Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
| |
| In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. |
| Vette tekst is weergegeven als #vet#. In het origineel |
| uitgespatiëerde tekst is weergeven als ~uitgespatiëerd~. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
+----------------------------------------------------------------+
KORTE BESCHRIJVING VAN LEIDEN.
BOEK- EN STEEN-DRUKKERIJ VAN DE BREUK & SMITS.
KORTE BESCHRIJVING VAN LEIDEN.
WEGWIJZER VOOR VREEMDELING EN STADGENOOT.
DOOR
J. M. E. DERCKSEN.
MET EEN NIEUWEN PLATTEGROND DER STAD
en eene aanwijzing harer openbare gebouwen en inrichtingen.
[Decoratieve illustratie]
LEIDEN,
DE BREUK & SMITS.
1874.
_Leiden._ Wat is _Leiden_? Vraag het aan verschillende personen
van onderscheidene geaardheid en vorming en het antwoord zal even
verschillend wezen als die geaardheid en vorming zijn. Richt gij die
vraag tot den statisticus, hij zal u antwoorden: het is eene stad
in het koninkrijk der _Nederlanden_, provincie _Zuid-Holland_, welker
oppervlakte ongeveer tweehonderd bunders beslaat, gelegen aan den Rijn,
op drie uren gaans afstand van _'s-Gravenhage_, vijf uren van _Haarlem_,
evenzooveel van _Rotterdam_ en acht uren van _Amsterdam_; zij bezit
bijna veertig duizend inwoners, waarvan er zooveel tot het vrouwelijk
en zooveel tot het mannelijk geslacht behooren; terwijl u met
nauwkeurigheid wordt opgegeven welke godsdienstige meeningen die
ingezetenen, door doop, belijdenis, of andere middelen van introductie
in eenig kerkgenootschap, geacht worden te belijden, waarbij slechts
een twintigtal worden uitgezonderd die er rond voor zijn uitgekomen,
dat zij er te dien aanzien geene voorkeur op nahouden. Als bronnen van
bestaan en welvaart zullen worden genoemd: de laken-, grein-, saai-,
deken- en wollengarenfabrieken, de boter- en kaashandel, de ijzer- en
katoen-industrie en--'t laatst maar niet het minst--het voortdurend
bestaan eener hoogeschool, welke niet slechts een aantal jongelieden uit
de aanzienlijkste en rijkste familiën des lands daarheen lokt, maar ook
de voor het onderwijs noodzakelijke hoogleeraren, op éene uitzondering
na, daar hunne woonplaats doet vestigen. En vraagt gij nu aan de zooeven
genoemde jongelieden: wat is _Leiden_? Het antwoord zal vol geestdrift
klinken: het is de woonstede der Alma Mater, die niet slechts haren
kinderen de volle moederborst der wetenschap aanbiedt, maar er
nevens--wij zeggen niet bovendien--hun genoegzame gelegenheid laat om
zich van de bedoelde borst te spenen en den beker der vreugde aan de
jeugdige lippen te brengen. Voor hen is die stad het tooneel, waarop
het schoonst bedrijf huns levens, in schier onbeperkte vrijheid, wordt
afgespeeld, en wanneer ook zij in de statistieke bijzonderheden der
grootte van schier tweehonderd bunders en de drie uren afstands van
_Den Haag_ belang stellen, dan dient de eerste om, eens voorgoed, uit
te maken dat dit bundertal te weinig ruimte heeft voor een Leidsch
student, en de laatste om daaraan de gevolgtrekking te kunnen
vastknoopen dat »de vrijster van de buren"--gelijk HUYGENS de residentie
noemt--eigenlijk voor hen niets dan de _succursaal_ der bloeiende
academiestad is. Hebben de beide eerstondervraagden slechts weinige
oogenblikken met het geven van hun antwoord gewacht, niet zoo spoedig
is dat van den oudheidkundige gereed. Hij, gewoon nauwkeurig te wikken
en te wegen, verklaart het voor waarschijnlijk dat _Leiden_ is het
_Lugdunum Batavorum_, waarvan reeds PTOLEMÆUS, in de tweede eeuw na
CHRISTUS' geboorte, gewag maakt, en nu moge hij er bescheiden bijvoegen
niet te weten wanneer en door wien dit _Lugdunum_ werd aangelegd, het is
hem genoeg uit het reisboek van Keizer ANTONINUS en het oude kaartboek,
door Keizer THEODOSIUS gebruikt, het feit bevestigd te zien dat dit
_Lugdunum_ lag waar thans _Leiden_ gelegen is, dat men »vandaar op- of
omtrent de uitwatering van den Rijn in de Noordzee gereisd" en zich
verplaatst heeft op het Praetorium Agrippinae (later _Roomburg_),
het wapenhuis der Romeinen; vandaar op Matilone (het tegenwoordige
_Koudekerk_), op Albiniana (_Alphen_) en verder over Nigropullo
(_Oudewater_) naar _Utrecht_ en _Gelderland_. Reken hier echter niet
op de eenstemmigheid welke gij bij de statistici en studenten hebt
aangetroffen. Reeds hoort gij toch een ander broeder uit hetzelfde gild
uitroepen, dat de stichting van den wachttoren der Romeinen al even
onbewezen is als die van het Forum Hadriani (_Voorburg_) door Koning
ELINUS, en zoo ge, een beroep doende op de hoogte van _Leidens_ burg en
het ringvormige gebouw daarop, nog waagt van den Romeinschen oorsprong
der stad te reppen, men zal u eenvoudig naar soortgelijke hoogten in
_Nederland_ verwijzen en uw krijgshaftigen wachttoren tot eenen
eenvoudigen Germaanschen vluchtheuvel doen afdalen.
Maar reeds acht gij, waarde lezer of lieve lezeres, de vraag waarmede
ik dit boekske aanving, zooal niet te uwen genoege, dan toch voor
zooverre beantwoord, als met het bijzondere doel waarmede dit werkje
geschreven is wenschelijk kan geacht worden; want--de titel heeft
het u reeds gezegd--het is mij noch om dorre statistieke cijfers,
noch om de schildering van het academieleven, noch om het leveren eener
oudheidkundige verhandeling te doen, wanneer ik de pen opneem, om u het
een en ander mede te deelen over de stad mijner inwoning. Wat ik wil?
Het is niet anders dan u, gelijk men dat een vriend doet, afhalen aan
het station van den Hollandschen spoorweg, u daar verwelkomen en met u,
in den geest, het _Leiden_ der negentiende eeuw doorwandelen, om u op
het vele goede en schoone, dat daarin gevonden wordt, opmerkzaam te
maken, nu en dan den indruk van het heden afwisselende door herdenken
aan het verleden, waartoe zoo menig gedeelte der stad ons
onwederstaanbaar uitlokt.
Ik neem dus aan dat een »felle salamander" u langs de »tweelingslijn"
van den zooeven genoemden spoorweg naar of liever bij _Leiden_ heeft
overgebracht en ik haast mij, na mijn beleefdste buiging voor u gemaakt
te hebben, met u een blik te slaan op het niet weelderige maar toch nog
voldoende stationsgebouw, waarna wij _sain et sauf_ heentreden door een
_cordon_ van pakjesdragers wier »wegwijzen, wegwijzen, Mijnheer!" u,
naar ik mij vlei, koel laat, overtuigd als gij zijt, dat gij hunne hulp
niet behoeft, waar ik mij de eere heb voorbehouden u de oude sleutelstad
binnen te leiden. Het eerste wat echter reeds vooraf aanspraak maakt op
onze opmerkzaamheid is het ter linkerzijde gelegene »Zomerzorg", het
vriendelijk plekje gronds, waar de ruime zaal en de warme kachel u te
midden van sneeuw, wind en regen, des winters--waar het weelderige groen
en verkwikkende lommer u des zomers zachtkens henen trekken. Toch zullen
wij er thans niet binnengaan, maar vervolgen wij onzen weg en slaan ter
linkerzijde den blik op eenige kleinere gelegenheden tot verversching
en gebruik van geestrijke vochten, waaronder Zomerlust en Eigenzorg
verdienen genoemd te worden. Ter rechter vraagt het opschrift »de
Haverzaklaan" onze aandacht en voert ons al aanstonds in de verbeelding
naar den tijd van _Leidens_ beleg, toen het daarnevens gelegen erf voor
een zak haver verkocht werd, terwijl onlangs eenige zakken guldens
noodig bleken om dezelfde eigendomsoverdracht te verkrijgen. Treedt gij
nu verder met mij voort naar de plek, waar eene breede ijzeren brug een
viertal onooglijke en onmogelijke leeuwtjes draagt, dan ziet gij rechts
het standbeeld van den grooten BOERHAVE, den wereldberoemden Hoogleeraar
aan _Leidens_ schitterende Hoogeschool: eene waardige, krachtige,
ernstige figuur, geplaatst op een voetstuk, waarin met zijn naam, de
dagteekening en plaats zijner geboorte en die van zijn overlijden staan
gegrift. Geen enkel woord van lof, geene vleiende benaming vergezelt
die eenvoudige woorden. Zij waren dan ook overbodig waar sprake was van
vereering eens mans, omtrent wien de overlevering verhaalt dat, in een
tijd toen het postwezen nog in een primitieven staat van ontwikkeling
verkeerde, een brief geadresseerd »Aan BOERHAVE, in _Europa_" behoorlijk
aan 's mans woning bezorgd werd, en zij waren onwenschelijk waar de
gedenksteen moest getuigen van hem, die het _Simplex sigillum veri_ tot
devies en randschrift van zijn geslachtswapen gekozen had. Daar was dan
ook eene schoonere hulde aan 's mans nagedachtenis te brengen dan die
van brallende opschriften of hoogdravende redevoeringen. En die werd
gebracht. Zij staat, niet in steen gebeiteld, maar uit steen en hout
opgetrokken, achter zijn standbeeld, in dat academisch ziekenhuis, dat,
bestemd tot heul en troost der lijdende menschheid, toch ook--ja niet
het minst--bestemd is om het clinisch onderwijs te bevorderen, waarvan
BOERHAVE hier te lande de schepper mag genoemd worden. Het is een
grootsch en statig gebouw, wel niet zoo fraai als hetgeen in vroegere
eeuwen werd tot stand gebracht, maar toch minder smakeloos, dan wij
sedert jaren gewoon zijn te zien verrijzen. Wilt gij het bezichtigen, de
welwillende en ijverige directeur zal het u wellicht vergunnen; hoewel
uit den aard der zaak die vergunningen uitzonderingen moeten blijven
op den algemeenen regel dat een gebouw aan krankenverpleging gewijd
geen museum, nog minder eene publieke vermakelijkheid is. Wordt u het
binnentreden veroorloofd, gij zult dan verbaasd staan over die ruime
gangen, luchtige ziekenkamers en welingerichte leerzalen, en tevens
het fraaie uitzicht bewonderen dat u uit menig vertrek verleend wordt.
Zijt gij een man van 't vak gij zult met waardeering opmerken hoe alles
wat de wetenschap, niet het minst die der chirurgie, behoeft, daar op
onbekrompen wijze is aangebracht; hoe het gedeelte voor besmettelijke
ziekten bestemd op doelmatige wijze van het andere voor gewone lijders
ingericht is afgescheiden; hoe het snel en voortreffelijk bereiden der
geneesmiddelen verzekerd wordt door eene goedgeordende apotheek,
verbonden aan een ruw en een chemisch laboratorium welker reusachtige
toestellen door stoomkracht in beweging gebracht aan de eischen der
_pharmacie_ in haren ruimsten omvang beantwoorden; en wanneer gij tot de
groote keuken, met hare insgelijks door stoom verwarmde kooktoestellen
afdaalt en daar een oogenblik verblijft, om er de talrijke bevelen aan
te hooren, welke daar onmiddellijk worden ten uitvoer gebracht, dan
begrijpt gij dat ook voor de reconvalescenten en voor hen wier ziekte
eene goede voeding noodzakelijk maakt in behoorlijke mate wordt gezorgd;
ja gij zult er wellicht langer willen verblijven dan wij, die, hoewel
met waardeering van al hetgeen daar ten behoeve der lijders gedaan
wordt, weder naar de frissche lucht verlangen, en, na deze schoone
inrichting te hebben verlaten, onze blikken wenden naar het gebouw
uit hout opgetrokken, tegenover BOERHAVE'S standbeeld. Het ziet er
vriendelijk uit met zijn ijzeren hek en ruime veranda, omgeven door hoog
opgaand geboomte, welig gazoen en keurige bloemperken, doorsneden met
breede wandeldreven. Menig genoeglijk oogenblik wordt daar gesmaakt,
niet het minst wanneer de tent, welke gij daar ziet, gevuld wordt met
het orchest, waarvoor zij bestemd is, en een heir van tonen uitzendt
naar de boschjes en in den omtrek, teruggekaatst door het singelwater
aan welks breede kom het gebouw gelegen is. Wij zijn hier in de
zomersociëteit Amicitia, de plek waar _Leidens_ ~beau monde~ zich bij
feestelijke gelegenheden in vrij grooten getale vergadert; een getal dat
zeker heelwat grooter zou wezen als eene betrekkelijk hooge contributie
daartegen geen overwegend bezwaar in den weg leide.
En nu voorwaarts, de Steenstraat op, waar ter linkerzijde de
Sint-Aagtenstraat u aan het vroeger hier gestaan hebbende
Sint-Agathaklooster en ter rechterzijde het Sint-Salvatorshofje u
aan den weldadigheidszin onzer voorvaderen herinnert. Wij zullen de
laatste soort van stichtingen dikwijls op onzen weg kunnen aanwijzen,
hoewel ik niet durf beloven dit steeds te zullen doen, daar allen, hoe
belangrijk om den goeden geest der menschenliefde te kunnen bewonderen,
welke onze natie onderscheidt, het toch niet genoegzaam zijn om eene
aanduiding--veelmin eene beschrijving--te rechtvaardigen, in een werkje
dat geene uitvoerige stedebeschrijving--slechts een wegwijzer heeten
mag.
Wij houden ons dus ook bij dit hofje niet langer op en zien al
spoedig de ruime Beestenmarkt, welke _Leiden_, als in het hart van het
beemdrijke Rijnland gelegen, behoeft, om plaats te verleenen aan het
groot getal runderen, schapen en ander vee, dat daar ter plaatse tot een
druk marktverkeer aanleiding geeft. Iets verder gaande vinden wij ter
rechterzijde de Klei- of Galgstraat aan welker einde wij het eenvoudig,
maar toch behaaglijk koepeldak en torentje der Morschpoort ontwaren.
Gaarne zouden wij die straat willen binnentreden indien de kazerne der
infanterie aan het eind daarvan gelegen of de zich daarnevens bevindende
stadstimmerwerf de moeite der bezichtiging beloonden. Dit echter niet
het geval zijnde slaan wij liever links af, en gaan, ter plaatse waar
vroeger de Haarlemmer, duitjes- of blauwe poort stond, de breede brug
over, ons voerende naar de Paardensteeg, welke wij doorgaan, om daarna
op de aan het eind daarvan gelegene Borstelbrug een oogenblik stil te
staan en het schoone uitzicht te genieten dat zich hier aan ons oog
vertoont. De Rijn--want waarlijk wij hebben hier met
"den grootvorst van _Europa's_ stroomen"[1]
te doen, dien de Leidenaars hier ter plaatse echter
"den schurkennaam van Galgewater geven"[2]--
de Rijn dan, stroomt onder deze brug door, ter rechterzijde langs de
pasgenoemde timmerwerf en kazerne, het vriendelijke Oranjelust, de zwem-
en badinrichting Rijnzicht, de Vink en het Haagsche Schouw, om bij
Katwijks sluizen kalm en waardig een leven te eindigen niet verre van
_Schafhausens_ waterval krachtig, schitterend en bruischend begonnen;
ter linkerzijde zich bij Boommarkt en Apothekersdijk uitstrekkende langs
die boomrijke oevers welke zoo jammerlijk ontsierd worden door het aan
het water gelegen schoolgebouw, dat, ten blijke van gemeenteraadlijke
willekeur, een groot gedeelte eener vriendelijke gracht in eene nauwe
straat herschiep en ons voor het oogenblik belet een klein huis te
beschouwen, welks inhoud even schitterend is als het uitwendige
eenvoudig, schier onooglijk, kan geheeten worden. Daar toch bevindt zich
het munt- en penningkabinet der Hoogeschool en vindt de geschiedvorscher
het spoor van vergane geslachten, de _numismaticus_ bevrediging eener
zucht tot genot en aanleiding tot eene studie, welker voorstanders hoe
langer hoe meer tot de zeldzaamheden gaan behooren. 't Is dan ook
eigenlijk maar het achtergebouw van 't Museum van oudheden, dat wij
wanneer we het Kort Rapenburg over en de Breedestraat zijn opgegaan, ter
linkerzijde tegenover de Papengracht aantreffen. Daar vindt gij een
schat van overblijfselen uit den grijzen voortijd, met moeite verkregen,
met onvermoeide wetenschappelijke werkzaamheid beschouwd, met zorg
bewaard en gerangschikt. Als gij er binnentreedt gaat u eene huivering
van eerbied en ontzag door de leden. Datgene wat voorgeslachten van
onderscheiden aanleg en ontwikkeling heeft gediend in huis en veld,
vrede en krijg, grootheid en armoede, vrijheid en slavernij, leven en
dood, als voorwerpen der vreeze of der vereering, dat alles vindt gij
hier bij elkander, onder één dak, geschift, geordend, geboekt door de
hand dier machtige wetenschap, dier ontzagwekkende critiek, welke als
het ware de dooden oproept, om in metaal, hout of steen te verhalen, wat
zij verricht, gedacht, geloofd, gevreesd, misdaan hebben. Daar sluimert
in ruste het offermes des priesters naast de spade des landmans, het
gevreesde afgodsbeeld bij de aarden waterkruik, de werpspiets des
Germaans nevens den Romeinschen mijlsteen van de legioenen der Caesaren.
_Pompeji_ en _Herculanum_ zijn er vertegenwoordigd en spreken van den
vuurbrakenden Vesuvius, die zijne vlammen hoog doet opstijgen in
_Napels'_ blauwe lucht en zijn lava rommelend, kokend en ziedend over
steden en dorpen, straten en velden, hutten en paleizen uitstort.
_Egypte_, het land van Isis en Osiris, moest er zijne doodkisten met
hiëroglyphen bedekt aan afstaan en wat meer zegt de gebalsemde lijken
van de machtige dienaars zijner schier almachtige Pharaonen. Zij,
toevertrouwd met bijna vorstelijke praal aan de steenen wanden der
pyramide, welke zij zich als hunne laatste rustplaats hadden gedacht,
hebben niet kunnen beletten dat hun gebeente is overgevoerd naar verre
gewesten en dat zij, bij name genoemd, worden overgeleverd aan de
blikken eener onverschillige, niet altijd bescheidene en eerbiedige
menigte. Daartoe behoort gij voorzeker niet, mijn lezer of lezeres. Het
»sic transit gloria mundi" ruischt u hier te welsprekend tegen, dan dat
gij het wagen zoudt met oneerbiedige luchthartigheid of onbetamelijken
spot hen te naderen, die daar, verre van hun geboortegrond, den langen
slaap des doods slapen; want ook uit die gesloten mond klinkt een woord
en uit die ledige lijkkist een stemme, die u toeroept: »het is den
mensch gezet eenmaal te sterven."
[1] Borger, Aan den Rijn.
[2] Beets, De maskerade.
»Maar," hoor ik mij toeroepen, »mijnheer de auteur? Is dat nu eene
manier om ons te _Leiden_ een aangenamen dag te bezorgen? Wie praat
er toch van den dood, wanneer hij voor zijn pleizier uit is?"
Vergeef mij, lezer of lezeres, zoo ik u onaangenaam aandeed; maar wijt
dit in de eerste plaats niet aan mij. Mij dunkt dat er weinig kans
is, om hetzij hier, hetzij elders, in eenige plaats van ons vaderland,
ja in de geheele wereld, waar wij weten dat menschengeslachten geleefd
hebben, den voet te zetten, zonder de kans te hebben dat een ernstig
»~memento mori~" ons op de eene of andere wijze voor den geest komt.
Wij moeten ons dus aan dat denkbeeld maar zoogoed mogelijk zien te
gewennen. Wat de mummies der Egyptenaren betreft zij behoeven u
echter niet langer ernstig of somber te stemmen; want reeds verlaten
wij het eerbiedwekkende gebouw, en vervolgen onzen weg langs de
Breedestraat--des Leidenaars rechtmatige trots--en doen nu de prachtige
huizen, welke wij hier aantreffen, de revue passeeren.
Ter linkerzijde wordt onze aandacht getrokken door het nieuwgebouwde
Postkantoor, de Studentensociëteit Minerva, aan den hoek der
Vrouwensteeg staande, het sierlijke geveltje van het huis vroeger door
de aanzienlijke familie WARMONT bewoond, de Stadsgehoorzaal--eene
wezenlijke behoefte voor _Leiden_ zoodra het tien duizend gegoede
inwoners meer tellen en zijne grenzen uitbreiden zal,--de Walsche
kerk--vroeger die van Sint-Catharyne's gasthuis, gelijk het
huiveringwekkende rad met de scherpe vilmessen omkranst, waarmede die
Heilige gemarteld werd, boven de kerkdeur, aanwijst, de openbare
teekenschool en daar tegenover door het zoo schilderachtige
Gemeenlandshuis van _Rijnland_, in 1597 voltooid, met zijne drie
trapgevels en boogvormige poort. Het laatste vooral heeft recht op onze
aandacht, als de zetel van een waterschap dat een der belangrijkste
van _Nederland_ mag genoemd worden, als de herinnering, uit steen
opgetrokken, aan dat machtige Hoogheemraadschap, waarvan de grijze
staatsman Jhr. Mr. D. T. GEVERS VAN ENDEGEEST ons de geschiedenis op
zoo getrouwe en boeiende wijze geschreven heeft. Hoe dikwijls is die
eikenhouten poort ontsloten geworden voor de zoodanigen die er recht
kwamen vragen, er steun kwamen eischen tegen de aanvallen van den
waterwolf, die ook in _Holland_ steeds rondwaart, zoekende wat hij
zal kunnen verslinden; maar hoe dikwijls ook werd de ruime vestibule
betreden met een angstig hart, door hen die de poort niet weder
uitgingen dan na eene arbitraire correctie binnenskamers beloopen
te hebben, die wèl het smadelijke, maar niet het pijnlijke eener
openbare vernedering miste. Ja, ook daar zijn, gelijk niet zelden in
de oude rechtspleging, daden van willekeur geschied, die de Schouten en
Baljuwen meer als verpersoonlijking van criminaliteit en penaliteit,
meer als rechtsschenders, dan als steunpilaren der rechtvaardigheid
deden beschouwen.
Dan genoeg hiervan, want nauwelijks eenige schreden verder vraagt ter
linkerzijde de (binnen)sociëteit Amicitia onze aandacht; niet omdat
het uit twee gedeelten bestaande gebouw, boven welks ingang vroeger
het stoïcijnsche »'t is niet anders!" geschreven stond, zooveel
bezichtigingswaardigs aanbiedt, als wel omdat zij als verzamelingsplaats
van den aanzienlijken stand eene zekere reputatie geniet, welke reeds
van het jaar 1794 af dagteekent, toen de Heeren SPOORS, LA PIERRE en
VAN LELYVELD, als commissarissen, haar doopten met den naam, welken zij
thans draagt. Dat dit: »'t is niet anders" het gevolg zou geweest zijn
van een gebrek in de bouworde, waarbij de deur vergeten was, is even
onzeker, als het onbewezen is dat, gelijk weleens beweerd is, JAN VAN
HOUT hier ter plaatse of daarnevens zijne woonplaats zoude gehad hebben;
maar zeker is het dat dit opschrift van toepassing kan geacht worden
op veel wat in de jaren, welke die van de vestiging der sociëteit
voorafgingen en onmiddellijk volgden, plaatsgreep. Het moet vooral
menigeen die zoo luid om vrijheid had geschreeuwd, als een bittere
ironie in het oog zijn gevallen, wanneer hij die woorden las in een
tijdvak toen hij wel vrij van Oranje was, maar slaven moest in het juk
eens dwingelands, wiens verschijning men toch schier als eene uitredding
moest beschouwen na de verschrikkingen eener koningsmoordende revolutie
en een burgervernielend _terrorisme_. Dan waartoe hier te politiseeren?
Het is er reeds genoeg gedaan in 1795 en later. Er met u binnengaan
willen wij evenmin, daar de zaal er uitziet als alle andere lokalen,
waar couranten gelezen en gezelschapsspelen gespeeld worden. Liever
slaan wij eerst een blik op de plek waar vroeger de blauwe steen--plaats
van stedelijke rechtsoefening--werd gevonden, gelijk dit nog door eene
ringvormige bestrating bij de Maarsmansteeg wordt aangeduid, en steken
dan schuins over naar het Leesmuseum, hetzelfde lokaal dat van 1768 tot
1794 voor sociëteit van dezelfde klasse van ingezetenen als waarvoor
thans Amicitia bestemd is, gediend heeft en toen in eigendom behoorde
aan HENDRIK HOOGENSTRATEN; zoodat dit huis, na gedurende eenige jaren
voor schoollokaal en bijzonder woonhuis gediend te hebben thans weder
aan een soortgelijk gebruik hergeven is als waartoe het vroeger geëigend
was. Wij zeggen een soortgelijk gebruik--niet hetzelfde; want als
gij met mij de blauwe trappen van dat huis bestegen, den toegang
verkregen hebt, dan ziet gij geen biljart of speeltafels, maar eene
eerbiedwaardige hoeveelheid tijdschriften, _feuilletons_, dag- en
weekbladen, brochures en andere werken, die à l'~ordre du jour~ zijn, op
boekenrekken en tafels uitgespreid. Bevreemdt het u, met mij, wellicht
dat de leeskamer zoo klein, de conversatiekamer zooveel grooter is, het
belet u niet, met mij u in het laatstgemelde vertrek neder te zetten
op een der met bruin leder overtrokken canapés, voor die reusachtige
vensterruit, waardoor gij een onbelemmerd uitzicht geniet op het
daartegenover gelegene Raadhuis in _renaissance_ stijl opgetrokken en
in het laatst der zestiende eeuw gebracht tot dien staat waarin wij
het thans aantreffen. Ik vooronderstel dat gij, afstand doende van uw
goed recht om den hier aanwezigen letterschat te doorzoeken, liever
de gelegenheid aangrijpt om dat Raadhuis van buiten op uw gemak te
bezichtigen. Nietwaar? Het ziet er goed uit met zijn dubbele schuinsche
trap, ieder versierd met een leeuwenpaar dat _Leidens_ wapen, twee
kruiselings liggende roode sleutels op een wit veld, krachtig schijnt te
willen beschermen--met zijn slanken toren die zijn spits fier ten hemel
heft--iets wat zijn voorganger eenmaal duur te staan kwam, toen hij,
bij het rondwaren van het bliksemvuur, in het begin van 1573 door dat
element werd verteerd. Gij richt ook voorzeker met belangstelling den
blik op den hoofdingang aan het boveneind der beide trappen en op de
poorten daarnevens; aan de eene zijde die toegang verleenende tot de
hoofdwacht, woning van den concierge, het bureau van den burgerlijken
stand en de thesaurie; aan de andere zijde die leidende tot het
commissariaat van politie en de schuttersraadkamer. Gij vraagt mij den
naam van het ongezellig verblijf, welks ingang onder de bedoelde trappen
is en ik antwoord u dat gij hier de vroegere vleeschhal vindt, thans tot
lokaal voor de nachtwacht ingericht; maar vooral trekken de opschriften
boven enkele dier toegangen uwe aandacht en wellicht deed u dit
besluiten eerder dan anders uw plan was het Leesmuseum te verlaten, om
daardoor in de gelegenheid te geraken die te lezen, indien ik u die niet
kon mededeelen. Thans vertoeft gij naar ik hoop, nog eenige oogenblikken
en verneemt uit mijnen mond den inhoud.
Boven den hoofdingang vindt gij op verschillende plaatsen _deze_ regels:
"Bewaert Heer Hollandt
En salicht Leyden."
U Hand mij had geraeckt "Heer
Mijn mond U gunst nu smaeckt" weer.
Anno MDLXXIIII Anno MDXCVIIII
geraeckt. gemaeckt.
De ingang naar de thesaurie--ook tot de Vischpoort--draagt tot opschrift
het volgende rijmpje:
Thrijc van Spaengien, hem verbliden,
In tbeleggen, als si sagen,
Met gedult, mi dragen t'liden,
Zo veel letters, zo veel dagen.
nae zVVarte hVnger-noot,
gebraCht had tot de doot,
binaest zes-dVIzent MensChen:
aLst god den heer Verdroot,
gaf hI Vns VVeder broot,
zo Veel VVI CVnsten VVensChen.
Zuuct en vint 'tjaer, van liden zwaer,
Dat niet en was te herden:
De Here, maer, vrid' uns daer naer,
Der tiender maent, den derden.
Gij hebt natuurlijk reeds ontdekt dat in het middenvers, zoowel de 131
dagen van het beleg, door het getal letters, als het jaar 1574, door
de daarin voorkomende kapitalen zijn aangeduid, en naar ik vertrouw,
genoegzame aandacht overgehouden voor het vers uitgehouwen boven de
poort die naar het politiebureau voert en dus luidende:
Indien Gods goetheyt u brengt voort
Gheluc en spoet, niet trots t' gemoet
Maer neer wil dragen.
En zend hij (siet) weeromme aen t' boort
Angstich verdriet, weest daerom niet,
Te zeer verslaghen:
U heyl, zulc hil, en toebehoort:
Danct God, swycht stil, zoo was zijn wil
Begeer behaghen.
Naar men zegt zijn deze rijmen samengesteld door den Notaris en
Stadssecretaris JAN VAN HOUT, die uit eigen ondervinding spreken kon
van het lijden »dat niet en was te herden," maar aan wien _Leiden_ het
te danken heeft dat er volhard is, ondanks honger en pest, tegen den
vijand, wiens twee en zestig schansen iederen toegang tot de benauwde
stad versperden.
Hebt gij nu lust, waarde lezer, met mij de trappen tegenover ons te
bestijgen? Zoo ja! dan bevinden wij ons al spoedig op de zoogenaamde
Groote Pers van het Raadhuis, eene soort van _vestibule_, waarop
onderscheidene vertrekken uitkomen. Ter rechterzijde valt uw oog op
een getimmerte met vele glasruiten, eigenlijk een glazen huis, dat
aan een buffet doet denken en bodenkamer genoemd wordt. Gaan wij daar
voorbij en een gangetje in, dan vinden wij rechts de kamer van den
Burgemeester--vroeger die van Curatoren der Leidsche hoogeschool,
en de oude Wees- en boedelkamer. Keeren wij terug op onze schreden,
dan ontwaren wij een deur, welker opschrift »Artillerykamer" ons
doet denken aan den tijd toen de stad haar eigen geschut en twee
artilleriemeesters bezat, waarvan in 1672 de schrijver van het »Roomsch
Hollands Recht"--Mr. SIMON VAN LEEWEN--er een was; maar reeds ziet gij
in de nabijheid der zoogenaamde »Kleine Pers"--een tweede voorportaal
dat zich aan de zijde van de trap bevindt die naar het bureau van den
burgerlijken stand voert--eene andere kamer, die van Burgemeester en
Wethouders, naar veler meening, ook door ons gedeeld, het oudste vertrek
van dit merkwaardig gebouw, welks koepelvormige zolder de wapenschilden
en namen draagt van het viertal burgemeesteren, welke tijdens de
restauratie der zaal op het kussen waren, met een antieken schoorsteen
en daarboven een stuk van FERDINAND BOL voorstellende hoe de Vrede en de
Liefde elkander omhelzen, welke voorstelling ook daar ter plaatse zijn
nut kan hebben. Ook het fraaie behangsel, dat ALEXANDERS intocht binnen
_Babylon_ vereeuwigt, is zeer bezienswaardig, en zeker veel fraaier dan
dat in de zaal die wij door de deur over ons binnentreden, welk vertrek,
vroeger de Vroedschapskamer geheeten, thans de vergaderzaal is van
den Leidschen gemeenteraad. Toch zal het u aangenaam zijn dat het
laatstbedoelde _gobelin_--een bosch met vogels en andere dieren te
aanschouwen gevende--hier behouden bleef, en niet vervangen werd door
een modern »deftig behangsel", waardoor de eigenaardige schoorsteen met
de schilderij van JAN LIEVENSZ: »Scipio de Africaner en de bruid van
Carthago" tevens »opgeruimd" zou geworden zijn. De meerderheid van
den raad deed echter die nieuwe poging tot »wandalisme" falen; het
behangsel werd in 1873 gerestaureerd en de leeuwen boven den gevernisten
schoorsteen zien nog steeds bloedrood van verontwaardiging over de
voorgenomen schennis. Verlaten wij thans de plaats waar de belangen der
gemeente behandeld worden, dan treden wij door eene zijdeur de oude
Schepenkamer binnen, welker schoon beschilderd _plafond_ minder onze
aandacht trekt dan het schoorsteenstuk van KAREL DE MOOR, Brutus'
strafoefening over zijne schuldige zonen in herinnering brengende.
Ware mij de eer beschoren geweest u een paar jaren vroeger door dit
Raadhuis rond te leiden, ik had u op menig treffelijk schilderstuk
kunnen wijzen, dat den wand der vertrekken versierde; maar sedert
wij onze uitstekende Lakenhal tot een minder geschikt museum hebben
ingericht, zijn die stukken daarhenen verhuisd. Zelfs VAN DER WERFF,
ORLERS en VAN DER DOES hebben het lot niet kunnen ontgaan, dat hunne
verbanning uit eene plaats waar zij geleefd, gewerkt, geheerscht hadden
voorschreef.
Dan .... reeds lang genoeg hebben wij hier verwijld. Toch niet te lang.
Wellicht zou dit het geval zijn geweest indien ik u had rondgeleid in
de verschillende vertrekken ingenomen door de bureaux der gemeentelijke
administratie of u een opstijgen naar het archief had aanbevolen, naar
dat rijke archief in zoo jammerlijk lokaal opgetast. Maar ook dan zelfs
zou ik geene verschooning gevraagd hebben voor mijne handelwijze. Een
Raadhuis toch is altijd een belangrijk deel eener gemeente; vooral
wanneer die gemeente eene historie--een rijk, schoon en schitterend
verleden heeft.
Nauwelijks zijn wij naar buiten getreden of wij ontwaren een anderen
cirkel van wittere steenen, vlak voor het Raadhuis, tusschen de
grijsblauwe keien, waarmede de Breedestraat ten deele geplaveid is, en
lezen daarin de woorden »Al niet sonder God. 1586",--een dier spreuken
welke ons weder den godsdienstigen geest onzer vaderen in herinnering
brengen--en wij gaan de schoone straat ten einde, om, rechts, het
Steenschuur op te slaan, waar ons oog getroffen wordt links door het aan
de overzijde gelegen gebouw der vrijmetselaarsloge »_La vertu_", rechts
door de Heilige Lodewijkskerk, vroeger als saaihal- en nog vroeger als
gasthuis gebezigd, doch onder het bestuur--wij zeggen: het bestuur,
niet de regeering--van Koning LODEWIJK NAPOLEON den Roomsch-Catholieken
afgestaan. Zij is de bezichtiging overwaardig, al ware het slechts
om het beeld van den Heiligen LODEWIJK, en het marmeren altaarstuk
de afneming van het kruis voorstellende, daar aanwezig. Het gebouw
uit roode en gele steen opgetrokken ziet er met zijn slanken toren
allervriendelijkst uit en schijnt bestemd om al de negentiende-eeuwsche
naaktheid van het daarnevens gelegen rechtlijnige huis, waarboven de
woorden »Tot nut van 't algemeen" geschreven staan, te doen uitkomen.
Toch is dit laatste voor _Leiden_ eene belangrijke stichting geweest,
niet zoozeer omdat daar de vergaderingen der maatschappij, wier naam
boven den ingang staat, plaats hebben, als wel omdat hier gelegenheid
geschonken wordt tot het houden van verschillende soorten van
bijeenkomsten en de rijke bibliotheek der maatschappij van Nederlandsche
letterkunde hier bewaard wordt, al deden ook de met zaagsel en turf
opgevulde afscheidingen der vertrekken en het brandgevaar aan
vergaderings- en uitspanningslokalen onafscheidelijk verbonden,
bestuurders dier inrichting besluiten hare kostelijke handschriften op
veiliger plaats in bewaring te stellen en de hoop voeden ook den anderen
boeken een beter verblijf te bezorgen.
Het grootsche gebouw eenige schreden verder staande links latende
liggen, slaan wij den hoek om en zien ter rechterzijde een tweeden
ingang tot het nutsgebouw, welke naar de bewaarschool voert door het
Leidsche departement in het leven geroepen en door geene instelling
van dien aard tot dusverre overtroffen. Daarnevens verheft zich het
vriendelijke--en in vergelijking met »het nut" artistieke huis, waarin
de Nieuwe Sociëteit geherbergd is, welke als een hooggewaardeerde plaats
van ontspanning door de Leidsche burgerij van den deftigen stand wordt
aangemerkt. Nog eenige schreden verder en de Sint-Petruskerk--hoofdkerk
der Roomsch-Catholieken te _Leiden_--vertoont zich met zijne vier
pilaren en frontespies, zijn Petrus-beeld en zijn koepelvormigen toren
aan ons oog. Wie haar binnentreedt zal er eene keurige schilderij
van NICAISE DE KEYZER vinden, boven het altaar geplaatst en den
Apostel--patroon van deze kerk--voorstellende in gesprek met den Heer
der Gemeente. Wij doen dit dan ook en slaan daarna een blik op het
grootsche gebouw, waarvan wij reeds straks gewaagden, dat met zijn
tuin en bijgebouwen het ruime plein beslaat vroeger als Kleine Ruïne
bekend. Gij vindt daar het chemisch en het physiologisch laboratorium,
het anatomisch kabinet, dat van den landbouw en van natuurkundige
werktuigen, en bij dat alles ruime zalen voor het academisch onderwijs
in eenige dier vakken. Het dient tevens tot het geven van een
industriecollege dat steeds--vooral onder wijlen Professor VAN DER
BOON MESCH--oprechte waardeering vond. Wilt gij die lokalen bezoeken,
houd dan in het oog dat de Nieuwsteeg toegang tot kabinet van landbouw
en scheikundig laboratorium; de Zonneveldsteeg (straatnummer 18)
tot physiologisch laboratorium, het Steenschuur (straatnummer 124)
tot anatomisch kabinet en de zijde waar wij ons thans bevinden, de
Langebrug, dien tot het kabinet van natuurkundige werktuigen verleent;
terwijl gij u voor de bezichtiging van het anatomisch kabinet zult
hebben aan te melden bij den custos, die in de Zonneveldsteeg zelve
(straatnummer 9) woonachtig is. Wij gaan daar juist voorbij, wanneer
wij, links afslaande, ons naar de Nieuwsteeg begeven, daar gekomen
rechts gaan, en zoo door die steeg--alwaar slechts de Bank-van-leening,
in 1675 opgericht, onze aandacht trekt--het Pieterskerkhof bereiken, een
blik slaan op het Walsche weeshuis en het zich daarachter verschuilende
»Speckhofje" om dan, weder links wendende, aan de kosterij der
Sint-Pieterskerk aan te schellen, welke kerk een bezoek overwaardig is.
De Pieterskerk--vroeger de Sint-Pieter- en Pauluskerk--is een
schoon gebouw in den Gothischen stijl opgetrokken, den 11 September
1121 gewijd, in het jaar 1339 vergroot, ten dienste van den
Roomsch-Catholieken eeredienst, welke er ruim een dertigtal altaren
bezat, boven een waarvan de schilderij van LUCAS VAN LEYDEN »het
laatste oordeel"--later in Burgemeesters kamer opgehangen--gevonden
werd. Zij had toen een hoogen toren, welke in Maart 1512, na een schier
driehonderdjarig bestaan, instortte en--volgens JAN VAN HOUT--een
deel van het stedelijk archief dat daarin bewaard werd deed verloren
gaan, welk gezegde later is gebleken onjuist te wezen, daar dit
archiefsgedeelte in de nabijheid der tegenwoordige thesaurie schijnt
te zijn teruggevonden. Treden wij dezen tempel binnen dan gevoelen wij
ons ernstig en plechtig gestemd. Als een woud van steen, verheffen de
reusachtige pijlers zich tot aan het looverdak der kruisbogen in zachte
en toch krachtige golvingen en lijnen verzinlijken zij de gedachte welke
aan den tempelbouw ten grondslag ligt. Gelijk de toren op het dak met
zijne spitse naar boven wijst, zoo is het geheele plan des bouwheers
er op ingericht uit zijne schepping van hout en steen een eeuwendurend
»Excelsior" te doen hooren. En dan dat in de zonnestralen schitterend
koperen hek dat het majestueuze koor van het schip der kerk afscheidt,
hoe getuigt het van de onbekrompen wijze waarop die werken vroeger
werden in het leven geroepen. Een viertal der zuilen--van het vier en
twintigtal dat het gewelf schraagt--schijnt door zijne dikte aan te
duiden dat het vroeger heelwat meer te dragen had dan tegenwoordig, en
zoo is het, want zij dienden mede tot steunsel voor den toren waarvan
wij daar straks gewaagden en de daarin zijnde zware klok, welke na
den torenval in een afzonderlijk klokhuis werd opgehangen, waarnaar de
steeg, welke wij straks zullen betreden, nog de Kloksteeg heet. Het
orgel dat gij hier ziet is een der fraaiste van Nederland; terwijl een
tal van monumenten hier worden aangetroffen, welke het bewijs schijnen
te leveren dat de beeldstormerij--helaas, ook hier vertoond--geen
noodzakelijk gevolg was van het Protestantisme, maar de geïsoleerde daad
van datzelfde opgewonden, kwaadaardig gestemde grauw, dat, zijne woede
koelend aan alles wat geestelijk en wereldlijk boven hem staat, ook
in 1795 hier op schandelijke wijze huishield en de wapenschilden der
patriciërs vernielde. Toch hebben deze beeld- en wapenstormers nog
het recht als _cause atténuante_ aan te voeren dat zij in den roes
der godsdienstige dweepzucht en onder den prikkel der revolutionaire
ijlkoorts gehandeld hebben; maar wat zal men zeggen van hen die de
beschilderde pilaren daarginds met een laag kalk overdekten, gelijk dat
witgedasten en wittenden schoonmakers betaamt. Dan zwijgen wij hierover.
Wijzen wij liever op den kunstzin van een onzer stadgenooten, Mr.
KNEPPELHOUT VAN STERKENBURG, die de teekening dezer muurschilderingen
voor het nageslacht bewaarde, al werden zijzelven ook achter hout
verborgen. Beschouwen wij veeleer de monumenten--waaronder wij ook
de grafsteenen begrijpen--welke hier in groote mate aanwezig zijn
en welker opschriften ons aan de laatste abdissen van _Leeuwenhorst_
en _Rijnsburg_, aan den kruidkundige DODONAEUS, aan de godgeleerden
HOLMANUS, VAN KERKHOVEN en COCCEJUS, den mathematicus SNELLIUS VAN
ROYEN, den wereldberoemden SCALIGER en aan zoovele andere edele mannen
en vrouwen herinneren; slaan wij een blik op de gedenkteekenen gewijd
aan GERARD en JOHAN MEERMAN, leden van een burgemeesterlijk geslacht in
_Delft_ en _Leiden_ op het kussen gezeten, van de Hoogleeraren CAMPER,
VAN DER PALM, BRUGMANS en KEMPER, van Mr. JOHAN LUZAC, »den schrik der
verdrukkers, den troost der verdrukten," en op den steen onder het
orgel die van Dr. E. LAURILLARDS verblijf hier ter stede en de daarmede
in verband staande vernieuwing van het inwendige dezer kerk spreekt.
Misschien hebt gij ook nog lust aan de zuiderdeur een marmeren
gedenkplaat te bewonderen, waarmede eene eerbewijzing bedoeld wordt aan
zekeren Student BEECKMAN, die--als zoovele anderen--in den strijd met
_België_ gebleven is; maar die dat deed als student-jager en daarom aan
het nageslacht ter herinnering moest worden aanbevolen. Een der pilaren
draagt het wapen der VAN DUIVENBODES, wier naam denken doet aan de
diensten door hen en hunne vogels in _Leidens_ tweede beleg bewezen, en
die herinnering brengt ons den derden October van het jaar 1574 voor den
geest, toen de psalm der verlossing in dit bedehuis weerklonk en eene
blijde schare hing aan de lippen des predikers, die de gemeente in den
gebede voorging en God, met haar, voor de verkregen uitredding dankte.
Geen wonder dan ook dat deze kerk steeds eene hoofdrol speelde, waar er
sprake was van godsdienstige plechtigheden, welke met _Leidens_ ontzet
in verband stonden, en dat de Leidenaar daarvoor eene zekere vereering
gevoelt, welke, op de geschiedenis zijner stad steunend, van geslachte
tot geslachte hen bezielt die een voet zetten op de blauwe zerken,
waaronder hunne dooden eenmaal zijn ter ruste gelegd.
Onder die dooden is er een, die noch in zijn leven noch bij zijn sterven
tot de machtigen der aarde werd gerekend, en wiens naam toch aan gene
zijde des oceaans een weerklank heeft, welke onze MEERMANNEN en andere
mannen daar vruchteloos zouden zoeken. Zijn naam is ROBINSON. Hij was
een dier Engelsche puriteinen, die, even gehaat door de Roomsche als
door de Episcopale kerk, na de hitte der vervolging in hun vaderland
verduurd en ontweken te hebben, hier eene schuilplaats vonden en later
stichters werden van de Amerikaansche kolonie _Plymouth_. Op hem is
echter wel het eerste niet het laatste toepasselijk; want toen de
broederen te _Delfshaven_ scheep gingen, toen vergezelde hij hen tot
aan de »_Speedwell_", welke hen naar het beloofde land zou overvoeren;
maar hijzelf bleef als herder der kudde die te _Leiden_ verbleef aan
deze verbonden en het schip kliefde de golven der Maze zonder hem.
Waar men hem ten grafkuil heeft nedergelaten is ons onbekend; maar dat
het in deze kerk geschiedde, op den 4 Maart 1625, is bewezen door het
begrafenisboek, waaruit tevens schijnt te blijken dat het er met zijn
boedel povertjes moet hebben uitgezien, daar er zeer weinig voor zijne
teraardebestelling betaald werd.
Toch zien wij, wanneer wij het kerkgebouw verlaten hebben, uit een steen
in den voorgevel van het Walsche Jan Pesijnshof, dat zijne nagedachtenis
dierbaar is aan zijn volk want, al mocht de steller van het vers boven
den ingang gewagen van »het puin van een bouwvallig nest" waaruit dit
»fraai gebouw" oprees, dat bouwvallig nest wekte de belangstelling van
tijdgenoot en nageslacht, en wanneer de zonen van het vrije _Amerika
Leiden_ bezoeken, dan laten zij zich gaarne naar de plek geleiden, waar
een hunner in grauwen steen deze woorden deed griffelen:
ON THIS SPOT
LIVED, TAUGHT AND DIED
JOHN ROBINSON
1611-1625.