Een vijftiental jaren geleden bestond er nog een geregelde
stoombootdienst tusschen Namen en Luik. Dat was in waarheid een
heerlijke vaart, waarbij zich een reeks van grootsche en bevallige
tafreelen voor het oog ontrolde, afwisselend bij iedere kromming van
de rivier. Achtereenvolgens zag men de groote krijtrots der Grandes
Malades, aldus genoemd naar een voormalig leprozenhuis; dan de
hermitage van Saint-Hubert, eene landelijke kapel, nu vervangen door
een prozaïschen kalkoven; de vallei van Marche-les-Dames, beroemd door
de abdij, welke honderd-negen-en-dertig echtgenooten van namensche
kruisvaarders hier in de twaalfde eeuw stichtten; verder, tegenover
Namêche, de rots van Samson met de ruïne van den ouden feodalen
burcht, een van de ontelbare kasteelen, waaraan de overlevering den
naam heeft verbonden van de vier Heemskinderen. Tusschen Sclaigneaux en
Andenne heerschte de industrie: rookwolken en nevels omhulden de groene
heuvelklingen; overal vertoonden de rotswanden de wijd gapende wonden
der steengroeven. Maar weldra week het geklop der hamers, het gestamp
der machines, het gegons der bezige menigte op den achtergrond. Men
stoomde langs Ba-Oha, en plotseling teekenden zich, op den top eener
grijze rots, de omtrekken eener citadel tegen de heldere lucht.
"Huy!" klonk eene luide stem van den kant van het roer, en de boot
lag voor eenige oogenblikken stil. Dan wentelden de raderen weder
om en om in het schuimende water; en langs de beide oevers begon het
industrieele rumoer op nieuw. Van Ampsin tot Flemalles was het aan alle
kanten een woud van schoorsteenen; roode vlammen stegen opwaarts uit
de breede openingen der pletterijen en gieterijen; het nimmer poozend
geraas van den arbeid in de ijzerfabrieken verstoorde de stilte van
de weinige rustieke landschappen, als oasen verloren te midden van
deze woestijn van vuur en smook en roet. De rotsen omlijstten het
gansche woelige tooneel, nu eens terugwijkende, dan tot de rivier
naderende, en door allerlei grillige, teekenachtige gestalten en
vormen het oog verrassend, vermoeid van het staren op den baaiert der
industrie. Wie denkt hier niet in de eerste plaats aan de fiere, hooge
rots, waarop het kasteel Chokier troont, hoog boven al het geraas
en al den vuilen smook der wriemelende menigte aan zijn voet. Van
verre groetten en volgden u zijne sierlijke torentjes; met verbazing
dwaalde de blik langs de eindelooze treden van een reuzentrap, naar
den overigens weinig indrukwekkenden burcht voerende; en de aanblik
van de titanische rots deed u den koortsigen arbeid der menschen,
het brullen van den stoom, het gefluit en gestamp der afschuwelijke
machines, vergeten. Maar te Flémalles begon de hel op nieuw; daar
rookten de tallooze schoorsteenen van den Val-Saint-Lambert; de
stellages en staketsels der kolenmijnen verhieven zich in de lucht,
als de geraamten van voorwereldlijke draken; een vieze, stinkende
sneeuw van zwarte vette vlokken daalde onophoudelijk op het dek van
de boot neder; Seraing, Jemeppe, Ougrée gaapten u des avonds, bij
het naderen van Luik, tegen als de open monden eener geheimzinnige,
duistere hel, waaruit roode vlammen en rookwolken naar buiten sloegen.
Tegenwoordig varen de booten, de zoogenoemde _mouches_, niet verder
dan van Luik naar Seraing; ook het genot van deze kalme riviervaart,
die niet minder dan drie uren duurde en zoo oneindige afwisseling
bood, is ons ontzegd. Thans snort de spoortrein, in ijlende vaart,
door het wonderschoone land; en in stede van de kalme en rustige
beschouwing komt thans het vliegend verbijsterend visioen van allerlei
vluchtige beelden, die elkander verdringen, de verwarrende indruk
van contrasten en tegenstellingen, waarvan de geleidelijke overgang
en de harmonische schakeering u ten eenemale ontsnappen. Ge ziet
juist genoeg, om uit den grond van uw hart den fatalen vuurwagen te
verwenschen, die u belet iets goed te zien, van iets een blijvenden
indruk in u op te nemen. Zie, ik weet het wel, verwenschingen tegen den
"vurigen salamander", die zoo te recht den toorn heeft opgewekt van
dichters en kunstenaars, baten tegenwoordig niets meer; geen enkel
schoon idyllisch landschap, geen enkel liefelijk, poëtisch, eenzaam
plekje, waar men ongestoord droomen en mijmeren kan, is voor deze
gruwelijke ontwijding veilig: voor de eischen van het moderne verkeer
moet alles zwichten. Maar toch, telkens als ik, in een spoorwaggon
gezeten, een schoon landschap doorvlieg, welt de ergernis mij uit het
diepst des harten op en kan ik soms den vloek tegen de noodlottige,
domme, gevoellooze machine niet weerhouden. Stoort ze u al niet
dadelijk in uw genot, de schrille tegenstelling tusschen de kalme
vredige rust der natuur om u heen, en de krankzinnige haast, waarmede
gij blindelings, in rechte lijn voortholt, als zat u de dood op de
hielen?--En daar is nog iets slimmers, dat de spoorwegen op hun geweten
hebben. Is er ergens een schoon plekje, een heerlijk natuurwonder,
door den Schepper, die in stilte, zonder haast en zonder drift en
zonder rumoer werkt, gewrocht, en bleef dat plekje, dat wonder,
tot dusver nog voor het oog der menigte verborgen:--niet zoodra
heeft een noodlottig toeval deze verborgen, door weinigen gekende en
gewaardeerde schoonheid aan het licht gebracht, of alle windselen en
omtuiningen worden weggerukt; de spoortrein snort ratelend door de
heilige stilte en voert een stroom van toeristen aan, den vulgairen,
onuitstaanbaren stroom van gapers en beuzelaars, die kijken en niet
zien, niet verstaan en niet gevoelen. Weg is de stilte, weg de heilige
verborgenheid, weg de verheven wijding der kuische schoonheid. Daarin
ligt voor mijn gevoel--maar ik ben op dat punt, als op vele anderen,
schromelijk ouderwetsch;--iets zoo onkiesch, iets zoo onuitsprekelijk
ploertigs--vergeef het woord--dat dergelijk bedrijf mij bijna eene
misdaad wordt. Zulke tentoonstelling en exploitatie van de schoonheid
der natuur, zulk brutaal wegrukken van alle sluiers, zulk blootstellen
aan aller blikken, is inderdaad profanatie, waarbij de schoonheid zelve
voor drie vierden verloren gaat.--Eene kinderachtige, krankzinnige
gedachte, niet waar, sporend toerist der negentiende eeuw?
Keeren wij nog even naar Hoei terug, zoo schilderachtig tegen
zijn heuvel gelegen, waarvan de rotsige kruin door de citadel wordt
gekroond, die zelve uit de rots gehouwen schijnt. Even als te Dinant,
leunt ook hier eene kerk tegen den rotswand; van verre gezien,
schijnen de kerk en de berg een geheel te vormen. Schayes zegt van de
Onze-Lieve-Vrouwekerk van Hoei, dat zij de schoonste is van alle kerken
uit de tweede periode der gothiek, die België bezit; bovenal bewondert
hij het groote roosvenster, het koor met zijn slanke ramen, en de
drie schepen, gescheiden door twee rijen van cylindervormige zuilen
met ronde voetstukken en met blad werk versierde kapiteelen. Toch,
hoe schoon zij ook moge wezen, maakt zij niet dien majestueusen,
hartverheffenden indruk als Onze-Lieve-Vrouwe van Dinant; de eenigszins
kinderachtige kleurenpracht aan het gewelf doet evenzeer afbreuk
aan de heilige stemming als het vulgair karakter van het moderne
meubilair. Om zich geheel in het verleden te verplaatsen en een
waarlijk religieusen indruk te ontvangen, moet men de kerk verlaten,
en nabij het koor een blik werpen op het kleine portaal der Madonna:
een juweel uit de dertiende eeuw, een heerlijk kantwerk in steen. De
innige teedere vroomheid dier schoone tijden van vurig geloof en
heilige geestdrift geurt u tegen uit dit schoone gebouwtje, bestaande
uit eene vierkante poort, waarvan de lijst, met blad werk versierd,
aan de beide einden en in het midden gedragen wordt door smaakvol
bewerkte zuiltjes, waarop de beelden staan van de Heilige-Maagd, van
Sint-Domitiaan en van Sint-Lambert. Het door een prachtig versierden
spitsboog omlijste veld boven de deur is in drie vakken verdeeld, die
in naïef en zielvol beeldwerk de Geboorte des Heeren, de Aanbidding der
herders en de Aanbidding der wijzen te aanschouwen geven. Wanneer, van
het trottoir aan de overzijde, ge eensklaps te midden van het gewoel en
de beweging der straat, de oogen opheft naar deze beelden en groepen,
dan gevoelt ge dat ge hier een edel kunstwerk voor u hebt, waaraan
de tijd de laatste hand heeft gelegd. De figuren zijn geschonden,
het relief is uitgesleten, het fijne beeldwerk half verteerd: en toch
beseft ge dat geene restauratie, hoe kunstig ook, zou kunnen opwegen
tegen den langzamen arbeid der eeuwen. Zelfs de kleine winkeltjes
en herbergen, die het smaakvolle gebouwtje omvatten, dragen er toe
bij om zijne geheimzinnige schoonheid te beter te doen uitkomen. Het
is inderdaad te hopen, dat men het kunstwerk in zijn tegenwoordigen
toestand late en geene pogingen tot herstelling beproeve, die niet
anders dan op mislukking zouden kunnen uitloopen.
Liet de tijd het ons toe, hoe gaarne zouden wij met u omdolen door de
omstreken van Hoei, en bij voorbeeld den loop volgen van de Hoyoux,
die van Modave afkomt en midden door de stad vloeit. Ten deele,
tot aan Barse, geeft de vallei van de Hoyoux, zij het ook op kleiner
schaal en in bescheidener afmetingen, het woelig en rumoerig tafreel
der moderne industrie te aanschouwen. Maar voorbij Barse hervindt
ge den weldadigen vrede der stille natuur. Bij Lunet en Bonne neemt
de vroolijke, dartele Hoyoux, die zoo straks molenraderen in beweging
bracht, met de kiezelsteentjes in haar bedding speelde en bij de stuwen
alleraardigste watervalletjes vormde: daar neemt die dartele, jolige
Hoyoux eensklaps het deftige voorkomen aan van eene hoogst fatsoenlijke
matrone, die de loszinnige grillen der jeugd sinds lang vergeten
heeft. In haar kalmen effen waterspiegel weerkaatsen rosachtig grijze
rotsen; langs haar met gras begroeiden zoom wuiven wilgen en populieren
hunne takken. Misschien ligt op den bodem dezer plotselinge verandering
wel een weinig weemoed: rivieren kunnen het dikwijls slecht verdragen
dat men haar vrijheid aan banden legt,--daarin den menschen gelijk, al
is het voor menschen en rivieren even dringend noodig;--en te Modave
heeft een machtig heer de ongebreidelde Hoyoux gedwongen, voor hem
alleen hare schoonheid ten beste te geven achter de omheining van een
gesloten park. Daar vloeit zij kabbelend tusschen smaragd fluweelige
grasperken, onder de schaduw van treurwilgen, omzoomd door dichte,
schaduwrijke lanen, waar geen vreemdeling den voet zet. Toch heeft zij
nog iets anders te doen dan den dorst te lesschen der herten en reeën,
wier bruin gevlekte huid schittert tusschen het groene hout. Zij
weerkaatst in haar kristallen spiegel de stoute, duizelingwekkende
vlucht van een tweehonderd voet hooge steile rots, die het voetstuk
vormt van een in volle waarheid vorstelijk kasteel. De reusachtige,
schier loodrechte rotswand is van boven tot onder behangen met een
dichten mantel van klimop; en de vierkante torens van het kasteel
maken bijna den indruk als waren zij eene voortzetting van den berg.
Maar al troont het kasteel op eene rots, het heeft daarom toch niets
tragisch; zijne hooge ligging alleen geeft het eenige overeenkomst
met de arendsnesten, waarin weleer de roofridders der legende
huisden. Modave is geen ten oorlog toegeruste burcht; veeleer doet het
denken aan een weelderig paleis, bestemd om eene vroolijke hofhouding
te herbergen. Toen de fransche bouwmeester Jean Groujon het plan voor
deze fiere woning ontwierp, poogde hij alle hulpmiddelen der kunst aan
te wenden om een paleis te scheppen, dat in overeenstemming zou zijn
met de pracht van het omringende landschap; en een prins van den bloede
kon niet beter bediend zijn geworden dan de graaf van Marchin, wiens
luim en wiens goud de vorstelijke woning op de rots deden verrijzen.
Tot heden toe heeft het kasteel, door een zeldzaam gelukkig toeval en
door de piëteit der laatste eigenaars, zijn majestueus, vorstelijk
voorkomen behouden. Reeds dadelijk bij het binnentreden treft u de
pracht van het voorhuis: de geheele genealogie van de Marchins ontrolt
zich, aan de zoldering, in schitterende kleuren voor uw oog: schilden
van goud en sabel, van keel en azuur, wisselen af met groote zwevende
figuren, van wier stalen helmen wuivende pluimen wapperen.--Dan treedt
ge in een met gobelins behangen salon: langs de wanden aanschouwt ge
eene gansche reeks van wapenfeiten ter zee en te land, en daarboven,
aan de gewelfde zoldering, eene rij van bas-reliefs, voorstellende de
werken van Herkules.--Men opent eene deur: ge zijt in de slaapkamer
der hertogen van Montmorency. Het ledekant, met zijne gebeeldhouwde
witte en vergulde kolommen, staat daar nog in den hoek, en daarbij een
paar antieke fauteuils, met heerlijk schoone gebloemde stof bekleed;
terwijl boven den schoorsteen het portret prijkt van een kardinaal
van Fürstenberg, wiens vriendelijk gelaat schijnt neer te blikken op
al deze pracht en weelde, en op dat rustbed, waarop thans geen vorst
meer zijne vermoeide ledematen uitstrekt.
Eensklaps valt een breede schitterende lichtstreep op de verwelkte
rozen van het tapijt: de bediende, die u rondleidt, heeft de deur
geopend van een verrukkelijk kabinetje, waarvan de wanden door
den schilder Morel met landschappen en bloemen zijn versierd. De
tijd heeft de levendige kleuren dezer schilderijen getemperd; maar
daarentegen tooit hij telkens weer met eene eeuwige jeugd den gansch
niet verschrikkelijken afgrond, die zich onder het balkon van het
venster opent, en die toch diep genoeg is om de hooge boomen beneden
te doen inkrimpen tot struiken en de rivier tot een smal lint. Een
klein gebouwtje, dat ge aan den voet der geweldige rots bespeurt,
heeft eene historische vermaardheid: daar bewaart men nog steeds een
werktuig, door den luikschen ingenieur Rennekin-Sualem uitgevonden, en
dat bestemd was om de vijvers der terrassen van water te voorzien. De
laatste der Marchins verspilde zijne gansche fortuin aan deze kostbare
waterwerken, waarvan de roem zelfs tot Versailles was doorgedrongen:
Lodewijk XIV ontbood den bekwamen ingenieur, die nu voor den grooten
koning de beroemde machine van Marly vervaardigde. Terwijl de machtige
monarch den kunstenaar, op wiens wenk het water overal klaterde in
fonteinen en bruiste in cascaden, met eer en gunstbewijzen overlaadde,
moest Ferdinand de Marchin, maarschalk van Frankrijk, zijn kasteel van
Modave overdoen aan den vorst-bisschop van Luik, Hendrik Maximiliaan
van Beieren.
Nu begint een aardige geschiedenis: de bisschop verkoopt op zijn beurt
de bezitting aan den kardinaal van Fürstenberg, en deze vermeerdert
het domein, door van zekeren heer Winand de Ville drie hofsteden en
Klein-Modave te koopen. Ongelukkig verzuimde hij de kooppenningen te
betalen. Deze kleinigheid ontging hem zelfs zoo geheel, dat hij het
kasteel met al hetgeen daartoe behoorde edelmoediglijk ten geschenke
gaf aan zijn neef, den prins de la Marck. De schuldvordering was
inmiddels overgegaan in handen van den zoon van Winand, den ingenieur
Arnold, die de kans schoon zag om een slag te slaan. Hij liet beslag
leggen op de drie hofsteden en op Klein-Modave, waarvan de koopsom
niet betaald was, en daarbij ook op het kasteel zelf, dat hij in
bezit nam als vergoeding voor de verschuldigde rente. Daar troonde
hij nu als een groot heer, in die vorstelijke huizinge, waaraan de
Marchins zestien jaren lang hadden laten bouwen. Het eenige wat aan
dit vorstelijk verblijf ontbrak, was een vorstelijke naam, die er
bij passen zou; welnu, de naam werd gevonden, en wel geen mindere
dan die van een Montmorency, die het kasteel ten huwelijk nam en de
dochter op den koop toe. Na het uitbreken der revolutie in Frankrijk,
was Modave gedurende eenigen tijd de residentie van den graaf van
Artois, den broeder des konings. Schitterende jachtpartijen, diners,
feesten en prachtige recepties, waarop de adel uit den ganschen omtrek
verscheen, wisselden elkander af. De koning zelf werd te Modave
verwacht, toen eensklaps de noodlottige tijding van de aanhouding
der koninklijke familie te Varennes en hare terugvoering naar Parijs,
aan alle verwachtingen den bodem insloeg en aan de feesten een einde
maakte. De verzamelde edellieden verstrooiden zich; de meesten togen
naar Coblentz, en toen België door de revolutionnaire legers werd
overweldigd en bij Frankrijk ingelijfd, werd Modave, als het eigendom
van een uitgewekene, verbeurd verklaard en verkocht. Een gewezen
ontvanger der Montmorency's, een braaf en nobel man, kocht het goed
en gaf het later terug aan den rechtmatigen eigenaar, den oudsten zoon
van den hertog Anne de Montmorency. En nu, deze grootsche residentie,
waaraan zoo doorluchtige namen, zoo trotsche herinneringen verbonden
zijn, die eenmaal vorsten en kardinalen, hertogen en bisschoppen heeft
geherbergd,--dit in waarheid koninklijk kasteel is thans het eigendom
van burgerlieden. Dit moet hun evenwel tot hun eer worden nagegeven,
dat zij tot dusver het verleden van dit paleis hebben geëerbiedigd on
getoond genoeg verstand te bezitten om te begrijpen dat het kasteel
van Modave eigenlijk altijd nog aan de Murchins en de Montmorency's
behoort.