stil verademend om daarna weer te zwellen en bevend van heilige
geestdrift ten tweede maal: Ave Maria... haast onhoorbaar vervlietend
in de zilveren stilte...
Ze zong verder dan het gewijde lied met diepe liefde en vast geloof:
Ze staken Heer Jezus in zijn groot hert,
Met een mesken, het deed hem, och arme! zoo'n smert!
Ave Maria...
En hooger steeg dan de zoete zang; voller en vatbaarder wierd de
sensatie in de volgende strofen en ze meende Hem te zien, heur
lief Heerken-Jezu, met groote blauwe oogen en bebloed voorhoofd,
de dunne lippen purper in het witte glaat en sprekens rede. Zoo zag
ze het schoone hoofd eindelijk groot voor haar in fellen gulden
stralenkrans. En tranen kwamen in Lijzebetheke heur oogen en de
kitteling die met het zilte vocht over heur bleeke wangen gleed,
deed heur ontwaken als uit een diepen slaap. Heur stemme brak en de
heerlijke droomerijen vielen uiteen. Ze verschoot, en ze stond nog in
heur hofken, leunend op de palmenhaag van somber groene verwe. Ze zag
hoe donker de avond was en meteens kwam er een naar gevoel over haar,
ze wist zich alleen in den nacht.
Plots hoorde ze gerammel aan het poortje in den brokkeligen achter-muur
van 't pastoorken zijn hofken. Heur hert begon te botsen van 't
verschiet. Ze wist dat het poortje nooit openging, dat het gegrendeld
en gesleuteld was sedert jaren, dat er klimop overgroeide en veel
griezelige spinnewebben in de hoeken gesponnen waren.
En 't pastoorken sliep! Droomde ze dan? Ze hield de blikken strak
naar het donkere poortje voor het jasmijnen bosselken. God! zouden
soms dieven? En toen, toen schrok ze nog meer want een stille, gulden
kleerte stroomde over het hofken en van achter de jasmijnenstruiken
kwam dan een ezel, dragend een schoone vrouw in wijden witten mantel
drukkend aan haar borst een kindeken in witte doeken, en een man in
blauwen mantel stapte er moeizaam naast... Och Heere!... nu voer er
een blijde klop in Lijzebetheke heur kristelijk hert. Ze herkende
den schamelen stoet. Zoo stonden ze gebeeld, wit en blauw, in heur
gebedenboek, zoo prijkten ze op de schilderij in de kerk, zoo stonden
ze beschreven in heur "Gulden legenden". Het waren Maria en Sint-Jozef
en 't lief, lief kindeken Jezus!
Zie! hoe al de bloemen in de gulden kleerte opengaan, hoe elke bloem
vlamt heur eigen zoete kleur! Het waren als stralende lantarenkens
in den hof. Alles lichtte en de boomen en de struiken droegen plekken
klaarte, krakend vermiljoen, vlammend smaragd, gloeiend rood en geel
en blauw o! zooveel schoons nog! een wondere verlichting in dien
geruischloozen Meienacht!
Alles doemde op in de hovekens, gewekt uit zijn diepen donkeren slaap.
De twee huizen droegen veel helle lichtplekken, op de breedvingerige
bladen van den muur-wijngaard, en vele vlammekens in de groene
ruitjes! De spitse achtergeveltjes verschaduwde in de donkerte.
Lijzebeth zag het ezelken komen grauw van vel, en hoe zijn dunne
pootjes trapten zeer preculeus met rythmischen gang, met oppe-en-neere
het kopken, moe van zijn goddelijken last; Sint-Jozef blootshoofds, den
blauwen mantel lenig plooiend om zijn gebogen rug. Hij was barrevoets
met bloed tusschen de teenen, kwetsuren van de lange reis over ruwe
steenen en distelen. Hij droeg veel lijden in de diepe oogen en hield
den mond gesloten. Zijn neusvleugels trilden van heilige aandoening. En
de schoone vrouw in 't witte kleed, suste het goddelijk kindeken. Maria
met droomende oogen en de fijne lijning van kin en wangen, met den
slanken witten hals en de lange vloeiende haren die rijkelijk golfden
over den witten mantel en over den rug van het ezelken.
Ze stapten naar het fonteintje. Maria daalde dan terneer en sloot
zacht het kindeken onder den mantel en neurde lijze: Soeza, soeza
mijne, houd uw oogjes toe.
En Sinte-Jozef hield een bruin eerden kroesken onder het
waterpluimpken, vulde het met paerelende droppelkes en reikte het
zijne Vrouw.
Maria dronk voorzichtig, twee kleine teugskens maar, en zij maakte
met heuren vinger Jezus' kleine lippekens nat, en hij Sint-Jozef zijn
vader, dronk het laatste. Toen hij het kroesken geborgen had in den
knapzak, vastgesnoerd op het ezelken zijn rug, merkte hij het wit
van Lijzebetheke heur kap in de palmenhaag. Hij schrok, Sint-Jozef,
stak zijn witte handen smeekend vooruit, zoodat zijn blauwe mantel nog
schooner plooide, en sprak smeekend: "O, gij die heel devotielijk heet:
Lijzebeth, spreek nooit van Hem die uw bruidegom is, spreek nooit van
haar die uw moeder is, noch van mij. Spreek nooit van ons aan anderen,
gij die gelaten wachtend zijt den goeden Dood".
En Lijzebeth met onvaste woorden sprak gedempt: "O... neen... ik zegge
niets... nooit..." en verlegen dan sprak ze haastig heur grooten wensch
"zeg... mag ik dan het kindeken Jezus eens zien?..."
Maria had het gehoord, knikte vriendelijk lachend en hield haar
god-kindeken met beide handen geheven boven de haag... En toen zag
Lijzebeth Hem, den Meester van het Leven en de Dood. Heerlijk was
Hij, zegenend met zijn poezelige handjes het roerlooze begijntje. Hij
glimlachte.
Heur keel kropte, heur oogen schoten vol tranen en ze knielde neer
achter de palmenhaag... toen ze weer recht kwam was Maria gezeten op
het ezelken. Sint-Jozef zegde: "Lijzebetheke... God! beware u!..." Dan
stapten ze verder.
Lijzebeth hoorde het poortje opengaan en weer toe. Tegelijkertijd
vervloot de gouden kleerte en de vlammende bloemkens doofden.
Het was weer stille Meie-nacht. Ver, heel ver zong een nachtegaal
zijn koninklijke liederen.
Lijzebeth weende van geluk. Ze had hem gezien die aarde en hemel
geschapen heeft, ze had haar gezien, heur goede moeder: Maria!...
Toen is ze binnen gegaan, waar ze van den ganscher nacht niet geslapen
heeft, maar geschreid, geschreid om het hooge geluk.
De zomer overweldigde nu de boomen en de gewassen der aarde met
overdadig groen en de bloemen waren tot hun warmste kleuren en
tot vastheid van vorm gekomen. De zon was als een gat in de lucht
waaruit het hemelsche vuur in laaiende vlammen, op de berstende
aarde gulpte. 't Was stikkensheet en 't geleek of er in de natuur
een stilstand gekomen was en alle leven vastgevezen stond in deze
blakende hitte.
Maar och arme! 't pastoorken lag plat te bed en bibberend van kou,
met een zware ziekte die niemand begreep, die sterker aangroeide,
en stillekens aan, maar zeker het laatste leven uit zijn hart
peuterde. Tegelijkertijd was er een droeve lucht over het begijnhof
gedaald. De begijntjes en kwezelkens waren door die felle mare
uit hun lood geslagen en zwijgend geworden als toeë boeken. 't Had
hen uit de zalige tevredenheid hunner piëteit gerukt en nu leefden
ze in een atmosfeer, asempakkend en zwanger aan zwerte noodlottige
gebeurtenissen. Ze voelden dat er iets akeligs komen moest en dit had
hen zoo bevangen dat heel hun sante gedoe er van omgetuimeld was,
dat ze niet meer waren de brave zielen die zich heel en al aan den
grooten wil van hun Heer onderwierpen en zijn werking, hoe hard dan
ook, zonder morren aannamen. Het waren nu gewone menschen die kloegen
en jeremiasten om hun grijs herderken, lijk kinderkes om hun zieken
vader. Ze durfden tegen malkander niet zeggen dat God wreed was indien
hij hun pastoorken bij zich nam, maar ze dachten het toch. En ze
baden in hun witgekalkte kamers vóór het zwartlievenheerkruis dat de
dood zou keeren. Ze aanriepen alle heiligen en Sint-Just, die boven
de Pastoor zijn deur koploos troonde, in 't bijzonder. In de kerk
bleven ze bidden tot laat in den avend. Ze waren reeds te voet in
processie naar Scherpenheuvel geweest om van het wonder-beeldeken
te smeeken dat het de groote macht van de dood, die drukte op het
Pastoorken, zou breken. Ze hadden van alles beproefd, wat volgens de
veelzijdige middelen van hun geloof te beproeven was, koortsafbinden,
water van kruiskesberg, en andere wonderlike remedies... maar 't had
niets gekort. De dood kwam dichter en dichter en er was bijna geen
leven meer in 't hart van den Pastoor.
Tusschen die harrewarrende begijntjes stond Lijzebeth kalm en gelaten,
en hetgeen aan de gewone menschen zoo wreed schijnt, was heerlijk voor
haar die hem betrachtte: de Dood. Sedert dien Mei-avond was er in haar
een heele ommekeer gekomen. Ze was geworden een heilige--niet omdat
ze meer bad en vastte, neen!--die voelde hoe innig het was te leven
en heur ziel te weten als een wit-helle vonk, gebonden aan een gulden
draad, die vloeide uit Gods hert. Ze leefde in zaligheid, vergetend
de beteekenis van alle wereldsche dingen. Zij alleen kende de wondere
doening der Heilige Familie, zij alleen voelde de zachte streeling
der lichtende zegening van heur Heer. Ze zou die weelde immer voor
zich houden, het aan niemand zeggen natuurlijk... want anders...! o!...
Maar somtijds als ze zich verkneukelde van innig plezier bij 't
bedenken van heur rijkdom, kwam in haar een zwart vlammeken van
hoogmoed op: Wat zouden de menschen zeggen, zoo ze wisten... Foei
Lijzebeth! en ze bad daarna drie paternosters als boete voor dit
onzalig gedacht.
't Gebeurde wel eens, als de begijntjes alle te zaam waren in de
groote zaal en de Moeder-Overste voorlas uit heilige boeken van
Sinte-Christophorus die Jezus droeg of van Sinte-Augustinus die Jezus
ontmoette aan de zee, dat ze zoo graag had willen rechtspringen en het
uitroepen, het uitschreeuwen: "Ik heb ook Jezus gezien, en Jezus niet
alleen weet-ge, nee, neen, ik heb de heele Heilige Familie gezien,
Maria en Sinte Jozef".
En als ze daarna weer in heur kamer alleen zat was ze blij dat ze het
niet gezegd had en bad ze zes Paternosters om van die temptatie verlost
te blijven. Denk eens welke zonde ze doen zou met aan Sinte-Jozef
ongehoorzaam te zijn. Ze ging recht naar de hel voorwaar!
Het fonteintje was nu heur leven geworden. De gebeden die ze anders
ter kerke bad, las ze nu hier, in de roerelooze avonden. In de kerk
smakte ze aan heur zaligheid en bad geen fits... 't was wel tegen
de regels der orde, maar het was heur zoo natuurlijk geworden dat
ze het niet anders meer doen kon. En had Hij van dit water niet
gedronken? en was daardoor alleen, dit fonteintje niet geworden het
grootste heiligdom die er bestond in het heele land van Rijen? Had
hij het fonteintje niet opgezocht God weet van hoe ver! en rustte er
nu niet voor eeuwig het goede oog van zijn Vader op? Was dit water
nu niet het best-gewijde dat blonk onder de zon?
Het was in heur opgekomen dat ze het Pastoorken genezen kon met hem
van dit water te laten drinken. Maar langs den anderen kant vreesde
ze den wil des Heeren tegen te werken want wie wist nu toch bepaald
waarom God het Pastoorken, ondanks Scherpenheuvel en Kruiskesberg,
zoo lijden deed? In de wereld is er voor ons toch niets te doen dan
te luisteren naar hetgeen van boven komt.
Met die gedachte leefde ze rustig, biddend om de temptatie ver van
zich te houden.
Op een Zondag-namiddag, als de zomerhitte op het land daverde, zat
Lijzebeth in heur koele keuken en las devotielijk in heur liefste boek:
"De Hoeksteen van het godvruchtig en Kristen leven". Ze las het parabel
"Den Barmhartigen Samaritaan of hoe men ten allen tijden de lijdenden
verzorgen ende helpen moet". Ze verschoot toen ze die zwarte woorden
onder heur oogen kreeg, het bloed zonk in heur voeten, want nu voelde
ze duidelijk dat ze kwaad deed met het oude pastooreken niet te helpen,
en zelf door de dagen te varen, onbezorgd. Ze hielp heur evennaasten
dus niet. Wat zou men heur al niet zeggen kunnen, als ze verschijnen
moest voor Jezus' stoel! Zij hielp heur evennaasten niet en was als
de pharizeër en de leviet die voorbijgegaan waren en fel boeten zouden
hun hardvochtigheid.
Toen werd ze gewaar dat een groot kwaad heur drukte, dat al het
innige genot van vroeger een wazige onwaarheid was, een verdwenen
begoocheling. Het withelle vlammeken dat brandde in heur hert doofde
en de gouden draad die haar gebonden hield aan den Vader vervloot
in de blauwende lucht. Het drukkend gevoel der eenzaamheid, van het
verlaten zijn, kwam over haar, het boek ontglipte heur handen en in
een snikkend geschrei barstte heur diep verdriet uit!
Ze weende, en sloeg berouwvol op heur borst: "Och Heerken-lief,
vergiffenis, laat me niet alleene, ik wist niet, ik zal 't Pastoorken
helpen, laat me in Godsnaam toch niet alleene!" Lijzebeth weende,
en 's nachts heeft ze, het hoofd geborgen in heur peluw, de armen
kruisgewijs gedrukt op heur magere borst, zoo luide gesnikt dat ze
er heesch van was.
Toen de morgen zijn licht achter de aarde omhoog duwde kwam er
stillekens aan wat klaarte in het arme begijntje heur ziel. Een
stemmeke, nauw hoorbaar sprak heur het Pastoorken van het wondere
water te laten drinken, het was immers nog tijd, hij leefde nog, zij
behoefde niet te weenen, ze wist het niet, ze had gehandeld volgens
heur geweten, en hoe kon een onwetende zondigen?
Ja, ja, ze zou 't Pastoorken helpen.
Ze verlangde naar den avond om water te kunnen scheppen, verlangde
den heelen dag en keek gedurig aan naar de traagkruipende wijzers
der horloge, die den tijd kunnen meten.
Toen de zon achter de aarde verdwenen was en de langgerokken schaduwen
der boomen alles verdonkerden in de tuintjes, stond Lijzebeth reeds
ongeduldig in heur achterdeurken, een steenen kroesken in de hand, om
zoo gauw mogelijk maar verlost te geraken van heur grove zonde. Want
Heereje! had ze zoo eens moeten sterven! denk toch eens wat vreeselijke
straf heur wit zielken treffen zou! Ze hield zich vast aan de kille
deurklink om niet te vallen van dat gedacht alleen!
Als het heel donker was, dat ze de bloemen en de struiken niet
meer zag, sloop ze omzichtig heur hofken in tot aan het brokkelige
venstermuurken, wrong zich tusschen muur en haag door in het pastoorken
zijn hof en stapte vlug naar het wondere fonteintje, dat was als een
groote lichtend zwaard in de wegende donkerte.. Maar ei! wat deed
ze nu weeral! Liep ze hier niet op heiligen grond waar de Heilige
Familie in dien stillen Meie-nacht getreden had? Ze dierf niet voort,
want onwaardig was ze heur voeten te zetten waar Hij eens ging. Ze
wist niet wat te doen.
Plots kreeg ze het klare gedacht hier blootsvoets te loopen en ten
minste zoo dezen gebenedijden grond te eerbiedigen. Ze deed heur muilen
uit, stroopte de witte kousen af de beenen en trad nader. Vóór het
fonteintje knielde ze devoot neder, boog het hoofd en bad: "Geloofd
zij Jezus Christus". Dan, met bevende hand stak ze het kroesken
onder den neerdruppelenden straal. De druppelkens kletsten in het
kroesken. Nauwelijks was het vol of ze sprong en ijlde vlug naar
't einde van het hofken, blijde met het water.
Toen ze den anderen dag aanbelde bij Menheer Pastoor, het wonderwerkend
water in heur schoonste roodbebloemde kopje kreeg ze ineens een
akelig gedacht: Wat doen, als ze vragen zouden vanwaar dit watertje
kwam. Ze wilde aan 't peinzen gaan, terugloopen! maar daar hoorde ze
den slef van de meid reeds en de deur ging open. Met stotterende stem,
gansch verbauwereerd zei Lijzebeth: "Juffrouw, vergeef me, ja, hier is
water, gweet, water dat geneest, voor Menheer Pastoor". Ze werd rood,
als een kollebloem. De meid zei merci en kletste de deur toe.
Nu zou 't begijntje toch bekennen moeten. God toch! wat zou er dan
gebeuren? Zou ze niet kiksneergebliksemd worden om aan Sinte-Jozef
ongehoorzaam te zijn geweest en heur zieltje! zeg! heur zieltje
dan? Het was nu eenmaal zoo en nu zou de martelie beginnen! God! och
God toch! Neen! zeggen zou ze het niet, nooit zou ze het
zeggen! Liever ongehoorzaam zijn aan al de pastoors van de wereld,
dan aan Sinte-Jozef!
Zoo werd ze nu gekweld den heelen dag. Ze liep her en der van
ongerustheid, brak drie tellooren 's middags en verpletterde heur
vinger aan de achterdeur. In den nanoen liep ze de veste op, om
daar wat vrede te vinden. De zon kletste haar gloeiende hitte op het
zomersche land en deed alles krimpen in haar geweldig vuur. Ze wenschte
dat het water niet zou helpen, alzoo bleef alles in den doofpot.
Lijzebeth wandelde den Nethedijk op in de blanke zon. Nevens haar
broeide het hooggetijde water in de vlammende kleerte. De weiden
en de korenvelden gloeiden in den fellen brand. Alles was stil en
roerloos. De boomen stonden daar verschroeid lijk afgeleefde dingen,
zonder beteekenis. Lijzebeth zag die dingen. Maar in heur kop spookte
het anders! Wat had ze nu berouw de parabel van dien dommen Samaritaan
gelezen te hebben! Nu was 't uit het zoete leventje in de gedurige
aanwezentheid van Hem die heur zoo vaderlijk gezegend had! Ze poogde
heure gedachten te verzetten met te lezen in Salomons lied en ze viel
op den zin: "Mijn liefste is mij een bundelken mirre dat tusschen
mijn borsten vernacht--zie gij zijt schoon mijn liefste, ja liefelijk
van gedaante en het groen versiert onze bedstede..." maar ach! heur
liefste ging heenvlieden misschien, want ze voelde dat hetgeen komen
ging sterker was dan zij zelf. "Ach laat den Pastoor met dit water
niet genezen!"
Toen het op Sint-Gommarustoren zes uur rammelde kwam ze langs het
waschhuis het begijnhof in.
Maar zie wat was er nu gebeurd? wat liepen de begijnen zoo bedrijvig
rond? Ze zagen Lijzebeth en riepen heur van ver: "Zeg! zuster
Lijzebeth! 't Pastoorken is genezen! Menheer Pastoor is opgestaan! Het
water dat ge hem gebracht heb, genas hem, zuster Lijzebeth!
Waar hebt ge dat water toch gehaald? zeg! waar? Geef mij er ook wat,
zuster Lijzebeth!"
En ze liepen naar heur toe en wrongen zich om heur heen, vertellend
met grooten mond en vele gebaren van het wonder. En ze baden zuster
Lijzebeth: "Geef mij er ook wat voor mijn rheumathisme" en anderen:
"en mij voor mijn tandpijn" of "voor mijn eksteroogen, toe zuster
Lijzebeth!"
Maar zij gaf geen bescheid, want nu zou ze den genadeslag
krijgen. Zeggen of niet zeggen! en o! de hel! langs alle kanten de
hel! ze lachte pijnlijk en stapte vlug huiswaarts nu, immer omringd
door die snappende begijnen die kloegen, kloegen steenen uit den
grond om de simpele pijnen die ze te verduren hadden.
En ei! aan den draai van 't Sint-Agathastraatje zag ze Menheer Pastoor
frisch en blij in zijn deur staan. Zij liep naar hem toe en bad met
hokkende stem: "Och! Menheerken, vraag het niet, vraag het niet, er
zit niets kwaads in! als 't u blieft! vraag het niet". Hij goedmoedig,
lachte tevreden en antwoordde: "Och! 't is niets, zuster, ge moet het
niet zeggen nu, 't is goed zoo, ik bedank u zeer!" Blijde vluchtte
het begijntje in heur huis.
Lang nog bleven de andere zusters met koppeltjes in het straatje staan,
geheimzinnig besprekend het mirakel van den dag.
Sedert dezen dag leefde Lijzebeth alleenig. De zusters schuwden heur en
spraken heur nooit meer aan. Ze gaf daar niets om. De vreeselijke angst
dien ze echter sindsdien uitstond van toch eens gedwongen te worden
uitleg over heur wonderwater te geven, verzwakte heur merkelijk. Ze
sliep er bij nacht niet van en vermagerde als een riet.
Zaterdag voor Ons-Heer-Hemelvaart riep Menheer Pastoor heur bij zich.
Nu zou het gebeuren, dacht Lijzebeth.
Wit, als het wit van heur effengestreken kapken, trad ze in zijn
lage achterkamerken. De superieure en de priester zaten aan de ronde
tafel. Zij ook moest zich zetten.
En hij zei dan: "Juffrouw Lijzebeth, de dingen zijn in den laatsten
tijd wel anders gegaan dan ge hebt gepeinsd. Er wordt hier veel over u
gesproken. Er worden geheimzinnige, vreeselijke dingen verteld over u,
sedert ge me dat wondere water hebt te drinken gegeven. En ik vraag
u nu, vlak te zeggen in de tegenwoordigheid der Eerweerde Moeder
Superieure, waar ge dat water gehaald hebt".
Lijzebeth weende.
"Kom, ween nu niet", zei 't Pastoorken, "er steekt immers toch geen
kwaad achter".
Toen beet ze hem toe in harde woorden:
"Neen! neen! 'k zegge niets, niets!"
"En de gehoorzaamheid aan uwe oversten?"
"Neen! neen! 'k zegge niets, niets!"
"Goed dan!" zei hij weer, "'t zal dan toch wel waar zijn!"
"Wat waar zijn? o! weet ge het dan? weet ge het dan? maar ge kunt
niets weten, niets, niets, ik heb nog niets gezegd! ge kunt het niet".
Ze verstonden het anders. De superieure en de Pastoor stonden recht
en gingen bevend achteruit...
"Ga! wij zullen weten wat te doen!..."
"Wat doen toch, wat doen?"
"Ga nu!"
Toen trad Lijzebeth de gang in. De twee anderen volgden. De voordeur
stond open. Ei! wat al begijnen die daar stonden voor het huis,
dicht tegen elkander gedrumd, wit en zwart, en met nieuwsgierige
gezichten naar Lijzebeth gekeerd toen ze in het deurgat kwam. Het
arme begijntje was beschaamd en dorst niet opzien.
"Wat doen toch?... zeg! wat denkt ge van mij?..."
En hij, Menheer Pastoor, stak de borst vooruit en sprak met hoekige
woorden: "Liever ware ik gestorven dan genezen te worden door de
macht van den duivel, nu is het leven me een vloek! een vloek!"
Daar had ge het! daar hadt ge het! hoe vreeselijk!
En al de begijnen samen barstten uit met geweldige rapstemmen, als
't kraaien van oude hanen: "Tooverheks! tooverheks! duivelskind!"
En zij toen, in edele verontwaardiging stak het witte gelaat fier
vooruit en schreeuwde in hokkende klanken: "Gij slechte menschen die
God lastert! neen ik! ik ben geen tooverkind! Het water heb ik geput
aan 't Pastoorken zijn fonteintje! ja! aan zijn eigen fonteintje! waar
de Heilige Familie aan drinken kwam, ja! ja! Jozef en Maria en
't Kindeken en 't ezelken, dat heb ik gezien! ik gezien! en daarom
is het water zoo goed!" Ze kon niet verder. Heur borst hijgde van
't danig geweld.
Maar de anderen, niet geloovend, riepen woest: "Dat 's niet waar! dat
's niet waar! hoe zoudt gij! ge liegt, leelijke tooverkol! Jezus is in
den hemel en de vlucht van Egypte is duizenden jaren geleden! En hoe
zoudt gij? gij zijt niets meer dan wij! niets meer! tooverheks!" Toen
is Lijzebeth van heur zelve gevallen, op de kille steenen van de
straat.
De begijnen zijn naar huis gegaan. De superieure gebood het.
Zoo lag zij, die Hem gezien had, verlaten in de stille
straat. Achter de gordijntjes der andere huizen loerden nieuwsgierige
begijnen-koppen. Zij is terug bij heur zelve gekomen, is in heur
huizeken gesukkeld en heeft zich daar tot bloed geslagen omdat ze
Gods gebod nu toch overtreden had.
Den anderen dag verliet ze het begijnhof. Het fonteintje stierf na
haar vertrek en 't vijvertje werd gedempt. Ze woonde in steden en
dorpen, in hoef en herberg, als meid. En als ze te weten kwamen
dat ze getooverd had, moest ze weer de baan op, om den spot en
de verachting te ontgaan. Op 't laatste kwam ze in de Walen--waar
men aan God niet gelooft--bij een slunsige boerin terecht, waar
ze varkens hoeden moest. Toen men van heur wonder leven vertelde,
lachte de dikke boerin medelijdend, en zei dat ze onnoozel was.