BINNENLEIDING

De gele avend matte de witte huizekes en de bleeke straat-keien

in hun kraagjes van groen gras. Wij zaten zwijgend gehurkt op den

kouden dorpel van een scheefgezonken poortje. De beeklok klepte drie

hommelende klanken open; en vóór ons, achter smalverlicht venster

ging de bevende paternosterstem van een begijntje op en af, en vier

andere doovere monden mummelden den overschot der weesgegroeten. En

lijk appelenreuk in een kast waar appelen hebben in gelegen, zoo

leefde hier de vergane devotie der Kerstenheid.

En heel de mystiek van Jesus-Christus, zijn honigzoete moeder en

den duivel, en al wat daaruit opfleurde en ermede verwelkt is, was

hier nog te zien als een oude gobbelijn, die door 't verouderen nog

schooner geworden is als hij was. Wij voelden het vergane leven dat

hier na-geurt in 't simpel gedoe der witgekapte begijntjes. Ons hart

smolt van ontroering en een sprak: Een Begijnhof is een doode heilige,

die nog een aangenamen meloenenreuk heeft.

En de andere zei:

Laat ons schrijven over dien reuk.

En dan hebben wij deze antieke verhalen geschreven tot profijt ende

jolijt der menschen die wonen langs de zee, in 't blonde Holland en

het malsche Vlaanderen. En wij hebben er heel devoot dien reuk in

neergelegd. En wie hem niet rieken en mocht, verwijte het niet ons,

maar zijnen neuze.

"Dit hebbe ik u gezegd, opdat het u geen hindernisse worde", spreekt

Sint-Jan.

Begijnhof-sproken · 第 5 / 23 题