Omstreeks twintig jaren geleden lag er te Dinant over de rivier,
eene eerwaardige steenen brug, wier bogen met mos waren begroeid,
en die met de bruggen te Jambes en te Luik, tot de oudsten in het
waalsche land mocht worden gerekend. Daar men telken jare, bij
het wassen der wateren, gevaar liep, dat het oude metselwerk zou
worden ontwricht, vernield en medegevoerd, besloot men eene andere
brug te bouwen van steviger constructie. Alzoo geschiedde: en daar
ligt ze nu--tot uwe ergernis, zoo gij de oude brug hebt gekend--de
nieuwe ijzeren brug: een geometrisch monster, afschuwelijk als eene
meetkunstige figuur, met haar rechtlijnig bovendek, met haar metalen
traliewerk, aan de pijlers vastgeklonken. Stevig is zij, maar leelijk
ook, leelijk bovenal; van gratie en bevalligheid, van monumentaal
karakter of architektonische majesteit is bij dit moderne gewrocht
al even weinig sprake als bij welke machine ook. De geschiedenis der
bruggen van Dinant is overigens vrij ingewikkeld; sedert de eerste
brug, waarvan de kronieken gewag maken, en die boven haar vijf bogen
een toren droeg met twee verdiepingen en een omgang met borstwering;
sedert die kolossale, trotsche brug, die niet alleen tot toegang maar
ook tot verdediging der stad strekte, vindt men, in den loop van twee
eeuwen niet minder dan drie bruggen genoemd, waaronder een houten brug,
die in 1573 bij ijsgang werd vernield.
Even als Namen, is ook Dinant een uitgelezen punt voor het doen van
grootere en kleinere uitstapjes in den schilderachtigen omtrek. Aan
deze zijne ligging dankt het dan ook een druk bezoek van toeristen,
die steeds zijne hotels vullen. Een aantal familiën brengen hier
den zomer door, hetzij in een logement, hetzij bij particulieren,
hetzij in de vriendelijke villa's en chalets, die de boorden der
Maas omzoomen. Vooral de Engelschen komen hier in grooten getale,
vooral ook aangelokt door de gunstige gelegenheid voor tochten in het
gebergte en roeivaarten op de rivier, voor al die lichaamsoefeningen,
die voor hen eene uitspanning en eene behoefte zijn. Toch vormen
zij geene eigenlijke kolonie; ieder leeft voor zichzelven, zonder,
zooals aan het zeestrand, de behoefte te gevoelen om door onderlinge
aansluiting en verstrooiing een tegenwicht te zoeken tegen de verveling
en vermoeienis, die het eenvormig schouwspel van het strand en de
duinen nooit nalaat te verwekken.
In waarheid, hoe groot, hoe reusachtig het gebergte ook moge zijn,
toch schijnt het niet buiten onzen maatstaf te liggen, toch past
het nog in het kader onzer bevatting, en heft het niet, als de
eindelooze horizon der zee, alle denkbeeld van maat en evenredigheid
op. Daar komt bij, dat het door zijne oneindige afwisseling, door
zijne telkens nieuwe verrassingen, de nieuwsgierigheid prikkelt en de
belangstelling levendig houdt. De zee en het effen vlakke strand onzer
kusten vermoeien en verdooven den geest, op wien deze grenzenlooze
eentonigheid in het eind als een looden wicht gaat drukken. Op het
weeke zand wischt zich onze voetstap uit; de grond schijnt onder onzen
voet weg te vloeien, evenals het water; met de harde rots, met den
granieten bergwand kunnen wij ons meten: hij tart ons als het ware
tot den strijd en vol moed en met vroolijken ijver ondernemen wij de
beklimming. Ik zwijg van de door de natuur zoo rijk bedeelde landen,
waar bergen zee, rots en strand elkander aanvullen en een geheel
vormen van schier ongeëvenaarde schoonheid; maar in onze streken,
waar het strand bijna nooit iets anders is dan een kale, vlakke zand
woestijn, aan de eene zijde door een grijze zee, aan de andere door
eene lage reeks van grauwe duinen omzoomd; in onze streken wint een
berg- of boschlandschap het zeer verre van de kust.
Dinant ligt ongeveer in het middelpunt der namensche Ardennen en is
door uitmuntende wegen met alle punten in den schilderachtigen omtrek
verbonden. Wij kunnen onmogelijk al deze punten bezoeken, ons bestek
noopt ons tot beknoptheid; wij moeten dus ons vergenoegen met slechts
op enkele punten, die niet altijd tot het toeristen-programma behooren,
de aandacht te vestigen.
Wanneer men de voorstad Leffe verlaat en het kronkelende pad volgt,
dat langs terrasgewijze aangelegde tuinen opwaarts voert, dan bereikt
men weldra de schier eindelooze hoogvlakte, zich uitstrekkende tot
aan den schemerenden horizon, waarop de huizen al verder en verder
uit elkander staan en de zwijgende eenzaamheid u aan alle kanten
omgeeft. Ciney is de hoofdplaats van deze streek, le Condroz,
die in den zomer met golvende oogsten van gouden koren is bedekt;
maar wie het stille, betrekkelijk welvarende vlek bezoekt, zal niet
licht gissen welk een rol dit vergeten stedeke in vroeger eeuw heeft
gespeeld. Toch was de zware romaansche toren, waarmede de oude kerk
prijkt, getuige van gedenkwaardige gebeurtenissen. Hier toch begon die
noodlottige oorlog, de Koeienstrijd genoemd, die twee jaren duurde, aan
vijftienduizend menschen het leven kostte en zestig dorpen verwoestte.
Een boer van Jollet had eene koe gestolen van Rigaud de Corbion,
burger van Ciney, en werd nu door den baljuw dier stad gedagvaard,
die hem levensbehoud verzekerde, indien hij het gestolen stuk vee
teruggaf. De boer, op die toezegging vertrouwende, bracht de koe naar
den stal van den rechtmatigen eigenaar terug, hetgeen niet belette
dat hij opgeknoopt werd. De heer van Jollet, verbitterd over deze
wraakneming en over de krenking van zijn heerlijk recht, trok naar
Ciney dat hij verwoestte, waarop de baljuw Jollet overviel en aan de
vlammen prijs gaf.
Nu waren de poppen aan het dansen. De heer van Jollet riep de hulp
in van zijne broeders Richard van Falais en Regnier van Beaufort en
van de heeren van Celles en van Spontin; de vijf verbonden edellieden
brachten hunne mannen van wapenen op de been en liepen, roovende en
plunderende, het land af.
Daarop mengden zich de burgers van Hoei en van Luik in den twist;
zij kozen partij voor die van Ciney en sloegen het beleg voor
Falais, Beaufort, Celles en Spontin. Het bondgenootschap der vijf
heeren staat op het punt te bezwijken, toen onverwacht hulp voor
hen opdaagt. Gwy van Dampierre, graaf van Namen en Vlaanderen, en
de hertog van Brabant nemen het voor hen op. Nu ontbrandt de oorlog
heftiger dan ooit; het gansche land wordt afgeloopen door stroopende
benden, die overal moorden en plunderen en branden. Ciney wordt van
alle kanten ingesloten en de poorters hebben geene andere wijkplaats
meer dan de kerk, die door den graaf van Luxemburg in brand wordt
gestoken. De maarschalk van Forvies, door de Luikenaars tot ontzet
der belegerden gezonden, rukt nu het drostambt van Poilvache binnen,
alles vernielende, plunderende en uitmoordende: van dertig dorpen
van de Rondache bleven niet meer dan rookende puinhoopen over.
Men zou meenen, dat er thans genoeg bloed vergoten was en dat er een
einde aan den strijd zou komen; maar de burgers van Dinant kozen nu
op hun beurt partij voor Ciney en tastten Spontin aan. Misschien zou
het hun gelukt zijn, den sterken burcht te vermeesteren, indien de
heer van Dave niet in allerijl met huurbenden uit Namen was aangerukt
om het bedreigde punt te verdedigen. De mannen van Dinant worden
teruggedreven en nemen de wijk naar hunne stad, zoo vurig achtervolgd
door de soldeniers van den heer van Dave, dat deze laatsten tot
binnen de poort doordringen. De valdeur valt achter hen neder en
snijdt hun den terugweg af; nu volgt er een vreeselijk bloedbad,
terwijl de namensche krijgers, die buiten zijn gebleven, door die
van Dinant worden aangetast en het gevecht opnieuw begint. Nadat zoo
veel bloed vergoten en zoo schromelijke verwoesting aangericht was,
werd het geschil eindelijk voor den rechterstoel gebracht van den
Koning van Frankrijk, Filips den Stoute, wiens uitspraak luidde,
dat alles weder in denzelfden toestand moest gebracht worden als vóór
den oorlog. Eenige duizenden menschen waren dus voor niets vermoord
en eene gansche landstreek voor vele eeuwen te gronde gericht.
Heeft men de laatste huizen van Saint-Médard, eene andere voorstad van
Dinant, achter zich, dan vertoont zich weldra, tegen een amphitheater
van bergen, de prachtige Roche à Bayard (bladz. 257) Menschenhanden
hebben de kloof verwijd, die oorspronkelijk het massieve rotsblok
verdeelde, en tegenwoordig loopt de weg midden door de bres, ter
wederzijde omzoomd door hooge gescheurde rotswanden, waarvan de
een loodrecht in het water afdaalt, terwijl de andere samenhangt
met de rotsketen, die zich tot aan de _gorge_ van Froideveau
uitstrekt. Eensklaps opent zij zich aan onze rechterhand, de met reden
aldus genoemde bergkloof, waar zelfs midden op den dag koude nevels
zweven en die door geweldige rotswanden wordt ingesloten. Als wij
met de oogen het smalle, slingerende pad volgen, dat naar de plateaux
voert, dan behoeven wij onze verbeelding niet te zeer in te spannen,
om voor onzen geest de gestalten te zien opdagen der oude paladijnen,
uitgaande ten oorlog.
Trouwens, wij zijn hier in het land der ridderromans en
heldenzangen. Van de zonderling gevormde rots, wier doorluchtige naam
langs de geheele rivier is verbreid, sprong, volgens de sage, het
beroemde ros Bayard, met de vier Heemskinderen, in den stroom, na met
een enkelen sprong over het breede dal van de Leffe te zijn gevlogen,
waar Keizer Karel de Groote middelerwijl bezig was met het uithakken
van trappen in de rots, om de vluchtelingen te vervolgen. Alles in die
oude sagen en ridderzangen is even grootsch en kolossaal: de menschen
zijn reuzen, die elkander granietrotsen naar het hoofd slingeren;
de paarden zijn gevleugelde griffioenen, voor wie tijd en ruimte niet
schijnen te bestaan. De groote Keizer Karel zelf is als het ware een
mythisch persoon, de vertegenwoordiger van het rijksgezag tegenover de
oproerige vazallen, op hun beurt vertegenwoordigd in die schitterende
heldengroep der vier Heemskinderen.
Wilt ge naar Rochefort gaan, volg dan den heerlijken weg, dien ik u
aanraad. Op den rug van een ezel van Bastogne gezeten, of wel gewiegeld
in eene antieke berline, die ge bij Dizière den vroolijken waard
uit de _Tête-d'Or_ huren kunt, klimt ge uit de gorge van Froideveau
omhoog naar Boisselles en Celles, om dan naar de diepte van Payemme
af te dalen; dan gaat het weer omhoog tegen den heuvel van Custine
op, om eindelijk, Ciergnon rechts latende liggen, den steenweg te
volgen, die u ter plaatse uwer bestemming brengt. Nu eens op de kam
van het plateau, waar de zang der leeuwerikken u tegenklinkt uit de
blauwe lucht, dan overspat met het schuim der murmelende beekjes,
die dartelend voortspoeden in de stille valleien, baadt ge nu eens
in den zonneschijn der bergtoppen, om dan weg te schuilen in de
vochtige schaduw der boschrijke hellingen, altijd door volop de
schoonheid genietende van het verrukkelijke berglandschap, zoo rijk
aan afwisseling, met zijn heidevelden en heuvelen, zijn rotsen,
zijn wuivende bosschen, zijn ruischende wateren.
Te Celles troont, in eene woest romantische omgeving, de oude burcht
der Beauforts, thans aan de familie van Liedekerke behoorende; eenzaam
en verlaten staat het daar, het oud-adellijk kasteel (bladz. 252),
omhangen met zijn prachtigen toovermantel van eeuwenoude klimop;
eenzaam en verlaten, want het leven is uit zijne aderen weggevloeid en
overgegaan in het pseudo-gothische kasteel tegenover hem.--Dan beurt
Custine, de geliefkoosde verblijfplaats van Leopold II, te midden
van een heerlijk plekje, zijn slanke torens omhoog; langs zijn voet
stroomt de Lesse, die zich als een zilveren lint door de met bloemen
bezaaide weide slingert.--Dan vertoont zich eensklaps Rochefort,
rondom door heuvelen omsloten, met zijn hooge rots, waarop de oude
feodale burcht verrijst.
Rochefort is in geheel den omtrek beroemd, niet alleen om zijne
uitnemend schoone omgeving, maar ook om zijne grotten, die wel
een bezoek waard zijn. Trouwens deze geheele streek van de Lesse
vertoont overal de sporen van de geweldige worsteling der woedende
elementen. Van Furfooz tot Chaleux en van Rochefort tot Han, is het
eene bijna onafgebroken reeks van grotten en spelonken, waarvan de
wondere aanblik den geest met verbazing en schrik vervult. Overal
heeft hier de voorhistorische mensch, de tijdgenoot van de mammouths
en de ichthyosauren, de sporen van zijn verblijf achtergelaten, en
in de holen der bergen vindt men zijne beenderen, vermengd met die
der wilde dieren, wier schedel hij kloofde met zijn steenen bijl en
in wier lillend vleesch hij zijne tanden zette.
Men heeft de grotten van Rochefort met die van Han vergeleken en
ze dan veel minder merkwaardig genoemd. Deze noodlottige manie van
vergelijken is ongelukkig niet anders dan het bewijs van ons onvermogen
om verschillende soorten van schoonheid te begrijpen en te waardeeren;
of, zoo men wil, van onze neiging om alles met een zelfden maatstaf te
meten. Het is echter eigenlijk even dwaas, de groote werken der natuur
als de scheppingen der kunst met elkander te vergelijken: beiden maken
elke vergelijking onmogelijk door hun eigenaardig, bijzonder karakter,
dat aan ieder voor zich eigen is en waarin juist hunne schoonheid
bestaat. Zoo zal de grot van Han het steeds van alle anderen winnen
door de aangrijpende majesteit en de huiveringwekkende pracht van
haar tallooze zalen en gangen en galerijen; eene tooverwereld, die
een onuitwischbaren indruk in het gemoed achterlaat, maar waarvan ik
zelfs niet beproeven wil eene beschrijving te geven, 't Is ook niet
noodig: de grot van Han is een vast nommer op elk toeristen-programma,
zelfs op het programma van de slaven van een rondreisbillet. Velen
mijner lezers hebben dit natuurwonder waarschijnlijk met eigen oogen
aanschouwd, en zij behoeven dus mijne beschrijving niet. En wie haar
niet heeft gezien, die wonderbare onderaardsche tooverwereld, geen
beschrijving kan er hem eene eenigszins juiste voorstelling van geven,
nog minder den indruk vertolken, dien eene wandeling door deze zalen
op den bezoeker maakt.