Dat kleine plein Notger is bijna uitgehouwen in den steilen heuvel,
den Publemont, die met zijn tuin en bosschages, met de langs zijne
helling gebouwde huizen en het plein Saint-Pierre op de hoogte, zelf
eenigermate den indruk maakt van een monumentale trap in den stijl van
Piranese. Zulk een trap bestaat echter ook in de werkelijkheid: een
weinig verder, in de straat Hors-Château kunt gij haar zien, stijgende,
altijd stijgende, immer hooger, tot de esplanade van de citadel, van
waar men een der schoonste uitzichten heeft over Luik en het Maasdal,
aan de eene zijde tot aan de Ardennen, aan de andere tot aan den
Sint-Pietersberg bij Maastricht en de vlakke velden van Limburg.
De oude bisschoppelijke stad heeft ook nog in haar kerken de
herinnering bewaard aan haar verleden en haar geestelijk karakter. Wel
maakt misschien geene enkele der kerken van Luik dien ernstigen,
aangrijpenden, verheffenden indruk als de wondervolle kathedralen
van de vlaamsche gewesten, maar toch onderscheiden zij zich door
onvergetelijke schoonheden van anderen aard. Sint-Paulus, na de
verwoesting van Sint-Lambert tot hoofdkerk verheven, kenmerkt zich
uitwendig door de edele eenvoudigheid en soberheid van de eerste
periode der gothiek. De velerhande versierselen en ornamenten, die
later de bogen der contreforten als in een soort van kantwerk zullen
herscheppen, hebben de majestueuse eenvoudigheid en harmonie der
architektonische lijnen nog niet op den achtergrond gedrongen. Ge
bewondert de fraaie, fijn bewerkte balustraden, die de zijschepen
en de kroonlijst van het hooge middenschip versieren; maar bovenal
treft u het groote aantal der vensters die slechts door smalle
contreforten gescheiden zijn: het schip van Sint-Paul heeft, zou
men zeggen, geen muren: het is indrukwekkend, vermetel en tevens
vol licht en lucht. Dienzelfden indruk ontvangt ge ook als ge het
heiligdom binnentreedt: van alle kanten stroomt het volle licht in
de prachtige kathedraal.
Boven de slanke bogen der veertien pilaren van het middenschip loopt
eene galerij rustende op cilindervormige zuiltjes, en dan stijgt
het gewelf omhoog met groote stralende vensters tusschen de ribben,
die zich verlengen en elkander kruisen. Op die kruispunten schitteren
gouden en purperen knoppen; de vakken zelven zijn geheel beschilderd
in den stijl van de eerste helft der zestiende eeuw. Wij aanschouwen,
hoog boven onze hoofden, een mystieken tuin: takken en bladeren en
bloemen en loofwerk, zoo als uwe oogen hier beneden nooit aanschouwden,
vormen daar kransen en slingers en een weefsel van groen en kleuren,
waartusschen fabelachtige vogels met gouden pluimage zweven, apen
en eekhorens dartelen. Deze soort van dekoratie verhoogt niet weinig
het poëtische karakter de kerk, die schier den indruk maakt van een
reusachtig paviljoen, vol licht en kleur en zonneschijn, en met een
tentdak van kostbare weefsels bedekt. In de muren van het transept
opent zich aan iedere zijde een reusachtig venster, schitterende in
al de kleuren van den regenboog. Het venster in het rechter transept
is modern: het schilderwerk verbeeldt het visioen van Sinte-Juliana,
abdisse van Cornillon, nabij Luik, en de instelling van het feest van
het Heilige-Sakrament (Fête-Dieu), dat ten jare 1426 voor het eerst in
de Sint-Maartenskerk te Luik werd gevierd. Paus Urbanus IV, die zelf
kanunnik van de kathedraal was geweest, beval, achttien jaren later,
de viering voor de geheele Christenheid. Het linkervenster, uit de
helft der zestiende eeuw, vertoont de kroning der Madonna.--Zoo staat
zij daar, schitterende van licht en kleur, de prachtvolle kerk, een
gewrocht van drie verschillende stijlen, met haar fraaie koorstoelen,
haar koperwerk, haar Christus in het graf, een werk van den beeldhouwer
Delcour; haar bas-reliefs, en bovenal haar prachtigen preekstoel,
een meesterstuk van houtsnijkunst van G. Geefs, versierd met vijf
marmeren standbeelden van de hand van denzelfden meester.
Wie het volmaaktste gewrocht van de flamboyante gothiek wil zien,
die ga de Saint-Jacques bewonderen. Het is alsof de gothiek, voor haar
ondergang, nog een werk heeft willen scheppen, dat der verbaasde wereld
het bewijs zou leveren, wat zij ook in haar ouderdom en ontaarding
vermocht. Saint-Jacques is het wonder van Luik: deze kerk vereenigt in
zich al de betooverende schoonheid en bevalligheid van deze laatste
periode der gothiek, zonder dat haar de gebreken aankleven, die in
andere gebouwen, tot denzelfden stijl behoorende, zoo dikwijls den
goeden smaak ergeren.
Baldric II, de opvolger van Notger, in twist geraakt met graaf Lambert
van Leuven, leverde hem op den 10 October 1013 slag; de bisschop moest
zwichten en verloor in het gevecht driehonderd zijner manschappen. De
dood van zoo vele menschen bekommerde den prelaat zoozeer, dat hij dag
noch nacht rust had. Een zijner vrienden, een italiaansch bisschop,
die juist te Luik vertoefde, gaf hem den raad een kerk te bouwen,
om zijne schuld voor God te boeten. Baldric was daartoe aanstonds
bereid; de plaats voor het nieuwe heiligdom werd bepaald en de kerk
zelve in 1030 gewijd; vervolgens verliepen er nog twee-en-twintig
jaren eer de gebouwen der abdij voltooid waren, die weldra rijk
en beroemd werd. Na velerlei lotgevallen werd de kerk door Jan van
Beieren aangewezen als bewaarplaats der archieven van het bisdom,
en als de plaats waar de twee burgemeesters van Luik moesten worden
verkozen. Desniettegenstaande liet men het gebouw aan verval ten
prooi, zoo zelfs dat in 1513 het gewelf instortte en de graftombe
van den stichter vernielde. Nu was men wel gedwongen den bouw van
de nieuwe kerk te bespoedigen, waarmede reeds in de vorige eeuw een
aanvang was gemaakt. Het bewonderenswaardige heiligdom, dat wij thans
voor ons zien, werd den 13 Maart 1552 gewijd. Het had, in vervolg
van tijd, minder te lijden door omwentelingen en oorlogen, dan door
de onverantwoordelijke nalatigheid zijner beheerders. Koning Leopold
I bezocht de kerk in 1832; en aan zijne werkdadige tusschenkomst is
het te danken dat dit weergaloos monument gaandeweg, met zeldzamen
takt, kennis en smaak, weder in zijne oude glorie werd hersteld. Deze
reeds in 1833 aangevangen, zoo uiterst moeilijke restauratie is eerst
thans voltooid.
Eene beschrijving van deze kerk te geven is, voor mij althans,
onmogelijk. Het is te vergeefs, technische termen of onbestemde
uitdrukkingen te gebruiken, de epitheta te vermenigvuldigen,
vergelijkingen te ontleenen aan de natuur of het werk van
menschenhanden: niets kan een denkbeeld geven van dit wonder, dat
u veeleer aan een juweel van goudsmeedkunst dan aan een gebouw van
steen doet denken. De indruk, dien ge bij het binnentreden van dezen
weergaloozen tempel ontvangt, is zoo overweldigend, dat ge eenige
oogenblikken als verbijsterd om u staart, meenende eensklaps in
een tooverwereld te zijn overgeplaatst, niet wetende of ge droomt
of waakt. En wanneer ge, van de eerste verbazing bekomen, om u
heen ziet en uw blik dwaalt langs die pilaren en bogen, langs die
muren, waar elke steen bijna is uitgebeiteld als de fijnste kant, en
overal de sierlijkste lijnen en vormen, bloemen, loofwerk, arabesken,
medaillons, bas-reliefs, beelden, de aandacht trekken; als ge opziet
naar dat rijk beschilderde gewelf, waarvan de prismatische ribben
elkander kruisen als de mazen van een reusachtig netwerk; als ge
de volle pracht van dat goud en purper en azuur, van dat wonderbaar
kleurenspel, van die heerlijke lichteffecten hebt gevoeld: dan staat
ge daar zwijgend, onvermogend om in woorden uit te spreken wat in uw
gemoed omgaat. Andere kerken mogen indrukwekkender, majestueuser zijn:
eene betoovering als van deze Saint-Jacques is zeker maar het deel
van weinigen. Hier is alles in volkomen harmonie: ge gevoelt het,
na dit wonder te hebben gewrocht kon de middeleeuwsche kunst niets
meer voortbrengen; zij had het hoogste geleverd waartoe zij in staat
was. De heerlijke gothiek heeft haar taak volbracht, haar laatste
woord gesproken: zij gaat onder in een apotheose. De renaissance,
die haar opvolgt, brengt een ander ideaal, opent een nieuw tijdvak
in de historie. Hoe men daarover nu ook denke, zooveel is zeker,
dat eene kunst, die in haar stervensure nog een monument scheppen kan
als de Saint-Jacques van Luik, bewezen heeft recht te hebben op eene
eerste plaats onder de hoogste en edelste kunstvormen van alle tijden.
Sint-Maarten, minder rijk versierd maar indrukwekkender door de
grootsche afmetingen van haar schip, is even oud als Sint-Jacques
en schijnt van haar hoogen heuveltop alle andere kerken van Luik te
beheerschen. De oorspronkelijke kerk werd in 962 door den bisschop
Heraclius gesticht; deze werd in 1312, bij een geweldig oproer,
verwoest. De verbitterde burgerij vervolgde in haar woede tweehonderd
edellieden, die zich van het stadhuis hadden pogen meester te maken en
die eene schuilplaats hebben gezocht in de kerk van Sint-Maarten. Toen
het dolzinnige gepeupel de deuren van het heiligdom niet kon
openbreken, werd de kerk in brand gestoken...... Het tegenwoordige
gebouw werd in 1542 voltooid. De soberheid der dekoratie werkt mede
om dien indruk van ernst en grootschheid te weeg te brengen, die u
aanstonds treft. Twee rijen achtkantige zuilen, aan de hoeken met
cilindervormige halve zuilen versierd, verdeelen de kerk in drie
schepen, door zijkapellen omzoomd. Het koor vooral maakt door zijne
breedte en hoogte en door zijne uitmuntend beschilderde groote ramen
een in waarheid verrassenden indruk. Even als bij de Saint-Paul en
de Saint-Jacques, ziet men ook bij de Sint-Maarten een stuk van een
onvoltooid gebleven toren.
Dit gemis van een toren schijnt welhaast eene eigenaardigheid der
luiksche kerken te zijn: ook de schoonste onder haar ontberen dat
zoo karakteristieke, zoo echt religieuse sieraad, zich slank en
vertrouwend ten hemel beurende, als een fakkel, een hymne in steen,
de mystieke Jacobsladder, waarlangs engelen op en neder klimmen en
waarlangs de ziel tot God omhoog zweeft. Terwijl overal in Vlaanderen
de kerk haar gebeeldhouwde steenen spits opheft in de blauwe lucht,
steken hier slechts enkele oude massieve, gedrongen romaansche
torens, onverwoestbaar als de rots, een weinig boven de daken
uit. Omwentelingen en beroeringen, misschien ook gebrek aan geld,
hebben belet dat de andere kerken in ten hemel stijgende torens haar
natuurlijke voltooiing vonden. Naar men zegt bestaat het plan, om
naast de Saint-Jacques een toren in denzelfden stijl te bouwen. Geen
schooner en edeler sieraad ware voor Luik te bedenken. Overigens is
men te Luik rusteloos bezig met het restaureeren, het bijwerken, het
opschilderen en mooi maken van de kerken; zelfs moet erkend worden
dat men daarin soms wat te ver gaat, tot schade van de eerwaardigheid.
Daarom is het goed een blik te werpen op de overoude tempels, streng
en strak en als het ware gemummifieerd in hun eeuwenheugenden
steenen mantel: Sint-Jan de Evangelist, Sint-Denys, verder
Sint-Bartholomeus. Terwijl de eeuwen rondom alles hebben veranderd
en medegevoerd, staan zij daar nog, de eerbiedwaardige kerken, als
onkwetsbaar door den tand des tijds. Zij hebben nog bijna ongeschonden
haar oorspronkelijk voorkomen, haar antiek romaansch karakter behouden;
ja, soms zelfs nog gedeelten van den eersten bouw. Zoo bezit Sint-Jan,
eene stichting van den geweldigen bisschop Notger, nog haar ouden
byzantijnschen toren, en heeft zij nog, hoewel in de achttiende
eeuw geheel herbouwd, den achtkantigen vorm bewaard, aan den dom
van Aken ontleend. In deze kerk ziet men het grafteeken van Notger,
wiens gebeente in de sakristie wordt bewaard.
Al deze kerken, oude en jongere, bezitten schatten en kostbaarheden,
relikwieën en gewijde voorwerpen, die men niet verzuimen mag te
zien. In de Sint-Paulus zal men u ivoren beeldwerk, triptyken,
borduursels van goud en zijde toonen, benevens een borstbeeld van
Saint-Lambert in verguld koper, een meesterstuk van smeedkunst;
en de beroemde groep van Sint-George, van echt goud, voorstellende
Sint-George, in staande houding en volle wapenrusting, met de eene
hand zijn helm oplichtende en met de andere den schouder aanrakende
van den hertog van Bourgondië, die geknield ligt en een soort
van koker in de hand houdt, waarin een vinger van Sint-Lambert is
verborgen. Karel de Stoute vereerde dit geschenk aan de kerk van Luik,
bij wijze van boetedoening voor de gruwelen, bij de inneming der stad,
in 1468, door zijne soldaten en op zijn bevel bedreven. Maar onder
al deze kunstschatten is er wellicht geen, dat de vergelijking kan
doorstaan met dat verwonderlijke doopvont, dat oorspronkelijk in
de kathedraal van Sint-Lambert was geplaatst, maar sedert naar de
romaansche kerk van Saint-Barthélémy is overgebracht, waar het nog
steeds voor het toedienen van het sakrament des Doopsels gebruikt
wordt. Het doopbekken wordt gedragen door ossen, die ter halverlijve
uit het benedengedeelte te voorschijn komen en die voortreffelijk
van bewerking zijn. Op de wanden van de kuip zelve zijn in relief
tafreelen afgebeeld uit het Nieuwe Testament, allen op den doop
betrekking hebbende. De vervaardiger van dit doopvont, de koperslager
Lambert Petras, van Dinant, was ongetwijfeld een groot kunstenaar:
hoe zou het hem anders gelukt zijn, zooveel natuurlijk leven, zooveel
uitdrukking en diep gevoel te leggen in de kleine figuren, zoo juist
en knap van teekening. Ge kunt het nauwelijks gelooven, dat dit
kunstwerk uit het jaar 1112 dagteekent. Sommige figuren, met name de
twee jongelingen over wie het heilige water wordt uitgegoten, hebben
reeds de bevalligheid, de individualiteit van de eerste voorloopers
der renaissance; de draperieën vallen in natuurlijke plooien om de
gestalten, die zich met losheid en sierlijkheid bewegen.