Elk uur vaart eene boot van Soraing naar Luik: er is geen beter
gelegenheid denkbaar om het prachtige panorama te overzien, dat zich
voor onzen blik ontrolt. De ranke, lichte boot klieft de groenachtige
wateren; eene verkwikkende koelte stijgt op uit den schoot der
rivier; telkens wijken en naderen de bergen langs de schilderachtige
oevers. Ter rechterzijde duikt Seraing weg in een nevel van wemelende
rookwolken; ter linkerzijde vertoont zich Jemeppe, tegen de helling
eens heuvels gebouwd; de fabrieken, de werkplaatsen, de kolenmijnen,
de heuvels van slakken en sintels volgen elkander in onafgebroken
rij op, den horizon verbergende achter hunne wanstaltige vormen.
De groote smidse van dit land van ijzer en kool is hier in volle
werking en zal ons eerst aan de andere zijde van Luik verlaten. Telkens
en telkens verrijst aan den horizon een groot zwart gebouw, te
midden van vlammen en rook; het weerkaatst zijn plompe smakelooze
gestalte in de Maas, verscheurt het groene kleed van het landschap
met zijn stellages en getimmerten of met zijn vierkante steenmassa,
door tal van hooge vensters doorbroken. Maar daaromheen bloeien en
geuren de tuinen, ontrollen de weilanden hun met bloemen gestikt
smaragden tapeet, en wuiven boomen tot sierlijke groepen vereenigd
hunne lommerrijke takken. En laat ge uw blik rusten op de deels rijk
begroeide en bebouwde, deels kale berghellingen op den achtergrond,
dan verzoent ge u bijna met deze samenvoeging van natuur en industrie,
en boeit u de eigenaardige schoonheid van het in zijne soort schier
eenige landschap.
Telkens vaart de kleine boot langs de pijlers van eene brug,
ligt stil aan een steiger, buigt zich om eilandjes, oprijzende
uit de wateren. Ougrée, Sclessin, de herbergen en kroegjes van
Petit-Bourgogne, de bosschen van Kinkempois gaan langs uw oog
voorbij. Uit de priëelen klinkt u een vroolijk gelach tegen; een reuk
van gebakken visch waait u tegemoet uit de keukens; eene gansche vloot
van gieken, bootjes en vaartuigjes van allerlei vorm en naam omringt
u, bestuurd en voortbewogen door mannen en jongelieden in roode,
blauwe of witte jakken, met ontbloote gespierde armen de riemen
voerende. De fabrieken en werkplaatsen hebben niet langer het rijk
alleen: ge bemerkt dat ge eene groote stad nadert; ge stoomt langs
Angleur; en eensklaps ligt Luik voor u, als een amphitheater tegen
de heuvelen gebouwd. Dit schouwspel is een van die, welke men nooit
vergeet. Toch overziet ge van het dek der boot slechts een stuk van
de groote en woelige schilderij, die zich van de hoogte van Cointe
in haar geheelen omvang voor uw oog ontvouwt: de reeks van bruggen
met haar grijze bogen; de verwarde massa der daken die tegen de
heuvelen opklauteren; de hooge tinnen der kerken, als reuzenschepen
zich opbeurende uit die zee, wier lijnen aan den horizon wegsmelten.
De boot vervolgt inmiddels haar vaart langs breede kaaien, met groote
kosten gebouwd; de nieuwe wijk van het Ile du Commerce ontrolt ter
linkerzijde haar squares, haar fonteinen, haar standbeelden, haar
hotels in ietwat overladen, bombastischen stijl; de huizen naderen
dichter en dichter tot elkander; de rechteroever verdwijnt half in
rookwolken; alles geeft u den indruk dat ge het hart eener groote
stad nadert. Achter u verzinken, in de schemerende verte, de Jardin
d'Acclimatation en zijne kiosk, de twee bogen van de brug du Commerce,
het openbare park met zijn dicht geboomte; maar voor u openen zich
nieuwe vergezichten: daar beurt Sint-Maarten, halverwege op den
heuvel, haar zwaren vierkanten toren ten hooge; de fijne spits van
Sinte-Walburge rijst een oogenblik in de blauwe lucht; Sint-Jacob
vertoont een stuk van zijn steenen kantwerk. Dan vaart ge langs
de gebouwen van het bisschoppelijk paleis en het seminarie, half
wegschuilende tusschen het groen; de brug de la Boverie spant over
het snelvlietende water haar vijf bogen als zoovele poorten. Kort
daarop vertoont zich de Pont des Arches met haar machtige pijlers,
met allegorische standbeelden versierd; dan schijnt de rivier zich nog
te verbreeden; een kreet van bewondering ontsnapt u: rechts en links
ontplooien zich twee prachtige kaden, hier de quai des Tanneurs; daar,
de vermaarde quai de la Batte, met haar doolhof van cafés-concerts,
matrozenkroegen, gemeene huizen en winkeltjes.
Hier bevindt ge u in het hart van het oude Luik; op marktdagen wemelt
het langs deze geheele quai de la Batte van karren en wagens, van
groente- en fruitverkoopers, sjouwers en pakkedragers, van handelaars
in vogels, in honden, in lorren, van wonderdokters en kwakzalvers
en kunstenmakers, schreeuwende, joelende, roepende te midden van een
baaiert van kraampjes, tafeltjes, uitstallingen van groenten en fruit,
van tenten en parapluies. Ga bij de geschutgieterij aan land, wandel de
woelige kaai weder af, sla een der smalle bochtige straatjes in, die
deze karakteristieke, volkrijke buurt doorsnijden; en weldra betreedt
ge de Groote Markt, het forum der stad, een fraai langwerpig plein,
omzoomd door de antieke puntgevels van de voormalige gildenhuizen, en
dat voornamelijk zijne vermaardheid dankt aan eene hooge zuil, waarop
eene groep der Gratiën prijkt. De zuil zelve rust op een voetstuk, dat
door vier leeuwen gedragen wordt; en deze vier leeuwen worden zelven
weder door een onderbouw gedragen, die tot fontein is ingericht. Dit
is de Perron: een naam, die op elke bladzijde der geschiedenis van
Luik wederkeert. In de vijftiende eeuw stond op dezelfde plek een
hooge paal of zuil, voor welke de keuren der stad werden afgekondigd;
Karel de Stoute, die Luik zoo zwaar tuchtigde, liet die zuil wegnemen;
onder Maria van Bourgondië werd zij weder hersteld, maar later door
storm vernield. Eindelijk gaf men haar den meer antieken vorm, dien
zij nog heden heeft. Delcour, die de fraaie groep beitelde, dacht er
zeker niet aan, in zijn werk eene bepaalde politieke gedachte uit te
drukken of daarin de herinnering aan het verleden te bewaren; toch
is voor iederen Luikenaar de Perron als het ware het onsterfelijk
symbool van de historie zijner vaderstad.
Eene straat, die ge bij het station der Guillemins inslaat, buigt
zich rechts, voert u over eene brug en langzamerhand, al stijgende,
naar een breeden weg, onlangs tegen den heuvel aangelegd. Naarmate ge
hooger klimt, breidt het panorama zich voor u uit; de heuvelen wijken
of laten tusschenruimten open, die u kijkjes gunnen in het verschiet;
soms bespeurt ge geheele stukken van de stad: eene opeenhooping van
daken en puntgevels, waarboven de hooge schoorsteenen der fabrieken
uitsteken. De rivier wijkt ter linkerzijde, en laat slechts een
gedeelte van haar groene watervlakte zien; een plateau ontrolt zich
voor u, van welks rand eensklaps een der schoonste panorama's van Luik
zich voor uwen blik ontrolt. Dit is de hoogte van Cointe (bladz. 313),
zeker het meest geschikte punt om met een enkelen blik bijna geheel
Luik te overzien.
Daar ligt zij voor u, langs de beide oevers van de rivier, elk een zoo
eigen karakter vertoonend. Als een breed zilver lint, van metaalglans
overspeeld, slingert zich de Maas door de uitgestrekte woestijn
van daken en steenen muren, die zij in twee gedeelten splitst. Vier
bruggen, de pont de l'Acclimatation, de pont Neuf, de Passerelle,
de pont Léopold, spannen over de wateren haar reeks van bogen,
slinkende met den afstand, tusschen de schier onafzienbare lijn
der kaaien. Op den achtergrond, waar de rivier eene kromming maakt,
vertoonen zich de dicht opeengepakte huisjes van de quai de la Batte;
dan verliest zich de stralende, als met diamanten bezaaide rivier
tusschen de bergen, die haar oevers omzoomen en wier toppen ons uit
de schemerende verte groeten.
Aan onze rechterhand ontvouwt zich de dichte, saamgepakte massa van
de wijken aan gene zijde der rivier. Een streep van donkere zware
rook--een nevel, die nimmer door de zon wordt opgelost, wijst den
loop van de rumoerige rue Grétry, wier naam een zonderling contrast
vormt met het oorverdoovend geraas der smederijen, pletterijen en
andere werkplaatsen, dat hier bijna dag en nacht de lucht vervult. De
industrie blijft hier toch niet voor de poorten staan: als door
een onweerstaanbaren, alles overweldigenden drang medegesleept en
voortgedreven, trekt zij de stad binnen, overstroomt hare wijken,
vervult hare straten met het gebrul en gefluit harer machines,
en bouwt in het hart der stad hare allesbeheerschende, vlammen en
rookbrakende burchten op.--Maar aan den linkeroever hervinden wij
althans eenige kalmte en rust. Op den voorgrond wenken de weelderige
hotels en woningen van het Ile du Commerce, waar allerlei bouwstijlen
elkander broederlijk ontmoeten en de architektuur zich fantastische
spelingen veroorlooft, waarvan de groote oude meesters nooit hebben
gedroomd. Deze schitterende wijk breidt zich uit aan den voet van
den heuvel, die van onder tot boven geheel met huizen is bedekt,
waarvan de grauwe leien daken, tegen den groenen achtergrond der
bergen, ondanks hun grijzen toon, geen kwaad effect maken. Boven de
huizenmassa rijzen tal van torens en spitsen, tinnen en daken van
kerken en kapellen omhoog: Sint-Jacob en, meer links, Sint-Paulus
en verder, half in den nevel wegduikende, Sint-Maarten, de steenen
reus, die overal de blikken tot zich trekt. Op zeker punt breekt
het groen de eentonigheid der huizenmassa: de huizen beginnen wijder
uit elkander te staan; daar beginnen de voorsteden en buitenwijken,
aan den gezichteinder begrensd door de grillig geteekende, groene
hellingen van den berg Vivegnis.
Dit alles geldt slechts de buitenzijde en de oppervlakte der
dingen. Heeft men dit panorama genoten, dan moet men in de stad zelve
doordringen, in dat warnet van smalle, bochtige straten en stegen,
sommigen zigzagswijze de heuvelhellingen beklimmende en alleen
voor voetgangers toegankelijk; anderen, minder steil, opstijgende
dwars door de oude buurten; bijna allen buigende met scherpe hoeken,
vaak onderling door trappen verbonden en somwijlen zoo nauw, dat de
overburen in de overhangende huizen elkander welhaast een kus op
de lippen zouden kunnen drukken. Ook te Luik vindt men eene oude
en eene nieuwe stad: deze laatste heeft breede rechte straten,
benevens boulevards, squares, fonteinen, kiosken, terrassen:
de geheele moderne decoratie van eene provinciale hoofdstad, die
op vertooning en opschik is gesteld en geld genoeg heeft om zich
die weelde te veroorloven. Sedert de laatste vijftien of twintig
jaren hebben de kaaien en haar onmiddellijke omgeving eene geheele
herschepping ondergaan, heeft men den loop der rivier gewijzigd en
verlaten terreinen in bezit genomen ten behoeve van het toenemend
verkeer. Op een paar schreden van de Guillemins is, als door den
slag eener tooverroede, eene nieuwe prachtige stad uit den grond
verrezen, eene staalkaart van weelderige overladen bouwstijlen, een
architektonische _pot-pourri_, waarvan de minarets, de koepels, de
loggia's, de kolonnaden en frontons eene bonte fantasmagorie vormen
van oostersche en westersche architektuur. Daal eenige trappen af:
daar stuwt de Maas haar schitterende wateren voort aan den voet der
kaaimuren, en een andere trap aan de overzijde brengt u naar fraaie
perken, met verschillende soorten van boomen beplant en waar het
geruisch van springende fonteinen uw oor verkwikt. Weldra begint eene
dubbele allee van groote boomen, wier takken boven uw hoofd een dicht
loofgewelf vormen: het is u bijna als wandeldet ge door een bosch. Aan
dezen prachtigen boulevard van Avroy sluiten zich de dreven van de
Sauvenière; de huizen sluiten zich nauwer aan een; rechts ziet ge een
plein, met een standbeeld, dat van Grétry, versierd en daarachter een
zeer ordinair gebouw met pilasters, den schouwburg; onmiddellijk daarna
brengt eene breede straat ons op het grootsche plein Saint-Lambert,
grootsch en merkwaardig vooral door de herinneringen van het verleden,
meer nog dan door zijne buitengewone afmetingen.
Daar verrees, tot in de laatste jaren der vorige eeuw, een wondervol
gebouw, de kathedraal uit de twaalfde eeuw, met haar zware vierkante
torens, de veertien massieve zuilen die haar schip droegen,
haar kapittelzalen, haar sakristie, haar archief, de woningen
der kanunniken, al de bijgebouwen en toevoegsels behoorende bij
het alles beheerschende heiligdom. Dit heiligdom zelf, de aan
Sint-Lambert gewijde kathedraal, was niet het eerste, dat op deze
pleek verrees. Sint-Hubertus, bisschop van Luik, had in den aanvang
der achtste eeuw eene kerk toegevoegd aan de reeds bestaande kapel:
in welke kerk ten jare 720 de overblijfselen werden bijgezet van
Sint-Lambertus, den heiligen prelaat, die op deze zelfde plek door de
handen van moordenaars was gevallen. Notger, die van 971 tot 1008 den
bisschoppelijken stoel bekleedde, herbouwde de kerk van Sint-Hubert
en liet er woningen voor zestig kanunniken aan toevoegen. In dezen
tweeden tempel weerklonk de machtige stem van Peter de Kluizenaar,
de geloovigen oproepende ten heiligen krijg ter bevrijding van het
graf van Christus; hier predikte de heilige Bernard van Clairvaux;
in de twaalfde eeuw verhief Lambert le Bègue hier zijne waarschuwende
stem tegen de simonie en het ergerlijke leven der geestelijken, en
dreigde met de naderende gerichten Gods, indien bekeering achterwege
bleef. Deze woorden bleken eene profetie: den 11 April 1183 werd de
kerk door het vuur aangetast. Drie dagen lang woedden de vlammen:
bijna niets kon worden gered dan de relikwieën van Saint-Lambert. De
herbouw van de kerk vorderde niet minder dan zeven-en-zestig jaren.
Ettelijke afbeeldingen, de herinnering van enkele grijsaards, die
het tegenwoordige plein Saint-Lambert nog met puin bedekt hebben
gezien, eindelijk de vrij onvolledige beschrijving van Saumery, die
met medelijdend schouderophalen spreekt over den _slechten smaak_
der middeleeuwsche architekten:--ziedaar alles wat ons ten dienste
staat als wij ons eene voorstelling willen maken van de nobele
kathedraal, voor zij in 1794 door het luiksch gepeupel en de fransche
revolutionnaire horden werd verwoest. De kerk met al hare bijgebouwen
besloeg de gansche ruimte tusschen de Place Verte en de Markt. De
kathedraal zelve verhief zich trots boven al deze toevoegsels, die het
effect van het monument des te meer bedierven, omdat het onmogelijk
was de kerk op een behoorlijken afstand te zien. Twee zware vierkante
torens, in oud-gothischen stijl, omlijstten aan de westzijde het oude
koor, de aan de heiligen Cosmas en Damianus gewijde kapel. Het nieuwe
koor, aan de tegenovergestelde zijde, zag op de Markt uit; tusschen
die beiden lag de hoofdbeuk, uitmuntende door haar hoogte. Tegen
het zuidelijke dwarsschip was een hooge toren aangebouwd, waarvan
de eerste steen in 1392 werd gelegd, en waarvan de rijk versierde
achtkantige houten spits met verguld lood was bekleed.
Tien zijdeuren, waarvan slechts twee voor het publiek geopend waren,
gaven toegang tot het inwendige der kerk. De hoofdingang op de Place
Verte voerde niet rechtstreeks in de kathedraal, maar naar een klein
kerkhof, dat het voorportaal van de eigenlijke kerk scheidde. Deze
poort werd alleen geopend wanneer een nieuwe prins-bisschop zijn
intocht hield; de oude deuren ontsloten zich voor de laatste maal
op den 17 Februari 1791, toen de bisschop Van Hoensbroeck uit
de ballingschap terugkeerde. Naar de eenstemmige verklaring van
deskundigen, was dit portaal uit de dertiende eeuw een juweel van
kunst. Vier deuren van verguld brons voerden naar het oude koor,
waarvan het altaar omgeven was door acht zware korte zuilen, door
rondbogen verbonden: het eenige wat van den oorspronkelijken bouw
was overgebleven.
Langs vier treden daalde men nu af in het groote schip, waarvan
het gewelf door veertien reusachtige zuilen gedragen werd. Het
eerste wat hier de aandacht trok was de kroon van Saint-Lambert:
een kolossale lichtkroon van meer dan dertig el in omtrek, waaraan
zich de herinnering hechtte van eene allerzonderlingste gewoonte,
bekend onder den naam van _Creux d'Vervi._ Telken jare, des dinsdags
na Pinksteren, werd eene deputatie van notabelen uit Verviers,
vergezeld van een of twee kortelings gehuwde paren uit deze stad,
door den opper-burgemeester van Luik aan de poort van Amercoeur
ontvangen, waar hun vergunning werd verleend om zich te gaan kwijten
van de verplichtingen, door hunne voorvaderen aangegaan. Nu werd eene
soort van processie gevormd; over den geheelen weg tot aan de pont des
Arches dansten de jonggehuwden op de maat van fluiten en tamboerijns,
gevolgd door eene ontelbare menigte. Den volgenden morgen vormde de
stoet zich opnieuw en trok naar de kathedraal van Saint-Lambert. Daar
schaarden zich de afgevaardigden uit Verviers in een kring onder de
groote lichtkroon en begonnen, op een gegeven teeken, als razenden te
springen en te dansen, daarbij den duim van de linkerhand in de hoogte
stekende. Gelukte het een der dansers de kroon aan te raken, dan werd
zij zijn eigendom: maar daarop bestond niet veel kans, want de kroon
hing omstreeks twintig voet boven den grond! De plechtigheid in de
kerk werd besloten met de aanbieding van eene gevulde beurs aan den
deken; daarna keerde men, steeds dansende, terug, en ten slotte bood
de laatst gehuwde vrouw aan de stads-gerechtsboden een oud mud aan, dat
zij dadelijk stuk sloegen en van de pont des Arches in de Maas wierpen.
Wij zullen ons niet ophouden bij de zijkapellen, met kunstschatten en
graftomben opgevuld. Voor ons verrijst een prachtig oxaal, door welks
driedubbele bogen wij een blik kunnen werpen in het bovenkoor. In het
midden staat een soort van gothisch gebouwtje met een rood fluweelen,
met goud geborduurden en met hermelijn gevoerden mantel omplooid,
dat de relikwiënschrijn van. Sint-Lambertus bevat. Op reusachtige
kandelaars met zeven en met negen armen branden voortdurend reine
kaarsen; boven alles hangt een kolossaal crucifix. Ter wederzijde van
het oxaal een orgel en eene galerij voor de kapel, die zelfs tot in
Italië beroemd was. Op hooge feestdagen werden hier de standaarden
der twee-en-dertig gilden opgehangen.
Maar wij kunnen niet alle schatten opnoemen, die de eerwaardige
kathedraal bevatte; wij maken dus slechts met een enkel woord gewag
van den lezenaar, een meesterstuk van geelgietersarbeid, en van de
heerlijke graftombe van Everard de la Marck, insgelijks van verguld
koper. Het boven- of priesterkoor ligt zes trappen hooger dan de
vloer van het schip; het hoogaltaar is eene navolging op kleine schaal
van dat in de Sint-Pieter te Rome en staat ook geheel op zich zelf;
boven den tabernakel ziet men het half liggende beeld van den heiligen
patroon van Luik. Nog hooger, onder een wijden troonhemel met een
groot kruis versierd, ontplooit zich op hooge feestdagen de eerwaardige
standaard van Sint-Lambert, waarvan de bewaring aan het kapittel der
kathedraal is toevertrouwd. Het is een banier (gonfanon) van roode
zijde met gouden franje, aan een lans of langen stok bevestigd. In
het kruis onder aan de banier is een schelletje verborgen. Wanneer de
zware stem van de banklok de burgers van Luik onder de wapenen roept,
dan weerklinkt ook het schelletje, en de hooge voogd van Hesbaye, de
heer van Aigremont, nadert in eerbiedige houding, om uit handen van
den opper-burgemeester de heilige en roemrijke vaan te ontvangen. De
oude banier, volgens de kroniekschrijvers een geschenk van Karel den
Groote, werd in den veldslag van Brusthem (1467) vernield. Men maakte
nu eene nieuwe, in alles aan de oude gelijk; bisschop Hoensbroeck nam
die in 1789 mede naar Duitschland. De luiksche magistraat eischte te
vergeefs het gewijde vaandel terug, en daar de luiksche troepen onder
geene andere vlag wilden uittrekken, was men genoodzaakt nogmaals
eene nieuwe banier te maken.
Rechts van het altaar stonden de bidstoel en de troon van den bisschop;
links de zetel van den wijbisschop en nog een derde troon voor den
gezant des Keizers bestemd, die bij de verkiezing van een nieuwen
kerkvoogd moest tegenwoordig zijn. Kostbaar marmer van allerlei kleur,
prachtige tapijten, verguldsel, goud en edelgesteenten schitterden daar
alom in rijken overvloed en hulden het groote koor, wanneer het licht
door de zes beschilderde ramen en het in de heerlijkste kleurenpracht
stralende groote roosvenster op den achtergrond naar binnen viel,
in een wonderbaren glans, die aan een visioen uit hooger sfeer,
eene verschijning uit een paradijs van licht en kleuren, denken
deed. Welk een aanblik leverde deze indrukwekkende kathedraal op,
wanneer, op hooge feestdagen, de heilige dienst in het hooge koor
werd gevierd, met al die majestueuse heerlijkheid, al die statige
overweldigende pracht, die geheimzinnige betoovering, waarvan de
katholieke eeredienst het wonderbaar geheim bezit.
Van de eerwaardige kathedraal, met haar kloosterhoven, haar
kapittelzalen, haar charterkamer, en alle verdere bijgebouwen is
niets meer over. De beestachtige baldadigheid en fanatieke woede van
de fransche _sans-culottes_ en hunne luiksche geestverwanten liet
van het heiligdom geen steen op den anderen. Eerst in 1808 werd het
puin weggeruimd, dat het plein bedekte, waar eens de hoofdkerk der
bisschopsstad stond.
Maar naast de glorierijke kathedraal verrees een prachtig paleis,
waarvan de bouw, ter vervanging van eene vroegere door brand vernielde
bisschoppelijke woning, werd begonnen door den prachtlievenden Everard
de la Marck, wiens tombe in de kathedraal prijkte. Dit paleis althans
is voor het grootste gedeelte gespaard gebleven. In Maart 1735 werd
onder anderen ook de voorgevel van het paleis door brand vernield. Het
behoorde toen tot den goeden smaak om met verachting neer te zien op de
gothische middeleeuwsche barbaarschheid; en de brusselsche architekt
Jean André Anneesens, aan wien de regeerende prins-bisschop Georges
Louis de Berghes den bouw van een nieuwen voorgevel opdroeg, meende
dan ook zeker iets zeer voortreffelijks te doen, toen hij zijne koude
symmetrische, zoogenoemd klassieke façade optrok. Daar men van het
plein Saint-Lambert niets van het inwendige van het gebouw kan zien,
valt het onpassende van dien gevel niet zoo dadelijk in het oog.
Het voormalige paleis der vorstelijke bisschoppen beslaat eene
oppervlakte van ongeveer anderhalven bunder en omvat drie vierkante
binnenplaatsen, waarvan de laatste thans een verwaarloosde tuin
is. Betreden wij den eersten binnenhof. Welk eene verrassing! Waar
zijn wij? In een of ander reusachtig _patio_ van eene andalusische
Alhambra; in eene indische pagode; in een fantastische schepping
van romaansche architektuur, herlevende in de zestiende eeuw; in een
italiaanschen kloosterhof? Vermoei u niet met vragen: gij zijt hier in
eene tooverwereld, waarin de fantasie haar schepter zwaait. Een enkel
man heeft dit wonder geschapen, waarin gij de hand van velen zoudt
meenen te herkennen; maar welk een kunstenaar en welk een ziener! Die
François Borset, van het Overmaassche, behoorde tot het geslacht der
machtige, geweldige geesten, die alle vormen en alle gestalten in zich
omdragen en het nooit geziene te voorschijn brengen. Hij beitelde
de zestig kolommen van de galerij, die de binnenplaats omgeeft, een
wonderbaar fantastisch, grotesk poëem, dat bijwijlen aan oostersche
feëriën denken doet. Elke zuil getuigt voor de onuitputtelijke
vindingrijkheid van den kunstenaar; allen hebben iets eigenaardigs,
geen enkele kolom is volkomen aan de anderen gelijk; sommigen zwellen
als een bloembol, anderen bootsen de kelk eener tulp na, weer anderen
gelijken op kandelabers. En welk eene oneindige verscheidenheid in
de voetstukken en kapiteelen met hun onmogelijke bladeren en bloemen
uit eene fantastische plantenwereld, hun fabelachtige dieren, hun
grijnzende en glimlachende maskers.... Eene beschrijving van dit
alles te geven is onmogelijk; alleen eigen aanschouwing kan van
deze architektonische fantasmagorie een denkbeeld geven. En boven
de portiek, waarvan de bogen door deze pilaren gedragen woorden,
verheffen zich de smaakvolle gevels, met zuilen en kolommetjes,
met pinnakels en loofwerk en balustraden rijk versierd: en toch
schijnt die weelde en overlading van de late gothiek bijkans sober
en streng, vergeleken met de buitensporige fantastische spelingen
van den zonderlingen meester Borset.
Als wij nu de tweede binnenplaats betreden, valt zij ons aanvankelijk
tegen, ondanks hare schoonheid: wij moeten eerst de tooverachtige
verschijning van zoo even vergeten. Toch is de geweldige Borset ook
hier aan het werk geweest, en al zijn de schachten en de kapiteelen
der verschillend gecanneleerde minder fantastisch, toch verraden zij
in hun teekening en versiering de hand van dien zonderling begaafden
kunstenaar. Op deze binnenplaats loopt de portiek slechts langs
de zuid- en de noordzijde; de muren der beide andere zijden zijn
met gevulde bogen versierd, waarvan de staanders tot op den grond
reiken. In het midden van deze meer eenvoudige, maar zeker niet minder
schilderachtige, rustige binnenplaats bevindt zich een waterkom,
waaruit eertijds eene monumentale fontein oprees, met den dubbelen
rijksarend versierd. Rondom dien kleinen vijver bloeit en groent een
kleine tuin, waar heesters en struiken in het wild groeien en waar
ge in het gras overal oude steenen, stukken van wapenborden en van
standbeelden, gebroken zuilen, grafzerken, in wanorde door elkander
ziet liggen. En als ge opziet naar de muurpaneelen, dan ontwaart ge
daar de wapenschilden van verschillende bisschoppen, met name dat
van Everard de la Marck, dat vele malen wederkeert. Door welk wonder
zijn deze aristokratische zinnebeelden ontsnapt aan de aandacht van
het revolutionnaire gepeupel, dat zoo ijverig alles vernielde wat van
de vroegere tijden getuigde? Maar de aanschouwing van die relikwieën
verplaatst u van zelf in andere tijden, en een beeld der vervlogen
heerlijkheid rijst voor uwe verbeelding. De binnenplaatsen en de
galerijen vullen zich met de eerwaardige gestalten van geestelijken
van allerlei rang, van edelen en burgers, van pages en officieren;
uit de wijd geopende vensters klinken liefelijke tonen van muziek en
zang of het gegons van stemmen in druk en vroolijk gesprek; door de
deuren en de half opgelichte tapijten kunt ge de pracht onderscheiden
van rijk versierde, vorstelijk gemeubelde vertrekken, van standbeelden
en vazen en marmeren trappen en eikenhouten lambriseeringen. En in
een dier vorstelijke zalen staat, door een schare van prelaten en
edellieden omringd, de prins-bisschop, de opvolger van Sint-Lambertus
en Sint-Hubertus, meestal zelf iemand van vorstelijke of althans
hoog adellijke familie, een vorst van het heilige roomsche rijk,
met geestelijk en wereldlijk gezag bekleed, al werd de uitoefening
vooral van dit laatste hem dikwijls moeilijk genoeg gemaakte door de
weerspannigheid zijner onrustige, woelige onderdanen.... Doch als wij
weder onze oogen opslaan naar de vensters, verdwijnt de illusie: overal
zien wij klerken gebogen over hun lessenaar, ijverig de pen latende
krassen over het papier: dat gedeelte van het oude bisschoppelijke
paleis in bezit genomen door het bureau van registratie! Hoe hebben
de termiten zich in het hol van den leeuw gewaagd!
En niet alleen hier, maar overal zijn de beelden en gestalten van
het roemrijk verleden weggevaagd. De in het zwart gekleede mannen,
die ge onder de portieken van François Borset ziet wandelen,
zijn geen monniken of prelaten, maar rechters, advokaten of
procureurs; deurwaarders, beklaagden, aanklagers, getuigen hebben
de plaats ingenomen van de behoeftige schare, die op bepaalde dagen
hier samenkwam om de vorstelijke aalmoezen van den bisschop te
ontvangen. Want in dit gedeelte van de voormalige residentie der
vorsten van Luik zetelen thans de gerechtshoven.
Deze manier om van oude monumenten partij te trekken, bewijst
zeker voor den praktischen zin van het volk. De voormalige stallen
van het paleis werden verbouwd en tot bureaux van het provinciaal
gouvernement ingericht. Het geheele westelijk gedeelte van het paleis
is tegenwoordig voor dien dienst bestemd, en een kunstenaar van meer
dan gewoon talent, de heer Delsaux, heeft zich op voortreffelijke
wijze gekweten van de taak om dit deel van de oude residentie te
restaureeren en voor de nieuwe bestemming geschikt te maken. Het
gouvernementsgebouw, dat tevens de vergaderzalen der staten en van
gedeputeerde staten, alsmede de woning van den gouverneur bevat,
mag in volle waarheid een vorstelijk hotel worden genoemd, waarvan
de voorgevel op het plein Notger, in den stijl van het paleis van
Everard de la Marck ontworpen, inderdaad een monumentaal karakter
draagt. En dit zal nog meer het geval zijn, wanneer de beeldwerken
zullen zijn voltooid, wanneer de twintig bas-reliefs zullen zijn
geplaatst, die de belangrijkste monumenten uit de geschiedenis van
Luik moeten voorstellen, en wanneer in de zes-en-veertig nissen
de standbeelden zullen prijken van de beroemdste bisschoppen, van
veld-oversten, geleerden en kunstenaars, die den roem der oude stad
hebben verbreid. De portiek in het midden van het gebouw herhaalt
de schoone bevallige motieven van de pilaren en bogen van de eerste
binnenplaats, waaraan ook de geheele stijl van den gevel met zijne
uitspringende vleugels denken doet. Ook de inwendige inrichting van
het hotel munt door smaakvolle pracht uit; men vindt hier een rijkdom
van antieke meubelen, tapijten, kostbare kunstvoorwerpen van allerlei
aard, schilder- en beeldhouwwerk.
Dit geheele gebouw met zijne rijke, smaakvolle versiering komt vooral
goed uit, wanneer men het ziet van de breede dubbele trappen, die
van het plein Saint-Pierre naar het plein Notger afdalen en een met
bloemen beplant square omvatten, waar fonteinen en watervallen de
lucht vervullen met muziek en frissche koelte.