I
In de Lente als de eerste madeliefkes pimpeloogen in 't jonge gras en
de kastanjelaren plakken van 't snot, wierd Suska geboren in de kooi
van de ouderlijke schuit: "De arke des Verbonds" genaamd. Het meisje
was rood als een pioentje en malsch gelijk een abrikoos, een wolk van
een kind. De vader was blij en hij danste van plezier omdat het jong
geboren was in het teeken van de visschen, het waterelement. Het was
kermis in 't schip, ze dronken bier met suiker, bakten pannekoeken en
stoofden droge pruimen, en de schippersknecht haalde zijn harmonica
voor den dag en speelde er den heelen avend op. Dit gebeurde achter
het Liersch Begijnhof en den anderen dag wierd het borelingsken er
gedoopt door 't pastoorken met het eene oog en den mond zonder tanden.
En de Arke vaarde naar Grobbendonck en Herenthals zooals ze alle weken
deed met steen, kolen, graan en smout in den buik, tot den dienst der
menschen. Zoo deed zij 't al jaren en Schipper Verstokt won er zijn
broodje mee en smoorde zijn pijp in den vrede des harten. De moeder
zong een kermislied en het zwert hondeken baste tegen Suska. Uit de
Lente groeide de korengevende Zomer, die op zijne beurt verrimpelde tot
de koninklijk gekleurde herfst, vol dunnen mist en fijnen zilverdraad,
te heerschen begon. De Arke vaarde door regen en slegen, grijs weer
en zonneschijn.
Als de witte winter het land toedekte en de eerste vorst 's nachts
sterrekens van ijs op 't water in malkaar spon, kwam de Arke des
Verbonds achter 't Begijnhof aanleggen en liet er zich vastvriezen om
er den kalen winter door te brengen. Alles werd van 't dek geruimd
en 't schippersvolk wachtte er de Lente af, gedoken in de warme
holte van het schip. Om een stuiverken meer te verdienen in dezen
kouden tijd en 't vet van den zomer niet heelemaal te moeten opeten,
timmerde vader Verstokt een slee, bond schaverdijnen aan zijn voeten
en reed er mee naar Lachenen om een tonneken dubbelen gersten en een
flesch jenevel. De schippersknecht schuurde het ruim, plaatste er
een geutijzeren stoveken in, en huurde bij een kleerkooper tafels
en stoelen. Uit een kist wierden pinten, borrels, pijlschijf en
speelkaarten gehaald en in deze vreemde herberg kwam het volk den
Zondag daarop bier drinken en pijpen rooken. 't Was iets plezierigs
een staminee op een schip, en de schipper en zijn wijf tapten en
schonken en het mansvolk amuseerde er zich tot laat in den avond. Zoo
ging de tijd om tot de winter ook al oud wierd, de dooi het ijs deed
smilten en 't gescheurde ijs in schollen afdreef. En de Arke vaarde
weer de vroegere wegen op. Zoo verliepen de seizoenen en verzwonden de
jaren. En Suska groeide als een bloem, kraaide en zong op het dek en
's avonds leerde heur moeder heur bidden en breien en lezen in het
Kruisken A. Ze leerde de dorpen en gehuchten kennen waar ze voorbij
vaarden: Lier, Emblehem, Nijlen en meer, wist hoe het Netheland
er uitzag in de drie open seizoenen en ze had er een deugd aan de
boomen en de huizen te zien onder de wisselende hemels, maar ze zou
er niet hebben willen wonen. Ze hield van het water, het aangename,
levende water waarop de zon en de maan zoo schoon spelen konden en
de winden ritselden en de regens ruischten. Ze maakte schuitjes uit
oude holleblokken en heur vader leerde heur zwemmen. Voor geen geld
zou ze te lande willen zijn in de duffe huizen en die benauwelijke
straatjes!...
Maar tusschen die reeks van landschappen die wekelijks aan heur
voorbijschoven was er een waar ze met de jaren meer en meer van te
houden begon en dat was het Begijnhof met de roode spitse daken,
de witte gevels en het fijne torentje waarin het zilveren kloksken
zóó innig te zingen hing.
Als ze uit Herenthals leeg wegvaarde, rap en hoog boven water met
de afloopende tij kwam er een blijde klop in heur hert en zat ze op
't voorsteven te kijken of ze, tusschen Sint-Gommarustoren en 't
gothieke Belfort, boven de huizen en de boomen het Begijnhoftorenken
niet zag. En als ze dan, de stad omgevaren, het daar rood en wit
en groen tusschen de vesteboomen liggen zag, met de vredig smorende
schouwpijpen voor den vierurenkoffie, dan wierd het heur zoo zoet om
't hert dat ze den wellust van 't varen vergat alsmede de wisselende
tafereelen uit dit malsche land van Rijen, zóó schoon en innig als
een land van Belofte. En Suska, dan, blozend en blond gezeten op
het groene watertonneken, keek heur oogen uit heur lijf en ze dacht
somwijlen aan het leven in die zuivere huizekens en begijntje te zijn
en met een wit laken over den kop, in het lof vol blauwen wierook, als
verloofde Kristi den Heer te loven en te danken... Maar och! dan rook
ze het water weer, voelde het malsche water en overzag de bochtige
Nethe gewonden door de vette landen en ze zuchtte. Het water! het
water als het bloed van heur hert, ze zou het niet kunnen verlaten!
En als de winter de wereld onderdekte onder zijn sneeuw, als de eenzame
huizen onder al dat witte geweld in den grond schenen te zinken,
als de berken lijk wolken van licht, en de olmen wit te schitteren
stonden in de half-blinde zon; als de Nethe toelag en er iedereen op
schaverdijnde dan lag de "Arke des Verbonds" weer achter het begijnhof
onder een witte sargie en klonken in het ruim het lachen en 't zingen
der mannen bij 't drinken van 't smakelijk bier. Het zwarte scheeve
schouwken dat tegen den mast omhoog stak rookte als een duivelspijp,
want daarbinnen wierd er gestookt als in een bakkersoven.
Dan was 't een zoete tijd voor Suska. Ze ging elken morgen met heur
moeder naar de mis, volgde de officiën, ging ter vespers en las mee de
novenen van Sinter-Klaas, Kerstmis en Driekoningen. Telken Zondag wierd
ze uitgenoodigd op een koffie bij 't een of 't ander begijntje, speelde
een loto of een ganzenspelleken en ze spraken over geestelijke zaken,
de martelingen der heyligen, de verschijning van Ons-Lief-Vrouwken
en de schoonheid van den Hemel. En al de devote zielen stelden zich
in de weer om het blonde, blozende schippersmeisken te behoeden
voor wereldsche verleiding en ze gaven haar boeken, paternosters
en schapulieren. En in die atmosfeer van kerstenheid en bidden en
gelukkige leven in Godes alderzoetste tegenwoordigheid, smaakte Suska
de fijnste geneugten van de ziel en ze wenschte dat er een Begijnhof
mocht bestaan op een schip... Maar dat was nu helazen niet! En er
kwam twijfel in haar, die dan weggeblazen wierd door den vromen geest
dien ze inademde uit de gekregen boekskens, zooals Thomas a Kempis,
de Gulden Legenden en zoo meer, maar van zoo haast ze geteerd houtwerk
rook dacht ze aan het water en het schippersleven en vergat ze 't
Begijn-zijn... Het water kon toch zoo schoon zingen als de wind er over
voert en was daar God ook niet tegenwoordig vermits de psalm zeide:
"De wateren spreken met den Heer!"
Zoo wierd ze met heur twijfel van hier naar daar gestuurd, Ze kon
geen besluit nemen.
De Lente wapperde een lauwen wind in de zwarte boomen, knoppen schoten,
de grond rook en weer ging de "Arke des Verbonds" de waterwegen op. En
elken Winter stond vaster Suska's wensch Begijntje te worden en al
het eerdsche goed en ijdele verlangen op te offeren om te worden de
gelukkige verloofde Onzes-Heeren Jezus-Kristus, tweede persoon der
Alderheyligste Drievuldigheid.