van wien wij boven hebben gesproken. Sedert dien tijd ontving Mahomet,
die naar _Mekka_ terug was gekeerd, gedurig goddelijke openbaringen,
door tusschenkomst van den engel GabriÎl (Djebreil). De eerste zaak
welke de engel hem onderwees, bestond in het gebed, door wasschingen
voorafgegaan. Op zijne beurt onderwees Mahomet dit aan Khadidja,
die langs dien weg de eerste proseliet van het Islamisme werd:
zijn tweede bekeerling was Ali, de zoon van Aboe-Talip. Vervolgens
ZeÔd of SeÔd, zijn aangenomen zoon, die de eenige van Mahomets
volgelingen is, welke in den Koran wordt vermeld [11]. Bovendien
wordt aangehaald Abdelcaaba, bijgenaamd _el-Atik_, (de edele),
een man, wien, uithoofde zijner kennis van de Arabische geslachten,
groote eerbied werd toegedragen. Hij was bekleed met een ambt van
boet- of lijfstraffelijk rechter, en moest uitspraak doen in zaken
van moord en boeten, en men wendde zich tot hem tot het uitleggen
van droomen. Toen Abdelcaaba (dienaar van den _Caaba_) het nieuwe
geloof aannam, welks grondslagen nauwelijks gevormd waren, nam hij
ook den naam aan van Abdallah (dienaar Gods, en dus gelijk staande
met Gottschalk en Godschalk), terwijl hij later, toen hij zijne
dochter AÔcha aan Mahomet ter vrouw gaf, den naam van Aboebekr
(vader der maagd) aannam. Dit nu is dezelfde, die vervolgens de
eerste _Khalif_, of opvolger van Mahomet werd. De eerste bekeeringen
tot het nieuwe geloof, welks voornaamste en steeds zeer gewichtig
leerstuk, de volstrekte eenheid Gods was, en hetwelk de strekking
had tot afschaffing der afgoderij [12] geschiedden in het geheim, en
gedurende drie jaren was Mahomets zending alleen bij zijne aanhangers
bekend. Dit wordt door den geloofwaardigsten geschiedschrijver van
Mahomets zending gezegd. Deze omstandigheid verdient opmerking:
zij verklaart ten deele het zeer treffende verschil, dat er
bestaat tusschen de laatste hoofdstukken van den Koran (die, wat
den stijl betreft, zeer veel overeenkomst hebben met het hoofdstuk,
dat, volgens Mahomets verhaal, het eerste geopenbaard is geworden)
en de hoofdstukken die, volgens de tegenwoordige redactie van den
Koran, de voorste plaatsen innemen. Deze dragen den stempel van eene
godsdienstige geestdrijverij, die zich in het onbepaalde uitgiet en
zich aan niets stelligs hecht, terwijl de lange hoofdstukken afkomstig
zijn van een' man, die met zijne tegenstanders aan het worstelen is;
van een' zendeling, die voor een volk spreekt; van een' wetgever.
Op Gods stellig bevel begon Mahomet zijn' godsdienst in het openbaar
te prediken. Zijn eerste predikingen wekten in den aanvang alleen
spotternij en gelach op; zijne volharding, zijne lastigheid, zijne
stoutmoedigheid om in den _Caaba_ zelven de vernieling der afgoden
te prediken, gaf, van de zijde der Arabieren, weldra aanleiding tot
beleedigingen, tegen welke hij nochtans door zijne ooms beschermd
werd, hoezeer dezen het Islamisme nog niet hadden omhelsd. Mahomet
had aanvallen en handtastelijkheden te verduren; somtijds dreigde
men hem om te brengen; dikwijls vervolgde de samengerotte menigte
hem met geschreeuw en gejouw, en men schold hem dan: logenaar,
bedrieger, gek en bezetene. Tot een van die tusschengebeurtenissen
zijner zending heeft hoofdst. LXXIV betrekking, dat hem geopenbaard
werd om hem over dit hoonen te troosten en hem aan te moedigen, zijn'
arbeid voort te zetten. Het aantal zijner aanhangers nam voortgaande
toe gedurende de pelgrimsreis naar _Mekka_, toen de bedevaartgangers,
die uit alle hoeken van _Arabie_ bijeengestroomd waren, en wien
zijne predikingen niet onbekend konden zijn, het verhaal van deze
naar hunne woonplaatsen terug brachten. Op deze wijze werd het getal
zijner aanhangers te _Yathria_ (_Medina_) door nieuwe aanhangers
vermeerderd, welke hem weldra tot groote hulp waren. Ten gevolge
der geheime bekeeringen en der openbare predikingen zag men, gelijk
dit verschijnsel bij het invoeren van nieuwe godsdiensten, ja zelfs
bij wijzigingen en hervormingen van bestaande, zich altijd heeft
opgedaan, dikwijls gezinnen in twee godsdienstpartijen verdeeld. In
zulke gevallen baarden de vernederingen, die den lasteraar der
goden kwistig werden toegevoegd, een onverzoenlijken en hevigen
haat. Aangezien nochtans eenige daad van geweld, op Mahomet gepleegd,
onmisbaar tot bloedvergieten zou hebben geleid, stelden eenige
KoreÔshieten bij hem eene laatste poging in het werk, _Mekka_ te
verlaten, of zijne predikingen te staken. Men bood hem rijkdommen
en eereplaatsen in zijne geboortestad aan, en wilde eindelijk zich
verbinden, de bekwaamste geneesheeren te doen komen, om hem van
zijne ziekte te genezen zoo zijne handelingen inderdaad het gevolg
van geestverbijstering of van den invloed des duivels waren. Tot
eenig antwoord begon Mahomet, voor hen die tot hem spraken, met het
opzeggen van het hoofdstuk Ha-mim: _Zie hier de openbaring, die van
den grootmoedige over den barmhartige komt_, enz., zijnde hoofdstuk
XLI. Toen de KoreÔshieten zagen dat zij hem niet konden overtuigen,
vroegen zij hem ten minste eenige wonderwerken van God voor _Mekka_
te verkrijgen. Het antwoord door Mahomet gegeven is, in menig opzicht,
hoogst opmerkelijk en spreekt te zijner gunste; want hij zeide, dat
zijne zending alleen bestond in het prediken van den eeredienst aan
den eenigen God, en de menschen tot de waarheid te roepen, maar dat
hem het doen van wonderwerken niet gegeven was.
De KoreÔshieten, die door dit antwoord ongeduldig waren geworden,
beschuldigden hem toen, dat hij alleen de weerklank van eenige
Christenen was [13], en het ontbrak in _Mekka_ niet aan menschen,
voor wie die voorgewende openbaringen des Hemels niets anders waren,
dan een onsamenhangend weefsel van verhalen, die, Ën wat vorm Ën
wat wezen betreft, veel minder beteekenden dan de godsdienstige
boeken en zelfs dan de historische of poÎtische geschriften der
andere volken [14]. Volgens eenige levensbeschrijvers van Mahomet,
zouden de KoreÔshieten eene deputatie naar de rabbijnen van _Yathrib_
(_Medina_) hebben gezonden, om hun Mahomet af te malen, hun een kort
bericht over diens godsdienst te geven en om hun te vragen wat zij
er van dachten. De rabbijnen zouden, volgens die levensbeschrijvers,
geantwoord hebben: "vraagt hem, wie zekere lieden der verloopen eeuwen
zijn, wier voorval een wonder vormt? Wie is de man die de grenzen der
aarde ten oosten en ten westen heeft bereikt? Wat is de ziel? Antwoordt
hij nu," zouden zij gezegd hebben, "op die en die wijze, dan is hij
werkelijk een profeet, zoo niet, dan is hij een bedrieger." Toen
de afgezondenen te _Mekka_ terug waren gekeerd, deden zij Mahomet
de drie vragen; hij beloofde des anderen daags te antwoorden, maar
uithoofde hij vergeten had daarbij te voegen: _als het Gode behaagt_,
strafte God hem en deed hem veertien dagen op die openbaring wachten,
gedurende welken tijd de ongeletterde man daarop eenig antwoord wist
in te winnen. Na verloop van veertien dagen eindelijk antwoordde
hij door de geschiedenissen der zeven slapers en van Alexander _de
Groote_ (hoofdstuk XVIII). Wat de vraag ten aanzien der ziel betrof,
antwoordde hij, juist ter snede, dat God alleen wist, wat deze was
[15]. Zijne levensbeschrijvers zeggen, dat die zegepraal van Mahomet
op de ongeloovigen de teleurstelling en wrok der KoreÔshieten ten
top voerde, en zij toen een' ieder verboden, de predikingen des
profeets aan te hooren. Door de strenge maatregelen die men tegen
de aanhangers van den nieuwen eeredienst nam, werd een zeker aantal
(in het vijfde jaar van Mahomets zending, zijnde in het jaar 615)
weldra gedwongen, _Mekka_ te verlaten en een toevluchtsoord in
_AbyssiniÎ_ te zoeken. Daar werden zij met welwillendheid door den
koning van _AbyssiniÎ_ ontvangen, die christen was. Spoedig werd
de eerste landverhuizing door eene tweede gevolgd: in het geheel
bedroegen die twee groepen honderd vijftien personen van beiderlei
geslacht. De KoreÔshieten zonden eene deputatie naar _AbyssiniÎ_, om
de uitlevering dier uitgewekenen te vragen; maar de koning weigerde
dit, terwijl hij hun gedrag in zoodanige uitdrukkingen lof toezwaaide,
dat zij, volgens de Muzelmansche geschiedschrijvers, tot een bewijs
konden strekken voor zijn heimelijk overhellen naar den Islam.
De partij van den nieuwen eeredienst werd op dat tijdstip onvoorziens
versterkt, door dat er zich een man bijvoegde, die sedert in de
Mohammedaansche jaarboeken zeer vermaard is geworden, en welke, meer
dan al de anderen, bijdroeg, om dezen eeredienst te verbreiden. Dit
was Omar, de zoon van Khattar, die, even als zijn vader, aanvankelijk
Mahomet zeer vijandig was en, uithoofde van zijnen moed en zijne
hevigheid, zich bij de Muzelmannen zeer gevreesd had gemaakt. De Islam
had in zijne familie, en vooral bij de vrouwelijke leden, toegang
gevonden. Onder deze was Fatima zijne zuster; maar de vrees voor haren
broeder gaf haar aanleiding om den Koran niet anders dan in het geheim
te lezen. Op zekeren dag verraste Omar haar te midden van dat lezen,
en vervoerd door toorn kwetste hij haar. Op het zien van het vloeien
des bloeds zijner zuster bedaart hij eensklaps; daarop doet hij zich
eenige verstrooide bladen van den Koran toonen; hij staat opgetogen
van bewondering, is tegelijk verteederd, en begeeft zich dadelijk tot
Mahomet, om in zijne handen belijdenis van het Muzelmansche geloof af
te leggen. Al die gelukkige gebeurtenissen wekten bij den grooten
hoop der KoreÔshieten zwaren wrok op twee takken van den stam,
namelijk die der _Hachim_ en die der _Mottalib_, welke uithoofde
hunner verwantschap met Mahomet, hem een' machtigen steun gaven. Er
werd een verbond tegen die twee takken gevormd, met het doel, hen van
alle burgerlijke en handelsbetrekkingen uit te sluiten, en deze soort
van ban werd geschreven door eene, op perkament geschreven acte, die
in den _Caaba_ nedergelegd werd. Deze maatregel baarde aan de beide
in den ban gelegde takken ernstige ongerustheid ten aanzien van hunne
veiligheid. Zij besloten derhalve, op een enkel punt van _Mekka_ samen
te trekken, in plaats van, gelijk tot hiertoe het geval was geweest,
huizen te bewonen, die door de stad verspreid waren. Dit gebeurde in
het zevende jaar van Mahomets zending.
Deze staat van vijandelijkheid in de Muzelmansche of niet-Muzelmansche
gezinnen der KoreÔshieten, duurde tot in het tiende jaar der zending;
toen besloot men eene verzoening te bewerken; maar op zekeren dag,
terwijl men over deze zaak beraadslaagde, verscheen Aboe-Talib, de
oom van Mahomet, en verkondigde aan de afgoden-dienende KoreÔshieten,
dat Mahomet door eene openbaring vernomen had, dat de acte van het
verbond, die in den _Caaba_ was bewaard, door God aan de wormen
ten prooi gegeven was. Men begaf er zich heen en vond, naar het
bericht der geschiedschrijvers, het perkament door de wormen geheel
weggeknaagd, met uitzondering der woorden: "In Uwen naam, o God,"
die zich aan het hoofd bevonden. Aangezien de acte nu vernietigd was,
viel ook het verbond uiteen, en de gezinnen die in den ban gedaan
waren, betrokken hunne oude woningen weder. Het blijkt intusschen
niet, dat de afgodendienaars door die voorgewende bewijzen voor
het goddelijke van Mahomets zending zÛÛ sterk getroffen zouden zijn
geworden, dat zij daardoor den Islam zouden hebben omhelsd. Mahomet,
die in zijn geboortestad teruggestooten werd, begaf zich naar _Taif_
eene stad die met _Mekka_ wedijverde; maar zijne predikingen ontmoetten
er even sterke tegenkanting, beleedigingen en haat. Mahomet keerde
toen weder naar _Mekka_ terug en gedroeg zich voorzichtiger; hij
predikte toen niet meer in het openbaar en onthield zich ook van
het beleedigen en bespotten der afgoden. Zijn verblijf te _Mekka_
werd nochtans steeds onhoudbaarder, vooral toen hij zich in 619 of
620, door den dood van Aboe-Talib [16] en Khadidja, van hunnen steun
beroofd zag. In zulk een gevaarlijken toestand was het voor Mahomet
van gewicht, eenige andere stad te vinden, die tot middenpunt voor
zijnen werkkring kon dienen. Hij vond deze te _Yathrib_. Die stad was
hoofdzakelijk bewoond door twee stammen van afgodendienende Arabieren
en twee Joodsche stammen.
De Arabieren, die de IsraÎlieten hadden hooren spreken van de
te verwachten verschijning eens profeets, welke de geheele wereld
aan zijn bestuur onderwerpen zou, en waarmede deze natuurlijk den
te verwachten Messias bedoelden, voelden zich niet ongeneigd, het
verhaal van de predikingen, door Mahomet te _Mekka_ gehouden, gunstig
op te nemen. De pelgrimstocht naar _Mekka_ bracht hen gemakkelijk in
betrekking met Mahomet, en ten gevolge van eenige enkele bekeeringen
van Arabieren uit _Yathrib_, begon de nieuwe eeredienst er weldra
talrijke aanhangers te bezitten. In het elfde jaar van Mahomets
zending, hadden twaalf personen, die van _Yathrib_ gekomen waren,
met hem eene samenkomst op den berg _Akaba_, een' heuvel in de
nabijheid van _Mekka_, in welke bijeenkomst hij hun de hoofdpunten
van zijn' godsdienst ontvouwde en hen vermaande, die te volgen. Deze
bijeenkomst is bekend onder den naam van _de eerste eed van Akaba_,
omdat die twaalf personen daar zwoeren, de voorschriften door Mahomet
ingeprent te volgen. Op dat tijdstip zijner zending vergde hij van
zijne bekeerlingen nog niet, zich ter verdediging van zijn godsdienst
te wapenen, maar het duurde niet lang of zij verbonden zich daartoe,
en wel bij de volgende gelegenheid: in het volgende jaar, zijnde het
twaalfde zijner zending, of het jaar 622, begaf eene karavaan van de
inwoners van _Yathrib_ zich naar _Mekka_; zij was samengesteld uit
Muzelmannen en afgodendienaars. Onder begunstiging van den nacht,
toen de afgodendienaars in diepen slaap waren gedompeld, hadden de
Muzelmannen eene geheime samenkomst met Mahomet; daarin beloofden
zij hem te ondersteunen en eene schuilplaats te verleenen, ja zij
noodigden hem zelfs, zich bij hen te komen vestigen. "Als wij het
leven voor u laten, wat zal dan onze belooning zijn?" vroegen zij
hem. "Het Paradijs!" antwoordde Mahomet--"Maar als wij tot het
welgelukken uwer onderneming bijdragen, zult gij ons dan niet
verlaten om naar _Mekka_ terug te keeren?"--"Nooit! Ik zal bij
u leven en sterven!" hernam hij, en deze belofte werd met een'
handslag bezegeld. Tot eer van Mahomet dient men hier te doen
opmerken dat deze belofte nimmer door hem gebroken, maar met de
meeste eerlijkheid gehouden is, (wat ook de geschiedenis bevestigt)
welke gronden en omstandigheden hem later daartoe ook mochten hebben
uitgelokt. Dit was _de tweede, of groote eed van Akaba_ ook de _eed
der vrouwen_ genoemd. Welke pogingen men ook moge hebben aangewend,
om het verbond met de Arabieren van _Yathrib_ zeer geheim te houden,
werd het echter aan de KoreÔshieten bekend, waarop deze besloten,
zich van Mahomet te ontdoen. Nademaal Mahomet de mogelijkheid
voorzag, dat er geweldige maatregelen konden worden genomen, drong
hij bij vele Muzelmannen van _Mekka_ aan, naar _Yathrib_ uit te
wijken. Deze Muzelmannen zijn bekend onder den naam van _moehadjirs_
(uitgewekenen). Mahomet zelf, eindelijk, wist de waakzaamheid zijner
vijanden te ontgaan, die al zijne stappen bespiedden, en verliet
_Mekka_ in de eerste helft van Juni des jaars 622 [17]. Deze vlucht,
_hidjret_ genaamd, waarvan wij _hedjira_ of _hegira_ hebben gemaakt,
is het aanvangspunt der Mahomedaansche jaartelling. Deze is nochtans
zeventien jaren later, onder den Khalif Omar ingesteld. Op zijne
vlucht werd Mahomet door Aboe Bekr vergezeld. De twee vluchtelingen,
die door een' troep KoreÔshieten vervolgd werden, verborgen zich in
eene grot van den berg _Thour_, op drie mijlen zuidelijk van _Mekka_
gelegen. Reeds maakten de KoreÔshieten, die hem vervolgden, zich
gereed om er binnen te dringen, toen zij bemerkten, dat eene duif
aan den ingang van het hol twee eieren had gelegd, en eene spin
haar webbe had gesponnen. Daaruit maakten zij op, dat niemand kort
geleden in die grot kon zijn doorgedrongen en verwijderden zich
[18]. Mahomet kwam na eenige omwegen, ten noorden van _Mekka_, op
den weg naar _Yathrib_, waar hij in het begin van Juli 622 aankwam,
nadat hij te _Koba_, een dorp op twee mijlen afstands van _Yathrib_,
den eersten steen voor de eerste Muzelmansche moskee had gelegd.
Dadelijk na zijne aankomst te _Yathrib_, begon hij eene moskee te
bouwen en vestigde zijne woonplaats in die stad, welke van dien
tijd _Medinet-en-nabi_ (stad van den profeet) of _el-Medineh_
(de stad), _Medina_ begon genoemd te worden. De twee Arabische
stammen van _Yathrib_, die, na jaren van haat en oorlog, door den
Islam verzoend waren, ontvingen de benaming van _ansar_ (helpers,
bondgenooten), zoodat Mahomets aanhangers op dit tijdstip bestonden
uit de _moehadjirs_ (uitgewekenen van _Mekka_) en de _ansar_ (van
_Medina_), die allen begrepen werden onder den naam van _ashab_
(gezellen).
De Muzelmannen die zich op deze wijze te _Medina_ kwamen vestigen,
waren niet aan de genade der inwoners overgegeven; maar om hunne
veiligheid nog beter te verzekeren, sloot men eene overeenkomst,
waarbij hunne wederzijdsche betrekkingen en hunne rechten werden
vastgesteld.
Krachtens die overeenkomst moesten de KoreÔshieten, inwoners van
_Mekka_, en de Arabieren van _Medina_ voortaan slechts een enkel volk
uitmaken. Onder die bepalingen kwamen er ook voor, van eenen aard,
welke men niet alleen in dat verwijderd tijdstip en uitsluitend in
het Muzelmansche burgerlijk wetboek aantreft, maar waarvan nog negen,
tien en elf eeuwen daarna en nog later, de wetboeken van de meeste
Europeesche volken bedroevende en menschonteerende stalen opleveren,
terwijl die nog in den tegenwoordigen tijd--om maar iets te noemen--ten
aanzien der Russische lijfeigenen enz. in Europa voorkomen; van andere
werelddeelen willen wij niet eens spreken. De bedoelde bepalingen
waren, b.v., dat een Muzelman geen' Muzelman mocht dooden, om den
dood van een' ongeloovige te wreken, en ook niet voor een' ongeloovige
tegen een' Muzelman partij mocht trekken. Voorts moesten de rijke en
machtige lieden de zwakken eerbiedigen. Geene partij der geloovigen
mocht afzonderlijk vrede met de ongeloovigen sluiten. De IsraÎlietische
bondgenooten der Muzelmannen moesten voor alle beleedigingen of
afpersingen beveiligd worden, en mochten hunnen godsdienst vrijelijk
uitoefenen; maar zij moesten zich ook bij de Muzelmannen voegen,
om _Medina_ tegen alle aanvallen te verdedigen, of moesten tot
de oorlogskosten bijdragen. Eindelijk vond men er eene bepaling,
volgens welke iedere twist, die er mocht ontstaan tusschen hen, welke
het verbond hadden gesloten, aan het oordeel van God en van Mahomet
zou worden onderworpen. Om elken naijver tusschen de _Ansar_ en de
_Moehadjirs_ te voorkomen, vormde Mahomet eene soort van broederschap,
in welke een ieder van de _Ansar_ bij een' _Moehadjir_ gevoegd was. Op
dat tijdstip waren vele godsdienstige instellingen en voorschriften nog
niet gevestigd: zoo wendde men zich, b.v., bij het gebed naar de zijde
van _Jeruzalem_, dat noordelijk lag, gelijk men de IsraÎlieten zich
daarheen zag wenden, in stede van zich zuidelijk, naar den _Caaba_
te keeren. De _edhan_ of _izan_--de oproeping tot het gebed--werd
eerst eenige maanden na Mahomets vestiging te _Medina_ vastgesteld,
maar er bestond reeds eene zekere organisatie, die alleen de bezegeling
der zegepraal noodig had om te wortelen. Zoodanige overwinning kwam
Mahomets werk weldra ter hulp. Het was in de maand _Ramadhan_ van
het jaar 624 en in het tweede jaar der _hedjira_. Mahomet had toen
vernomen, dat eene karavaan van _SyriÎ_, tusschen _Medina_ en de zee,
naar _Mekka_ terugkeerde. Hij nam het besluit haar aan te vallen;
maar het hoofd der karavaan, die van Mahomets voornemen onderricht
werd, deed ijlings te _Mekka_ hulp vragen. Die van _Mekka_ kwamen, ten
getale van omtrent duizend manschappen en honderd paarden, de karavaan
helpen. Mahomet had niet meer dan driehonderd veertien manschappen,
die slechts zeventig kameelen bezaten; dit was dus ÈÈn kameel op
vier of vijf personen, die den kameel beurtelings bereden. Bij dien
troep waren slechts drie paarden, wier namen, zoowel als de kleinste
bijzonderheden dier onderneming, bewaard zijn gebleven. In weÍrwil
van het mindere aantal zijner lieden, viel Mahomet de KoreÔshieten te
_Bedr_ aan en sloeg hen, na een' tamelijk warmen strijd van eenige
uren, op de vlucht. Dat gevecht had plaats den 16den dag der maand
_Ramadhan_ in het tweede jaar der _hedjira_. De Muzelmannen, die
zelven over hunne zegepraal verbaasd stonden, schreven die aan de
hulp der engelen toe, welke zij, naar hun zeggen, de ongeloovigen
hadden zien bestrijden; en Mahomet zegt uitdrukkelijk in den Koran
(III, 119 en VIII, 9), dat God drieduizend engelen te zijner hulpe
had gezonden. In het begin van het gevecht onthield Mahomet zich in
eene hut, en zond vurige gebeden tot God op; doch zoodra de strijd
algemeen was geworden, kwam hij er uit, en terwijl hij zich onder de
strijdenden mengde, wierp hij eene handvol zand op de vijanden. Die
trek wordt onder de door Mahomet verrichte wonderwerken geteld.
De karavaan die kennis had van Mahomets bewegingen, vermeed
_Bedr_ en naderde de zee, terwijl zij tevens den weg naar _Mekka_
vervolgde. Mahomet, die de hoop had opgegeven haar nog te bereiken,
keerde met de gevangene KoreÔshieten en den krijgsbuit naar _Medina_
terug. Behalve het na kort proces en spoedig ter dood brengen van
eenige KoreÔshieten, door wie Mahomet voorheen beleedigd en zijne
zending bespot was, hadden al de andere gevangenen reden, over
de menschelijkheid der Muzelmannen voldaan te zijn. Na verloop
van zes weken werden die gevangenen door de bewoners van _Mekka_
losgekocht. Wel verre dat de laatstgenoemden door de nederlaag van
_Bedr_ ontmoedigd zouden zijn geweest, besloten zij integendeel
daarover wraak te nemen, en besteedden de helft der winst welke
de ontzette karavaan had gemaakt, aan het uitrusten der troepen;
terzelfder tijd stuurden zij zendelingen uit, om de Arabische stammen
ten krijg tegen Mahomet op te zetten. Zij hadden weldra drieduizend
strijders vereenigd, waaronder een zeker aantal, die hunne vrouwen
mede namen, welke in last hadden op tambourijns te slaan, liederen
ter eere van de bij _Bedr_ gedoode krijgslieden te zingen, en door
hare aanwezigheid den ijver harer mannen aan te vuren. Het leger der
KoreÔshieten trok eerst op _Medina_ aan, toog de stad toen voorbij
en nam ten noordoosten, nabij den berg _Ohod_, eene stelling in.