II

En op heur twintig jaar nam zij het vast besluit Begijntje te

worden. En dit deed ze tot grooter vreugde harer ouders die waren

van oud kerstengeloove.

Ze nam heuren intrek bij het dik begijntje Stommels in 't huizeken

genaamd "'s Hemels Poorte" 't laatste van het smalle en donkere

Vagevierstraatje. Daar leerde ze den fijnen kant op de raam maken

en vier maal in de week, tusschen licht en donker, ging ze naar 't

eenoogige Pastoorken, die heur vaderlijk voorbereidde om te worden

een waarachtig kindeken Gods. En eer de Zomer zijn rijkdom te blinken

lag in de zon, was Suska in 't Convent met twee andere novieskens en

kreeg ze heur religieuse kleeren aan. Ze bad veel, vastte, was van

's morgens tot 's avonds in gesprek met Onzen-Lieven-Heer en zijn

Lieve-Moeder en op den patroondag der heylige Pelagia, Sondersse,

werd ze verloofd met den zoetsten Zone des Hemels. Ze betrok de

helft van "'s Hemels Poorte", werkte in den zonneschijn achter heur

gordijntjes in den kant, tot onderhoud van het dak waaronder heur ziel

woonde. De pastoor haalde eer van zijn werk en deed zijn een oog toe

van voldaanheid en zei met zijn tandeloozen mond: "Een schoone ziel

gewonnen voor den hemel".

Ze was een exempel, Suska! Ze bad inniglijk, mediteerde de passie,

bleef het langst in de kerk, las god-gewijde boeken en tijdens

heur werk zong ze geestelijke liederen. In heur keuken kraakte

het van properheid en ze hield een kanarievogel, die hing boven de

deur en hij zong zoolang hij licht zag. Het zwert hondeken had ze

ook meegekregen, een schipperken van 't echt ras en zijn naam was

Felinks. Op heur kasken, vóór de plaasteren Lievevrouw onder stolp,

lag op een kusken een zeilende driemaster in een flesch en onder het

beeld van den Heyligen Blasius op de schouw, hing gekonterfeit de

"Arke des Verbonds" met witte, bollende zeilen op een blauwsel-zee met

witte golf-kammekens. Vader stond aan 't roer, recht als een geweer

en de schippersknecht Louis zat in 't toppeken van den mast. 't Was

Suska een werkelijk genoegen dat schip te bekijken, zooals het daar

over de baren vloog met den blijen wind in de gezwollen zeilen en

dan droomde ze van heur kindsheid, dien zoeten tijd, de open lucht

en het welriekende water.

Zonder dat ze het zelf wist dacht ze er soms aan hoe aangenaam het

wezen zou begijn te zijn op een schip, zoetekens weg te smilten in

geestelijke oefeningen en toch te water te varen. En ze zag er de

andere begijnen, en in 't ruim de kapel, en het koperen kruisken

in den mast, en wit en rood, de kleuren des hemels, was er er alles

geschilderd. Ze zag het tot in zijn minste bezonderheden en het groeide

in heur tot een werkelijk bestaand ding. En als zij zich zelf verraste,

verwijlend bij dien droom, dan kreeg ze er spijt over, bad een vaderons

en maakte zich zelf wijs dat het hier in heur huizeken met de bonte

bloemen, en 't groen voor 't venster in 't hofken en den zonneschijn

op den tichelvloer, veel beter moest zijn dan op een schip!

Wekelijks voer de "Arke des Verbonds" achter het Begijnhof voorbij en

dan stond ze reeds uren te voren op den dijk te wandelen om het schip

te zien en heur Vader en heur Moeder. Ze beleefde er een malsche deugd

aan, het schoone schip te zien aankomen, en ze vertelde dan telkens

dat ze toch zoo geren op 't Begijnhof woonde en heur gedachten vlogen

onwillens naar het schip met de begijnen in... Stilaan gaf ze toe

aan die droomen want wat kon het God deren? En daarbij zoo'n varend

hof kwam er toch nooit!...

Ze wandelde meer en meer langs de Nethe die tusschen de met populieren

gefestoende dijken door de vettige beemden kronkelde naar den blauwen

horizon. Ze sloeg geen dag meer over zonder buiten aan het water heur

schippersziel eens op te halen. En ze zette zich in 't gers en bad er

zoo goed als in de kerk. De koelte en de reuk van het water haalden

heur ziel omhoog als orgelspel of preek...

Eens las ze van Sint-Marcus en van Venetië en zoo kwam ze te weten dat

dit een stad was met straten onder water en dat de menschen ter mis of

te boodschappen gaan in schipkens en in schuitjes... Ai mij! waarom

was 't Begijnhof ook alzoo niet een stedeken waar elk begijntje

heur bootje zou hebben om ter kerk te wrikkelen! Kon de Nethe nu nen

keer overloopen bij de eerste nieuwe maan en alles overstroomen dat

't er nooit meer af en kon! En 's winters dan zouen ze er allemaal

op schaverdijnen!... Dat zou het zijn!

Maar wat was me dat een verschiet, toen op een schoonen morgen heur

vader en heur moeder heur afscheid kwamen zeggen en heur het nieuws

brachten dat ze nooit meer naar Grobbendonck zouden varen. Ze konden

meer verdienen tusschen Boom en Dendermonde en dat konden ze niet

laten voorbijgaan...

Het droeve nieuws viel als een steen in een stillen vijver... Ze

heeft koffie opgeschonken en is meegevaren tot aan 't hofken van

Ringen... En toen heeft ze de "Arke des Verbonds" zien wegzeilen

tusschen de populierenstammen en ze is aan 't snikken gegaan als een

klein kind... Nooit zou ze nu nog de Arke zien varen op de klare

wateren van de zoete Nethe!... nooit meer!... nooit meer zou ze

varen!... Ze slenterde moezaam terug huiswaarts, zoo triestig gestemd

dat de tranen in haar oogen welden.

Het was na den eenen als ze thuiskwam.

Begijntje Stommels schoot uit.

Maar juffrouw Suska toch! zijn me dat manieren! zoo lang weg te

blijven!... 't Eten is koud en ge hebt niks gewerkt. En ge hebt zelfs

niet gelezen want ge hebt geen boek bij!

Toen ze heur roode kaken zag en de betraande oogen, wierd ze verteederd

en ze zei zoeter:

"Wat... wat is er toch?"

En Suska heeft heur alles verteld.

Toen zei begijntje Stommels wijselijk:

"Ge moet te biechten gaan! Zuster Suska!"

En ze ging te biechten en beleed ootmoediglijk dat ze van schepen en

van varen hield buiten mate.

En de Pastoor zei:

"Mijn kind, Jezus is uw bruidegom en Maria uwe moeder. Ge moogt

maar alleen voor hen leven. Schepen en varen is eerdsch goed en

ijdelheid. Maak van uw ziel een schipken met het gebed als mast en

de goede werken als zeilen en dan zult ge naar den hemel varen! Uw

leven is in de kerk en in uw huizeken. Bid want de duivel beloert u".

En thuis viel ze met heur kop op de tafel, snikte, vroeg om vergiffenis

en was vast besloten alleen maar aan God te denken.

Begijnhof-sproken · 第 7 / 23 题