opgeheven, en werd het gebouw tot verschillende doeleinden gebezigd,
waarvan het magazijn der Maatschappij van weldadigheid het meest
dagelijksche en de inrichting tot cholera-hospitaal de schrikwekkendste
en aandoenlijkste was. Thans is het ons »Museum van schilderijen en
oudheden" dat voor tien cents de persoon dagelijks te bezichtigen is.
Het glazen gedeelte van het overigens leien dak moge geschikter zijn
voor een photographisch atelier dan voor eene tentoonstelling van
schilderijen; toch is het gebouw de moeite der bezichtiging overwaardig;
en al blijven wij van oordeel dat menig schilderstuk hier gevonden zijne
plaats op het Raadhuis had moeten blijven behouden, wij verheugen ons
aan de andere zijde dat menig kunstgewrocht, 'twelk anders door gebrek
aan genoegzame zorg zoude zijn teloor gegaan, hier eene schuilplaats
heeft gevonden tegen den vernielenden invloed van tijd, vocht en ...
~wandalisme~. Als zoodanig begroeten wij dan ook hier met genoegen de
glasschilderijen uit Sint-Joris-doelen en die kloeke hoplieden waarvan
wij reeds vroeger gewaagden. Ook »het laatste oordeel" van LUCAS VAN
LEYDEN--vroeger in Burgemeesterskamer opgehangen--vindt gij hier met tal
van andere kunstgewrochten blijkbaar evenzeer van kerkelijken oorsprong.
Ook de Staalmeesters van J. DE BAANE, ~welke in dit gebouw zoozeer op
hunne plaats zijn~, en zoovele andere stukken hebben recht op onze
aandacht. Wel het laatste, niet het eerste, kan getuigd worden van
de schilderij, welke wij aan het penseel van VAN BREE danken, waarin
VAN DER WERFFS zelfopofferend aanbod gehuldigd wordt; van de portretten
van den beroemden JANUS DOUZA, _Noordwijks_ fieren Heer, van den
Burgemeester ORLERS, van den Stadsbode PIETER CORNELISZ VAN DER MORSCH,
en van de kast met verschillende voorwerpen, betreffende _Leidens_ beleg
en andere voor onze stad belangrijke gebeurtenissen. Dezen behoorden
mijns inziens op het Raadhuis te zijn gebleven, tot welks geschiedenis
zij, als het ware, behooren. De portretten die VAN DER WERFF en VAN HOUT
moeten voorstellen had men echter gerust hier kunnen plaatsen of in »het
huis met de hoofden" aan den man brengen, daar deze noch VAN DER WERFFS
noch VAN HOUTS gelaatstrekken te aanschouwen geven, en blijkbaar andere
minbekende personen moesten vereeuwigen, zooals ook duidelijk blijkt
uit het laatstbedoelde portret dat den persoon in quaestie op zijn
zeventigste jaar voorstelt, welken leeftijd JAN VAN HOUT nimmer heeft
bereikt. Ook de beeltenis van stichters der hofjes hadden wij liever
voortdurend op de regentenkamers gewenscht, waar zij eigenlijk tehuis
behooren en iets ~zeggen~; terwijl zij hier slechts eene ~ruimte
innemen~. Het zal voorzeker uwe aandacht niet ontgaan zijn dat de
meeste stukken gerestaureerd en met eene niet geringe hoeveelheid
vernis bedekt zijn, welke ons, vooral als de zon zoo schel door de
photographische-atelier-bovenramen schiet, zeer doen verlangen naar de
~peinture mate~ in het kabinet WIERTZ te _Brussel_. Toch mogen wij dit
gebouw niet verlaten, zonder ons te herinneren wat al ijver, geduld en
talent er is noodig geweest om velen dier stukken te herstellen en wij
brengen dan ook hulde toe aan de pogingen hier aangewend, om voor de
nakomelingschap te bewaren wat anders voor altijd zoude verloren gaan.
Kom, steek nu den catalogus in den zak, en wandel met mij den Ouden
Cingel weder op tot aan de Mare, sla linksom en verwijl eenige
oogenblikken met mij op de plek waar vroeger de standplaats was der
"Marepoort,
"Die oud en slecht genoemd werd,
"Toen hij door 't edelachtbaar woord
"Ten ondergang gedoemd werd."
Zoo gij den blik ter rechterzijde wendt, ziet gij de begraafplaats,
welke nog altijd het Papegaaisbolwerk geheeten wordt, omdat daar vroeger
de Papegaaistoren stond, een van die talrijke wachttorens, welke op
bijna evenredige afstanden tusschen de wallen waren opgericht, waarvan
wij ons door dien van _Oostenrijk_ nog eene voorstelling kunnen maken.
Daarachter verheffen zich ronde ijzeren gevaarten, de vertegenwoordigers
van den nieuwen tijd, de stolpen en retorten der Gasfabriek, welker
inkomsten, door een feitelijk monopolie verkregen, gedurende geruimen
tijd de stedelijke financiën hebben gebracht in eenen staat welke het
mogelijk maakt de drukkende kosten van het onderwijs te bestrijden,
welke, door verschillende wetten en verordeningen, van deze stad worden
gevorderd. Ter linkerzijde ziet gij een gebouw dat niet minder van den
nieuweren tijd en zijne sociale begrippen gewaagt: de broodfabriek door
eenige aanzienlijke ingezetenen opgericht om de nijvere burgerklasse
goed en goedkoop brood te verschaffen--al werd een deel dier klasse
hierdoor het onafhankelijk burgerbestaan ontnomen;--dat desalniettemin
de oprichters eene goede zaak voorstonden, zal ieder in het oog vallen,
die het ~succes~ voor een ~beginsel~ aanziet, en geen overwegend
bezwaar heeft in het verdwijnen of verzwakken van een eerbiedwaardigen
middelstand, welke steeds de kracht van ons vaderland uitmaakte. Dat
wij hier tevens de aanlegplaats der Haarlemsche trekschuit voor ons
hebben, die ons aan vroegere toestanden herinnert, blijkt u, daar juist
een zoodanig vaartuig zich gereed maakt van wal te steken. Natuurlijk
stappen wij er niet in, hoewel anders de vaart op een warmen zomerdag
niet onaangenaam is, maar gaan wij de brug bij de broodfabriek over en
de Korte Langegracht--eene ~contradictio in terminis~--op, slaan een
blik op de Armenkerk--de Hoogduitsche geheeten, toen _Leiden_ bij zijne
thans nog bestaande Walsche, er ook eene Engelsche en eene Hoogduitsche
Gemeente op nahield--en komen al spoedig aan de Westdwers- of
zoogenaamde IJzerengracht, welke thans in een ruim plein veranderd is.
Haar overgaande komen wij weder op dezelfde brug, welke ons straks tot
den Ouden Cingel toegang verleende en slaan linksaf, om zoodoende op de
Oude Vest te komen, waar in de eerste plaats onze aandacht getrokken
wordt door het Coninckshofje, dat in 1873 zijn honderdjarig bestaan
vierde, zoodat het nog in zijne prille (hofjes-) jeugd is, vergeleken
bij andere stichtingen van dien aard, en in ancienniteit verre
achterstaat bij het Elizabeth-Gasthuis dat niet verre vandaar gevonden
wordt. Beter zou het zich in dat opzicht kunnen meten met het nu als
schoolgebouw gebezigde Nosocomium Academicum, vroeger het Walsche
Weeshuis, en als zoodanig in 1768 ingewijd met een vroolijken maaltijd,
die echter zeer onvroolijk verstoord werd door een brand in het Heilige
Geest- of Armen-, Wees- en Kinderhuis, welke gelukkig bijtijds ook door
de pogingen der Walsche weesjongens werd gestuit. Weinige schreden
verder verrijst voor onze oogen de onlangs vernieuwde Schouwburg,
thans onzer academiestad waardig, waar, behalve onze binnenlandsche
tooneelgezelschappen, zich ook de Vlamingers, en de Fransche en
Hoogduitsche operisten doen hooren. Wij zullen er maar niet
binnentreden, omdat het er bij dag vrij duister is; maar kunnen u
bij een langer verblijf wel aanraden met het keurig nette gebouw en
betrekkelijk groot tooneel kennis te maken. Wij gaan dus verder, slaan
links den hoek om en bevinden ons vrij spoedig voor de Marekerk,
welke in 1649 gebouwd en dadelijk voor den Protestantschen eeredienst
ingericht werd. Daar deze kerk als zoodanig noch uit een architectonisch
noch uit een historisch oogpunt belangrijk kan geheeten worden,
geven wij ons de moeite niet om ons naar de overzijde der gracht te
verplaatsen en er toegang te verzoeken. Wij slaan liever dadelijk
de een eindweegs verder, ter rechterzijde gelegene, Brandewijnsteeg
in, vanwaar wij aan een soort van pleintje komen dat ~officieel~ het
Vrouwenkerkhof maar in de volkstaal »het klooster" heet, hoewel die naam
slechts aan een verder gelegen gedeelte van dit doolhof van straten
toekomt. De oude muur welke zich voor ons oog vertoont schijnt voor
de juistheid dier benaming te pleiten; hetgeen niet belet dat andere
gedeelten dezer buurt daarop een gelijk recht zouden kunnen doen gelden;
want inderdaad _Leiden_ was aan deze zijde der stad klooster en weder
klooster. Toch hebben wij hier geen kloostermuur, maar wel die der
Lieve-Vrouwekerk voor ons, die in de XIVe eeuw gebouwd, en in deze
afgebroken werd, nadat zij van 1584 af voor de godsdienstoefeningen der
Walsche gemeente gebezigd was. SCALIGERS gebeente werd daar eens ter
ruste gelegd en zijn gedenkteeken daar gevonden. Had de zooeven genoemde
kerkgemeente de macht niet om die eerbiedwaardige plek, waar zoovele
edele _refugiés_ begraven waren, voor den moker des afbrekers te
veiligen? Wij weten het niet; maar dit weten we dat zij, indien ze het
gedaan had, aanspraak zou verkregen hebben op de erkentelijkheid van
hen, die een eerbiedwaardig overblijfsel uit vroegere eeuwen gaarne voor
het nageslacht willen behouden zien.
Niet verre vandaar vindt gij het Sionshofje, het Cecilia-Gasthuis,
thans buiten gebruik, en het goed ingerichte Werkhuis; doch ondanks de
belangrijkheid dezer gebouwen zal het u wellicht niet onaangenaam zijn
dit »dedaal" van straten te verlaten en de Haarlemmerstraat te betreden,
welke wij naar de zijde van de Hartebrug verder opwandelen, waarna wij
eenige oogenblikken wijden aan de Roomsch-Catholieke kerk, welke aan
den hoek der Mare staat en gewijd is aan »Onze lieve Vrouwe onbevlekte
ontvangenis", boven welker hoofdaltaar eene kopie naar RUBENS, »de
stervende heilige FRANCISCUS", onze aandacht trekt. Voordat wij nu de
Donkersteeg ingaan, slaan wij weder den blik op een kring van in het
oogvallende keien, waar, naar onze meening, de plek moet wezen waar zich
het rechtsgebied van _Leiderdorp_ en van _Oegstgeest_ vroeger scheidde
en de roode steen te vinden was.
Indien wij aan het eind der steeg op de Hoogstraat gekomen zijn dan
verrijzen rechts het oude huis Ter Lugt, en links eenige huizen voor ons
oog, welke, deels op deze straat, deels op den Nieuwen Rijn gelegen,
ten opschrift dragen »de trouw der burgerij heeft hier 't geen door
't geweld der vlammen werd vernield in beet'ren staat hersteld" en
wij herinneren ons dat in het jaar 1766 hier een brand woedde, welks
treurige uitwerkselen door vrijwillige giften zoozeer werden gelenigd,
dat niet slechts de verbrande perceelen door nieuwe vervangen werden,
maar zelfs ongeveer twee duizend gulden overschoot, die tusschen de
eigenaars, tevens bewoners, der gebouwen werden verdeeld. De beschrijver
van dit »blij-eindend treurspel" voegt bij zijn verhaal deze opmerking,
welke zeker niet zonder bijgedachte geschreven werd: »onzes bedunkens
verdient het wel opmerking, dat men sedert den brand alhier zoo
menigmalen van zwaren brand hoorde gewagen". Waarlijk ook die woorden
zouden ons tot nadenken nopen, indien wij niet wat anders te doen
hadden; want reeds zijn wij linksaf den Nieuwen Rijn opgeslagen en gaan
wij, na een blik op de twee Korenbeurzen geworpen te hebben, weder,
linksom, de Burgsteeg binnen, om, na eenige schreden gedaan te hebben,
stil te staan voor een steenen poort met ijzeren hek, waarboven een
klimmende leeuw staat met den eenen voorpoot het Leidsche wapen
vasthoudende en met den anderen een zwaard voerende, om daardoor het
»~Pugno pro Patria~", onder dat wapen geschreven, tot waarheid te maken.
Een gedicht in de Latijnsche taal, waarin de Burg sprekende wordt
voorgesteld, verhaalt ons verschillende topographische en historische
bijzonderheden, welke ik bij u als bekend vooronderstel. Gij vindt daar
tevens de namen der Burgemeesteren onder wier bestuur deze poort is
gebouwd en daaronder die van den eersten stedelijken Burggraaf JAN
PIETERSZ. VAN DER MAERSCHE. Die poort in- en het voorplein, door
reusachtige kastanjeboomen overschaduwd betredende, ziet gij ter
linkerzijde eene groote koffiehuiszaal, waar vooral op de marktdagen
eene groote levendigheid heerscht; ter rechterzijde eene stalling en--u
omkeerende--het eigenlijk gezegde »Heeren Logement aan den Burg" alwaar
ook de openbare verkoopingen van onroerende goederen gehouden worden.
Wilt gij hier nu eenige oogenblikken uitrusten, dan zullen wij niet
in de koffiehuiszaal, niet in den zoogenaamden »gemeenen haard"--eene
fiksche zaal die niets gemeens heeft met het gemeene in den slechten zin
des woords--en evenmin in eenig ander vertrek van het ruime gebouw, maar
onder de prachtige kastanjes, waarvan ik zoo straks gewaagde, plaats
nemen; vooral omdat wij hier een goed gezicht hebben op de tweede
burchtpoort, eigenlijk een ijzeren hek dat men bereikt langs een trap
van blauwen steen, aan welker voet twee kolommen gevonden worden, welke
volgens de overlevering op de Vischbrug stonden in het midden der XIIIe
eeuw en, als door WILLEM II (den Hollandschen Graaf en Roomsch Koning)
gesticht, het Keizerlijk en het Stedelijk wapen vertoonden. Ook hier
stond voorheen een Latijnsch vers, evenals dat boven de buitenpoort van
PETRUS SCRIVERIUS, dat, eigenlijk meer een oudheidkundig betoog, op den
leeftijd van den burg een duizendtal jaren afdong, zoodat de »Wachttoren
der Romeinen"--als eene inschrijving der publieke schuld onder
NAPOLEON,--door den dichter nagenoeg getierceerd werd, iets wat den
bezitters natuurlijk geen genoegen deed. Maar nog meer dan door dezen
toegang wordt onze blik geboeid door die groenende, met vruchtboomen,
bloemen en boschjes beplante, met beelden versierde hoogte, waarboven
het ronde gebouw zich verheft, welks kanteelen niet onaardig te midden
dier bloeiende natuur uitkomen. Dat dit gebouw echter slechts een romp
is en geene woning, zult gij straks wanneer gij er met mij binnengaat
ontwaren; dat daarbinnen vroeger een doolhof was, kan uwe belangstelling
te beter wekken, wanneer gij uit LE FRANCQ VAN BERKHEY ziet hoe prettig
keuvelen en koozen het daar moet geweest zijn in den
"Tijd der Werthers en Charlotten,
"Tijd der moesjes en der pruiken,"
toen er nog Arcadische priëeltjes waren, waarin »dartele minnegoodjes"
zweefden en »schoone harderinnen" harten braken en ontstaken, om, gelijk
van zelf spreekt, met roosjes op de kaken, zelven in 't labyrinth te
raken. Nu vinden wij er geene priëeltjes, tenzij gij er de kazematten
voor houden wilt welke op evenredige afstanden onder de borstwering
worden aangetroffen. Of deze priëeltjes ooit voor den dienst van Mars
zijn bestemd geweest is moeilijk te beslissen. Zeker is het dat de
rampspoedige ADA van _Holland_ in _Leidens_ Burg vluchtte, toen zij
"door Kennemers besprongen",
gelijk zeker dichter het uitdrukt, hier eene belegering doorstond,
waarbij het heet toeging en die met overgave der sterkte en
gevangenneming der rampspoedige vorstin eindigde. Welke rol daarbij
deze steenen omgeving, welke wij hier zien, kan gespeeld hebben is ons
onbekend; maar zooveel schijnt zeker dat het eigenlijk gezegde kasteel
daar ter plaatse niet stond, terwijl het gemis van schietgaten in
de borstwering ook aan een ander gebruik dan dat des krijgs denken
doet. Hoe dit ook zij, de plek waar wij ons thans bevinden is eene
historische, en wanneer wij straks den omgang zullen rondwandelen, zult
gij moeten erkennen dat het gebouw, althans als wachttoren, uitstekende
diensten kan bewijzen. Willen wij nu eens tot die wandeling naar boven
besluiten, dan voer ik u langs bloem- en grasrijke paden tot voor
den hoofdingang der ruimte binnen den muur, boven welken vroeger een
opschrift stond in Latijnsch proza, waarbij het »Aere civitatis publico"
ten bewijze strekte dat burgemeesters te dien tijde wel hunne namen
boven de poorten zetteden, maar toch het geld waarmede die betaald
werden door de burgerij lieten opbrengen. Het tegendeel was dan ook
trouwens niet te vergen of te verwachten, en dat zij hunne namen op die
wijze gaarne vereeuwigd zagen is te begrijpelijker, naarmate dit voor de
meesten hunner wel het eenige middel was om bij de nakomelingschap in
herinnering te blijven. Maar reeds zijn wij de hier en daar met boomen
beplante ruimte binnengetreden, en daar hier, na het verdwijnen van den
put, waaraan zich een volksgeloof vastknoopte--namelijk dat men er mee
naar _Katwijk_ kon komen--, niets te zien valt, haasten wij ons de trap
te beklimmen, welke naar den omgang geleidt. Zie zoo! Wij zijn er. Kijk
nu eens door die muuropeningen naar buiten, waar schoone stads- en
landgezichten--natuurlijk eenigszins à ~vol d'oiseau~--u wachten. De
torenspitsen van _Noordwijk_, _Oegstgeest_ en _Valkenburg_ duiken uit
een zee van groene weilanden en bosschen aan den gezichteinder op,
de Hooglandsche kerk, dat prachtige overblijfsel van middeleeuwschen
kunstzin ligt voor u; het Raadhuis en de Marekerk, de »Saaihal" en de
Sint-Petruskerk verheffen hunne torentjes van hier gezien minder fier
ten hemel, omdat wij zooveel dichter bij dien hemel zelven staan.
Het westenwindje stoeit met de bladeren der boomen en zendt ons
bloemengeuren toe uit de wandelpaden rondom ons. Dat groote gebouw
ginds is, gij herinnert het u reeds, het Academisch ziekenhuis, dat
er met zijne rechte lijnen van hier gezien uitziet als eene kolossale
~sarcophaag~. Dat tal van hooge schoorsteenen, waaruit de rookwalm
dik en dompig opstijgt, getuigt van _Leidens_ bloeiende industrie,
de talrijke zwarte en witte stippen op de groenende landouwen
zijn de waarborg voor zijn druk bezochte veemarkt en betoogen de
noodzakelijkheid der voortdurende instandhouding van zijn Boterhuis,
terwijl de spoortrein welke daar ginds zijn vlag van stoom zegevierend
doet voortijlen getuigt van eene aansluiting bij het Europeesch
spoorwegnet, die niet anders dan gunstig op de welvaart dezer gemeente
kan werken.--Niet waar? Gij kunt u bijna niet losscheuren van dat
schoone gezicht, en toch het moet, want wij hebben nog veel te zien
eer onze wandeling ten einde is. Volg mij dus weder naar beneden, sla
een blik op dat ronde bekken in verband staande met de fontein op de
Vischmarkt, welke daaruit, met een paard en molen, wordt voorzien van
het genoegzame water, dat door kunstmatige persing naar boven moet
gedreven worden, en verlaat dan met mij eene stichting die zoo zij
al geene Romeinsche is--toch de taal der Romeinen menigmaal moet
gehoord hebben wanneer de professoren er hunne maaltijden hielden en de
studenten hunne promotiepartijen vierden. Wij gaan dus de Nieuwstraat
op--die, gelijk dit ook in vele andere steden het geval is--tot de
oudste gedeelten der bebouwde stad behoort, en bereiken door de
Wintersteeg de Hooglandsche Kerkgracht, waar wij ons haasten een blik
te slaan eerst op het Heilige Geest- of Armen-, Wees- en Kinderhuis,
met zijn zestiende-eeuwsch voorkomen, zijne beelden en eigenaardige
voorstelling van het nederdalen des Heiligen Geestes boven de voorpoort,
dan op de daartegenover gelegene Luthersche kerk; maar keeren
onmiddellijk op onze schreden terug, om het grijze gebouw, welks schoone
Gothische vormen ons reeds getroffen hebben, toen wij op de burgtinne
wandelden, de Sint-Pancraskerk, in 1315 gewijd, eerst van buiten dan
van binnen te beschouwen. Heeft zij, wat haar leeftijd betreft, het
hoofd te buigen voor de stichting ter eere van St.-Pieter en Paulus, in
kunstwaarde is hare victorie over hare oudere zuster onbetwistbaar. Hoe
stout en harmonisch zijn die lijnen aan de beide hoofdingangen, vooral
die van den noorder transept-gevel, hoe fijn is dat boven-muurwerk, hoe
indrukwekkend dat geheel, waar het niet door kleingeestige winzucht en
huisjesmelkerij tot omsluiering veroordeeld werd. Waarlijk ORLERS had
wel gelijk door te verklaren dat er geen »constrycker kercke in gantsch
_Holland_" zou geweest zijn indien zij afgebouwd ware en in plaats van
het klokhuis, waarin de zware klok hangt, welke vroeger »de Cruysmarckt"
(kermis) placht in te luiden, een toren het gebouw waardig daaraan ware
toegevoegd. Toch is het uiterlijke van dat gebouw indrukwekkend en
vooral is het prachtig en schoon den Godgewijden tempel te zien zooals
hij zich vertoont aan de zijde der Hartesteeg, wanneer het blauwachtig
zilveren maanlicht zijn steenen kantwerk omstraalt en zich spiegelt in
zijn hooge kruisramen. En behalve die schoonheid van bouw bezat zij ook
nog andere voorrechten, welke haar boven hare oudere zuster verhieven.
Zij werd namelijk vijftig jaren na hare inwijding eene canonicale kerk,
de zetel van het kapittel »Ten hoogen lande," welks rijke prebenden en
vicary-goederen eene bron van inkomsten waren voor de geestelijkheid,
doch later aan de stad _Leiden_ en nog later aan den staat gekomen zijn.
Zoo gij wilt, zullen wij ons thans door de kosterij in de kerk begeven
welke op zes en dertig zuilen rust en, met bruin-eikenhouten banken
bezet, er zeer eerwaardig uitziet. Ook hier betreden wij heiligen grond,
want onder de kille zerken rusten mannen van groote verdiensten. Niet de
minste onder hen is hij wiens naam en afbeeldsel aan een der hoofdzuilen
gevonden wordt, PIETER ADRIAANSZ. VAN DER WERFF, twaalf malen--en ook in
1574--Burgemeester van _Leiden_, twee malen lid van _Hollands_ staten,
de man voor wien Leiden een standbeeld wil oprichten op een der openbare
pleinen, als wilde men daardoor aanduiden dat hij zich niet jegens een
kerkgenootschap, maar omtrent het geheele vaderland had verdienstelijk
gemaakt. Maar ook andere regeeringsfamiliën der stad hebben hier eene
rustplaats gevonden. Dat getuigen de grafschriften der VAN DER MEERS en
VAN BANCHEMS, en van die EVA VAN HOOGEVEEN, wier naam zich hecht aan
eene weldadige stichting--het Hoogeveenshofje in de Doelensteeg, welke
wij straks voorbijgingen. Vergeet vooral niet die zerk in het koor
te bezichtigen, waarop een man en eene vrouw, de eerste in ijzeren
krijgsgewaad, staan afgebeeld, en waarop vroeger een ijzeren hoofdhelm
was geplaatst, die thans aan zijne bestemming schijnt onttrokken te
zijn; want daaronder rust, in een looden kist, het gebeente van JUSTINUS
VAN NASSAU, natuurlijken zoon van den »Vader des Vaderlands" en Admiraal
van _Zeeland_, met dat zijner gemalin ANNA VAN MERODE.
Het samentreffen dier twee namen is vooral opmerkelijk in het oog van
hem, die zich herinnert dat in de ~St.-Gudule~ te _Brussel_ een monument
gevonden wordt voor een Graaf DE MERODE, wiens voorname aanspraak op die
onderscheiding juist daarin bestond dat hij met de zijnen er in geslaagd
is de regeering van een anderen WILLEM DEN EERSTE, Grave van Nassau,
omver te werpen. Ook CULBIUS VAN ZOLM, de getrouwe dienaar, eerst van
"Ce héros qui régna sur la France
"Et par droit de conquête et par droit de naissance",