KossaÔ of KoesseÔ had vier zonen. Abdeddar, Abdelozza, Abd e

DE KORAN

Voorafgegaan door

Het leven van Mahomed,

Eene inleiding omtrent de

Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.

Met ophelderende aanmerkingen en historische aanteekeningen van

M. Kasimirski, Dr. L. Ullmann, Dr. G. Weil en R. Sale

Uitgegeven onder toezicht van

Dr. S. Keyzer

Vierde druk

Waaraan is toegevoegd

Een overzicht van de geschiedenis der Turken

voornamelijk in hunne verhouding tot het overige Europa

Door

Dr. N. Japikse

Met 3 in kleuren gedrukte Kaartjes

Rotterdam--D. Bolle

VOORBERICHT BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

Toen de eerste druk van den Koran, nu 20 jaar geleden onder toezicht

van den bekwamen Hoogleeraar Keyzer bij mij het licht zag, werd

er bepaald op gewezen, dat de kennis van de godsdienstgebruiken

der Mahomedanen een noodzakelijk vereischte is, om tot een juiste

beoordeeling te komen der geduchte macht, die haar hoofdzetel in

Konstantinopel heeft, en vandaar zich over geheel AziÎ en Afrika

uitstrekt.

Honderd dertig millioen Mahomedanen staan in de voornaamste

werelddeelen steeds gewapend tegenover drie honderd zestig millioen

Christenen.

Gedurende meer dan twaalf eeuwen is de Turk de openbare vijand van

den Christen en heeft deze laatste den Mahomedaan als zijn erfvijand

leeren beschouwen.

En toch is de Christen over het algemeen al zeer oppervlakkig in

zijne beschouwing van den Muzelman, slechts schaars bekend met den

godsdienst van Mahomed.

Sinds meer dan twaalf eeuwen hebben honderden millioenen menschen

in dit geloof hun levensgids gevonden. Men noeme dezen godsdienst

een dwaling: 't is zeker, dat geen Christensecte tot op dezen dag

voor haar geloof zÛÛ heeft geleden en gestreden als deze geminachte

Muzelman voor het zijne.

De leer van Mahomed heeft slechts drie geloofsartikelen: "Er is

maar ÈÈn God;"--"Mahomed is Zijn profeet;"--"Niemand kan het lot,

dat ÈÈnmaal onveranderlijk over hem is vastgesteld, ontgaan!"

Mahomed noemde zichzelf Gods profeet,... de Christenwereld noemde

Mahomed een kwakzalver. Het is bezwaarlijk aan te nemen, dat een

Godsdienst, waarin honderden millioenen schepselen, van gelijke

beweging als wij, leven en sterven, gedurende nu meer dan twaalf

eeuwen,.... dat zulk een godsdienst geheel op kwakzalverij berust.

Wanneer wij er Mahomed een verwijt van maken, dat hij zijn

godsdienstige leerstellingen doordreef met het zwaard, dan mogen wij,

Christenen, niet vergeten, dat de grondlegger van onzen godsdienst

wel een godsdienst des vredes en der liefde predikte, doch dat Karel

de Groote eveneens het zwaard gebruikte om de door hem overwonnen

volkeren tot het Christendom te bekeeren.

En als de Christen zijn Bijbel hoog in eere houdt, dan zien wij, dat de

eerbied, die den Muzelman voor zijn Koran heeft vooral niet minder is.

Is het Mahomedanisme in Europa nog een groote kracht, gelijk

uit den laatsten worstelstrijd met Rusland blijkt; blijft het in

het Britsch-Indische rijk het allesbeheerschend element, ook in

onze Nederlandsch-Indische bezittingen is het opgegroeid tot eene

verbazende macht.

Sedert Europa en IndiÎ in versnelde gemeenschap zijn, de afstand

tusschen beiden van maanden tot weken is ingekrompen, elke maand

honderden van Europa naar AziÎ afreizen, is de noodzakelijkheid

vermeerderd om de grondbeginselen te kennen van de kracht, die daar

alles beheerscht, welker voorhoede reikt tot aan de grenzen van

Rusland en Oostenrijk, en eenmaal zelfs voor de poorten van Weenen

de vlag van den profeet ontplooide.

Ziedaar, waarom het wenschelijk mag genoemd worden, dat een tweede

vermeerderde druk van de Nederduitsche vertaling van den Koran daarin

een licht ontsteke, dat velen welkom zal zijn.

Haarlem 1878. J. J. van Brederode.

VOORBERICHT BIJ DEN VIERDEN DRUK.

Wat de vorige uitgever, in zijn Voorbericht bij den Tweeden Druk,

ten opzichte van doel en strekking van dit boek heeft gezegd, is

heden nog even juist en actueel als het destijds was; bij dezen

vierden druk behoeft daaraan niets te worden toegevoegd.

Alleen aangaande het Overzicht van de Geschiedenis der Turken, zij

opgemerkt, dat dit hoofdstuk door Dr. N. Japikse geheel opnieuw werd

geschreven ten behoeve van den derden druk, en thans weder door hem

werd herzien.

De drie kaartjes bij dit hoofdstuk behoorend werden speciaal voor

deze uitgave ontworpen en geteekend door den heer H. Hettema Jr.

Rotterdam 1916. D. Bolle.

INHOUD.

I.

Levensschets van Mahomet 1

II.

De Koran. Algemeen overzicht 41

III.

De Islam. Algemeen overzicht 57

IV.

De Koran.

I. Inleiding. Gegeven te Mekka.--7 verzen 69

II. De Koe. Gegeven te Medina.--286 verzen 70

III. De familie Imram. Gegeven te Mekka.--200 verzen 108

IV. De Vrouwen. Gegeven te Medina.--175 verzen 129

V. De Tafel. Gegeven te Medina.--120 verzen 152

VI. Het Vee. Gegeven te Mekka.--165 verzen 171

VII. Al Araf. Gegeven te Mekka.--205 verzen 189

VIII. De Buit. Gegeven te Medina.--76 verzen 211

IX. De Verklaring van Vrijstelling. Gegeven te Medina.--130

verzen 219

X. Jonas. Gegeven te Mekka.--109 verzen 235

XI. Hoed. Geopenbaard te Mekka.--123 verzen 245

XII. Jozef. Gegeven te Mekka.--111 verzen 260

XIII. De Donder. Gegeven te Mekka.--43 verzen 276

XIV. Abraham. Geopenbaard te Mekka.--52 verzen 282

XV. Al Hedjr. Geopenbaard te Mekka.--99 verzen 288

XVI. De Bij. Gegeven te Mekka.--128 verzen 294

XVII. De nachtelijke Reis. Geopenbaard te Mekka.--111

verzen 309

XVIII. De Spelonk. Geopenbaard te Mekka.--110 verzen 322

XIX. Maria. Geopenbaard te Mekka.--98 verzen 336

XX. T. H. Geopenbaard te Mekka.--135 verzen 344

XXI. De Profeten. Geopenbaard te Mekka.--112 verzen 355

XXII. De Pelgrimstocht. Gegeven te Mekka.--78 verzen 365

XXIII. De ware Geloovigen. Geopenbaard te Mekka.--118

verzen 374

XXIV. Het licht. Geopenbaard te Medina.--64 verzen 381

XXV. Al Forkan. Geopenbaard te Mekka.--77 verzen 393

XXVI. De Dichters. Geopenbaard te Mekka.--228 verzen 400

XXVII. De Mier. Gegeven te Mekka.--95 verzen. 410

XXVIII. De geschiedenis (of de lotgevallen). Gegeven te

Mekka.--88 verzen 419

XXIX. De Spin. Geopenbaard te Mekka.--69 verzen 429

XXX. De Grieken. Geopenbaard te Mekka.--60 verzen 435

XXXI. Lokman. Geopenbaard te Mekka.--34 verzen 441

XXXII. De Aanbidding. Gegeven te Mekka.--30 verzen 445

XXXIII. De Verbondenen. Geopenbaard te Medina.--73 verzen 448

XXXIV. Sara. Geopenbaard te Mekka.--54 verzen 461

XXXV. De Engelen, of de Schepper. Geopenbaard te Mekka.--45

verzen 468

XXXVI. Y. S. Geopenbaard te Mekka.--83 verzen 472

XXXVII. Zij die zich in orde scharen. Geopenbaard te

Medina.--182 verzen 478

XXXVIII. S. Geopenbaard te Mekka.--88 verzen 485

XXXIX. De Scharen. Geopenbaard te Mekka.--75 verzen 491

XL. De ware Geloovige. Geopenbaard te Mekka.--85 verzen 498

XLI. De duidelijk Uitgelegden. Geopenbaard te Mekka.--54

verzen 505

XLII. Overweging. Geopenbaard te Mekka.--53 verzen 510

XLIII. De gouden Versierselen. Geopenbaard te Mekka.--89

verzen 515

XLIV. De Rook. Geopenbaard te Mekka.--59 verzen 520

XLV. De Nederknieling. Geopenbaard te Mekka.--36 verzen 523

XLVI. Alahkaf. Geopenbaard te Mekka.--35 verzen 526

XLVII. Mahomet. Geopenbaard te Medina.--40 verzen 530

XLVIII. De Overwinning. Geopenbaard te Medina.--29 verzen 534

XLIX. De Binnenvertrekken. Geopenbaard te Medina.--18

verzen 539

L. K. Geopenbaard te Mekka.--45 verzen 541

LI. De Verspreiding. Geopenbaard te Mekka.--60 verzen 544

LII. De Berg. Geopenbaard te Mekka.--49 verzen 547

LIII. De Ster. Geopenbaard te Mekka.--62 verzen 549

LIV. De Maan. Geopenbaard te Mekka.--55 verzen 552

LV. De Barmhartige. Geopenbaard te Mekka.--78 verzen 555

LVI. De Onvermijdelijke. Geopenbaard te Mekka.--96 verzen 558

LVII. Het IJzer. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--29

verzen 562

LVIII. De Klaagster. Geopenbaard te Medina.--22 verzen 565

LIX. De Landverhuizing. Geopenbaard te Medina.--24 verzen 568

LX. Zij, die beproefd is. Geopenbaard te Medina.--13 verzen 571

LXI. Slagorde. Geopenbaard te Mekka.--14 verzen 574

LXII. De Vergadering. Geopenbaard te Medina.--11 verzen 575

LXIII. De Huichelaars. Geopenbaard te Medina.--11 verzen 577

LXIV. Wederzijdsche Teleurstelling. Gegeven te Mekka.--18

verzen 578

LXV. De Echtscheiding. Geopenbaard te Medina.--12 verzen 579

LXVI. Het Verbod. Geopenbaard te Medina.--12 verzen 581

LXVII. Het Koninkrijk. Geopenbaard te Mekka.--30 verzen 584

LXVIII. De pen. Geopenbaard te Mekka.--52 verzen 586

LXIX. De onvermijdelijke Dag. Geopenbaard te Mekka.--52

verzen 588

LXX. De trappen. Geopenbaard te Mekka.--44 verzen 590

LXXI. Noach. Geopenbaard te Mekka.--29 verzen 592

LXXII. De Geniussen. Geopenbaard te Mekka.--28 verzen 594

LXXIII. De Omwikkelde. Geopenbaard te Mekka.--20 verzen 596

LXXIV. De (met den mantel) Bedekte. Geopenbaard te Mekka.--55

verzen 598

LXXV. De Opstanding. Geopenbaard te Mekka.--50 verzen 600

LXXVI. De Mensch. Geopenbaard te Mekka.--31 verzen 601

LXXVII. De Gezondenen. Geopenbaard te Mekka.--50 verzen 603

LXXVIII. Het nieuws. Geopenbaard te Mekka.--41 verzen 605

LXXIX. Zij, die de zielen uitscheuren. Geopenbaard te

Mekka.--46 verzen 606

LXXX. Hij fronste het Voorhoofd. Geopenbaard te Mekka.--42

verzen 607

LXXXI. De opgevouwen Zon. Gegeven te Mekka.--29 verzen 609

LXXXII. De gespleten Hemel. Geopenbaard te Mekka--19 verzen 610

LXXXIII. De Bedriegers. Geopenbaard te Mekka.--36 verzen 611

LXXXIV. De geopende Hemel. Geopenbaard te Mekka.--25 verzen 612

LXXXV. De Hemelteekenen. Geopenbaard te Mekka.--22 verzen 613

LXXXVI. De Nachtster. Geopenbaard te Mekka.--17 verzen 614

LXXXVII. De Verhevenste. Geopenbaard te Mekka.--22 verzen 615

LXXXVIII. De Overvallende. Geopenbaard te Mekka.--26 verzen 616

LXXXIX. De Morgenschemering. Geopenbaard te Mekka.--30

verzen 617

XC. Het Grondgebied. Geopenbaard te Mekka.--20 verzen 618

XCI. De Zon. Geopenbaard te Mekka.--15 verzen 619

XCII. De Nacht. Geopenbaard te Mekka.--21 verzen 619

XCIII. De Ochtendglans. Geopenbaard te Mekka.--11 verzen 620

XCIV. Hebben wij niet geopend? Gegeven te Mekka.--8 verzen 621

XCV. De Vijg. Gegeven te Mekka of te Medina.--8 verzen 621

XCVI. Het gestolde Bloed. Geopenbaard te Mekka.--19 verzen 622

XCVII. Al Kadr. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--5

verzen 623

XCVIII. Het duidelijke Teeken. Geopenbaard te Mekka of te

Medina.--8 verzen 623

XCIX. De Aardbeving. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--8

verzen 624

C. De Oorlogspaarden. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--11

verzen 625

CI. De Slag. Geopenbaard te Mekka.--8 verzen 625

CII. De Begeerte zich te Verrijken. Geopenbaard te Mekka of

Medina.--8 verzen 626

CIII. De Namiddag. Geopenbaard te Mekka.--3 verzen 626

CIV. De Lasteraar. Geopenbaard te Mekka.--9 verzen 627

CV. De Olifant. Geopenbaard te Mekka.--5 verzen 627

CVI. De KoreÔshieten. Geopenbaard te Mekka.--4 verzen 628

CVII. De Aalmoes. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--7

verzen 628

CVIII. Al Kauther. Gegeven te Mekka.--3 verzen 629

CIX. De Ongeloovige. Geopenbaard te Mekka.--6 verzen 630

CX. De Hulp. Geopenbaard te Mekka.--3 verzen 630

CXI. Aboe Lahab. Geopenbaard te Mekka.--5 verzen 631

CXII. Gods Eenheid. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--4

verzen 631

CXIII. De Dageraad. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--5

verzen 632

CXIV. De Menschen. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--6

verzen 632

V.

Algemeen Register der voornaamste onderwerpen in den Koran behandeld,

en der noten desbetreffende 633

VI.

Kort Overzicht van de Geschiedenis der Turken, voornamelijk in hunne

verhouding tot het overige Europa 667

I. Inleiding 667

II. De Opkomst en Bloei der Turksche macht in Europa 675

III. De Achteruitgang der Turksche macht in Europa 691

I.

LEVENSSCHETS VAN MAHOMET.

De _Koran_ is eene onregelmatige en onsamenhangende verzameling van

zedelijke, godsdienstige, burgerlijke en politieke voorschriften,

gemengd met vermaningen, of beloften en bedreigingen, met het leven

hier namaals in betrekking staande, zoowel als van verhalen, die

nu eens getrouw en dan weÍr op ongetrouwe wijze, aan de bijbelsche

oudheid, aan de Arabische overleveringen, en zelfs aan de geschiedenis

van de eerste eeuwen des Christendoms ontleend zijn. Evenzeer vindt

men er toespelingen op zaken die gebeurd zijn ten tijde dat de Koran

geschreven is, op pogingen door den nieuwen godsdienst aangewend,

om overwicht te krijgen op den afgodendienst, of op de worstelingen

die zij had te bestaan. Die toespelingen zijn echter, doorgaans,

in zulke algemeene en onbepaalde uitdrukkingen vervat, dat zin en

beteekenis ons dikwijls zouden ontsnappen, indien wij hier geen

geleiders vonden in de uitleggers van den Koran en de historische

verhalen ten opzichte der vestiging van den _Islam_ of het _Islamisme_.

Niet meer dan drie van Mahomets tijdgenooten worden, in het

voorbijgaan, door den Koran genoemd. Wat Mahomet zelven betreft, wordt

deze alleen vermeld bij wijze van toespraak, die God verondersteld

wordt tot hem te richten. Daaruit volgt, dat de Koran ons bijna geene

narichten geeft omtrent het leven en den persoon van den profeet

der Arabieren. Deze bijzonderheid is overigens in overeenstemming

met het algemeene en erkende karakter van den Koran: deze toch stelt

Gods woord voor, dat aan Mahomet geopenbaard en door diens mond aan

het Arabische volk overgeleverd is. Als een muzelman een gezegde uit

den Koran aanhaalt, dan zegt hij nooit: Mahomet heeft het gezegd;

maar: God (of de Allerhoogste, het Opperwezen) heeft het gezegd;

en het was daarom niet te wachten, dat God aan de medeburgers van

Mahomet bijzonderheden omtrent diens verwanten, zijn' oorsprong en

zijne levensgevallen zou openbaren [1]. Dat stilzwijgen van den Koran

wordt echter door de overlevering ruimschoots vergoed, en wij bezitten

over Mahomet, ten minste van het oogenblik dat hij als Godsgezant

optrad, historische bronnen, die, hoezeer met legenden vermengd,

den beoefenaar tot een onbedriegelijk richtsnoer verstrekken, waaraan

zijne openbaringen verbonden kunnen worden.

De gezellen van den profeet (de _Ashab_), zijne helpers (de _Ansar_),

de aanhangers van den profeet die hun vaderland om de zaak van den

nieuwen eeredienst hadden verlaten (de _Moehadjirs_), allen die

Mahomet gevolgd zijn (de _Tabi'_, in het meervoud _Tabi'in_), en

allen die dezen hebben opgevolgd, hadden het zich tot plicht gesteld,

Úok de minst beteekenende bijzonderheden uit het leven van hunnen

apostel, wetgever en zoowel geestelijk als tijdelijk opperhoofd,

met godsdienstigen eerbied te bewaren en aan hunne nazaten over te

leveren. Die bijzonderheden zijn overgegaan in de eerste historische

boeken, door de Muzelmannen [2] samengesteld, en vormen heden ten dage

een werkelijk en onmisbaar gedeelte van elk werk over de algemeene

geschiedenis, en dus voorzeker van eene geschiedenis der Arabieren. Men

bevroedt gemakkelijk, dat door de godsdienstige geestdrijverij onder

een volk, hetwelk, over het algemeen, ongeletterd en van het overige

gedeelte der wereld afgezonderd was, waarin menige twijfelachtige

verhalen en verdachte overleveringen hebben moeten binnensluipen; dat

de fictie en het wonderbaarlijke, voor zeker gedeelte, gemengd zijn in

de geschiedenis van Mahomets zending, even als dit in de geschiedenis

van de meeste andere godsdiensten plaats heeft. Misschien kan echter

de geschiedenis van Mahomets zending, gemakkelijker dan eenige andere

godsdienst uit het Oosten, van dat inmengsel van versiering en het

wonderbaarlijke worden ontdaan, voor hetwelk slechts een Muzelman

zich verplicht acht, met eerbiedigheid te blijven staan. Maar zelfs

indien men er het karakter van heiligheid aan ontneemt, is zoowel het

ontstaan als de voortplanting van het Islamisme desniettemin een der

buitengewoonste gebeurtenissen in de jaarboeken des menschdoms.

Het is niet overbodig hier te doen opmerken, dat het groote

Arabische schiereiland niet altijd door Èen volk van hetzelfde ras

en met dezelfde taal is bewoond geworden. De Arabische schrijvers

onderscheiden er drie verschillende menschenrassen, die elkander

in ArabiÎ hebben opgevolgd en die allen Arabieren genoemd zijn

geworden. Het eerste ras wordt er aangeduid door den naam van

Arabieren, _el-Ariba_ [3] volbloed-Arabieren of van onvermengd ras,

of met andere woorden, oorspronkelijke Arabieren. Dit ras bevat de

volken, die langen tijd voor Mahomet uitgestorven of uitgeroeid

waren. Dit zijn de _Adieten_, de _ThÈmoedieten_, de _Amalika_ of

_Amalekieten_, de bevolkingen van _Tasm_ en _Djadis_, die, volgens

de Arabische geschiedschrijvers, uit Sem of Cham, zonen van Noach,

zijn gesproten. Het tweede ras is dat van de Arabieren, _MoetÈarriba_

(Arabieren die dat zijn geworden). Men beschouwt deze als voortgekomen

uit Kaktan of Joktan, zoon van Heber; dezen hebben zich aanvankelijk

in het gebied van _Yemen_ (in _Gelukkig ArabiÎ_) gevestigd, van waar

zij zich naar alle overige gedeelten van ArabiÎ hebben verbreid,

door het uitzenden van volkplantingen, en nu eens door zich met

de oorspronkelijke stammen te vermengen, of dan eens door hen te

vervangen in het uitsluitende bezit van verschillende streken. De

Himyarieten behooren tot de _MoetÈarriba_-Arabieren, of, zoo als

Caussin de Pergeval hen noemt, _secondaire_ Arabieren. Het derde ras

is dat van de _Moesta'riba_-Arabieren, (die met de andere Arabieren

gelijk zijn gesteld); dit zijn de afstammelingen van IsmaÎl, den zoon

van Abraham. Deze hebben zich in het gebied _Hedjaz (woest ArabiÎ_)

gevestigd en achtereenvolgens zich in al de andere gedeelten van ArabiÎ

verspreid: dit zijn de tertiaire, of IsmaÎlitische Arabieren. Tot

dat ras behooren de Arabieren, die sedert onheugelijke tijden

rondom _Mekka_ gevestigd zijn, en in het bijzonder het geslacht der

KoreÔshieten, waaruit Mahomet geboren werd. Alhoewel de Arabieren de

grootste zorg hebben gedragen om hunne geslachtslijsten te bewaren,

zijn toch al de pogingen der Arabische geschiedschrijvers, om de

rechtstreeksche afstamming vast te stellen van Mahomet tot IsmaÎl,

gedurende een tijdverloop van twintig eeuwen, vruchteloos geweest;

maar over het algemeen komen zij wel overeen betrekkelijk zijne

geslachtsrekening tot Adnan, die voor een' afstammeling van IsmaÎl

gehouden wordt. Neemt men drieÎndertig jaren voor elk menschengeslacht

aan, dan kan men het tijdvak van Adnan op omstreeks 130 jaren voor

Chr. stellen, zoodat er dan alleen enkele namen overblijven van

degenen, welke door de geschiedschrijvers vermeld worden, om de heele

tijdruimte aan te vullen, die er verloopen is tusschen IsmaÎl, den

zoon van Abraham, en Adnan, een' persoon die meer nabij ons tijdvak

heeft geleefd.

Hoe groot nu ook die gaping zij, zoo bestaat er toch geen eenige grond

om het geslachtsregister van Mahomet in twijfel te trekken. Integendeel

zijn er twee beschouwingen, die ten voordeele daarvan schijnen te

pleiten. In de eerste plaats zijn dit onderscheiden gedeelten van den

Bijbel, te beginnen met de boeken van Mozes tot aan de profeten [4],

die daarin overeenkomen, dat zij de Arabieren uit _Woest ArabiÎ_

(van _Hedjaz_ en _Mekka_) als IsmaÎlieten beschouwen, en voorts

ook de eerbied dien zij voor de nagedachtenis van Abraham hebben

bewaard. Inderdaad zou, volgens de overlevering uit den tijd voor

Mahomet, de vermaarde tempel van _Caaba_, die ten doel strekte van de

pelgrimstochten der Arabieren, en veel ouder is dan de stad _Mekka_

zelve, door Abraham gedurende zijn verblijf in ArabiÎ opgericht zijn;

en eindelijk in dienzelfden tempel, welke eene soort van pantheon

voor de Arabieren is geworden, zag men, ten tijde van Mahomet, een

figuur, die Abraham, den stichter der eeredienst van den eenigen God,

voorstelde en naast de Arabische godheden of de Christen heiligen

geplaatst was. Moge nu die aaneenschakeling al of niet gegrond zijn,

moge zij zeer oud wezen of nabij het tijdstip van den Islam liggen,

zooveel is waar, dat die afkomst van Mahomet eene belangrijke rol in

zijne zending speelt, en niet weinig tot zijn' opgang bijgedragen

moet hebben. Vooral in den aanvang van zijn apostelschap, toen het

er nog op aankwam, de Arabieren van de afgodendienst los te maken,

vond Mahomet in het voorbeeld van Abraham een grooten steun voor den

door hem gepredikten godsdienst, en hij plaatste dien godsdienst

onder de bescherming van een' persoon, wiens nagedachtenis onder

zijne landgenooten algemeen geÎerbiedigd werd.

De stad _Mekka_ is niet vroeger dan in de vijfde eeuw onzer jaartelling

gesticht; maar de vallei van _Mekka_ strekte sedert de vroegste

tijden tot verblijf der Arabische stammen, die zich in den omtrek

der overblijfsels van den _Caaba_-tempel nedersloegen, waarvan zij

de bewaking en het bestuur als eene eer en als gevende aanspraak op

den eersten rang, elkander onafgebroken betwistten. Omstreeks het

jaar 200 der gewone jaartelling, werd een der afstammelingen van

Adnan, Firh geheeten en El KoreÔsh bijgenaamd, de stamvader van den

vermaarden stad der KoreÔshieten, die in het vervolg een' grooten

invloed te _Mekka_ verkreeg. KossaÔ, een van zijn afstammelingen

in het vijfde geslacht, slaagde er niet alleen in, de _Khozzaas_,

een andere Arabischen stam, als beheerders van _Mekka_ uit den zadel

te lichten, maar ten einde die belangrijke betrekking ten eeuwigen

dage aan zijn geslacht te verzekeren, wist hij de KoreÔshieten te

belezen, rondom den _Caaba_-tempel eene stad te bouwen, waarvan de

verschillende gedeelten door de leden van den uitgestrekten stam der

KoreÔshieten bewoond zouden worden. Voor zich zelven bouwde KossaÔ een

huis, dat aanzienlijker dan de andere was, en vestigde er den zetel

van den raad (_nadwa_), waarin al de KoreÔshieten toegang hadden en

waarin alle zaken in het openbaar werden behandeld. In dat Raadhuis

(_Dar-ennadwa_) ontvingen de KoreÔshieten, als zij een' anderen stam

gingen bevechten, de banier uit handen van KossaÔ. Op KossaÔs raad

gaven de KoreÔshieten hunne toestemming om zich aan eene belasting te

onderwerpen, _rifada_ (hulp) genaamd, welke zij, in het tijdvak van den

pelgrimstocht, aan KossaÔ betaalden, en die door dezen werd besteed om

aan de behoeftige pelgrims, gedurende drie dagen dat zij te _Mina_,

op eenigen afstand van _Mekka_, verbleven, kosteloos levensmiddelen

te verschaffen. KossaÔs gezag vermeerderde nog, toen hij op zijnen

persoon eenige andere posten wist te vereenigen, die met den dienst in

den _Caaba_-tempel in verband stonden. Die ambten waren de volgenden:

_sikaÔa_, bestuurder van het water en de uitreiking daarvan, _hidjaba_,

wachter van den _Caaba_-tempel en van den dienst in dezen. Bij dezen

ambten dient men die te voegen van _rifada_, de ontvangst van de

belasting der hulpverstrekking, van _liwa_, die het recht gaf eene kap

van witte stof aan den standaard der KoreÔshieten te hechten, als deze

ten strijde gingen, en van _nadwa_, raad, zijnde het voorzitterschap

van de vergadering Eenige mindere betrekkingen werden door KossaÔ aan

andere Arabische stammen overgelaten. Door het vorenstaande ziet men,

dat de KoreÔshieten, omstreeks twee honderd jaren voor Mahomet (tegen

het jaar 440 na Chr.) niet alleen te _Mekka_ in het bezit waren van een

regelmatig gevestigd gezag, maar ook dat hun invloed en aanzien zich

naar buiten verbreidden, en eindelijk dat de naam der KoreÔshieten,

door den toevloed van pelgrims naar de alouden tempel van _Caaba_,

in al de gedeelten van ArabiÎ bekend was. Door den handel dien

zij met voortbrengsels van _Gelukkig ArabiÎ_ (_Yemen_) in _SyriÎ_,

_MesopotamiÎ_ en _Egypte_ dreven, en van waar zij, in ruiling, stoffen,

graan en andere voorwerpen [5] terugbrachten, hadden zij een zekere

gegoedheid, ja zelfs aanmerkelijke rijkdommen verkregen.

KossaÔ of KoesseÔ had vier zonen. Abdeddar, Abdelozza, Abd en

Abdmenaf. Wij zullen alleen over dezen laatsten tijd spreken, omdat

hij in de rechte lijn de voorzaat van Mahomet is. Abdmenaf werd

evenzeer vader van vier zonen, zijnde: Abdchams, Nowfal, Hachim,

en Mottalib. Hachim, die de rijkste der broeders en, bijgevolg,

het best in staat was, in de behoefte der pelgrims te voorzien en de

zaken van _Mekka_ te besturen, werd met de gewichtigste betrekking

der vereeniging bekleed.

Deze voerde onder de KoreÔshieten 't gebruik in, jaarlijks twee

karavanen uit te zenden: de eene des winters, naar _Yemen_ en de

andere, 's zomers, naar _SyriÎ_, ook was hij het, die het eerst aan

de behoeftige KoreÔshieten eene soort soep uitdeelde, welke _tharid_

genoemd werd en samengesteld was uit vleeschnat en tot kruim gewreven

brood, hetgeen oorzaak was, dat zijn oorspronkelijke naam Amr in dien

van Hachim--den kruimelaar--veranderd werd. En den naam van Hachmieten

wordt aan den geheelen opgaanden zijtak van Mahomet gegeven.

CheÔba, de zoon van Hachim, werd ook Abdelmottalib genaamd, omdat

hij door zijn oom Mottalib als zoon werd aangenomen. Hij volgde zijn

vader te _Mekka_ in diens gewichtigste ambten op, te weten in die

van _sikaÔa_ en _rifada_. Zijne edelmoedigheid en zijn braaf gedrag

hadden hem de algemeene achting doen winnen. Deze hoedanigheden scheen

echter in de oogen zijner landgenooten het middel niet, te vergoeden,

dat hij maar een' eenigen zoon had; want evenals de IsraÎlieten,

stelden de Arabieren den hoogsten prijs op een groot aantal mannelijke

nakomelingen. Dat denkbeeld was bij de Arabieren zÛÛ vast geworteld,

dat Abdelmottalib op zekeren dag van een' zijner landgenooten

beleedigingen moest ondergaan, omdat hij maar ÈÈn' zoon had. In zijne

ergernis zwoer hij, dat indien God hem tien mannelijke kinderen gaf,

hij hem er ÈÈn' voor den _Caaba_ van zou offeren. Abdelmottalibs

wensch werd verhoord. Na de geboorte van zijn' eersten zoon (528 na

Chr.) tot het jaar 569 kreeg hij twaalf zonen en zes dochters. Op

zekeren dag verzamelde hij, vast besloten zijn eed te vervullen,

de tien oudste van zijne zonen; hij deelde hun den eertijds door hem

gedane eed mede; een ieder van deze wilde er zich aan onderwerpen,

het slachtoffer te worden, en allen begaven zich naar den _Caaba_

voor den afgod _Hobal_ om te loten. Het lot viel op Abdallah, die

door zijn' vader het meest werd bemind. Het offer stond op het punt

volbracht te worden, op eene plaats die gewoonlijk bestemd was voor

het slachten der offers, toen de KoreÔshieten toesnelden, den arm

van Abdelmottalib tegenhielden en hem rieden, eene waarzegster te

raadplegen die zich te _KaÔbar_ bevond, dat eene versterkte en door

IsraÎlieten bewoonde Stad was. De waarzegster vroeg, wat de boete was,

die voor een' manslag werd betaald, en toen men haar antwoordde, dat

de boete tien kameelen bedroeg, ried zij, Abdallah aan de eene zijde,

en aan de andere tien kameelen te plaatsen; dat men daarna het lot

zou raadplegen, en verklaarde zich dit tegen Abdallah, dat men wederom

tien kameelen bij de eerste voegen en daarmede telkens voortgaan zou,

tot het lot op de kameelen viel. Abdelmottalib onderwierp zich aan

de uitspraak der waarzegster, en nademaal het lot tienmalen achtereen

ten nadeel van Abdallah uitviel, kocht de vader zijn' eed eerst tegen

honderd kameelen los. Sedert dien tijd werd de bloedprijs onder de

Arabieren op honderd kameelen bepaald. Dadelijk na deze gebeurtenis

huwde Abdelbottalib zijnen zoon Abdallah uit aan Amina, de dochter

van Wahb, een' der afstammelingen van Abdmenaf. Uit dit huwelijk werd

Mahomet geboren. [6]

Mahomets geboortejaar kan niet gemakkelijk worden vastgesteld. Er

zijn echter drie gegevens, die dienen kunnen om het ten minste bij

benadering te bepalen. Volgens de overlevering zou Mahomet gezegd

hebben: "Ik ben geboren onder de regeering van den rechtvaardigen

koning." Die rechtvaardige koning was Kesra Anoechirvan (KosroÎs

_de Groote_), die zevenenveertig jaren en acht maanden heeft

geregeerd. Neemt men nu met een' Arabischen geschiedschrijver

(Ibn El-athir) aan, dat Mahomet zeven jaren en acht maanden voor

Anoechirvans dood ter wereld kwam, dan zou zijn geboortejaar in het

jaar 570 n. Chr. vallen. Ten andere valt Mahomets geboorte, volgens

de overlevering, in het jaar van den krijgstocht van den ∆thiopischen

koning Abraha tegen _Mekka_ (zie de noot op hoofdstuk CV van den

Koran). Deze krijgstocht eindigde door de volkomene vernieling van

Abrahas leger; maar de Arabische geschiedschrijvers stemmen zoo weinig

ten aanzien van dien krijgstocht overeen, dat Mahomets geboorte in het

34e of in het 40e of in het 41e, of in het 42e jaar der regeering van

Kesra Anoechirvan zou vallen. Ook is algemeen de meening aangenomen,

dat Mahomet, in 632, in den ouderdom van drie en zestig jaren gestorven

zij, waardoor zijne geboorte in het jaar 569 zou vallen. Hierdoor

ontstaat een nieuw vraagpunt, en wel dat, of het cijfer van die drie

en zestig jaren, bij benadering, is opgegeven in maanjaren, gelijk

die bij de Arabieren in gebruik zijn, of dat daarbij gerekend zij op

de tusschenvoeging welke in 413 geschied is [7].

De Muzelmansche godvruchtigheid bleef niet ten achter bij de

ingeschapen neiging, die de wieg van buitengewone menschen door

den glans van mirakelen en merkwaardige natuurverschijnsels doet

omringen. Die godvruchtigheid is oorzaak, dat de verhalen daarvan

volgaarne worden aangenomen, zonder bron of grondslag te onderzoeken;

door diezelfde beweegoorzaak worden zij voortgeplant en als geloofspunt

vastgesteld. Volgens die verhalen, welke wij niet met stilzwijgen

zouden kunnen voorbijgaan, omdat zij den Muzelman altijd voor den

geest zijn, zoude, op het oogenblik waarop de toekomstige profeet der

Arabieren geboren werd, de geheele wereld in beweging geweest zijn. Het

paleis van CosroÎ te _Clesiphon_ schudde, en veertien van zijne torens

stortten in: het heilige vuur der _pyreen_ ging uit, in weerwil van

het onafgebroken toezicht der _magiÎrs_; het meer van _Sawa_ droogde

uit, de groot-_moubed_ der Perzianen droomde, dat _PerziÎ_ door de

Arabische kameelen en paarden bezet zou worden, en Amina verhaalde

haren schoonvader, dat zij gedurende hare zwangerschap had gedroomd,

dat een buitengewoon licht zich uit haren boezem verspreidde om de

wereld te verlichten; Abdelmottalib, eindelijk, die op zekeren dag

zijn kleinzoon was komen zien, bemerkte tot zijne verwondering, dat

hij besneden geboren was. Het kind, dat door zijnen grootvader Mahomet

genaamd werd (en hij was de eerste die dezen naam onder de Arabieren

droeg), werd door zijne moeder toevertrouwd aan eene Bedouinsche

min, die Halima heette, en welke het naar heuren stam in de woestijn

medenam. Na twee jaren werd hij gespeend, maar zijne aanwezigheid in

Halimas gezin, had daar zoo veel geluk en overvloed in schijnen te

brengen, dat zij Amina verzocht haar het kind te laten opvoeden. De

overlevering verhaalt, dat het kind aan eene ziekte onderhevig was,

waarvan men zich geene rekenschap wist te geven, maar welke men aan

de werking des duivels toeschreef [8]. Toen Mahomet later een voorval

verhaalde, dat grooten schrik aan zijne min had gebaard, zeide hij,

dat, in zijne kinderjaren, toen hij met zijne jeugdige makkers in de

vlakte speelde, twee in het wit gekleede mannen, dat engelen waren,

hem op den grond geworpen, de borst geopend en het hart er uitgenomen

hadden, om het te wasschen en te zuiveren.

Een hoofdstuk van de Koran (hoofdstuk XCIV) begint inderdaad met

woorden die aldus vertaald kunnen worden; _Openen wij niet den boezem_,

of _zetten wij de borst niet uit_, of wel; _hebben wij_ de _borst niet

geopend_. Terwijl nu zekere uitleggers daarin slechts een figuurlijke

uitdrukking zien, voor een hart, dat door God geschikt is gemaakt om

de wijsheid en de openbaring er in op te nemen, willen andere er eene

toespeling in vinden op het voorval, dat door de overlevering vermeld

wordt, en volgens hetwelk Mahomets hart werkelijk door de engelen

gewasschen en gereinigd, en zoodoende sedert zijne kindsheid een

uitverkoren vat zou zijn geworden. Overigens is dat niet het eenige

gedeelte van den Koran, waarin een figuurlijke of overdrachtelijke

uitdrukking, ingevolge de overlevering, eene gewrongen uitlegging en

een' bovennatuurlijken en wonderbaarlijken zin hebbe verkregen (zie

Hoofdst. XVII, LIV). Op den ouderdom van zes jaren verloor Mahomet

zijne moeder en werd door zijn' grootvader Abdelmottalib opgenomen,

die hem eene vaderlijke genegenheid toedroeg. Drie jaren later ontviel

Mahomet ook die steun, daar Abdelmottalib in den ouderdom van meer

dan tachtig jaren stierf. Toen belastte Aboe-Talib, zijn oom, zich

met hem en nam hem later met zich naar _Syrie_, waarheen de karavaan

der KoreÔshieten Arabische voortbrengselen ging voeren. Toen zij

te _Bosra_ waren gekomen, ontmoetten zij een' Arabischen christen

monnik, welken de Arabieren Bahira en de Christenen Bjirdjis (George)

of Serdjis (Sergius) noemden. Er wordt verhaald, dat Bahira door

Mahomets uiterlijk getroffen zou zijn geweest en in diens gelaat zijne

toekomstige bestemming hebben weten te lezen, en dat hij, bij het

afscheid nemen van de Arabische karavaan, Aboe Talib aanbevolen zou

hebben over Mahomet te waken en hem te bewaren voor de kunstenarijen

der Joden, die het op zijn leven zouden toeleggen, indien zij tot de

ontdekking kwamen, dat hij, Bahira, in dien knaap _het zegelmerk der

profetie_ had ontdekt. Dit zegelmerk van profetie was, naar men zegt,

een teeken, dat Mahomet tusschen de schouders had, even als dit het

geval met al de andere profeten en met al zijne voorzaten uit den stam

IsmaÎl was, maar op eene veel duidelijker wijze dan bij deze allen.

Bij den terugkeer van dien tocht nam Mahomet, veertien jaren oud

zijnde, aan den tweeden der oorlogen deel, die bij de Arabieren bekend

zijn onder den naam der oorlogen van _el-fidjar_, of der schending van

de heilige maand, of ook van de misdaad, welke oorlogen de KoreÔshieten

tegen den stam der _Benou-Hawasin_ voerden. Volgens het verhaal echter

van Mahomet zelven, dat door de overlevering bewaard is gebleven,

bepaalde zich het aandeel, dat hij in dien tweeden oorlog nam, bij

het oprapen der pijlen, die door de vijanden afgeschoten waren, en

deze aan zijn ooms ter hand te stellen, welke een werkdadiger deel

in den strijd namen. De overlevering heeft geen enkel belangrijk

feit van Mahomets leven bewaard, gedurende de tien jaren, die na

deze gebeurtenis verliepen. Alles wat men weet is, dat de jeugdige

KoreÔshiet, door zijn gedrag en manier van handelen, zijne snedigheid

en ernstig karakter, dat tot gepeinzen en eenzaamheid neigde, de

achting en eerbied zijner medeburgers wist te winnen.

Op den ouderdom van vijfentwintig jaren belastte hij zich met het

doen eener handelreize naar _SyriÎ_ voor eene rijke weduwe, Khadidja

genaamd, dochter van KhowaÔlid, even als Mahomet gesproten uit KossaÔ,

over wien boven gesproken is. Mahomet kweet zich met zulk een goed

gevolg van zijne taak, dat Khadidja een gunstige meening voor hem

opvatte. Dit gunstige denkbeeld nam nog toe, toen Khadidjas' slaaf, die

Mahomet naar _SyriÎ_ had vergezeld, haar verhaalde, dat hij onderweg

Mahomet eens door twee engelen met hunne vleugels tegen de hitte der

zonnestralen had zien beschutten. Khadidja bood Mahomet derhalve hare

hand aan en alhoewel zij op dat tijdstip tusschen de dertig en veertig

telde, dat een meer dan rijpe leeftijd voor eene Arabische vrouw is,

nam Mahomet den voorslag spoedig aan. Naar het gebruik der Arabieren,

biedt de man, aan de door hem te huwen vrouw eene huwelijksgift aan,

welke _sadak_ wordt genoemd: Mahomet bood dan ook Khadidja, als

zoodanige gift, twintig kameelen aan. Het huwelijksmaal, waaraan de

verwanten van man en vrouw deel namen, was schitterend en vroolijk

en werd door dans en muziek begeleid, en voor de talrijke gasten

werden twee kameelen geslacht. Bij Khadidja kreeg Mahomet weldra

een zoon, dien hij El-kachim noemde en sedert dien tijd werd hij

Aboelkachim (vader van El-kachim) genoemd. Khadidja schonk hem nog

twee zonen, die echter op zeer jeugdigen leeftijd stierven, en vier

dochters. In het jaar van zijn huwelijk met Khadidja, werd Mahomet

lid van eene vereeniging, die zich onder de KoreÔshieten had gevormd

tot bescherming der vreemdelingen, of der zwakke burgers van _Mekka_

tegen de onrechtvaardigheden der machtige KoreÔshieten, en hij stelde

er altijd eene eer in, tot deze vereeniging te hebben behoord, welke

zelfs nog na de vestiging van het Islamisme bleef bestaan. Sedert zijn

huwelijk hield Mahomet zich weinig meer met handelszaken bezig, maar

wijdde zich meer aan godsdienstige bespiegelingen. In die neiging werd

hij vooral versterkt door een' neef zijner vrouw, Waraka Ibn Raufa

genaamd, welke reeds te voren den afgodendienst had verworpen, die

in _Arabie_ heerschte, en zoowel den MozaÔschen als den Christelijken

godsdienst had leeren kennen. Door dezen Waraka, die niet ongeletterd

was, had hij waarschijnlijk het IsraÎlietische MonotheÔsme leeren

kennen, en Mozes en Christus als Godsgezanten aanzien; maar beide

godsdiensten schenen hem de oorspronkelijke zuiverheid verloren te

hebben. Alleen Abraham, die menschenmin met het geloof aan een eenig

God verbond, scheen hem in den Bijbel, dien hij ten deele vervalscht

achtte, de beste verpersoonlijking van een' Godsgezant. Bovendien

kon hij, bij die keuze en het voorstellen van Abraham als toonbeeld,

op te meer sympathie rekenen, nademaal diens herinnering niet slechts

in geheel _Arabie_ nog levendig was, maar de overlevering hem daar,

als stamvader, in eerbiedig aandenken gehouden had en hem was blijven

vereeren als den grondvester des heiligen tempels, naar welken men

sedert onheugelijke tijden in bedevaart optrok.

Wij hebben reeds gezegd, dat Mahomet in zijne jeugd de algemeene

achting had weten te winnen; zijne erkende eerlijkheid had hem

El-Emin, de rechtschapene, de vertrouwen verdienende, de getrouwe

doen noemen. Eene toevallige gebeurtenis, die er plaats had toen hij

vijfendertig jaren oud was, schonk hem in de oogen zijner medeburgers

nog meer aanzien. In 605 besloten de KoreÔshieten den _Caaba_-tempel

te herbouwen, die eenige jaren te voren door brand vernield was. De

eerbied voor dat overblijfsel uit de IsmaÎlitiesche oudheid boezemde

aan alle takken van den stam der KoreÔshieten een' buitengewonen

ijver in: tegelijkertijd werd echter daardoor een wederkeerige

naijver opgewekt. Toen de werkzaamheden van den bouw gevorderd

waren tot de hoogte waar de zwarte steen geplaatst moest worden,

die het voorwerp van bijzondere vereering was, betwistten al de

takken der KoreÔshieten elkander de eer van die taak. De mannen van

twee takken des stams, die besloten hadden hunne aanspraken tegen

al de anderen staande te houden, dompelden hunne handen in een vat

dat met bloed gevuld was, en zwoeren veeleer te sterven dan toe te

geven. De werken werden geschorst, en men riep eene vergadering in

het binnenste van den tempel zelven bijeen, om over de middelen te

beraadslagen, ten einde den burgeroorlog af te wenden, die dreigde

uit te barsten. Een oude KoreÔshiet deed nu eensklaps den voorslag,

den eerste, die de ruimte zou binnentreden waar de vergadering werd

gehouden, tot scheidsman te nemen. Men kwam dit overeen, en toen

nu aller blikken op den ingang gevestigd waren, verscheen El-Emin

(Mahomet) en werd tot scheidsrechter genomen. Hij doet een' mantel op

den grond uitspreiden, kiest de vier aanzienlijkste personen uit de

vier voornaamste takken van den stam, en laat elk van hen eene slip

van den mantel vasthouden, waarop de steen rust. Zoodra de steen door

dit middel op voegzame hoogte is geheven, vat Mahomet hem met zijne

eigene handen, om hem in den muur te bevestigen, en bevredigt dusdoende

de aanspraken der mededingers, terwijl hij bovendien een aanzienlijk

deel in die verrichting neemt. Weinig tijds daarna verloor Mahomet al

de mannelijke kinderen, die Khadidja hem had gebaard; derhalve ook

omdat de schaarschte van levensmiddelen, die toen zich te _Mekka_,

voornamelijk bij de mingegoede en met een talrijk gezin bezwaarde

personen deed gevoelen, nam hij den jongen Ali, zoon van zijnen oom

Aboe-Talib tot zich. Sedert dien tijd was Ali zijn onafscheidelijke,

trouwe gezel en zijn verkleefdste volgeling. Dikwijls vervulde hij

de betrekking van secretaris bij hem, huwde later Mahomets dochter

Fatima en werd eindelijk tot _Khalif_ verheven.

Eerst op veertigjarigen ouderdom voelde Mahomet zich geroepen, een

nieuwe godsdienst aan de Arabieren te prediken. Te zijnen tijde vormde

het Arabische ras niet een enkel volk: de Perzen en Romeinen oefenden

op de Arabische stammen, die het dichtste bij de provinciÎn der Perzen

en van het Romeinsche keizerrijk woonden, een zekere heerschappij uit,

ofschoon die ten deele in naam bestond. De Arabieren der woestijn

daarentegen leefden in volslagen onafhankelijkheid en zonder dat zij

eenig middenpunt van nationaal gezag bezaten. Zij beleden ook niet

allen denzelfden godsdienst: onder de Arabieren in de steden had zich

de Christelijke godsdienst verspreid; eenige stammen, die evenzeer in

steden gevestigd waren, beleden den MozaÔschen godsdienst, zooals de

stammen der _KoraÔza_, _Nadhir_, die _Yathrib_ (_Medina_) en _Khaibar_

bewoonden; maar de overgroote meerderheid der Arabieren was aan den

afgodendienst overgegeven. De _Caaba_-tempel, die, gelijk wij hebben

gezien, werd aangemerkt als de vroegere verblijfplaats van Abraham

en de zetel van den dienst aan een eenig God, was het middenpunt

geworden van al de Arabieren, die den afgodendienst volgden. Elke

stam had eene godheid, een' bijzonderen afgod dien hij aanbad; maar

even als het Romeinsche heidendom, in zijn pantheon of afgodentempel,

aan alle eerediensten eene plaats inruimde en zelfs geneigd was er

Christus in toe te laten, zoo waren ook de Arabieren zeer verdraagzaam

ten aanzien der godheden, van welken oorsprong die ook waren, als men

maar den eeredienst van de hunne eerbiedigde, en niet aan de gebruiken

en bijgeloovigheden raakte, die in de zeden waren overgegaan. Bij

een zwervend volk, dat door zijne geographische ligging van het

overige der wereld afgescheiden en bijna in den toestand van wilden

was, konden de wetenschappen en kunsten der andere staten, die in

beschaving meer vooruit waren, zich alleen met moeite en door middel

der handelsbetrekkingen met het Romeinsche Keizerrijk en _PerziÎ_

verspreiden, welke betrekkingen zeer beperkt waren, even als dit het

geval was met de voortbrengselen, welke dat volk kon aanbieden en

met de behoeften die het had te voldoen.

De oude schriften der Himyarieden (van _Yemen_) waren bijkans

verloren gegaan; die der Hebreeuwen en der SyriÎrs gingen alleen de

IsraÎlietische Christelijke Arabieren aan, en datgene wat bekend

is onder den naam van _Dejzm_, en in _Mekka_ weinig tijds voor

Mahomets geboorte werd ingevoerd, was alleen aan een klein getal

bekend. De Arabieren der woestijn kenden derhalve geene andere

bezigheid dan den oorlog, geene andere geschiedenis dan die van hunne

geslachtsrekening. Zij bekreunden zich dan ook om niets dan om hunne

kudden schapen en kameelen; zij beoefenden geene andere kunsten dan

de dichtkunst en hunne taal, die buigbaar, bovenal zeer rijk en,

naar men zou zeggen, sedert hare geboorte aan zeer vaste regels

gebonden was. Ten tijde van Mahomet bestonden de hartstochten, zeden

en gebruiken der Arabieren in dobbelspelen, het dikwijls onmatig

gebruik van wijn, de veelwijverij, welke overigens aan alle volken

van het Semitische ras gemeen was, het sluiten van huwelijken, die

elders voor bloedschande werden gehouden; in liefdesavonturen en

persoonlijke wraakoefeningen, die dikwijls in hardnekkige oorlogen

tusschen geheele stammen ontaardden; het gebruik om de meisjes

levend te begraven, ten einde zich zoo van vele monden te ontdoen,

die in tijden van schaarschte overbodig zouden zijn; het stelen en

rooven, dat dikwijls met gastvrijheid en edelmoedige vormen gepaard

was. Op dat tijdstip werd de aldus gevestigde Arabische maatschappij

door niets ter wereld tot eenige daad naar buitengedreven. In zulke

oogenblikken van kalmte heeft de maatschappij meer tijdruimte om in

eigen boezem te zien. Zoowel het Joden- als het Christendom maakten

weinig proselieten, maar beiden traden vrijelijk op en predikten,

juist onder begunstiging van de godsdienstige onverschilligheid of

den twijfel, die meer verbreid was dan men wel denkt. Juist uit die

innerlijke werking eener heidensche maatschappij heeft het voorgevoel

kunnen ontstaan van eene op handen zijnde hervorming, welke door

eenige schrijvers ten tijde van Mahomet werd aangeduid, maar welke ons

toeschijnt, noch aan dat tijdstip eigen, noch genoegzaam betoogd te

zijn. Mahomet was niet de eenige die zich door den beklagenswaardigen,

zedelijken toestand der Arabieren getroffen voelde, maar hij was de

eenige, die de vastberadenheid bezat en vooral de roeping gevoelde,

daarin verandering te brengen. Indien men op de overlevering afgaat,

die uit zijn eigen verhaal is geput, dan openbaarde zich dat besluit in

hem als een plaatselijke lichtstraal. Mahomet, die ernstig van aard was

en van nature tot peinzen overhelde, dwaalde dikwijls in de ravijnen

rond die nabij _Mekka_ lagen, en werd toen ongetwijfeld reeds door het

denkbeeld beheerscht, dat God uit het binnenste eens bergs tot hem zou

spreken, even als tot Mozes, over wien hij op zijne reize naar SyriÎ,

of in zijne gesprekken met de Joden en de Christenen, of wel met een'

Arabier--Waraka, zoon van Nowval, een neef van Khadidja--een man die,

gelijk wij boven zeiden, in de schrift bedreven was [9], had hooren

spreken. Tot dien tijd kon hij ter goeder trouw wezen.

Hij had de gewoonte de maand _ramadhan_ op den berg _Hira_, nabij

_Mekka_, in afzondering door te brengen. Op zekeren nacht (in December

610 of Januari 611), zond Khadidja, toen zij hem niet meer naast zich

vond, bedienden uit om hem op te zoeken. Ondertusschen kwam Mahomet

terug en verhaalde haar het volgende: "Ik lag in diepen slaap, toen een

engel mij in droom verscheen. Hij hield een stuk zijden stof in zijne

handen dat met schriftkarakters bedekt was; hij bood het mij aan met

de woorden: '_Lees!_'--_Wat zal ik lezen?_ vroeg ik. Hij omwikkelde

mij toen met die stof en herhaalde zijn gezegde _'Lees!'_ Ik herhaalde

mijne vraag; _Wat zal ik lezen?_ Hij antwoordde: _'Lees! In den naam

van den God die alle dingen heeft geschapen, lees; bij den naam van

uwen Heer, die edelmoedig is; Hij is het die het schrift onderwezen

heeft. Hij heeft den mensch geleerd wat deze niet wist'_ [10]. Ik sprak

die woorden na den engel uit en hij verwijderde zich. Ik ontwaakte

en ging uit om naar de berghelling te gaan. Daar hoorde ik boven mijn

hoofd eene stemme die sprak: 'O Mahomet! _gij zijt de gezant van God en

ik ben_ GabriÎl.' Ik sloeg de oogen op en bemerkte den engel; ik bleef

onbewegelijk staan, met den blik op hem gevestigd, tot hij verdween."

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 1 / 89 段