlingen, die te voet waren en de sabel op zijde

hadden. Hij nam al de godsdienstgebruiken waar, en wel niet alleen

diegene, welke sedert onheugelijke tijden ingesteld waren, en door

niets gekenmerkt werden wat naar afgoderij geleek, maar ook die, welke

hij, in zijne hoedanigheid van apostel, zelf pas had ingesteld. De

zeven omgangen rondom den _Caaba_, de zeven gangen tusschen de heuvels

van _Safa_ en _Merwa_, het slachten der offers in de vallei van

_Mina_ en het Muzelmansche gebed, dat door zijn bijzonderen uitroeper

aangekondigd werd, kortom alles had vreedzaam en in ongestoorde orde

plaats; maar de KoreÔshieten stonden er op, dat hij, onmiddellijk na

het verblijf van drie dagen, dat door de overeenkomst was bepaald,

vertrekken zou, en wilden zelfs niet de uitnoodiging aannemen tot

een gastmaal, dat Mahomet hun voor zijn vertrek wenschte te geven.

Tengevolge van dien vreedzamen tocht, welke Mahomet wist dienstbaar te

maken aan het vermeerderen zijns aanziens in de oogen der Arabieren,

en die oorzaak werd dat er vele en belangrijke bekeeringen plaats

hadden, ondernam de profeet der Arabieren, die reeds door den glans

eens vorsten omringd was, een' krijgstocht tegen het Romeinsche

keizerrijk, of om beter te zeggen tegen de Ghassanidisch-Arabische

vorsten, die aan de Romeinen schatplichtig waren, en door Romeinsche

troepen ondersteund werden. Een Muzelmansch leger, drie duizend

man sterk en door zijn' vrijgemaakten slaaf SeÔd aangevoerd, toog

naar _Moeta_, een vlek in het zuid-oostelijke uiteinde van _SyriÎ_,

en had daar bloedige gevechten te bestaan tegen de Arabieren en

Romeinen, die veel sterker in getal waren. De uitslag van dien

oorlog was voor de Muzelmannen noodlottig. Nadat zij achtereenvolgens

twee opperbevelhebbers hadden verloren, waren zij genoodzaakt naar

_Medina_ terug te trekken. Intusschen deed dat verlies Mahomets macht

niet verzwakken; want eenige Bedouynsche stammen haastten zich het

Islamisme te omhelzen en zich onder zijne banier te scharen; daaronder

behoorde de stam _Abs_, waartoe de vermaarde held Antara [20] had

behoord. Mahomet, welke de afgezanten van dien stam ontving, zeide

hun dat Antara, voor eenige jaren gestorven, de Bedouynsche held was,

welken hij het sterkst had verlangd te zien. Om al den voorspoed in

ArabiÎ de kroon op te zetten, ontbrak Mahomet nog maar de vermeestering

van _Mekka_. Daartoe deed zich in het achtste jaar der _hedjira_,

eene gunstige gelegenheid op, toen de stam _Khozaa_, die Mahomets

bondgenoot was door de overeenkomst, twee jaren vroeger te _HodaÔbiia_

geteekend, door den stam _DoÔl_ (bondgenoot van _Mekka_) en door die

van _Mekka_ zelven werd aangevallen. Mahomet achtte zich daarvoor

van alle verplichtingen ontslagen, en besloot dadelijk de meeste

partij van die breuk te trekken; daarom wees hij de openingen der

KoreÔshieten af, ten aanzien eener voldoening en eener schikking. Hij

vertrok uit _Medina_ op den 10den dag der _ramadhan_ van het achtste

jaar der _hedjira_ (630) aan het hoofd der _Ansar_ en der _Moehadjir_,

en waarbij onderweg zich de stammen kwamen voegen, die kortelings tot

zijne leer waren overgegaan. Volgens Mahomets geschiedschrijvers beliep

dat leger tien duizend man. Tien dagen later trok het Muzelmansche

leger de heilige stad binnen, zonder dat er eenige verdediging plaats

had en zelfs zonder veel wederstand; zÛÛ geheim had men den beraamden

tocht weten te houden, en zÛÛ snel waren de bewegingen geschied;

maar een troep KoreÔshieten, die de Muzelmansche voorhoede bij het

intrekken van _Mekka_ aanviel, werd nedergesabeld en alleen Mahomets

spoedige aankomst op de slagplaats was in staat, een groot aantal

schuldelooze offers te sparen. Zeventien bewoners van _Mekka_ werden

van de algemeene kwijtschelding uitgesloten, en Mahomet gaf verlof hen

te dooden, al waren zij ook in den _Caaba_ verborgen. Mahomet begaf

zich dadelijk naar den tempel, ging er zevenmalen omheen, en raakte met

eerbiedigheid den zwarten steen met zijn' _mihdjan_ aan, zijnde dit

een staf, die aan het eene einde omgebogen was. Hij vroeg vervolgens

den sleutel van den tempel en drong in het binnenste door. Hij zag er

beelden en voorstellingen van engelen, die op de muren geschilderd

waren, eene houten duif die aan de zoldering was opgehangen en die

vermoedelijk ontleend was, hetzij aan de Oud-Testamentaire vrededuif,

aan de duif der Samaritanen, of misschien aan het zinnebeeld van het

Nieuwe Testament; voorts een beeld, hetwelk men zeide dat van Abraham

te zijn, en hetwelk de pijlen in de hand had, door middel van welken

de Arabieren gewoon waren het lot te raadplegen. In den tempel waren

drie honderd zestig afgodsbeelden vereenigd; naarmate Mahomet deze

voorbijging, hief hij zijn _mihdjan_ op, en na dat teeken verbrijzelde

men die terstond, terwijl hij de woorden sprak: "De waarheid verscheen

en de logen verdween." Op het middaguur klom zijn bijzondere uitroeper,

Belal genaamd, op den _Caaba_ en verkondigde het uur van het gebed.

Denzelfden dag werd de geheele bevolking van _Mekka_ verwittigd,

dat zij zich had te begeven naar den heuvel _Safa_, om den profeet

te erkennen en hem den eed van gehoorzaamheid _bi'at bi'a_ te doen,

welke daarin bestond, dat een ieder Mahomet de hand moest geven. Bij

die gelegenheid was Omar Mahomets vertegenwoordiger; hij stak elk

der omstanders de hand toe, terwijl Mahomet op een' verheven zetel

geplaatst was. Na de mannen, werden de vrouwen toegelaten, om evenzeer

den eed te doen; zij beloofden, noch schelmerij, overspel, hoererij

noch kindermoord te plegen, en zich aan geen liegen of kwaadspreken

schuldig te maken.

Mahomet bleef omstreeks veertien dagen te _Mekka_. Gedurende dien

tijd deed hij, in den omtrek, de afgodsbeelden en de tempels der

afgodendienaars vernielen, en zond detachementen ruiterij uit, om de

bewoners der omgelegen streken tot den Islam te roepen. Hoezeer hij

zijne troepen had bevolen, hunne wapenen niet anders dan alleen in

den uitersten nood te gebruiken, volgden eenige hoofden deze orders

niet op en richtten moordtooneelen aan, welke Mahomet zich verplicht

achtte, openlijk te ontkennen als op zijn bevel geschied te zijn,

en die te veroordeelen. Een enkele machtige stam, die sedert lang

naijverig op de KoreÔshieten was, weigerde zich te onderwerpen, en

trok tegen _Mekka_ op. Mahomet trok die stad binnen aan het hoofd van

een indrukwekkend leger, en het gezicht van die strijdmacht boezemde

de Muzelmannen een zoodanig vertrouwen in, dat zij zich onverwinbaar

achtten. Dat vertrouwen wordt echter in den Koran (IX:25) gegispt;

inderdaad toen dan ook, de Muzelmannen eene enge vallei binnentrokken

en te _HonaÔn_ aankwamen, dat op tien mijlen afstands van _Mekka_

is gelegen, werden zij door de _Hawazin_, en wel met zulke hevigheid

aangevallen, dat er wanorde in hunne gelederen ontstond, en dat

het Mahomet eerst na de uiterste pogingen gelukte, de vluchtenden

tot staan te brengen en hen te hereenigen. Hij beval zijn' witten

muilezel _Doldol_ te gaan liggen, en wierp toen, even als te _Bedr_,

eene handvol zand naar den vijand, en door dit wonderwerk, zeggen de

geschiedschrijvers verschafte hij zich de overwinning. De vijand werd

op de vlucht gedreven en trok af naar _Taif_, eene stad ten westen van

_Mekka_ gelegen, en omringd door eene zeer vruchtbare streek, welke

stad door den handel rijk geworden en door muren omringd was. Toen

nu de belegering der stad lang begon te duren, wilde Mahomet eerst al

de wijngaarden in den omtrek verwoesten, maar zag, op de aanhoudende

verzoeken van de Arabieren uit den omtrek, daarvan af; terzelfder

tijd deed hij echter afkondigen, dat iedere slaaf die uit _Taif_

naar het leger der Muzelmannen overliep, vrij zoude zijn. In weÍrwil

nochtans dat daarop een aanmerkelijk getal overloopers aankwamen,

hield de stad hare verdediging vol, en Mahomet achtte het raadzaam

het beleg op te breken, nadat hij twintig dagen lang vergeefsche

pogingen had aangewend om de stad te onderwerpen. Het mislukken van

dien tocht werd echter door de onderwerping van andere stammen vergoed.

Toen Mahomet te _Medina_ terugkwam, liet hij te _Mekka_ een'

onderbevelhebber achter, die belast was met het bestuur over de feesten

en plechtigheden der pelgrimstochten. Wat hierbij opmerking verdient,

is, dat de afgodendienaars onder de Arabieren, die er aankwamen, van

die plechtigheden niet uitgesloten waren. Het volgende jaar echter

deed Mahomet dit gebruik eindigen en gebood, dat de afgodendienaars

volstrektelijk zouden uitgesloten wezen, waarbij hij hun een' termijn

van vier maanden liet, om zich te bekeeren.

Het 9e jaar der _hedjira_ (631) was getuige van de bekeering

en onderwerping van eenige andere, zoowel heidensche als

christenstammen. De bekeering der laatsten had plaats na eene

redetwist, die door Mahomet zelven werd gehouden met bisschoppen en

Christenen van _Nedjram_, in welken redetwist de Christenen, volgens

het zeggen van de Muzelmansche geschiedschrijvers, zich overwonnen

verklaarden. Op het einde van hetzelfde jaar richtte Mahomet, die

vernomen had, dat er een Romeinsch leger tegen de Muzelmannen in

aantocht was, eene algemeene oproeping aan al de ongeloovigen, en

vereenigde een leger van dertigduizend man, dat hij naar _Taboek_

op de grenzen van _SyriÎ_ voerde. Men zag toen, dat de tijding van

het aanrukken der Romeinen valsch was, maar de aanwezigheid van zulk

een aanmerkelijk leger had de onderwerping van _AÔla_ tengevolge, dat

eene handeldrijvende stad aan de _Roode zee_ was, en ook van eenige

plaatsen in de nabijheid van _Taboek_ gelegen. De stad _TaÔf_, die,

ten vorige jare de aanvallen van Mahomet had wederstaan, onderwierp

zich in dit jaar evenzeer. Dit jaar werd dan ook _het jaar der

gezantschappen_ genoemd, uithoofde van het aantal deputatiÎn die

elkander onophoudelijk opvolgden, om aan Mahomet de onderwerping van

steden en stammen te komen betuigen.

Het volgende jaar, zijnde het 10e der _hedjira_ (632), groeide het

aantal bekeeringen en onderwerpingen nog altijd aan. Tot hiertoe

zich hebbende bepaald bij _Hedjaz_ en de noordelijke streken van

_ArabiÎ_, breidden zij zich, van toen, naar de zuidelijke en oostelijke

gedeelten uit. Nu huldigden de streken, welke bekend zijn onder de

namen _Hadramaut_, _Yemen_ en _Nedjd_ den eeredienst onder een eenig

God en tegelijk ook de profetenzending van Mahomet. Het dient daarbij

opgemerkt te worden, dat de profeet der Arabieren zich niet tevreden

hield met de belijdenis van den eeredienst des eenigen Gods, als die

niet het erkennen zijner zending tot gevolg had. "Er is geen andere

God dan God (_Allah_) en Mahomet is Gods gezant", was de vastgestelde

formule: dit waren de twee onmisbare getuigenissen (_ChehadeteÔn_),

om aangezien te worden als Muzelman (_Moeslim_), of als man die aan

Gods wil onderworpen is.

Het werk van Mahomet was dan nu, na twintigjarige, volhardende

pogingen, verricht, de eerste helft van welk tijdverloop hem niet

anders dan teleurstelling scheen te bereiden, en hem niets anders dan

bespotting, beleedigingen en haat had opgeleverd. Om den gelukkigen

uitslag zijns arbeids plechtig te vieren, maakte Mahomet, in het 10e

jaar der _hedjira_, zijn voornemen kenbaar, eene plechtige bedevaart

naar _Mekka_ te doen, en dadelijk stroomde van alle zijden van _ArabiÎ_

eene groote menigte toe, om hem in dat herkomstige godsdienstgebruik

te vergezellen. Volgens eenigen bestond de stoet uit negentig duizend,

volgens anderen uit honderdveertigduizend man. Toen de karavaan te

_Mekka_ was aangekomen, verrichtte Mahomet al de plechtigheden, welke

door het gebruik waren vastgesteld; zeide de gebeden op en begaf zich

den volgenden dag naar den berg _Arafat_, waar hij eene toespraak

hield, welke vervolgens werd herhaald door een' KoreÔshiet, die eene

doordringende stem bezat, ten einde de menigte, die langs de helling

van den berg bijeen was, hem zouden kunnen hooren. Die toespraak, welke

door de overlevering is bewaard gebleven, bevatte een beknopt overzicht

van de voornaamste voorschriften, die in den Koran vervat zijn. De

aanspraak prentte rechtvaardigheid, menschelijkheid, welwillendheid,

broederschap tusschen de Muzelmannen, goede behandeling der vrouwen

en rechtschapenheid bij alle betrekkingen van het maatschappelijk

verkeer in; zij verbood ook het invoegen van dagen, om de maanmaanden

te verbeteren. Mahomet eindigde met de woorden: "Ik laat u eene wet

achter, die u voor dwaling zal behoeden; eene wet, die duidelijk en

stellig is; een boek eindelijk, dat van boven is neÍrgezonden." Hij

besloot met uit te roepen: "O! mijn God! heb ik mijne zending

vervuld?" waarop aller stem antwoordde: "Ja, gij hebt haar vervuld!"

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 3 / 89 段