Cicielken, die hardhoorig was, en gaf geen bescheid; ze slenterde
langzaam naar huis.
De stilte woog loodzwaar in de keuken. De horlogeslinger kapte den
tijd in kleine stukskens. De avond steeg uit de eerde en vulde 't
geluchte met zijn warme donkerte. De hemel was donkerblauw, als een
fluweelen zee, waar schipkens drijven met ontstoken lanteernkens
in den mast. 't Begijnhof was zonder geluid. Kathelijne zat nog op
heuren stoel en snorkte regelmatig met den tik-tak van het uurwerk...
Plots dommelden er acht klokke-tonen op de ruiten.
Ze schoot wakker, angstig, wreef zich de oogen, zocht naar heur
gedachten, die holderdebolder in 't dikke kluwen van dezen slaap
verward lagen. 't Was al zoo donker! Ze luisterde naar de stilte
die suisde. Ze zag het venster, met het groote kruis van 't raam
achter de ijle gordijntjes. Ze luisterde weer naar de stilte, totdat
opeens het knersend tikken van de horloge vooruitsprong en heur bij
de werkelijkheid trok.
Maar ei! ze kreeg er een steek van in den kop! daar djokte het akelig
vooisken weer op, spottend en schril, op maat van den knersenden
tiktak: "En ge gaat er niet in, en ge gaat er niet in!..." En ineens
begon heur spijt en heur haat te prikken en te wroeten in heuren
boezem, als doornenranken. "'t Moet hier weg!..." Ze was alleen,
Geertruide was bij Markeken Ronk met het ganzenspel gaan spelen,
en nu kon ze middelkens bepeinzen om het van kant te maken...
Zou ze 't stelen?... maar dan? Wegwerpen in de Nethe, en geen haantje
zou er nog over kraaien? Doch 't beeldeken zou nog bestaan alsdan en
heur nog meer komen tempteeren! of 't zou ergens stranden, en alzoo
't voorwerp worden eener groote devotie!
Het in stukken kappen en 't verbranden in heur stove? Ze moesten
het eens te weten komen! Heur gepeinzen dwaalden in een duister hol,
waar geen uitweg aan te vinden was. Ze zou eens door 't sleutelgat
gaan kijken bij Geertruide, om het beeldeken te zien; wellicht kwam
er dan een lichtje in heur hersens. Ze stond op, ging op de teenen
de gang door en bracht heur oog aan 't sleutelgat.
't Was donker in de keuken. Vóór 't Lievevrouwken lag in een donker
rood glazen potteken een vlammeken te wiegelen en gaf een schoonen,
stillen schijn aan het beeldeken, dat lachend stond in zijn witbrokaten
kleedje. Op de zoldering, recht boven 't glas, wiegde een groote
roode ronde. Al 't ander stak in het duister. Kathelijne zag maar
toe en duwde heur hoofd tegen de deur. De deur stond op een kier en
draaide piepend open.
Ze verschoot. Het was hier stil als in een graf. Ze zette zich van
schrik op een stoel.
De haat kwam weer boven. 't Was dàt nietig stuksken hout, dat heur
schoone leven vernield had, dat heur laatsten oude-menschen-dag kwam
vullen met gal en edik.
Plots een klonengeklop op de trap! Er was toch niemand thuis!.... En
eer Kathelijne den tijd had te peinzen, zag ze door het deurgat,
op de trap in het gangsken twee geel-berookte holleblokken, waarin
twee dunne, felbehaarde spillebeenen staken. De klonen daalden, de
een na den ander, en klopten op de treden. Kathelijne vergriezelde
och Heere! en als ze weer bijkwam, zag ze binnenkomen een grooten
vent in witte monnikspij, het hoofd verscholen in de punt-kap en
lezend in een oud, groot boek. Er hing een verroeste koffiemolen
met een touw aan zijn linkerschouder. Terwijl kwam er een dunne,
grijze klaarte de keuken ingedreven en 't begijntje zag onder de kap
een rooden dop-neus die op en neer ging. De vent zette zich onder de
tafel, sloeg met een flap zijn boek toe en begon aan zijn koffiemolen
te draaien, dat het piepte en knerste alsof men er een biggetje keelde.
Kathelijne en roerde niet en zat als gebeeldhouwd op den stoel. Ze
keek met gespannen oogen naar den pater die zijn molen liet vallen
en weer zijn boek opnam. Telkens hij een blad omdraaide, joeg er een
fluitende wind door de keuken.
Bots! en uit het breede schouwgat tuimelden drie rosse geraamten. Ze
knetterden met hun tanden alsof er honderd ratels klepten.
Uit het kasken kropen er twee oude peekens, kletsnaakt, met oogen
op hun achterste, gaven elkaar de hand, wandelden door de keuken en
vertelden wat met fluisterstem. Ze lachten genoeglijk. Drie zwarte
kraaien kwamen krassend uit de gang gevlogen en zetten zich op de
gladde koppen der geraamten. Ze bleven met hun vleugels slaan, totdat
de drie pietjes de-dood hun lawaai staakten. De pater sloeg zijn boek
toe en de ventjes zetten zich nevens de stove, op hun oogen. Nu was
er een diepe stilte. En 't Lievevrouwken stond onnoozel te blinken
in het roode lichtje.
Er kwam een bleeke vrouw de keuken in. Ze was gehuld in een zwarten
mantel en droeg om den hals een levende adder. Uit heur mondhoeken
leekte bloed in dunne streepkens langs heur kin. Het licht in de
keuken zwol bij heur binnenkomen. Kathelijne bezag de vrouw... en
wonder! heur schrik smolt weg en 't wierd heur wel aan het herte. Ze
loech de vrouw tegen, zeer vriendelijk, alsof ze heur goed kende. De
zwarte vrouw kwam nevens 't begijntje zitten en nam heur bij de
hand. Ze lachte genegen en toonde Kathelijne veel vieze gedrochten,
'n voet hoog, die stillekens binnenschoven: groote eierschelpen,
waaruit twee kikvorschenpooten klauwden en een groote kop bovenaan,
opgeblazen en scheel; een verneukeld wijveken, dat geld aan het tellen
was en de stukken een voor een in een kikvorsch zijnen muil wierp, die
nevens heur kroop; saters met bokspooten, die op een zevenpijp zotte
liedekens speelden; kaboutermannekens en wiemkens met dikke koppen,
loopend op hun handen, de puntschoenen wiebelend in de lucht. 'n Hoop
zwarte duivelkens, met een Hollandsche pijp in den kop en tegelijk
zwierend een grooten vuurpot, waaruit allenthenen smeulende sprankels
vlogen, besloten dezen wonderbaren stoet.
't Helsche volk staakte zijn spel en hurkte neer op de roode
plaveien. Met gespannen oogen tuurden ze naar de gang waar het
pikdonker was. 't Roode lampken brandde stil.
Er zwol een zoet muziekgedruisch nader en plots achter de deur ging
de processie voorbij. 't Waren alle kleine ventjes, een duim groot en
't was dezelfde orde en doening als dezen morgen, met het purper en
rood der vanen in 't wit der maagdekens in een gouden schijn die er
om wolkte.
Kathelijne heur schrik was vergaan en ze moest lachen om dees wonder
vertoon. De gedrochten in de keuken keken hun groene oogen uit hun
lijf! Zie! daar kwam de zilveren relikwiekas van Sinte-Begga, gedragen
door vier witte begijntjes en Geertruide van voren links! Al de spoken
knarsten nijdig op hun tanden en vuur sprankelde uit hun mond. En de
zwarte vrouw zei in 't oor van Kathelijne, wijzend naar Geertruide:
"Dat is uwe plaats, en men heeft ze u ontnomen!"
De kristelijke stoet ging verder: de muziek verklonk en alles verdween,
opgezogen door de duisternis.
't Lievevrouwken was rood in het licht van het lampken.
Ineens stampte de pater met zijn klonen op de plaveien, draaide met
geweld aan zijn koffiemolen en begon luid te zingen. 't Was een teeken,
want met een sprongen de geraamten recht en beenden zot door de keuken,
en tusschen hun vlugge, kletterende beenen door draaide en danste heel
het smalle gespuis, schreeuwend en schuifelend. De zwarte duivelkens
zwaaiden er tusschen door met hun vierpot, dat een regen van gensters
over 't huppelend volkje starde. Plots schreeuwde de kikvorsch met
wijdopen bakkes. De spoken rolden holderdebolder over malkander,
sprongen vlug recht en zochten een plaats in den haard.
De dunne klaarte vloot de kamer uit en 't werd donker. Kathelijne zag
de geesten bijna niet meer. Rood danste het lampken op de schouwplaat.
De zwarte vrouw stond recht en bracht 't begijntje vóór het
beeldeken. Ze sprak toen: "Wie is er de schuld van, dat ge niet in
de processie gegaan zijt?..."
Kathelijne voelde den haat weer wringen in heur boezem. Ze vergat
het heele spel van spoken en duivels en heur stem beefde van woede:
"Dié... dié daar!..."
En de vrouw sprak: "Die moet hier weg!"...
De duivels met hun lollepot kropen in 't midden der keuken en staken
hun pijp aan. Ze speekten 'nen keer in de gloeiende kolen en daar
kronkelden omhoog schoone vlammen, die het kamerken verlichtten en de
smoelen van 't spookvolk nog afschuwelijker maakten. De drie geraamten
dansten rond de potten met de krassende kraaien op hun schedel en al
de helsche broeders floten en zongen:
't Lievevrouwken weg van hier,
't Lievevrouwken weg van hier,
in de vlam van 't helsche vier!
De duivelkens speekten aldoor in hun potten om de vlammen wakker te
houden. En het liedeken schokte door 't heele huis:
't Lievevrouwken weg van hier,
't Lievevrouwken weg van hier,
in de vlam van 't helsche vier!
Het deed Kathelijne deugd aan het hert en ze knikte goedgunstig. De
zwarte vrouw fluisterde: "Steek het in brand, dan zijt ge er af,
toe Kathelijne!"
En 't begijntje triomfeerend, zocht een stoksken in den houtbak
onder de stoof, stak het stoksken in een vuurpot en wachtte tot er
een vlammeken aan tongde. Ze hield het brandend houtje vóór heur,
lachend van blijdschap om de gevonden wraak. Ze duwde het stoksken
onder 't kleedje van 't Lievevrouwken; in een wip flapte een helle
vlam omhoog en wentelde er rond.
De spoken schoten in een lach en stormden de keuken uit. De pater
zijn klonen klopten zwaar op de trap. De zwarte vrouw liet een kres
en vluchtte ook.
En er kwam een angstige stilte.
Kathelijne zag het Lievevrouwen-kopken lachend in den vlammenkegel en
meteen rees in heur geest het schrikkelijke van deze werkelijkheid. 'n
Heiligschenderij.... de hel! de hel!! Ze sloeg heur kromme nagels
aan haar kap en zag met open mond en wijde oogen het vurige beeldeken
aan. O! de verdoemenis!...
Ze viel op heur knieën: "o Lievevrouwken! in Godsnaam en brand toch
astenblieft niet af. Ik zie u zoo geren! gotogot! Lievevrouwken!..."
Maar de vlammen likten voort en krulden smerigen rook weg. Het blozend
gezichtje werd zwart en verrimpelde onder een vlam.
Nu zou ze zeker naar de hel!... "Astenblieft
Lievevrouwken:... gotogot!"
Ze sprong recht, greep het vlammende beeldeken en prangde 't aan heur
borst: "Ge moogt niet afbranden! ik zie u zoo geerne!"
De vlammen plakten op heur borstdoek, kronkelden langs heur boezem
omhoog en sloegen heur in 't gezicht. Ze stuikte op den vloer, joeg
de vlammen weg met radde handen, maar het vuur spiraalde om heur
lijf. Ze spartelde en wrong als een paling; ze sloeg heur hoofd op
den grond: "'k En zal 't niet meer doen!... nooit meer doen!" Ze
rochelde. O! die brand om heur lijf! die brand in heuren buik! die
brand in heure borst!...
Een groote vlam in heur gezicht woelde, sloeg heur blind, neep den
neus af, wrat de wangen weg en liet de tanden grijnzend bloot. De
vlam slingerde rond heur schedel. Er schoot een schicht door heur
hersens en ze was dood, pier-dood!
Kathelijne smeulde uit en een heete, verkoolde romp bleef er over.