Engelsche gemeente bij het klokhuis" den laatsten adem uitblies. Wij
hopen dat zij in dat geval nog eenige opmerkzaamheid zullen overhouden
voor de nevens dat hofje gevestigde instelling voor de Indische taal-,
land- en volkenkunde, welke ons aan Nederlands koloniën in _Azië_
herinnert, door ons verkregen, toen _Engeland_ zijne macht in _Amerika_
vestigde of uitbreidde. Indien wij thans over het Pieterskerkplein het
Godsgebouw nog eens rondwandelen, om den aanblik daarvan, waar die niet
door kleine huisjes bedorven is, te genieten, dan valt ons oog in de
eerste plaats op het aloude 's-Gravenstein, thans huis van arrest,
welks beeld van Themis ons aan den tijd doet denken toen hier voor
het laatst een schavot werd opgeslagen. Verder vertoont zich aan deze
zijde niets wat onze belangstelling waardig is. Wij slaan dus rechtsaf
en vragen eene wijle uwe aandacht voor dat blok huizen tegenover de
noorderkerkdeur, waar niets meer doet vermoeden dat daar vroeger een
vorstelijk verblijf stond, dat met den grond van des Graven steen
(de oude naam voor gevangenis) een eiland vormde door breede grachten
omringd en slechts door bruggen met het vasteland verbonden. Dat
blok huizen begrensd door de Muscadelsteeg, de Lokhorststraat, het
Pieterskerkhof en de Pieterskerkstraat, in welke laatste de kerk der
Doopsgezinden zich bevindt, droeg in vervlogen eeuwen den naam van het
huis Te Lockhorst en vernam de eerste levenskreten van den Hollandschen
Graaf en Roomsch Koning WILLEM II. Zoo dit u belangstelling inboezemt,
hoezeer zal die niet worden verhoogd door te weten dat ook een andere
Hollandsche Graaf hier het eerste levenslicht aanschouwde, wiens naam
met liefde door het nageslacht wordt genoemd; en wel FLORIS V, der
Keerlen God, zooals hij knarsetandend geheeten werd door de ontevredene
edelen des lands, wier macht hij fnuikte, waar die misbruikt werd tot
knevelarij der onderzaten, en wier haat de hand van _Velzens_ Heer
wapende met het vorstenmoordend staal. Waarlijk, onze fantasie mocht
dat slot weder opbouwen, het zou fantasie wezen en niets meer; want
geen enkele steen is er welke aan dat glansrijke verleden herinnert.
Wij houden ons dan ook niet langer op om hier te mijmeren; maar, altijd
rechts houdende, staan wij al spoedig aan de Heerensteeg, wier naam ons
aan de oude Predikheeren van Sint-Jan herinnert, en die in 1592 ten
gebruike der inwoners begaanbaar gemaakt werd, waartoe echter eene
overeenkomst noodig was van de Stad met den Commandeur der Duitsche
orde, wiens betrekking tot deze plek nog in de benaming der niet verre
van hier gelegene Commandurysteeg voortleeft. De Heerensteeg doorgaande
komen wij uit op het Rapenburg, slaan rechtsom en bevinden ons al
spoedig voor een pleintje, gedeeltelijk als parkje aangelegd, door een
ijzeren hek van den openbaren weg afgesloten, welks openstaande deur
tot binnentreden uitlokt, hetgeen evenzeer het geval is met die van
het daarachter gelegen gebouw, met glazen dak, waarin de Academische
Bibliotheek thans op waardige wijze is gehuisvest. Wij moeten hier even
toeven en zijn binnen weinige oogenblikken in de ruime kamer, waar het
dienstdoend personeel zich bezig houdt met het afgeven en verzenden of
het terug ontvangen van boeken, en waar de talrijke doozen en boekjes
gevonden worden, welke een completen catalogus vervangen, voor welke
een minister wien men een standbeeld wil oprichten geene gelden op de
begrooting wilde brengen omdat hij »het nut er niet van inzag". Had
die catalogus nu betrekking gehad op het gebied der kunst men zou zulk
eene handelwijze begrepen hebben, want »kunst is geen regeeringszaak"
was zijne leuze; maar hier gold het »wetenschap." Vanwaar dan die
zonderlinge meening? Ook de daarnevens gelegene leeskamer eischt onze
aandacht, al ware het slechts om het portret van WILLEM I, dat den
schoorsteen versiert en de beeltenissen van beroemde hoogleeraren hier
en in de voorzaal opgehangen. Gaat gij nu verder met mij de keurige
wenteltrappen op, welke u tot de verschillende verdiepingen van het
gebouw brengen, dan trekt nog eene beeltenis van Prins MAURITS uw oog,
en vraagt gij met verbazing hoe dat marmeren gedenkteeken ter eere van
zekeren Graaf LAUDON hier terecht gekomen is. Die verbazing zal echter
ophouden wanneer gij weet dat dit tehuis behoorde in de Engelsche
Presbyteriaansche kerk, dat deze in het bedehuis der Gefaliede Begijnen
gehouden werd, en dat dit later tot Academische Bibliotheek werd
ingericht. Gij slaat dan tevens, en wel in de eerste plaats, een blik op
dat boekental--eenige duizenden deelen--en begrijpt niet hoe hier nog
over »betrekkelijke armoede" kan geklaagd worden, gelijk onlangs in een
werkje van den geleerden Dr. SCHOTEL geschiedde. Wij verlaten dus het
keurige gebouw, na ons herinnerd te hebben dat het WILLEM I, de Vader
des Vaderlands, was aan wien de Bibliotheek hare twee eerste boeken
dankte en dat die boeken bestonden uit de »Biblia Regia" en den
»Joodschen Talmud". Daarna steken wij het pleintje weder over, slaan
rechtsom, en vervolgen zoo onzen weg langs het boomrijke Rapenburg,
tot aan de Houtstraat, welke wij echter eerst binnengaan nadat wij een
bezoek gebracht hebben aan het Museum van natuurlijke historie dat zich
in dat groote gebouw, op den hoek daarvan, bevindt. In een tal van zalen
vindt gij hier schier alles bijeen, wat op zoötomisch en delfstoffelijk
gebied uwe aandacht kan eischen. Bij het eerste gedeelte zal die
wellicht het meest geboeid worden door de rijke afdeeling »vogels", bij
de laatste door de kast met edelgesteenten. Gij zult de verscheurende
dieren bewonderen en u verbazen over de grootte der nachtvogels, die u,
met uitgespreide vlerken, schijnen aan te grijnzen; maar wat gij ook
langdurig beschouwt of met vluggen tred voorbijgaat altijd zult gij
bij het heengaan de overtuiging medenemen, dat gij eene verzameling
aanschouwd hebt, welke als eene der rijkste van Europa moet aangemerkt
worden, eene die den trots des Leidenaars uitmaakt, maar daarom
niet minder door hem als eene belasting op zijn beschikbaren tijd
wordt aangemerkt, wanneer hij, ter wille van vrienden of verwanten,
genoodzaakt wordt meer dan eenmaal 's jaars er heen te gaan. Gij duidt
het mij dan ook zeker niet ten kwade, als ik thans weder met u naar
buiten treed en, de Houtstraat doorgaande, op het daaraan grenzende
»Gerecht", uwe aandacht vestig op hetzelfde 's-Gravenstein dat wij
straks van de andere zijde zagen en blijkbaar uit twee gedeelten bestaat
in verschillende eeuwen gesticht. Dat aan de zijde der Houtstraat, in
1672 voltooid, draagt behalve eenige burgemeesterlijke geslachtswapens
in de gevelspits een tweetal beelden, de gerechtigheid en de
voorzichtigheid voorstellende, welke, als bewaaksters van het tusschen
hen instaande wapen, geene verwerpelijke attributen mogen genoemd
worden. Het andere deel, meer naar de zijde waar vroeger het huis Te
Lockhorst stond, ziet er daarentegen vrij middeleeuwsch uit en verkrijgt
iets schilderachtigs door het torentje, dat zich ongeveer ter helfte
van de getraliede galerij verheft. Bij die galerij, in het midden der
gracht, welke, gelijk wij reeds zeiden, ook dezen »steen" omspoelde,
verhief zich in vroegere jaren een zoogenaamd »groen zootje", rondom
bewald, en op de hoeken met vier leeuwen versierd, die _Leidens_
wapenschild vasthielden. Dit was de gerechtsplaats, welke zonderling
genoeg, in de oude sententiën »Schoonverdriet" geheeten wordt, die tot
1671 in stand bleef, en toen, bij de verbouwing van het huis, verdween;
waarna men zich behielp met een houten schavot, dat, zoodra er executie
moest gedaan worden, werd opgericht voor het gebouw, tegenover de
Papengracht, alwaar het getal toeschouwers zooveel grooter kon wezen
dan op het Gerecht, »ten einde eenen ijgelijck, des begeerig zijnde,
te bekwamer de voorsz. executie zoude konnen aanschouwen". Hoe dit
ook zij het groene zootje verdween in 1671 en Mr. JOHAN MEERMAN, wiens
wapenschild mede den gevel van dat gebouw versiert, had dus geen kans
daarop zoo gruwzaam behandeld te worden, als zijn vriend JOHAN DE WITT
dat op het Haagsche groene zootje gedaan werd.
Slaan wij thans de tegenover ons liggende Lockhorststraat in, dan wordt
ter linkerzijde onze aandacht getrokken door een gebouw, dat blijkens
zijn opschrift: »Pietati, Linguis et Artib. Liberal S.SPQ, Lugdunensis
Restav", met een vroom en geleerd doel door _Leidens_ raad werd
gesticht, en wel in 1600, zooals het daaronder gestelde jaartal
aanduidt. Het is de »Latijnsche schole", thans het Gymnasium, gesteld
op de plek waar vroeger de vierschaar van _Rijnland_ gehouden werd.
De cijfers welke het jaar aanwijzen, een jaar waarin de slag bij
_Nieuwpoort_ gewonnen werd, doen ons zien hoe de gevoerde oorlog niet
in staat was de harten van _Leidens_ regeerders af te trekken van de
zorge voor kunsten en wetenschappen, welke zij, ook onder den klank
der wapenen, in hooge eere hielden.
Heet de steeg op welker hoek het Gymnasium staat de Schoolsteeg, de
gracht welke wij, insgelijks aan de linkerzijde der Lockhorststraat,
doch aan het eind daarvan, voor ons zien, mocht wel de Schoolstraat
heeten. Nauwelijks toch zijn wij haar opgegaan of wij zien ter
linkerzijde een grootsch gebouw, met hooge blauwe steenen stoep,
waarboven wij de woorden: »Hoogere Burgerschool" lezen, welks lokalen,
zeer geschikt voor de lessen daar in verschillende vakken gegeven,
tevens dienen voor de avondschool van het gunstig bekende genootschap
»Mathesis scientiarum genitrix" in 1785 gesticht en sedert eene bron van
kennis geworden voor menigeen wiens naam onder de deftige burgers van
_Leiden_ schitterend heeft uitgeblonken. Niet verre van daar, in dat
oude gebouw, met zijn fraaien gevel en het vriendelijke »Pax Huic Domui"
boven de rondbogige poort, is de Leidsche schilder- en teeken-academie
»Ars aemula naturae" gevestigd en bevindt zich eene bijzondere school
door den Heer J. KNEPPELHOUT uit eigene fondsen gesticht en onderhouden,
gelijk ook de daarnevens staande Gymnastiekschool--waarvan de bouwtrant
eenigszins gunstig afsteekt bij al hetgeen in de laatste jaren binnen
_Leiden_ verrees--door hem werd in het leven geroepen.
Indien wij nu linksafslaan dan komen wij op de zoogenaamde Langebrug,
gaan even de Papengracht op, om het keurige Brouckshovenshofje
te bezichtigen, in de hoop dat het ons vergund zal worden op de
regentenkamer eenige niet onverdienstelijke schilderijen te beschouwen,
en vervolgen dan onzen weg naar het Rapenburg, u ter rechterzijde een
huis en tuin aanwijzende dat zich van daar tot de Papengracht uitstrekt,
vroeger een deel van het Sint-Barbaraklooster,--of wilt gij liever
van het Prinsenhof--later het eerste academiegebouw van _Leidens_
hoogeschool. Nu rechtsomslaande bewonderen wij de prachtige rij huizen
welke zich aan beide zijden dezer gracht--die naar men meent aan de
Heeren VAN RAAPHORST haren naam dankt--verheffen, werpen een blik op
het aan de overzijde gelegen rechtsgebouw en bereiken al spoedig de
Sint-Anthoniesbrug, alwaar wij weder een dier schoone stadsgezichten
genieten, waarin _Leiden_ zoo rijk is. Wij houden ons echter daarbij
niet op, maar betreden het Noordeinde, waar wij rechts de zaal »voor
christelijke belangen" zien, gesticht in een tijd toen de kerkeraad
der Nederduitsche Hervormde Gemeente steeds voortging met moderne
predikanten te beroepen, zoodat hun die gaarne leeraren van eene andere
richting hoorden niets overbleef dan buiten de kerkgebouwen eene plaatse
des gebeds te openen. Als wij nu rechtuitgaan bereiken wij de plaats,
waar vroeger de Witte poort zulk een eigenaardig gezicht opleverde, en
de Kweekschool voor zeevaart is gesticht op de plek waar de moutmolen
stond bewoond door den vader van REMBRANDT, welke vorst der schilders
dan ook daar het levenslicht aanschouwde. Wij vervolgen dus onzen weg,
slaan tevens een blik op de oude Kazerne, thans door artilleristen
betrokken, en keeren dan op onze schreden terug om de oude Varkenmarkt
op te gaan, waar wij rechts het Loridanshofje, vlak voor ons de
poort van den Doelen--thans Cavaleriekazerne--beschouwen, welker
fraaie voorstelling van St.-Joris en den draak, in steen opgericht,
ons aangenaam aandoet, bij al het platte en povere wat onze
negentiende-eeuwsche bouwmeesters ons niet zelden te aanschouwen geven.
Die doelen--beter gezegd die doelens, want op dit terrein lagen er
twee nevens elkander--welke ons aan het glansrijkste tijdperk onzer
schutterijen herinneren, hebben thans al hun vroegeren luister verloren.
De door THIBAUT beschilderde glasruiten, waarop _Hollands_ graven staan
afgebeeld, de keurige portretten van hoplieden der XVIIe eeuw, welke
vroeger die ruime zalen versierden, zullen wij straks in het stedelijk
museum terugvinden; maar van het aardige hoektorentje, dat zich, eene
eeuw geleden, nog boven het dak verhief, en waarin »eene eetplaats
getimmert was, welke tot vermaeckelijkheid met tafel en gasten te
gelijk rond gedraaid kon worden" is geen spoor meer te ontdekken, en
het voorplein »met schoone boomen beplant" is een dorre plek gronds
geworden, bestemd voor de oefeningen in de edele rij- en drilkunst
van eerstbeginnende ruiters. Wanneer wij nu over de Groenhazengracht
weder het Rapenburg willen bereiken zullen wij u maar niet op de
Garnizoens-infirmerie wijzen, welke daar gevonden wordt, te minder omdat
die spoedig zal worden overgebracht naar een ruim gebouw dat buiten
de Morschpoort wordt opgericht. Liever slaan wij den blik op het oude
huis aan den hoek der beide grachten, met het opschrift »Bibliotheca
Thysiana", eene boekerij door den Hoogleeraar THYSIUS, historiograaf van
_Holland_, achtergelaten en voor het publiek toegankelijk gesteld. Het
groote hardsteenen gebouw dat niet verre van daar gezien wordt is 's
Rijks Herbarium; een weinig verder voorbij de Doelensteeg--waarin het
Eva Van Hoogeveens hofje zich bevindt--aanschouwen wij het Kabinet van
pleisterbeelden, gravures en teekeningen en daarnevens het ijzeren hek,
dat eene binnenplaats of beter gezegd een voorplein van den openbaren
weg afsluit, waarbij gij links eene deur vindt, welke naar het
Academiegebouw voert, vroeger de verblijfplaats der Witte Nonnen, die
er natuurlijk al uit waren toen de »blonde jeugd van Leiden" hier zijn
intocht deed. Als wij ons bij den concierge aanmelden zal hij er niets
tegen hebben, ons de verschillende auditoria en de senaatskamer te laten
bezichtigen, welke laatste vooral merkwaardig is door de portretten
der hoogleeraren, die hier in lange rijen statig op u nederzien,
als een vendel soudenieren in den dienst der wetenschap. Er is iets
indrukwekkends in het zien van de gelaatstrekken dier mannen op de
plaats waar zij geleefd en gewerkt hebben, iets dat ons tot langdurige
bespiegelingen zoude opwekken, wanneer het bestek onzer wandeling geene
kortheid gebood; en, dit in aanmerking genomen, treden wij weder naar
buiten waar de Hortus Academicus, welks ingang nevens het Academiegebouw
gelegen is, onze aandacht vraagt en ons bezoek eischt.
Al wat het plantenrijk merkwaardigs aanbiedt vindt gij hier bijeen, even
smaakvol als wetenschappelijk gerangschikt. Ruime kasten, waaronder die
der »Victoria Regia" het meest uwe aandacht trekt, brengen de tropische
gewassen in den waan dat zij hun geboorteland--geboortewater zou ik van
sommigen moeten zeggen--niet verlaten hebben, dat zij geene
"Tristes exilés sur la terre étrangère"
zijn. Zij groeien en bloeien er dan ook dapper op los en wekken de
verbazing op van vreemdeling en stadgenoot, die deze schoone inrichting
komen bezoeken. Hebt gij het voorrecht den waardigen hortulanus te
ontmoeten, dan zal hij u gaarne nog eenige inlichtingen geven, altijd
belangrijk uit den mond van een man, wiens dichterlijk geschreven proza
aantoont, dat hij de taal der bloemen beluisterd en den harteklop der
planten gevoeld heeft, als hij de pen opneemt om ze te beschrijven. Gij
zult dan gaarne met hem uitrusten op eene der tuinbanken, welke zulke
schoone gezichten opleveren; maar dan zal het na luttel poozens weder
aan mij zijn om te herinneren dat wij verder moeten, dat de daarnevens
gelegen Sterrenwacht nog onze aandacht vraagt en dat wij, naar
buitentredende, nog wel eens een blik mogen slaan op het uitwendige der
Academie, haar eigenaardig torentje en hooge kruisramen. En gij gaat, al
onttrekt gij u noode aan die met ambergeur doorwademde bloemwarande, en
gij wandelt met mij de Cellebroersgracht op, waarbij gij natuurlijk aan
de Celliten of Alexianen denkt, die, ziekentroosters en bedienaars der
begrafenissen tevens--en dat beiden kosteloos--hier hunne woonplaats en
kapel hadden, vanwaar zij eenmaal 's jaars--op kermis--uittogen, om met
een ezel door de stad te rijden, teneinde den intocht van JEZUS binnen
_Jeruzalem_ den volke in herinnering te brengen. Toen ook deze broeders
met de bewoners van andere conventen verdreven waren, werd hier het
zoogenaamde Staten-College gesticht, waarin kosteloos jongelieden werden
gehuisvest, die voor den predikdienst in de Nederlandsche Hervormde kerk
werden opgeleid. Thans is het eene manége, gelijk de paardenkop boven
de poort moet te kennen geven. Het gehinnik van STEGERHOEKS rossen en
telgangers vervangt er den zang van vroegmet en vesper der monniken, en
de plaats waar VAN DER PALM studeerde aanschouwt de pogingen van hen,
die voor de eerste maal een paard beklimmen, op het gevaar af spoedig
zandruiter te worden. Het is zeker dan ook om die reden dat men de
antieke poort, welke daar twee eeuwen lang gestaan heeft, deed wegbreken
en dit meesterstukje van portland-cement daarvoor in de plaats stelde.
Zoo'n paardenkop is dan ook heel interessant en veel eigenaardiger dan
die twee leeuwen op het andere poortje.
Het viertal hofjes dat zich op deze gracht en in de daaraangrenzende
Zegersteeg bevindt, vluchtig beschouwende, kunnen wij ons terstond naar
de Sterrenwacht begeven, welker ingang hier gevonden wordt. Vergun mij
echter bij dat bezoek uw geleider slechts te zijn in dien zin dat ik
u onmiddellijk na onze aankomst overlaat aan de zorg van den custos,
die u wel zal aanbevelen bij de autoriteiten wier rechtsgebied wij
binnentreden; want hoewel ik niets ter wereld tegen de sterrenkunde
heb, en er zelfs een tijd was toen ik NIEUWLANDS »Orion" uit het hoofd
kende; ofschoon ik met gepasten eerbied Jupiter, Mars, Venus en andere
grootmachten aan den hemel beschouw, en den Grooten Beer--den beste der
beren omdat hij steeds op een behoorlijken afstand blijft--een goed hart
toedraag, zoo ben ik toch een zeer ongeschikt persoon om u hier ter
plaatse van eenig nut te zijn. Ik houd mij echter aanbevolen, zoodra wij
dit gebouw en het erf waarop het gesticht is verlaten hebben, mijne taak
weder op te vatten, en, na u de plek gewezen te hebben, waar het nieuwe
Zoötomisch Kabinet verrijzen zal, met u de Cellebroersgracht overgaande,
door de Bakkerssteeg--men heeft er verschillende in deze stad--naar
den Vliet te wandelen, waar het eerste voedsel binnen _Leiden_ werd
aangebracht toen de derde van Wijnmaand 1574 was aangebroken, om dan,
door de Molensteeg, de Koepoortsgracht en de Raamsteeg te bereiken, waar
wij een blik slaan op het ruime plein dat de ramp van 1807 ontstaan deed
en waarop de academische gebouwen zullen verrijzen, tot welker stichting
de regeering besloten heeft, en ons eenige oogenblikken ophouden bij
het Roomsch-Catholieke Wees- en Oudeliedenhuis, dat zich op den hoek van
Raamsteeg en Sint-Jacobsgracht verheft.
Aangezien het plein er echter meer als een wildernis uitziet dan als
eene wandelplaats of exercitieveld gelijk het vroeger was, haasten
wij ons eerst rechts- dan linksomslaande, over de laatstgemelde gracht
den Vestwal te betreden, die er zoo schilderachtig uitzag toen de
koepelvormige toren der nu afgebroken Koepoort, evenals de torens van
_Bourgondië_ en _Oostenrijk_, door welig en hoogopgaand geboomte werd
overschaduwd. Thans zien wij er de laatste nog slechts, waarbij een
krijgsknecht de wacht houdt die er op moet toezien dat gij voorbijgaande
uwe sigaar--wanneer gij die rookt--dooft, opdat geen vonk daarvan de
kracht ontboeie, welke in dien toren sluimert, eene kracht door BARTHOLD
SCHWARTZ der menschheid geschonken, waarvan het Ruïneplein nog de
vreeselijke sporen vertoont. Ik weet niet of hij er nog lang zal
staan, dat eerwaardig overblijfsel uit vervlogene eeuwen, die zijn
tweelingbroeder, niet lang geleden, zag vallen onder den moker, welke
reeds zooveel eerwaardigs hier ter stede vernielde; maar lang of kort,
het doet mij goed aan het hart dat hij voortgaat met eerbied in te
boezemen, zij het bij allen niet door zijn vorm dan toch door zijn
inhoud, en ik wensch hem liever dus te zien vallen dan als eene
bewaarplaats van producten door het stelsel van LIERNUR verkregen een
smadelijk bestaan te zien voortsleepen.
Wanneer gij nu met mij voortwandelt zult gij eene liefelijke plek gronds
aanschouwen, welke de Leidenaar met vooringenomenheid zijn Plantsoen
heet, eene wandelplaats waarvan het bergje--met het rustiek koepeltje op
zijn top en de breede Singelgracht, waarin witte zwanen dartelen, aan
zijn voeten--zeker niet het minst pittoreske gedeelte uitmaakt. Wellicht
verneemt gij van hier reeds de tonen eener militaire muziek en verhaast
gij daarom den tred naar de zijde vanwaar het geluid tot u komt. Zoo gij
dat doet dan staat gij weldra voor »Musis Sacrum", de zomersociëteit
voor _Leidens_ burgerij in alle schakeeringen. Wilt gij er eenige
oogenblikken met mij uitrusten, plaats u dan onder de ruime veranda. Of
wilt gij liever verder gaan, sla dan een blik op de Hoogewoerdspoort
die haar toren zoo slank ten hemel heft, op den doodenakker aan de
overzijde van den Rijn, wiens hooggetopte populieren--bewogen door
het zuidenwindje--wuiven, trillen en groeten, als waren het palmen
des vredes, tuigende van de ruste des doods. Richt wanneer gij de
poort,--reeds ten doode veroordeeld--zijt binnengetreden even het oog
op de Binnenvestgracht en het Tevelshofje, en breng dan met mij een
bezoek aan het keurige Ethnographisch museum--waarvan SIEBOLDS rijke
verzameling, _China_ en _Japan_ betreffende, recht heeft op de eerste
vermelding. Een eind verder vinden wij ter linkerzijde het »Gesticht
der Voorzienigheid", eene instelling tot opvoeding van jeugdige
Roomsch-Catholieke meisjes; en nog eenige schreden dan gaan wij de
Sint-Jorissteeg in, en het ruime Levendaal op, teneinde een blik te
slaan op het kerkgebouw waar Israël den God van »Abraham, Isaac en
Jacob" aanroept. Daarna gaan wij door de Barbarasteeg weder naar de
Hoogewoerd en zien wij ter rechterzijde de sociëteit ~Concordia~, de
eenige hier ter stede waar het mannenpassende kegelspel nog in eere
wordt gehouden.
Aan het einde der Hoogewoerd gekomen, gaan wij, rechtsomslaande,
het Gangetje door en dan, links, de Botermarkt op, waar eene reeks
keurige winkels verrezen is, wier gaslicht des avonds, door het water
weerkaatst, een zeer eigenaardig schouwspel oplevert. Het huis op den
hoek van Botermarkt en Gangetje is ook in zooverre van beteekenis dat
het vóór de derde vergrooting der stad in 1389 den naam »Roodentoren"
droeg, gelijk ons het volgende opschrift leert, dat in den gevel te
lezen staat:
Anno dertien hondert tachtig negen
Is Leyden vergroot door Godes segen
Steenschuyr was doen vest:
Myn naem Rooden toren,
Stae schier int best:
Danckt Godt daervooren.
Dat »schier in 't best" staan is evenzeer het geval met de dan volgende
Vischmarkt, waar onze aandacht weldra getrokken wordt door de met
keurig beeldhouwwerk versierde fontein, die daar in het jaar 1692
werd geplaatst en welker stralen des Woensdags en Zaterdags van 's
voormiddags tien tot elf uren ten hemel stijgen of boogvormig den al
te nabijkomenden toeschouwer bedreigen. Dit heeft evenzoo plaats op
den laatsten werkdag in April van ieder jaar, des namiddags van zes tot
zeven uren, wanneer het schoone klokkenspel van den stadhuistoren, welke
ook van deze zijde door de Vischpoort te naderen is, zich doet hooren,
terwijl eene vroolijke schare
"met juublende onrust in het bloed,
"den eersten Mei begroet."
Gaan wij thans langs de Vischbrug, waar een cirkel van lichter gekleurde
steenen wellicht aan een vroeger rechtsgebied herinnert, naar de
Aalmarkt, dan wordt ons oog aangenaam geboeid door de Waag, uit arduin
opgetrokken, maar met marmeren gevelsteen »uitbeeldende 't werk, 't
welk in de waage werd gedaan". Ook het daarachter gelegen en daaraan
verheelde Boterhuis, welks deur in de Mandenmakerssteeg uitkomt, bezit
zoodanigen marmersteen welke de boterhandel aanschouwelijk voorstelt,
en die beide kunstgewrochten (helaas met eene dikke verflaag besmeerd)
danken wij aan de hand van den kunstenaar ROMBOUT VERHULST, die door
dat werk zichzelven, maar ook den kunstzin der regeering vereeuwigd
heeft; iets wat men zeker niet getuigen zal van het Schoolgebouw en het
Telegraafkantoor, die insgelijks op de Aalmarkt gevonden worden. Wij
zullen ons daarbij dan ook niet ophouden; maar, aan de Vrouwensteegsbrug
gekomen, daarop even stilstaan om het schoone stadsgezicht te genieten
dat zich hier aan beide zijden voordoet. Vervolgens willen wij den
Apothekersdijk opgaan, waar ik er op reken dat gij in mijne woning,
tegenover het nieuwe schoolgebouw, eenige oogenblikken uitrust. Ik zal
u dan menig boekwerk kunnen in handen geven, waardoor gij een juister
en ruimer inzicht zult krijgen in zaken, welke ik slechts even kan
aanstippen, maar die ORLERS, SIMON VAN LEEWEN, VAN MIERIS, VAN ALPHEN,
KIST, SCHOTEL, ELZEVIER, MONTAGNE en anderen u meer uitgebreid willen
mededeelen. In elk geval kunnen wij hier een oogenblik uitrusten; gelijk
ik voornemens ben het ook te doen.
* * * * *
Zie zoo. Wij zijn bereid onze wandeling voort te zetten. Wilt gij
nu, om het ~varietas delectat~ toe te passen, in plaats van door de
Paardensteeg, met mij, door de Schapensteeg, over de Haarlemmerstraat,
naar de Turfmarkt gaan, dan ziet gij aan beide zijden der eerstgenoemde
steeg eene herinnering aan het Turfdragersgild--een dier vereenigingen,
welke ondanks hare niet te loochenen gebreken, zooveel tot de
krachtsontwikkeling en welvaart der burgerij hebben bijgedragen. Aan
de zijde der Haarlemmerstraat ontwaart gij het ruime gildehuis, vroeger
door den commissaris der corporatie bewoond, aan den kant van het
Galgewater de zoogenaamde Turfbel, welke, in den tijd toen het recht
tot vervoer van brandstoffen uitsluitend aan het gild behoorde, telkens
klepte om de dragers, die gewoonlijk in de buurt der »bel" woonden, uit
te noodigen zich voor de loting aan te melden, waarbij het werk verdeeld
werd. Ook deze vereeniging heeft haren tijd gehad. De stralenkrans
om haar ietwat groezelig hoofd is getaand en verdwenen. Iedereen die
turfdragen en turftonnen wil mag het doen naar hartelust. Ieder is vrij
in deze eeuw .... maar het is als fluistert de geest van den laatsten
der commissarissen uit de bovenvensters van het oude gebouw ons woorden
toe, die onze geestdrift zouden temperen .... Daarom luisteren wij
er maar niet naar; wij mochten anders eens bekeerd worden van ons
liberalisme. Wat baat het toch »de verzenen tegen de prikkelen te
slaan". Wij hebben die »verzenen" veel te veel noodig om verder te
wandelen en wel naar den Ouden Cingel--in de volkstaal de Oude Vest
geheeten--eene benaming waarop de, parallel met deze loopende, gracht
aan de andere zijde van het water slechts aanspraak heeft, om daar stil
te houden voor een met portland-cement »volgegooiden" muur, en een poort
waarop een volmolen geplaatst is in steen uitgehouwen. »Binnentredende
op eene ruime voorplaats ziet men twee uitspringende vleugels, rustende
ieder op vier steenen pilaren en twee pilasters, welke eene galerij of
wandelplaats maken" zegt VAN MIERIS en nog is dit zoo. Ook het gebouw
zelf--van de Jonische bouworde--heeft geene verandering ondergaan. Nog
altijd vindt gij bovenaan den muur de verschillende attributen der
lakenbereiding voorgesteld. Gij ziet hier dan ook de oude Lakenhalle,
gesticht in een tijd toen de regeering zich nog gerechtigd achtte te
waken voor den goeden naam der industrie, welke binnen hare muren
gedreven werd, gelijk blijkt uit de verordeningen en interpretatiën,
welke de laken-, saai-, baai- en greinhallen beheerschten.