Te Luik beslaan de kerk en het bisschoppelijk paleis de plaats, die
elders wordt ingenomen door de belfroots en de stadhuizen, die de
trots en de roem zijn der vlaamsche gemeenten. Het luiksche volk, dat
in de werkelijke historie toch waarlijk geen onbeduidende rol heeft
gespeeld en niet minder rumoerig en moeilijk te regeeren was dan de
poorters van Gent of Brugge, treedt veel meer op den achtergrond in die
monumentale historie, welke ons de eeuwen hebben achtergelaten. Hier
is geen belfroot, wier klokkenspel een stem gaf aan alle aandoeningen,
die het gemoed des volks in beweging brachten; en het raadhuis van
Luik maakt in het minst niet den indruk van een dier fiere burchten
der gemeentelijke onafhankelijkheid, zooals wij ze te Brussel, te Gent,
te Leuven, te Oudenaerde, gezien hebben. Toch was het oude raadhuis, de
_Violette_, ook hier dikwijls genoeg getuige van heftige beroeringen.
Want de geschiedenis van Luik is eeuwenlang in hoofdzaak niet anders
dan het verhaal van de telkens opnieuw ontbrande worsteling tusschen
den bisschop, den geestelijken en wereldlijken heer der stad, en de
gemeente, de poorterij, steeds trachtende het gezag van den bisschop
te beperken en voor zich zelve, zooveel eenigzins mogelijk, vrijheid
van beweging en zelfregeering te veroveren. En bij die worsteling
ging het vaak bloedig genoeg toe: de vreeselijke strafoefeningen,
die Jan van Beieren (met den somberen bijnaam van Jan zonder Genade),
de geduchte bisschop, en de hertogen van Bourgondië, Jan zonder
Vrees en Karel de Stoute, de overwonnen stad deden ondergaan,
wekken nog bij de herinnering een huivering van afschuw; maar
vooral niet minder gruwelijk en niet minder bloedig waren de woeste
uitspattingen, de toomelooze wraakoefeningen der razende burgers,
wanneer het hun soms gelukte de ijzeren hand, die hen ten onder
hield, voor een poos te verlammen. Overigens waren ook te Luik,
als in zoo vele middeleeuwsche steden, de gemeentelijke rechten
en vrijheden zeer uitgebreid, en was de burgerij in het bezit van
eene mate van autonomie, waarvan wij ons thans kwalijk een denkbeeld
kunnen vormen. Charters en keuren en privilegiën van allerlei aard,
langs vredelievenden of gewelddadigen weg verkregen, den souverein
afgekocht of afgedwongen, vaak ook vrijwillig verleend, beperkten ook
hier, als elders, het gezag van den vorst binnen vrij enge grenzen;
en de Luikenaars zorgden er wel voor, dat deze souvereiniteit in
eigen kring geëerbiedigd werd. Het voorgeslacht was niet van oordeel
dat de persoonlijke vrijheid genoegzaam gewaarborgd is, wanneer vele,
of zeer vele, of zelfs alle burgers medewerken tot de samenstelling
der wetgevende vergaderingen, die in den grond der zaak almachtig en
onverantwoordelijk zijn en doen kunnen wat zij willen. Deze absolute
staatsmacht was in hunne oogen de gevaarlijkste vijand; en om zich
tegen dien vijand in veiligheid te stellen, zou een stembiljet hun
al een bijzonder zwak wapen zijn toegeschenen. Zij schermden veel
minder dan wij met het abstracte begrip der vrijheid, maar waakten met
grooten ernst en ijver voor de handhaving hunner praktische vrijheden.
Maar deze politieke geschiedenis heeft te Luik geene zichtbare sporen
achtergelaten, geen monumenten, die de aandacht en belangstelling
van den vreemdeling kunnen wekken. De bekoring der stad ligt elders:
in hare schilderachtig schoone ligging en omgeving, met haar rivier
en haar grootsch amphitheater van heuvelen; in het labyrinth harer
dooreen gewarrelde straatjes; in de trappen die zich midden tusschen de
huizen inwringen; in de oude, met mos begroeide muren, de tuinterrassen
langs de heuvelhellingen, met hun balustraden, kiosken en koepels,
hun boschages en bloemperken; in dat leven in de open lucht vooral,
dat grillige en onregelmatige, zoo zeer verschillende van de koude en
banale symetrie onzer moderne hoofdsteden. En die bekoring ligt mede
in de vroolijke opgeruimdheid en levendigheid van het volkskarakter,
met zijn geestigen luim en dartelen spot; in de innemende voorkomende
vriendelijkheid en gulhartigheid van dit volk, dat zoo gemakkelijk te
winnen is en zoo weinig terughouding en stijfheid kent. De Luikenaar is
een hartstochtelijk liefhebber van genot en uitspanning en vermaak:
hij is een pretmaker, eene, zoo men wil, zinnelijke natuur; maar
hij amuseert zich met gratie en kruidt zijn pret met de bloem der
poëzie: hij heeft behoefte aan vroolijken kout, aan muziek, aan
sierlijke vertooningen, aan al wat het oog bekoort en de zinnen
streelt. Niemand heeft zoo goed als hij den slag om een feest te
organiseeren on te animeeren: hij is een geboren impressario en raakt
nimmer uitgeput. Daarbij een lacher, een opsnijder, een grootspreker,
rumoerig en druk, met de spotternij op de lippen, maar ook met het
hart op de tong, en zelfs in zijne dolste buitensporigheden zekere
fijnheid, zekere distinctie bewarende, die anders den Walen niet eigen
is. Ook de lagere volksklasse heeft, ondanks den harden arbeid waartoe
zij gedoemd is, eene groote mate van opgeruimdheid en kinderlijke
zorgeloosheid behouden, en daarbij eene zekere bruske en familiare
beleefdheid, en eene dienstvaardigheid, die tegen geene moeite opziet.
Maar het vermaak dringt hier den arbeid niet op den achtergrond, noch
voor de grooten, noch voor de geringen: de gansche week door gloeit en
brandt de oven en gaan de machines op en neer, in beweging gebracht en
bestuurd door hoofden en handen, en bij duizenden telt de industrie
hier haar officieren en haar soldaten. En behalve deze machtige
groot-industrie bezit Luik nog een anderen tak van nijverheid, die het
alom beroemd heeft gemaakt: haar wapenfabrieken. De geweermaker is de
echte werkman der stad, de populaire type bij uitnemendheid. Kwamen
nog, als voorheen, de oude gilden onder de wapenen, dan zou het
zijne welhaast een leger vormen: overal weerklinkt zijn hamerslag;
gansche wijken zijn bijna eene groote wapenfabriek, waarvan elk huis
een onderdeel vormt; mannen, vrouwen, kinderen, allen zijn van den
morgen tot den avond in de weer om te vijlen, te schaven, te passen,
te polijsten. In sommige straten dreunt onophoudelijk het plaveisel
onder de zware wagens, met bergen van geweren beladen, en ziet ge
achter elk venster kloeke figuren aan den arbeid, bezig met het smeden
der moorddadige musketten. En de geweermaker, de wapensmid, is trotsch
op zijn vak; zij vormen onder elkander nog inderdaad een soort van
gilde, en willen volstrekt niet gelijk gesteld worden met andere
ambachtslieden, van wie, naar zij meenen, veel minder ontwikkeling
en bekwaamheid gevorderd wordt. Nu valt het niet tegen te spreken,
dat in onze negentiende eeuw, die zoo prat gaat op haar humaniteit,
geschutgieters en geweermakers tot de gewichtigste en meest geëerde
leden der maatschappij behooren.
In diezelfde volkrijke buurten vond men nog tot voor twintig, dertig
jaren een anderen type: de zoogenoemde "boteresse", de gespierde,
ruwe, krachtvolle vrouw, die mannenarbeid verrichtte en zelve half man
geworden was. Met de korte pijp in den mond, de verwarde haren over het
voorhoofd hangende, zag men haar langs de steile straten en trappen
op en neder klimmen, met de mand of "bot", op den rug, met groote
stappen voortgaande, beladen met een vracht, waaronder lastdieren
bezweken zouden zijn. Schier zonder ophouden, in éénen adem, liepen
zij van Luik naar Maastricht, met een vracht van vijfhonderd pond,
slechts even aan de herbergen ophoudende, om in één slok een paar
glazen jenever te ledigen. Forsch en gespierd als een man, droegen
zij roem op het spreekwoord: "een Vlaming goed voor twee Walen, maar
eene boteresse goed voor twee Vlamingen". Toen de heuvel van Waterloo,
tweehonderd-een-en-twintig trappen hoog, werd opgeworpen, kwamen zij
in gansche scharen, kruiden en karden en werkten onvermoeid. In gewonen
tijd hielden zij zich vooral onledig met het vervoeren van geweren, die
bij stapels boven haar schouders uitstaken. Als deze arbeid stilstond,
maakten zij voor de burgers eene soort van vuurballen, half aarde, half
steenkool; met de handen in de zijde dansten zij voor de huizen, met
haar klompen de steenkool fijn stampende en haar taak opvroolijkende
door lustig gezang; vervolgens kneedden zij met haar vuisten de fijne,
weeke stof, maakten er ballen van en legden die te drogen.
Deze laatste gewoonte is te Luik nog niet uitgestorven: wie geen
tuin of plaats achter zijn huis heeft, laat zijn brandstof op straat
klaar maken; maar de boteresses van den goeden ouden tijd zijn,
als zoo vele andere karakteristieke typen, verdwenen. Het ras is
verbasterd; de boteresses van heden zijn niet meer, als hare moeders
en grootmoeders, sjouwers en pakkedragers: zij zijn commissionaires
en bestelsters op de markt en op de publieke pleinen der stad. Wel
hebben zij nog de klassieke "bot" op den rug, maar zij dragen nu
slechts lichte vrachten, groenten, levensmiddelen, kleine pakjes; en
wel verre van af te schrikken, zijn zij vriendelijk en voorkomend en
uitlokkend. Elken morgen komen zij bijeen op het plein Saint-Lambert
of ergens anders, en wachten daar tot men hare diensten verlangt en
haar eene of andere commissie opdraagt.
Zoo bruist de stroom van het leven hier onverpoosd voort; maar
is de zondag gekomen, dan staakt de wriemelende mierenhoop haar
rustelooze beweging; dan worden de winkels en werkplaatsen gesloten,
dan stroomt alles naar buiten of naar de kermissen in de omliggende
dorpen. Bij gansche troepen nemen dan de arbeidsters in de fabrieken,
de loopjongens, de winkeljuffers en bedienden de draaimolens in beslag,
vullen de stoombootjes en spoorwagens en gaan naar buiten. Daar
wordt geroeid en gedarteld, gewandeld en gezongen en gedanst. Van
Petit-Bourgogne tot Luik is alles stormerhand overweldigd; de bosschen
van Kinkempois weergalmen van vroolijk gezang, gelach en gepraat; men
beklimt den heuvel van Vivegnis; men gaat naar Jupille, naar Herstal,
naar Angleur; alle heuvelhellingen zijn bezaaid met lichtkleurige
kleedjes en parasols. Des avonds, na geloopen en gesprongen, gedarteld
en op het gras gegeten te hebben, keert men naar de stad terug
om den "cramignon" te dansen, dien waalschen rondedans, die zich,
als een reusachtige slang, eindeloos verlengt en gansche straten en
buurten vult, als de keten der dansers, die elkaar bij de hand houden,
telkens grooter en grooter wordt. Dan staan alle huizen ledig: mannen
en vrouwen sluiten zich aan bij de wielende processie: eerst waren er
vijftig dansers, straks zijn er driehonderd; een heldere stem zingt
een populair liedje, dat de gansche menigte herhaalt, springende,
huppelende, zich slingerende om de voorbijgangers, steeds verder en
verder hossende. Soms wordt de keten verbroken, om straks op nieuw
gevormd te worden; weer klinkt de vroolijke deun, hier en daar
en ginds en van verre; en tot na middernacht golft de opgewonden
menigte door de woelige straten. Een luiksch volksdichter heeft de
liedjes verzameld, die cramignons worden genoemd en waarvan de naam
op den dans zelven is overgegaan; sommigen doen aan idyllen denken,
anderen zijn blijkbaar satiren; maar van bijna allen is de liefde het
hoofdonderwerp. Naar men verzekert, is die dartele, lustige poëzie,
opwellende uit het harte des volks, thans verstomd. Wel schrijft
het gemeentebestuur nu en dan, als de oude rederijkerskamers,
een wedstrijd uit: maar in plaats van vroolijke naïeve minstreels,
die de vreugde en het lijden van het volk bezingen, verschijnen nu
officieele rijmelaars, die oden aan het vaderland, aan den koning,
ja zelfs--omsluier u het gelaat, o Muze!--aan de constitutie inzenden.
Terwijl de ambachtslieden met hunne gezinnen, troepjes studenten,
knapen en meisjes uit de volksklasse naar de buitentuinen gaan, in de
Maas gaan visschen of roeien, zetten de meer gegoede familiën, de rijke
kooplui van het Quadrilatère, de ambtenaren, zich bij gansche scharen
in de treinen die naar de schoone streken voeren, door de Vesdre
en de Ourthe besproeid. Een zondag zonder een bal te Chaudfontaine,
een danspartij te Tilff, of eene eierkoek in de herbergen te Esneux,
zou geen zondag zijn. Reeds in den vroegen morgen vullen zich de
compartimenten van de eerste en de tweede klasse met elegante dames,
in heldere mousselinen kleedjes gehuld, keuvelend en koutend en
lachend; daar fluit de lokomotief; de trein zet zich in beweging,
en langs de vensters der waggons ontrolt zich een levend panorama
van heuvelen en bergen, van schuimende wateren en murmelende beken,
van schilderachtige dorpen tronende op de toppen of wegduikende in
de stille valleien. Luider ratelt de donder der wentelende raderen;
in de waggons wordt het licht ontstoken; de trein verliest zich in het
hart der bergen. Alleen tusschen Luik en Verviers telt men elf tunnels;
telkens gaat men van het licht tot de duisternis en van de duisternis
tot het licht over, altijd maar voorthollende in zinnelooze vaart.
Eensklaps opent zich een paradijs van groen en ruischende wateren;
van onder tot boven is de berg met bosch bedekt; overal beuren zich
de schilderachtige toppen op, ontplooien zich groenende en bloeiende
amphitheaters, teekenen zich tegen den hemel de sierlijk golvende
lijnen der heuvelklingen; en beneden in de diepte ontrolt zich eene
heerlijke vallei, waaruit de muziek van watervalletjes opstijgt,
met bloemperken, bosschages, coquette villa's en châlets, overal
tusschen het groen verspreid. Dan ontstaat er beweging in de waggons;
de portieren worden geopend, en eene drukke vroolijke menigte vult
voor eenige oogenblikken het station, om zich dan weer te verspreiden,
de heuvels te beklimmen of rond te wandelen langs de grasperken van
het kurhaus. Men is te Chaudfontaine, een Spa in miniatuur, en even
zoo beroemd om zijne wandelingen, zijne uitspanningen, zijne bronnen
en zijne schoone omgeving.
Maar een deel van de zondagsvierders, die het station te Luik vulden,
heeft plaats genomen in de waggons van de Ourthe-lijn. De tocht begint:
Angleur verdwijnt in dichte rookwolken; op de hoogten teekent het
kasteel van Colonster zich tegen den horizon af; de lokomotief snuift
en fluit, staat stil. "Tilff!" roepen de conducteurs. Sommigen, die
tegen geen vermoeienis opzien, gaan op weg naar de grotten, waarin
men vier uren lang kan ronddwalen; anderen wandelen door de weilanden,
naar Méry of naar Esneux, boven op den berg, waar het doorgaans wemelt
van bezoekers en logeergasten.
De voetreizigers stappen uit te Pepinster, om van daar naar Spa te
kuieren, over Justenville en Theux, waar eene merkwaardige oude
kerk te zien is; over het armzalige gehucht la Reid, vijftig of
zestig hutten in eene woestijn. Somwijlen maakt men een kleinen
omweg om een blik te werpen op de ruïnen van Franchimont, waaraan
zich eene geschiedenis hecht van bijna acht eeuwen en de herinnering
aan de prins-bisschoppen van Luik, van vorsten en aanzienlijken, die
hier vaak hun intrek namen, als zij te Spa de baden gebruikten. Even
voorbij la Reid begint eene breede prachtige laan, die als het ware het
voorportaal vormt van de stad, die zich weldra in al haar coquetten
luister en opschik vertoont. Telken jare, bij den aanvang van het
saizoen, schijnt Spa zelf, weer netjes opgepoetst, te voorschijn
te komen uit een dier mooi beschilderde doosjes, die haar naam door
geheel Europa hebben helpen verbreiden. Dan is Spa één groot logement:
alles is er te huur en op allerlei wijze wil men u helpen om uwe beurs
te ledigen. Maar de prachtige wandelingen, de heerlijke omstreken zijn
gelukkig nog voor ieder toegankelijk: de lucht, de bergen en valleien
zijn ook te Spa nog niet belast. Het vriendelijke, coquette stadje,
zoo uitnemend gelegen, heeft geheel het voorkomen van eene moderne
badplaats met haar casino, haar muziek, haar bals, haar amusementen,
haar opschik en schijn en ijdelheid en ook haar invretenden kanker
der onzedelijkheid. Toch is Spa niet meer wat het vroeger was, toen
de bank nog bestond en de roulette-tafel het hoog-beschaafde schuim
onzer maatschappij dagelijks om zich vereenigde: die gouden dagen,
waaraan de inwoners nog altijd met weemoed denken, zijn voorbij. Maar
in de reeks van schoone landschappen die haar omgeven, en bovenal
in haar minerale bronnen, waarvan de geneeskracht reeds sinds lang
bekend en beroemd is, heeft Spa een schat, dien niemand het ontnemen
kan en die het tegen vergetelheid waarborgt.