In het donkere St. Agathastraatje, heelemaal 't ende van 't Begijnhof,
stonden voortijds twee eendere huizen nevens elkander. Het waren zeer
oude huizen, zoo oud dat de moekruipende tijd de eenmaal witte steenen
gezwart had, en dat in de brokkelige voegen klein gras en schurftig
mos weelderig groeiden.
De huizen hadden elk een laag scheefgezonken deurgat waarboven
uit een donker nisken een heiligenbeeld opdook, zoo verkleurd en
afgeschilferd, dat het haast niet kennelijk meer was welken heilige
het verbeelden moest. Doch uit hun houding kon men opmaken dat het
een koplooze Sint-Justus was, want hij droeg het hoofd in de handen
en het andere van boven Lijzebetheken heur deur, Sint-Hieronymus die
met een grooten steen op zijn bloote borst klopte.
De puntgeveltjes zaten vol houtwerk en uitspringende steenen waarop
onhandig gesneden loofwerk oppenkrulde.
't Waren echt antieken huizekes voorwaar, met gewelfde gangen en veel
balkwerk en de lage zolderingen. Door de groene in loodgevatte ruitjes,
kwam het getemperde daglicht zeer schuchter, met wijfelende kleerte,
de witgekalkte muren streelen.
Op de vensterrichels langs binnen, vóór spierwitte effengeplooide
gordijntjes stonden eenige bloempottekes met teere bellekens, of
donkere geraniums.
In het een woonde Menheer Pastoor en in het andere 't begijntje
Lijzebeth, en hun devote doening fokkeledeerde wonderwel met het
mysterieuze vertoon der twee woonsten.
Achter deze woonsten lagen er twee hofkes, rijk aan kleurige bloemen
en teer-groene gewassen, zoo frisch en maagdelijk alsof ze gaan loopen
waren van een Memlinc. Een dikke palmenhaag van sombergroene verwe,
zeer ernstig en zwaar bij 't naïeve kleurenspel der andere groeisels,
scheidde ze van elkander. En 't hofke van Menheer Pastoor droeg,
vlak in 't midden van een effen graspleintje, een blauw vijvertje
waaruit een pluimken schuimend water opspoot. De hofkens waren diep
en heelemaal op 't ende stond een brokkelige muur zeer onregelmatig
gebouwd in verre, verre tijden door een oude metseldiender juist
zonder werk in die dagen.
Achter dien muur lag er een andere wereld. Daar stonden de vesteboomen
en daar bochtte de blauwblinkende Nethe door onafzienbare, blakke
beemden. De hooge boomen der veste, met hun grillig takkengewei staken
hun zotgebolde kruin over het muurken. Ze waren schoon en goed daar
ze de zware weelderigheid der blozende zomeren in hun armen droegen en
's winters sterke weermannen waren tegen de noorderjacht die vlak voor
hun voeten vrij spel had. Ze konden dat looze gedoe goed verduren en
de hovekens sussen in een stil leven zonder veel vertoon van huilende
winden. Ja, 's winters was er ruwe strijd op de veste en 't wierd
gezeid dat de joepende wind met zijn almachtigheid menig tam boomken
in de wortels kittelde, beentje zette en 't met een lompe manier hals
over kop in het rosgroene gras neersmeet.
De boomen maakten dan een eendig lawij en kreunden onder de felle
windslagen. Als de bende wildelingen op hunne stampende luchtpeerden
gezeten snuivend tegen de boomen aansprongen, wiepten ze omhoog
en ritsten de hofkens over zonder één takje te verroeren. Ongedeerd
bleven ze zelfs van de kwaadste windbrakken die met langgerokken lijf,
wit van vel, en flappende ooren, huilend kwamen aangedjorreld. Als
het op de velden stoof van sneeuw en regen en er alles kreveerde in
het booze getij, bleven de hofkens, stilslapend, lijk wieg-kindekens
bij rijke menschen. O! die goede boomen toch!
De lente kwam. De begijntjes en de brave menschen bleven nu binnen
mediteerend het lijden van ons Lief-Heerken-Jezu. Terwijl ze zich
zoo voorbereidden om het nakende hoogtij van Paschen te vieren brak
er in de hofkens stilaan het nieuwe leven los. De magere takskens der
gewassen verloren hun koude somberheid en sponnen zich heel zachtkes
een doorzichtig kleedeken van groene zijde, dat met den dag warmer
van tint en rijker aan bloeiende bladerkes wierd en op den duur in
weelderige bloemenknoppen openberstte.
't Was daar een feest van de zoetste koleuren, nooit gedroomd. De
kerselaren en de pruimelaren stonden zoo vol van witte en roze bloemen
dat het was of elk takske zat proptigvol bedekt met fladderende
vlindertjes. De glycine aan de scheefgezonken muur hing zwaar van
trossen purpere edelsteenen en een jonge goudregen beierde zijn
schitterweelde in de klare lucht. En er piepten en parelden nog vele
bloemekens half verscholen in hun licht-groene zwachtels.
Al die schitterende kleurenweelde was gedragen in het teederste
groen dat zwelde met den dag. En het geurde alles violier en glycine,
om een merelaar dronken te krijgen!
Daarmidden in stond nu het fonteintje blinkend in de jonge zon en
spoot met lallende blijheid zijn klare water in de lucht. Het zong
daartusschen zijn mystiek liedeken, waar geen einde aan kwam, en met
den rijpenden Lente altijd inniger wierd.
Het vestegeboomte, met zijn overdanen rijkdom van sap-rijk groen,
was als een groote orgel in de kerk, zoo klonk en daverde het er van
den zang der weergekeerde vogelen. 't Waren als duizende pijpkens
elk met eigen klank en eigen toontje, waarboven zeer melodieus, als
bewust van zijn hooge waarde, een jonge nachtegaal zijn koninklijke
liederen sloeg.
En Paschen kwam en ons Lief-Heerken-Jezu stond op uit den dood,
zegenend het nieuwe leven dat van hem uitging. En de hofkens waren
zoo schoon geworden alsof daar de hemelvaart gebeuren moest!...
Toen Lijzebetheke na al dat vasten en bidden in heur hoveken kwam
ging er een wonderbaarlijk slagsken in heur hert zoodat ze met blije
dripselende woordekens sprak: "Kijk! Kijk mijn lief Heerken Jezus! hoe
schoone alles is! Zie de tulpen en de violetten en de groene Lente
in mijn hoveken! Hoor! die merelaar! hoe zoet hij fluit vandaag;
hoe rollen zijn blije reutelingskens! Hij pijpt zijn beste fluitje
vandaag, zijn fluitje gesneden uit gouden wilgenstronken! Nu wordt
de zoete tijd!"
En ze kon heur oogen niet gelooven van heel het nieuwe kleurvertoon. En
ze luisterde, luisterde naar den merel en de frissche geruchten in
de ontwakende vesteboomen. Ze rook de bedwelmende geuren der lachende
bloemen en ze voelde de deugddoende weldadigheid van den Mei met zijn
heerlijke zon en zijn blauwe lucht.
O! ze was zoo gelukkig, zoo vrij en rijk, dat ze had willen uitzingen:
"Magnificat anima mea Dominum", ze bewonderde de werking van de
Lente alsof ze 't nog nooit gezien had! Zie! dat kastanjeboomken
met bladerkes van 't kostelijkste groen, 't leken vingertjes te
zijn, die heel voorzichtig kwamen tasten of het deugdelijk begon
te worden in de lucht, of er zon was. En er was veel zon en daarom
had het zonder vrees zijn sneeuwwitte keerskens opgestoken, als
een kerstboom in de Lente die brandde voor Heer-Jezus! Ze zag hoe
de japansche kwee zoo waarachtig de vele bloeddruppels herinnerde
van haar goddelijken bruidegom. En ze vond het al zoo schoon dat
het was om te kussen!... Maar ei!... daar bij Menheer Pastoor! het
fonteintje!... Lijzebeth verschoot ervan dat ze het nu eerst
opmerkte. Het droeg zoovele wondere tinten! 't was zilver, goud,
opaal en wat weet ik al, dat opschoot naar den hemel en in een pluim
van diamant en klare paerlen open vouwde, die nederklaterde op het
vijvertje van 't blijste blauw met gulden schijn op de kringetjes en
golfjes. Het vijvertje was het blinkend slot dat gesloten hield het
bonte mantelkleed dat over de hofjes lag.
Naar het fonteintje kon ze staren als naar een nieuwe wereld, als naar
de komst van een Heilige. Er lag zoo'n mystisch leven in dat water,
iets dat ze niet bepalen kon, maar innig voelde in 't diepst van
heur wezen. En Lijzebetheke dacht: ons leven is water dat Gods adem
opspuit naar den hemel en in wiens witte pluim Jezus zitten moet! En
ze dacht nog: de fontein is het levende symbool van Jezus zelf, God
en mensch, die de fontein is onzer zaligheid, de fontein die alles,
alles onderhoudt, de zon, de maan, de sterren, de aarde en alles wat
er in is!...
Zoo was het begijntje tevreden, want nu zou ze weer het hoogblije
zomerleven van alle jaren genieten. Bij dag de witte handen ijverig
in de witte kant en het witte linnen, bij deemstering, rustend tegen
de dikke palmenhagen, turend naar het pluimende fonteintje en droomen,
droomen.
God! hoe menigen avond heeft zij alzoo niet gesleten met droomen en
herdroomen over de beteekenis van het nooit rustende fonteintje, zoo
wonderlijk! Daags had ze er weinig tijd voor over, maar als de zonne
purperde en bloedde een vuur van rood en geel en een roerlooze zee van
helle kleuren schilderde alover de wolkenbanken aan de westerpoort,
als alle geluiden verwasemden in de kalmte van den komenden nacht,
dan kwam ze met heur witte kapken omzichtig het lage deurken uit en
schoof traagjes door de wegeltjes, genietend van de bloemen die toe
gingen en van de vesteboomen die groot en somber tegen den gulden,
trillenden hemel gedonkerd stonden. En als ze van heur hofke genoten
had als van een zeer zoeten wijn, bleef ze naar het fonteintje turen,
dat blonk in de deemsterende lucht. Heur gedachten verdroomden zich
dan in het lichtende gespeel der reutelende droppelkes, die beprikten
het vijvervlak, alsof een vlugge meisje dat een fijne luchtkant aan
't speldewerken was. Zoo bleef ze tot de koele winden opzoefden en
de heilige nacht steeg. En dan, zoo zalig alsof ze God in heur hert
besloten had, ging ze in heur zuiver bed heur klare droomen genieten.
Zoo ging het elken zomerdag, als de avenden innig zijn lijk
middeneeuwsche gebeden. Het fonteintje was een stuk van heur leven
geworden, iets dat ze noodig had als brood. O! 't was heur zoo
weldadig, half-bedwelmd door de zware avondgeuren in de geruischlooze,
wakke nachtstilte te genieten van het subtiele leven in God, den
goeden vader, levend in het pluimende fonteintje.
Nu was het weer een nieuwe dag, die in den avond versmoorde. Hoog was
de hemelkoepel, grijs en donker, en de laaiende kolk van lillend bloed
en purper aan de westerpoort, waar de zon warm-rood als een lichtende
robijn in versmachten ging, zette de aarde in fellen gloed. Zoo stond
de zomerschoonheid een poosje stil als om zich zelf te aanbidden. En
de zonne zonk weg in den grijzen zomerwasem aan den horizont en het
gloeiend rood en purper vervaagde tot er ten laatste een gele trilling
hangen bleef, onzichtbaar vervlietend in den donkeren. 't Was avond. De
hofkens lagen in diepe rust en men hoorde geene geluiden. Alleen
het koozende gedroppel van het dripselende fonteintje leefde in de
stilte. De avond waasde zijn nevels om de lage dingen.
Lang reeds hing het witte kapken van Lijzebeth roerloos over de
sombere palmenhaag. Ze was een witte bloem in den avond. Heur ziel
droomde in het fonteintje.
Ze had gezien hoe het daarstraks rood straalde in het tanend daglicht,
als een bloedstraal uit het hert van Jezus, en ze zag hoe het nu
wit zoefde in den donkeren als een witte, wiegende pluim. In heur
leefde een wonder gevoel dat ze nog nooit had waargenomen. Zij
voelde zich groeien, groeien en 't was of heur ziel zich uitstrekte,
wijd, over heel de wereld. Een ongekende zaligheid steeg naar heur
hoofd, bedwelmend. 't Was alsof de zegen des Heeren als een vatbare
lelie in heur binnenste groeide en geurde, en heur bloed witten wijn
wierd. Bij poozen look ze de oogen om van de goddelijke deugd nog meer
te genieten. Dan weer blikte ze naar de sterren die zilverperelden
in het ijle blauw der luchten... ze glimlachte: daarachter gloorde
de hemel!...
Ze hoorde het fonteintje, ze zag hoe het steeg, en met langzaam
gebaar naar de aarde boog. En ze wenschte ook een fonteintje te wezen,
dat opstralen zou naar den hemel, door de blauw kristalijnen lucht,
voorbij maan en sterren en altijd hooger, hooger, om roze droppelend
te vallen in de schoone handen van God, dien ze daarboven tronen
wist op een ivoren met goud-belegen zetel, omringd van zoet-lachende
engelen en roerlooze heiligen in witte gewaden; alles als een groote
smettelooze sneeuwroos waar de heilige Drievuldigheid, de drie gouden
stampers van zijn.
En als vanzelf, een spontane uitdrukking van heur hoogste geluk,
zong ze met trillende stem en geloken oogen, het blanke gelaat ten
hemel geheven, het droeve middeneeuwsche liedeke:
Ze staken Heer Jezus een kroon op 't hoofd
Van twee en zeventig pinnen hoog...
en 't was of heur zang werd gedragen door de aangehoude begeleiding van
ver-pijpende orgels en zuchtende instrumenten. In klagende mineurtoon
zuchtte haar stem