XVI

Te Luik beslaan de kerk en het bisschoppelijk paleis de plaats, die

elders wordt ingenomen door de belfroots en de stadhuizen, die de

trots en de roem zijn der vlaamsche gemeenten. Het luiksche volk, dat

in de werkelijke historie toch waarlijk geen onbeduidende rol heeft

gespeeld en niet minder rumoerig en moeilijk te regeeren was dan de

poorters van Gent of Brugge, treedt veel meer op den achtergrond in die

monumentale historie, welke ons de eeuwen hebben achtergelaten. Hier

is geen belfroot, wier klokkenspel een stem gaf aan alle aandoeningen,

die het gemoed des volks in beweging brachten; en het raadhuis van

Luik maakt in het minst niet den indruk van een dier fiere burchten

der gemeentelijke onafhankelijkheid, zooals wij ze te Brussel, te Gent,

te Leuven, te Oudenaerde, gezien hebben. Toch was het oude raadhuis, de

_Violette_, ook hier dikwijls genoeg getuige van heftige beroeringen.

Want de geschiedenis van Luik is eeuwenlang in hoofdzaak niet anders

dan het verhaal van de telkens opnieuw ontbrande worsteling tusschen

den bisschop, den geestelijken en wereldlijken heer der stad, en de

gemeente, de poorterij, steeds trachtende het gezag van den bisschop

te beperken en voor zich zelve, zooveel eenigzins mogelijk, vrijheid

van beweging en zelfregeering te veroveren. En bij die worsteling

ging het vaak bloedig genoeg toe: de vreeselijke strafoefeningen,

die Jan van Beieren (met den somberen bijnaam van Jan zonder Genade),

de geduchte bisschop, en de hertogen van Bourgondië, Jan zonder

Vrees en Karel de Stoute, de overwonnen stad deden ondergaan,

wekken nog bij de herinnering een huivering van afschuw; maar

vooral niet minder gruwelijk en niet minder bloedig waren de woeste

uitspattingen, de toomelooze wraakoefeningen der razende burgers,

wanneer het hun soms gelukte de ijzeren hand, die hen ten onder

hield, voor een poos te verlammen. Overigens waren ook te Luik,

als in zoo vele middeleeuwsche steden, de gemeentelijke rechten

en vrijheden zeer uitgebreid, en was de burgerij in het bezit van

eene mate van autonomie, waarvan wij ons thans kwalijk een denkbeeld

kunnen vormen. Charters en keuren en privilegiën van allerlei aard,

langs vredelievenden of gewelddadigen weg verkregen, den souverein

afgekocht of afgedwongen, vaak ook vrijwillig verleend, beperkten ook

hier, als elders, het gezag van den vorst binnen vrij enge grenzen;

en de Luikenaars zorgden er wel voor, dat deze souvereiniteit in

eigen kring geëerbiedigd werd. Het voorgeslacht was niet van oordeel

dat de persoonlijke vrijheid genoegzaam gewaarborgd is, wanneer vele,

of zeer vele, of zelfs alle burgers medewerken tot de samenstelling

der wetgevende vergaderingen, die in den grond der zaak almachtig en

onverantwoordelijk zijn en doen kunnen wat zij willen. Deze absolute

staatsmacht was in hunne oogen de gevaarlijkste vijand; en om zich

tegen dien vijand in veiligheid te stellen, zou een stembiljet hun

al een bijzonder zwak wapen zijn toegeschenen. Zij schermden veel

minder dan wij met het abstracte begrip der vrijheid, maar waakten met

grooten ernst en ijver voor de handhaving hunner praktische vrijheden.

Maar deze politieke geschiedenis heeft te Luik geene zichtbare sporen

achtergelaten, geen monumenten, die de aandacht en belangstelling

van den vreemdeling kunnen wekken. De bekoring der stad ligt elders:

in hare schilderachtig schoone ligging en omgeving, met haar rivier

en haar grootsch amphitheater van heuvelen; in het labyrinth harer

dooreen gewarrelde straatjes; in de trappen die zich midden tusschen de

huizen inwringen; in de oude, met mos begroeide muren, de tuinterrassen

langs de heuvelhellingen, met hun balustraden, kiosken en koepels,

hun boschages en bloemperken; in dat leven in de open lucht vooral,

dat grillige en onregelmatige, zoo zeer verschillende van de koude en

banale symetrie onzer moderne hoofdsteden. En die bekoring ligt mede

in de vroolijke opgeruimdheid en levendigheid van het volkskarakter,

met zijn geestigen luim en dartelen spot; in de innemende voorkomende

vriendelijkheid en gulhartigheid van dit volk, dat zoo gemakkelijk te

winnen is en zoo weinig terughouding en stijfheid kent. De Luikenaar is

een hartstochtelijk liefhebber van genot en uitspanning en vermaak:

hij is een pretmaker, eene, zoo men wil, zinnelijke natuur; maar

hij amuseert zich met gratie en kruidt zijn pret met de bloem der

poëzie: hij heeft behoefte aan vroolijken kout, aan muziek, aan

sierlijke vertooningen, aan al wat het oog bekoort en de zinnen

streelt. Niemand heeft zoo goed als hij den slag om een feest te

organiseeren on te animeeren: hij is een geboren impressario en raakt

nimmer uitgeput. Daarbij een lacher, een opsnijder, een grootspreker,

rumoerig en druk, met de spotternij op de lippen, maar ook met het

hart op de tong, en zelfs in zijne dolste buitensporigheden zekere

fijnheid, zekere distinctie bewarende, die anders den Walen niet eigen

is. Ook de lagere volksklasse heeft, ondanks den harden arbeid waartoe

zij gedoemd is, eene groote mate van opgeruimdheid en kinderlijke

zorgeloosheid behouden, en daarbij eene zekere bruske en familiare

beleefdheid, en eene dienstvaardigheid, die tegen geene moeite opziet.

Maar het vermaak dringt hier den arbeid niet op den achtergrond, noch

voor de grooten, noch voor de geringen: de gansche week door gloeit en

brandt de oven en gaan de machines op en neer, in beweging gebracht en

bestuurd door hoofden en handen, en bij duizenden telt de industrie

hier haar officieren en haar soldaten. En behalve deze machtige

groot-industrie bezit Luik nog een anderen tak van nijverheid, die het

alom beroemd heeft gemaakt: haar wapenfabrieken. De geweermaker is de

echte werkman der stad, de populaire type bij uitnemendheid. Kwamen

nog, als voorheen, de oude gilden onder de wapenen, dan zou het

zijne welhaast een leger vormen: overal weerklinkt zijn hamerslag;

gansche wijken zijn bijna eene groote wapenfabriek, waarvan elk huis

een onderdeel vormt; mannen, vrouwen, kinderen, allen zijn van den

morgen tot den avond in de weer om te vijlen, te schaven, te passen,

te polijsten. In sommige straten dreunt onophoudelijk het plaveisel

onder de zware wagens, met bergen van geweren beladen, en ziet ge

achter elk venster kloeke figuren aan den arbeid, bezig met het smeden

der moorddadige musketten. En de geweermaker, de wapensmid, is trotsch

op zijn vak; zij vormen onder elkander nog inderdaad een soort van

gilde, en willen volstrekt niet gelijk gesteld worden met andere

ambachtslieden, van wie, naar zij meenen, veel minder ontwikkeling

en bekwaamheid gevorderd wordt. Nu valt het niet tegen te spreken,

dat in onze negentiende eeuw, die zoo prat gaat op haar humaniteit,

geschutgieters en geweermakers tot de gewichtigste en meest geëerde

leden der maatschappij behooren.

In diezelfde volkrijke buurten vond men nog tot voor twintig, dertig

jaren een anderen type: de zoogenoemde "boteresse", de gespierde,

ruwe, krachtvolle vrouw, die mannenarbeid verrichtte en zelve half man

geworden was. Met de korte pijp in den mond, de verwarde haren over het

voorhoofd hangende, zag men haar langs de steile straten en trappen

op en neder klimmen, met de mand of "bot", op den rug, met groote

stappen voortgaande, beladen met een vracht, waaronder lastdieren

bezweken zouden zijn. Schier zonder ophouden, in éénen adem, liepen

zij van Luik naar Maastricht, met een vracht van vijfhonderd pond,

slechts even aan de herbergen ophoudende, om in één slok een paar

glazen jenever te ledigen. Forsch en gespierd als een man, droegen

zij roem op het spreekwoord: "een Vlaming goed voor twee Walen, maar

eene boteresse goed voor twee Vlamingen". Toen de heuvel van Waterloo,

tweehonderd-een-en-twintig trappen hoog, werd opgeworpen, kwamen zij

in gansche scharen, kruiden en karden en werkten onvermoeid. In gewonen

tijd hielden zij zich vooral onledig met het vervoeren van geweren, die

bij stapels boven haar schouders uitstaken. Als deze arbeid stilstond,

maakten zij voor de burgers eene soort van vuurballen, half aarde, half

steenkool; met de handen in de zijde dansten zij voor de huizen, met

haar klompen de steenkool fijn stampende en haar taak opvroolijkende

door lustig gezang; vervolgens kneedden zij met haar vuisten de fijne,

weeke stof, maakten er ballen van en legden die te drogen.

Deze laatste gewoonte is te Luik nog niet uitgestorven: wie geen

tuin of plaats achter zijn huis heeft, laat zijn brandstof op straat

klaar maken; maar de boteresses van den goeden ouden tijd zijn,

als zoo vele andere karakteristieke typen, verdwenen. Het ras is

verbasterd; de boteresses van heden zijn niet meer, als hare moeders

en grootmoeders, sjouwers en pakkedragers: zij zijn commissionaires

en bestelsters op de markt en op de publieke pleinen der stad. Wel

hebben zij nog de klassieke "bot" op den rug, maar zij dragen nu

slechts lichte vrachten, groenten, levensmiddelen, kleine pakjes; en

wel verre van af te schrikken, zijn zij vriendelijk en voorkomend en

uitlokkend. Elken morgen komen zij bijeen op het plein Saint-Lambert

of ergens anders, en wachten daar tot men hare diensten verlangt en

haar eene of andere commissie opdraagt.

Zoo bruist de stroom van het leven hier onverpoosd voort; maar

is de zondag gekomen, dan staakt de wriemelende mierenhoop haar

rustelooze beweging; dan worden de winkels en werkplaatsen gesloten,

dan stroomt alles naar buiten of naar de kermissen in de omliggende

dorpen. Bij gansche troepen nemen dan de arbeidsters in de fabrieken,

de loopjongens, de winkeljuffers en bedienden de draaimolens in beslag,

vullen de stoombootjes en spoorwagens en gaan naar buiten. Daar

wordt geroeid en gedarteld, gewandeld en gezongen en gedanst. Van

Petit-Bourgogne tot Luik is alles stormerhand overweldigd; de bosschen

van Kinkempois weergalmen van vroolijk gezang, gelach en gepraat; men

beklimt den heuvel van Vivegnis; men gaat naar Jupille, naar Herstal,

naar Angleur; alle heuvelhellingen zijn bezaaid met lichtkleurige

kleedjes en parasols. Des avonds, na geloopen en gesprongen, gedarteld

en op het gras gegeten te hebben, keert men naar de stad terug

om den "cramignon" te dansen, dien waalschen rondedans, die zich,

als een reusachtige slang, eindeloos verlengt en gansche straten en

buurten vult, als de keten der dansers, die elkaar bij de hand houden,

telkens grooter en grooter wordt. Dan staan alle huizen ledig: mannen

en vrouwen sluiten zich aan bij de wielende processie: eerst waren er

vijftig dansers, straks zijn er driehonderd; een heldere stem zingt

een populair liedje, dat de gansche menigte herhaalt, springende,

huppelende, zich slingerende om de voorbijgangers, steeds verder en

verder hossende. Soms wordt de keten verbroken, om straks op nieuw

gevormd te worden; weer klinkt de vroolijke deun, hier en daar

en ginds en van verre; en tot na middernacht golft de opgewonden

menigte door de woelige straten. Een luiksch volksdichter heeft de

liedjes verzameld, die cramignons worden genoemd en waarvan de naam

op den dans zelven is overgegaan; sommigen doen aan idyllen denken,

anderen zijn blijkbaar satiren; maar van bijna allen is de liefde het

hoofdonderwerp. Naar men verzekert, is die dartele, lustige poëzie,

opwellende uit het harte des volks, thans verstomd. Wel schrijft

het gemeentebestuur nu en dan, als de oude rederijkerskamers,

een wedstrijd uit: maar in plaats van vroolijke naïeve minstreels,

die de vreugde en het lijden van het volk bezingen, verschijnen nu

officieele rijmelaars, die oden aan het vaderland, aan den koning,

ja zelfs--omsluier u het gelaat, o Muze!--aan de constitutie inzenden.

Terwijl de ambachtslieden met hunne gezinnen, troepjes studenten,

knapen en meisjes uit de volksklasse naar de buitentuinen gaan, in de

Maas gaan visschen of roeien, zetten de meer gegoede familiën, de rijke

kooplui van het Quadrilatère, de ambtenaren, zich bij gansche scharen

in de treinen die naar de schoone streken voeren, door de Vesdre

en de Ourthe besproeid. Een zondag zonder een bal te Chaudfontaine,

een danspartij te Tilff, of eene eierkoek in de herbergen te Esneux,

zou geen zondag zijn. Reeds in den vroegen morgen vullen zich de

compartimenten van de eerste en de tweede klasse met elegante dames,

in heldere mousselinen kleedjes gehuld, keuvelend en koutend en

lachend; daar fluit de lokomotief; de trein zet zich in beweging,

en langs de vensters der waggons ontrolt zich een levend panorama

van heuvelen en bergen, van schuimende wateren en murmelende beken,

van schilderachtige dorpen tronende op de toppen of wegduikende in

de stille valleien. Luider ratelt de donder der wentelende raderen;

in de waggons wordt het licht ontstoken; de trein verliest zich in het

hart der bergen. Alleen tusschen Luik en Verviers telt men elf tunnels;

telkens gaat men van het licht tot de duisternis en van de duisternis

tot het licht over, altijd maar voorthollende in zinnelooze vaart.

Eensklaps opent zich een paradijs van groen en ruischende wateren;

van onder tot boven is de berg met bosch bedekt; overal beuren zich

de schilderachtige toppen op, ontplooien zich groenende en bloeiende

amphitheaters, teekenen zich tegen den hemel de sierlijk golvende

lijnen der heuvelklingen; en beneden in de diepte ontrolt zich eene

heerlijke vallei, waaruit de muziek van watervalletjes opstijgt,

met bloemperken, bosschages, coquette villa's en châlets, overal

tusschen het groen verspreid. Dan ontstaat er beweging in de waggons;

de portieren worden geopend, en eene drukke vroolijke menigte vult

voor eenige oogenblikken het station, om zich dan weer te verspreiden,

de heuvels te beklimmen of rond te wandelen langs de grasperken van

het kurhaus. Men is te Chaudfontaine, een Spa in miniatuur, en even

zoo beroemd om zijne wandelingen, zijne uitspanningen, zijne bronnen

en zijne schoone omgeving.

Maar een deel van de zondagsvierders, die het station te Luik vulden,

heeft plaats genomen in de waggons van de Ourthe-lijn. De tocht begint:

Angleur verdwijnt in dichte rookwolken; op de hoogten teekent het

kasteel van Colonster zich tegen den horizon af; de lokomotief snuift

en fluit, staat stil. "Tilff!" roepen de conducteurs. Sommigen, die

tegen geen vermoeienis opzien, gaan op weg naar de grotten, waarin

men vier uren lang kan ronddwalen; anderen wandelen door de weilanden,

naar Méry of naar Esneux, boven op den berg, waar het doorgaans wemelt

van bezoekers en logeergasten.

De voetreizigers stappen uit te Pepinster, om van daar naar Spa te

kuieren, over Justenville en Theux, waar eene merkwaardige oude

kerk te zien is; over het armzalige gehucht la Reid, vijftig of

zestig hutten in eene woestijn. Somwijlen maakt men een kleinen

omweg om een blik te werpen op de ruïnen van Franchimont, waaraan

zich eene geschiedenis hecht van bijna acht eeuwen en de herinnering

aan de prins-bisschoppen van Luik, van vorsten en aanzienlijken, die

hier vaak hun intrek namen, als zij te Spa de baden gebruikten. Even

voorbij la Reid begint eene breede prachtige laan, die als het ware het

voorportaal vormt van de stad, die zich weldra in al haar coquetten

luister en opschik vertoont. Telken jare, bij den aanvang van het

saizoen, schijnt Spa zelf, weer netjes opgepoetst, te voorschijn

te komen uit een dier mooi beschilderde doosjes, die haar naam door

geheel Europa hebben helpen verbreiden. Dan is Spa één groot logement:

alles is er te huur en op allerlei wijze wil men u helpen om uwe beurs

te ledigen. Maar de prachtige wandelingen, de heerlijke omstreken zijn

gelukkig nog voor ieder toegankelijk: de lucht, de bergen en valleien

zijn ook te Spa nog niet belast. Het vriendelijke, coquette stadje,

zoo uitnemend gelegen, heeft geheel het voorkomen van eene moderne

badplaats met haar casino, haar muziek, haar bals, haar amusementen,

haar opschik en schijn en ijdelheid en ook haar invretenden kanker

der onzedelijkheid. Toch is Spa niet meer wat het vroeger was, toen

de bank nog bestond en de roulette-tafel het hoog-beschaafde schuim

onzer maatschappij dagelijks om zich vereenigde: die gouden dagen,

waaraan de inwoners nog altijd met weemoed denken, zijn voorbij. Maar

in de reeks van schoone landschappen die haar omgeven, en bovenal

in haar minerale bronnen, waarvan de geneeskracht reeds sinds lang

bekend en beroemd is, heeft Spa een schat, dien niemand het ontnemen

kan en die het tegen vergetelheid waarborgt.

Wandelingen door België De Aarde en haar Volken, 1886(#15403) · 第 16 / 16 题