IX

Niet zoodra zijt ge aan het station uit den trein gestapt, of ge

bemerkt aan al de drukte en beweging dat ge u op een dier middelpunten

van het verkeer bevindt, die als het ware door de natuur zelve zijn

aangewezen en van waar, in alle richtingen, de wegen uitgaan over

bergen en dalen.

Bijna onophoudelijk zijn de seintoestellen in beweging; de schijven

draaien; de hefboomen verplaatsen de rails; de schoorsteenen der

lokomotieven blazen met schor geluid hunne rookwolken omhoog; de

grond dreunt onder de rollende raderen; de lucht is vervuld van

heeten damp en rook en weerklinkt van het onophoudelijk getjingel

der elektrische schellen, van het gebrul der machines, het gegil

der stoomfluiten, van al de onharmonische geluiden, die u op een

station de ooren kunnen verscheuren. Telken male als een nieuwe

trein met donderend geraas onder het ijzeren dak komt aanrollen en

eensklaps stilstaat in zijn suizende vaart, hoort ge het geluid

van raampjes die haastig worden neergelaten, van portieren die

worden opengerukt, gevoegd bij het kraken van het kiezelzand onder

de voeten der uitstappende reizigers, het geroep der conducteurs,

het gewoel en gedrang der passagiers die haastig eene plaats zoeken

te veroveren in de half geleegde wagens. Eenige minuten duurt die

onbeschrijfelijke mengeling, die schijnbaar onoplosbare verwarring;

dan stroomen de nieuw aangekomenen naar buiten; de vertrekkenden

zijn in de wagens gezeten; enkele conducteurs rennen nog even heen

en weer; dan worden de portieren toegeslagen: het sein wordt gegeven,

en zuchtend, zwoegend, stampend rolt het log gevaarte het station uit,

en gilt der stad zijn afscheidsgroete toe.

En dat dergelijke tooneelen zich vaak genoeg herhalen, zult ge

begrijpen, als ik u mededeel, dat dagelijks ongeveer driehonderd

treinen, zoo passagiers- als goederentreinen, het station van Namen

passeeren, en dat het bedrag der uitgegeven plaatsbiljetten per dag

ruim twintigduizend francs bedraagt. Deze buitengewone toevloed

van reizigers vindt zijne verklaring in de ligging der stad, die

het aangewezen uitgangspunt is voor tochten en uitstapjes in de zoo

romantische, aan allerlei schoonheden zoo rijke streek der Ardennen.

De natuur, tot dusverre nog eenigermate aarzelend en onbeslist,

neemt hier te Namen het onmiskenbare karakter van het bergland

aan. Rotsen en bergen stijgen in fiere beweging tot eene hoogte van

vele honderden voeten; tusschen de vaak steile hellingen slingeren zich

de diepe dalen, waardoor de rivier de Maas en vele andere rivierkens,

die hare wateren eindelijk met die van den hoofdstroom vereenigen,

zich een weg banen. Een frissche wind, van de hooge toppen gedaald

of uit de verwijderde bergkloven opgestegen, prikkelt de longen en

doet het bloed sneller vloeien. Als ge dien wind opsnuift, gevoelt

ge het dadelijk dat zoowel de gesteldheid van de atmosfeer als van

de aarde anders is geworden; en onwillekeurig bekruipt u de lust tot

verre wandelingen, tot zwerftochten over die bergen, die u schijnen

te tarten tot bestijging. Overal oprijzende boven de daken der stad,

lokt de grijze rotsmassa, waarop de citadel troont, wel in de eerste

plaats tot een bezoek uit.

Namen deelt dan ook, onder dat opzicht, in het voorrecht van Dinant,

dat het steeds door een groot aantal reizigers gekozen wordt als

punt van uitgang voor uitstapjes in het omliggende land, hetzij naar

het dal van de Sambre, hetzij naar dat van de Maas. Bovendien biedt

de stad, aan het punt waar de beide rivieren samenvloeien tegen haar

krijgshaftige rots geleund, allerlei genietingen aan, die het verblijf

kunnen veraangenamen: zij heeft haar casino's, haar sociëteiten en

clubs, waarin de toeristen en vreemdelingen zeer gemakkelijk toegang

kunnen verkrijgen en gastvrij worden ontvangen. De voornaamste

straat, ter wederzijde omzoomd door fraaie, druk bezochte winkels

en magazijnen, strekt zich tot aan de overzijde uit en brengt u in

het open veld, en terwijl vlak in de nabijheid, hijgende en blazende

toeristen bezig zijn, de steile berghellingen te beklimmen, zitten

gansche reeksen van kalme visschers langs de kaai en werpen den hengel

uit naar de talrijke bewoners der groenachtige wateren, spartelende

en zwemmende in de snelvlietende rivier; of wel klieven scherpgepunte

gieken den stroom, terwijl de roeiers, in hunne gestreepte tricots

en met bloote armen, met rhythmische slagen de riemen op en neer

doen gaan.

Visschen en roeien zijn inderdaad de twee voornaamste uitspanningen

van de inwoners van Namen, zoowel van den gezeten burger, die er

een eigen boot en een kompleet stel vischtuig op nahoudt, als van

den werkman, de arbeiders in de fabrieken, die vooral des zondags

in geheele scharen zich nederzetten langs de oevers om deel te nemen

aan het geliefkoosde vermaak, of, zoo zij er al geen deel aan nemen,

dan toch er naar te kijken en te genieten van de vrije lucht en het

onbelemmerde uitzicht over de rivier. Trouwens, als in bijna alle

steden langs de rivieren, vindt men ook te Namen eene eigenaardige

bevolking, die, naar het schijnt, niets anders te doen heeft dan

langs den waterkant te drentelen, naar de rivier en naar de lucht te

kijken, of uren achtereen, de bewegingen gade te slaan van een dobber,

dansende op de golfjes. En in waarheid, het schouwspel, dat zich op

de kaaien van Namen, vooral langs de Maas, voor de oogen ontrolt, is

schoon genoeg om de aandacht en de belangstelling te wekken; terwijl

de drukke beweging van vaartuigen en kleine stoombooten op de rivier

aan het prachtige berglandschap, met zijn panorama van groenende

heuvelen en donkere rotsen, eene eigenaardige bekoorlijkheid bijzet.

Maar ook de stad zelve ontbreekt het niet aan fraaie gezichtspunten,

hetzij men van de omliggende hoogten den blik laat dwalen over haar

kerken en huizen, haar tuinen en boomgroepen, in den gordel der oude

muren; hetzij men zich waagt in den doolhof van straatjes en steegjes

rondom de Sint-Janskerk; hetzij men eindelijk, op de ijzeren brug

staande, de nauwe kloof overziet, ter wederzijde door huizen omzoomd,

waardoor de Sambre hare wateren voortstuwt. En de gemoderniseerde stad,

met haar vroolijk voorkomen, haar met bloemperken versierde pleinen,

haar nieuwe boulevards, past geheel bij den lustigen, vroolijken,

opgewekten aard harer burgerij, die alle genietingen des levens,

die der tafel niet het minst, op hoogen prijs stelt en zich in dit

ondermaansche tranendal zoo goed mogelijk tracht te amuseeren.

Des zaterdags vooral is het er druk en levendig: dan stroomen van

alle kanten, uit de dorpen langs de rivieren en de gehuchten in het

gebergte, de buitenlieden naar de stad: de boerenknechts, de een, een

paar kleine magere ossen voor zich uit drijvende; een ander, een kar

mennende met gespierde paarden bespannen; een derde gewapend met een

zweep, onophoudelijk heen en weer dravende om een troep weerbarstige

biggen in bedwang te houden. Dan vervult een ongewoon gerucht de

straten: het gehinnik der paarden, het gebalk der ezels, het geblaf der

honden, het geloei der runderen, het gekakel van kippen, als ware de

geheele stad ééne groote boerderij geworden. De meeste pleinen zijn in

markten herschapen, waar ge bergen van groenten en geurige vruchten

ziet uitgestald naast stapels eieren en klompen boter, op groene

bladeren of witte doeken uitgespreid; terwijl ginds jonge hoenders

den eetlust prikkelen, al zijn ze minder vet dan de weldoorvoede

hoenders van het vlaamsche land; en uit de houten schuthokken, waarin

de varkens en biggen zijn opgesloten, een dof geknor u tegenklinkt,

telkens afgewisseld door de snijdende kreten van een der dieren,

die op voor hem minder aangename wijze tot verhuizen wordt genoopt.

Vooral bij de boter- en kaashal, verloren te midden van een doolhof

van smalle straatjes, waar de eene uitstalling de andere verdringt,

en bovendien verstopt door een aantal wagens en karretjes;--vooral

bij de boter- en kaashal is de drukte bijzonder groot. Daar stroomt

voortdurend eene dichte menigte op en neer, gaande naar of komende uit

de hal, waar, half in de schemering, op de banken rijen van boeren

en boerinnen gezeten zijn, schouder aan schouder, met potjes boter

en kaas op den schoot, onbewegelijk en zonder met een enkel woord de

klanten te lokken, die naar eigen keuze hun inkoop doen.

Ik heb getracht u even een blik te doen slaan op het hedendaagsche

leven der stad, dat, hoe weinig belangrijk ook op zich zelf, ons wel

bezig moet houden, waar bijna elke herinnering aan het verleden is

uitgewischt. Toch heeft Namen eene geschiedenis van vele eeuwen,

eene rijke en dramatische historie achter zich, aanvangende met

het _oppidum, Attuaticorum_ van Caesar, zich voortzettende met het

_pagus Lommensis_ van Karel den Groote, en eeuwen later, eindigende

met de belegeringen der sterke vesting door Lodewijk XIV en Willem

III van Engeland. Maar terwijl het verleden elders voortleeft in

onsterfelijke monumenten en daardoor van zelf onze belangstelling

wekt en onze aandacht vordert, is te Namen niets te vinden dat aan

de geschiedenis van vroeger dagen herinnert, geene enkele ruïne, die

als een door den tijd bezegelde adelbrief, van de oudheid der stad

getuigen kan. Alleen de rots, waarop de citadel troont, staat daar,

vast en onwankelbaar, als eene herinnering uit de vervlogen eeuwen.

Ook aan monumenten van anderen aard is Namen arm: haar kerken kunnen

in geenen deele wedijveren met de eerwaardige kathedralen, die wij

elders hebben bezocht, en waarin nog de geest vertoeft der eeuwenlange

aanbidding. Saint-Aubin, met haar koepel versierd met theatrale

allegoriën, haar op pilasters rustende gewelven, haar witte muren,

haar uitspringende balkons, in den stijl der achttiende eeuw met blad

werk versierd; Saint-Aubin maakt veeleer den indruk van een concertzaal

dan van een huis der aanbidding. En Saint-Loup, ondanks haar overvloed

van rood en zwart marmer en den weelderigen praal en bonten opschik van

haar altaren, stemt al even weinig tot ernst en wekt al even weinig in

het bewogen gemoed de onweerstaanbare behoefte op om neer te knielen en

de overstelpende aandoeningen uit te storten in een vurig gebed. Neen,

voorwaar, zoo de herinnering aan de heerlijke kathedralen van Bergen

en Doornik, van Yperen, van Brugge en Gent nog in uwe ziele leeft,

ga dan liever de kerken van Namen niet zien: zij zouden misschien

den ontvangen indruk bederven, en kunnen u in geen geval iets geven

wat de vergelijking met België's beroemde basilieken kan doorstaan.

Wilt ge nu toch van de stad eene andere herinnering medenemen, dan

die welke ge overal kunt aantreffen, begeef u dan naar het groote

vierkante gebouw aan de samenvloeiing van Maas en Sambre, niet ver

van de Waterpoort. Daar, in dat gebouw, waarvan de hoofdingang met

twee symbolische beelden is versierd, kunt ge de kostbare collectiën

bewonderen van de _Sociéte archéologique de Namur_: onwaardeerbare

schatten van historische en fossiele oudheden, welke het hier niet

de plaats is uitvoerig te beschrijven, maar waarvan de aanschouwing u

niet alleen zal terugvoeren tot het verleden van Namen, maar ook tot

dat andere, door niet te berekenen eeuwenreeksen van ons gescheiden

verleden, toen de voorhistorische mensch hier zijn kommervol bestaan

leidde.

En nu, laat ons het voorbeeld der andere toeristen volgen, en naar

de boorden der Maas trekken.

X

Met stevige schoenen aan de voeten en de lendenen omgord, willen

wij ook nu, als in de streek tusschen Maas en Sambre, reizen op

behoorlijke manier, dat wil zeggen te voet, en al wandelend al de

schoonheden genieten, waarvan de gewone toerist zelfs het bestaan in

de verte niet vermoedt. Laat de lokomotieven maar fluiten en gillen,

laat de treinen donderend voorthollen: wij hebben, o onwaardeerbare

zegen! niets met hen te maken.

Als men, Namen verlatende, het kleine dorpje Jambes heeft bereikt,

waarvan de oude brug met acht bogen de rivier overspant, ziet men ter

rechterhand de citadel, die haar scherpe, kantige omtrekken hoog in de

lucht teekent. Aan den voet der rots bespeurt ge tusschen het groen

een groep van leien daken, en boven de schoorsteenen verheffen zich

de fijne spitsen van torens, die reeds uit de verte herinneren aan

de vele kloosters in dezen omtrek gevestigd. Langzamerhand schuiven

de torenspitsen op den achtergrond; de huizen staan verder uiteen;

wij wandelen langs bruine heiden, die met zachte glooiing opwaarts

klimmen, hier en daar afgebroken door de grijsachtige gebouwen eener

boerderij met haar schuren en stallen.

Tot Dave is er niets bijzonders te zien: de Maas weerkaatst in haar

groene wateren vrij vlakke oevers, met eentonige wilgen beplant. De

natuur sluimert nog; zij heeft zekeren tijd van voorbereiding noodig,

eer zij hare taak aanvat. Te Wepion staan de huizen verspreid langs

de hellingen van een bebouwden heuvel, waar akkers en woningen

elkander afwisselen. Hier en daar eene sluis, eene stuw, waarover

het groenachtige water kokend heenstroomt, met een breeden zoom van

schuim, waarvan de verstrooide vlokken langzaam wegsmelten in den kalm

geworden vloed. Nu wordt het eensklaps anders: de rotsen beginnen haar

kale of met distels begroeide kruinen te verheffen, als de belofte van

hetgeen wij, tusschen Frênes en Freyr, zoo straks zullen aanschouwen;

het kleine uit roode baksteenen opgetrokken station van Dave komt

schilderachtig uit tegen de groene helling van een boschrijken

heuvelrug, die tot aan Taillefer reikt. Daar bevinden zich, door

muren en schuttingen afgesloten, de uitgestrekte hertenkampen,

waar herten en reeën en hinden rondzwerven, nauwlettend bewaakt

en gereed gehouden voor het jachtvermaak van den heer der streek,

een grande van Spanje, die hier, te midden van een engelschen tuin,

een lusthuis heeft gebouwd, waarin hij den zomer doorbrengt.

Langzamerhand beginnen de bergen hun dichten mantel van bosschen te

verliezen en treden de kale gesteenten meer en meer te voorschijn. Wij

zijn nu genaderd aan een groepje huizen, door het stuivende kalkstof

geheel wit gekleurd en als begraven in een loodrechten kuil, eene

diepe spleet, waaruit de steen gegraven wordt. Voor het oogenblik

wordt de kalme rust van het groote landschap hier afgebroken door de,

trouwens ook niet rumoerige, bedrijvigheid der menschen.

"A l'é-au!" (Over).

Eene forsche vrouw, met een serge rok en een breedgeranden stroohoed

op het hoofd, komt uit een der huisjes langs den oever te voorschijn

en begeeft zich naar het bootje, waarin wij reeds plaats hebben

genomen. Zij is nog vlug en kloek, al heeft zij reeds een aantal

lenten zien voorbijgaan, en plant met vaste hand den boom in het

ondiepe water. Het bootje doorsnijdt de effen oppervlakte der rivier

en houdt stil bij den kleinen steiger aan den anderen oever. Wij

stappen uit en zien voor ons de breede groeve van Taillefer, tegen

wier dof witte wanden zich de donkere gestalten afteekenen van de

steenhouwers die met regelmatige slagen den steen uitgraven.

Daar verrijzen de rotsen van Frênes, hier en daar gebroken en

gescheurd, als door bommen getroffen, en teekenen hun reusachtig

profiel in de lucht. Aan den voet der ontzaglijke steenmassa's staan

daar de huisjes gegroept, zoo dicht tegen de rots aangesloten,

als waren zij zelven in den berg gevat en behoorden zij mede tot

de rots; en op de roode daken trilt de schaduw der groote eiken,

zwevend tusschen hemel en aarde, als reusachtige vogels bij de klauwen

vastgeketend. Op sommige plaatsen is de vereenzelviging van het huis

en de rots zoo volkomen, dat de eene zonder het andere schier niet

kan gedacht worden en zij elkander aanvullen. Men weet bijna niet

meer, waar het huis eindigt en waar de rots begint: deze laatste

dient als fondament, als steunmuur, als wand; des avonds hangen de

bewoners hunne kleederen op aan de in den rotswand geslagen krammen,

juist zoo als gij en ik onze kleederen ophangen aan een in den muur

onzer kamer geslagen kapstok.

Hoog boven hunne hoofden stijgt, als een reuzentrap, de geweldige

steenmassa ten hemel, zoo hoog, dat de huizen aan den voet des bergs,

van boven gezien, niet meer schijnen dan paddestoelen, uit den grond

opgeschoten. De machtige berg beschermt en bedreigt hen tegelijk: hij

dekt hen schuttend tegen den bliksem, tegen den storm, tegen de koude;

maar van tijd tot tijd verplettert hij hen onder zware steenblokken,

die met donderend geraas langs de hellingen naar beneden rollende,

hier een schoorsteen verbrijzelen, daar een dak verscheuren, eenige

boomen vernielen en eindelijk den weg met hoopen gruis bedekken.

Hier heerscht de berg en van zijne luimen is de mensch

afhankelijk. Voortdurend zweeft hij in gevaar door zijn vreeselijken

nabuur verpletterd en onder stortend puin begraven te worden: is het

niet, als schouwt de sombere, overhangende rotswand met dreigenden

blik neder op de nietige wezens, die niet schromen zich aan zijn

voet te nestelen? En toch--zoo groot is de zorgeloosheid of het stil

vertrouwen van den mensch, dat de twintig of dertig gezinnen, op deze

gevaarlijke plek gevestigd, hier rustig blijven wonen, zonder zich

erg te bekommeren om hun geduchten nabuur. Eene oude vrouw, die in

de Maas groenten spoelde, en met wie wij over de mogelijkheid van een

ongeluk spraken, antwoordde ons, dat de bewoners van Frênes, behoudens

enkele uitzonderingen, tot dusver waren gespaard gebleven, en dat er

dus geen reden bestond om voor het vervolg een onheil te duchten.

Nu is het waar dat de kolossus, op dien kalmen en zoelen

Septembermorgen, niets verschrikkelijks had: hij geleek veeleer een

weerloozen grijsaard, zich koesterende in de zon, en het vroolijke

licht bescheen hem van onder tot boven, doordringende in de spleten en

scheuren, waarin de kraaien nestelen, en waarlangs groene slingers

wuiven. Maar de reusachtige rots ziet er niet altijd zoo goedig

en vreedzaam uit. Des winters, in haar mantel van sneeuw gehuld,

met haar kale distelstruiken, golvende op den wind, schijnt zij

een fantastisch spooksel, dood en verderf dreigende. Als dan de

wilde storm door de lucht giert, de wind in alle spleten en gaten

huilt en brult, als schuilden woedende draken in de duistere holen,

dan is men minder gerust onder de kleine roode daken; dan werpt de

vrouw, de moeder van het gezin, zich vaak in sidderenden angst op de

knieën voor het met een papieren bloemkrans omhangen glazen kastje,

waarin het misschien wat zonderling toegetakelde beeld prijkt van

Onze-Lieve-Vrouwe. En ook straks, als de dooi begint en de ontzaglijke

rots schijnt te wankelen op haar grondvesten, als de wateren van het

plateau, onstuimige bergstroomen thans, zich met woest geweld van de

steile rotswanden naar beneden storten en in hun plassende vloeden het

sidderende gehucht dreigen te bedelven, waaraan het schier onmogelijk

is hulp te bieden.

Doch niet enkel door haar woest en dreigend voorkomen mag de rots

van Frênes de aandacht der reizigers trekken: zij verbergt in haar

schoot zeldzame merkwaardigheden. De lieden uit den omtrek zullen

u verzekeren, dat wanneer ge door een der smalle spleten kruipt,

die ge boven den ingang van den tunnel ziet, ge dan in de zoogenoemde

"groote kerk" komt. Denk echter niet aan eene geheimzinnige basiliek,

in de ingewanden des bergs verscholen, met lage gewelven op plompe

pijlers rustende: niets gelijkt minder op eene kerk dan het hol, dat

ge eindelijk bereikt, na gedurende eenige bange minuten op uw buik

te hebben gekropen, aan alle kanten beklemd door de smalle en nauwe

wanden van het gat, waarin ge u gevoelt als, dunkt mij, een doode in

zijn lijkkist. Een andere spleet voert naar eene minder ruime spelonk,

maar die in geheel den omtrek bekend is onder den naam van Trou des

Nutons. Zoo de omvang en de buigzaamheid van uw lichaam u veroorloven

deze expeditie te ondernemen, klauter en kruip dan naar deze grot:

ge zult altijd wel een of anderen knaap vinden, die u als gids wil

dienen. Ge zult dan ten minste weten, in welke soort van holen die

geheimzinnige troglodyten huisden, die men ook Sotairs noemde, en die,

volgens sommigen, Galliërs zouden zijn geweest, vluchtende voor de

romeinsche overweldiging, terwijl anderen hen voor Zigeuners houden,

die zich hier zouden hebben verscholen om zich te onttrekken aan de

nasporingen der landlieden, die zij bestolen hadden.

Overigens is er hier in den omtrek geen dorp van eenige beteekenis,

dat niet zijn Trou des Nutons heeft: en ik moet er bijvoegen, dat al

deze holen, op enkele kleinigheden na, vrij wel op elkander gelijken;

doorgaans is dit gat eene meer of minder diep in de rots gelegen

spelonk, waar ge niet dan met moeite rechtop kunt staan, en waar het

licht der fakkels weerkaatst in het vocht, dat van het gewelf en de

wanden sijpelt.

In den goeden ouden tijd wisten de landlieden, des wintersavonds om

den haard gezeten, elkander allerlei zonderlinge geschiedenissen te

vertellen van de bewoners dezer geheimzinnige holen, die men zich

meestal voorstelde onder de gedaante van zeer oude en zeer leelijke

dwergen, onvermoeide werklieden daarbij, die in hun onzichtbare

smidsen, alleen kenbaar aan de kleine rookwolkjes die somwijlen uit de

spleten van den berg opstegen, onvermoeid de metalen bewerkten. Als

smeden en koperslagers belastten zij zich vooral met de taak, om de

verschillende voorwerpen voor huiselijk gebruik, die de landlieden des

avonds voor den ingang hunner spelonken nederlegden, op te lappen en

weer in orde te maken. Des morgens vond men dan de ketels en andere

zaken weer terug op de plaats waar men ze had neergelegd, doch nu

zonder scheur of gat, zonder bult of bluts, maar netjes en glimmend,

als nieuw. Deze aardmannetjes of gnomen deden nimmer iemand leed;

tenzij men hen bedroog, en bij voorbeeld een steen of eenig ander

onbruikbaar ding neerlei in de plaats van het graan of de noten,

waarop zij, als loon voor hun arbeid, recht hadden. Dan oefenden

zij eene geduchte wraak: het vee werd ziek en begon te kwijnen,

het water in de bron werd ondrinkbaar, een vloek drukte op het huis

en het gezin van den roekeloozen bedrieger. Waar zijn zij thans,

die vriendelijke, behulpzame gnomen, van wie de vroegere geslachten

toch niet dan met zekere huivering spraken? Ja, waar zijn de nimfen

en de elfen, de satyrs en de najaden, de tritons en nikkers, waar

zijn al die half liefelijke, half schrikwekkende gestalten, waarmede

de fantazie--maar toch niet enkel de fantazie, ook het diep en innig

besef van het geheimzinnige leven der natuur, met duizenden banden

en draden aan dat der menschen verbonden,--de geheele schepping,

bosch en veld, berg en dal, beek en rivier, bevolkte? Zij allen zijn

gevloden voor onze nuchtere wetenschap, die alleen met de stoffelijke,

uitwendige zijde der dingen rekening houdt; gevloden voor onze doode

machines, onze lokomotieven en telegrafen, waarmede wij de schoonste

landschappen bederven, de stilste heiligdommen der natuur ontwijden;

gevloden voor de ruwe aanraking van onze door en door prozaïsche

materialistische eeuw, voor wie de geestenwereld gesloten blijft,

omdat zij geen oog heeft om haar te zien.

Laat ons voortgaan. Op het plateau groepeeren zich de huizen en

boerenwoningen van Lustin rondom de kerk; aan de overzijde opent

zich, aan den voet van eene met boomen begroeide rots, de gorge van

Burnot. Daar staat, op den hoek van den grijzen stoffigen weg, eene

deftige herberg, waarvan de ramen met groen zijn omrankt. Vroeger,

in den tijd der diligences, verzuimden de conducteurs nooit stil

te houden bij "l'huche au Bouchat"; en terwijl de paarden hun neus

dompelden in den met haver gevulden bak, traden de reizigers, door de

met blauwe tegels geplaveide gang het huis binnen en begaven zich naar

de gelagkamer met haar glinsterend buffet en haar rijen tafeltjes. Eene

lekkere lucht van soep en groenten kwam u uit de keuken te gemoet en

prikkelde den eetlust, die door het zindelijke, vroolijke voorkomen

der herberg reeds was opgewekt. En het kostte maar weinig moeite, de

oude herbergierster aan het praten te krijgen, en van haar te vernemen,

hoe de eerste koning van België, Leopold I, eens in hare herberg had

overnacht en zijn gekroond hoofd te rusten gelegd in eene met gebloemd

papier behangen kamer, waarvan het voornaamste sieraad bestond in twee

vaasjes met kunstbloemen onder stolpen, op den schoorsteen geplaatst.

Langzaam stijgend bereikt de provinciale weg, met vele slingeringen,

het plateau, waarop de dorpen Arbre, Saint-Gérard en Fosses zijn

gebouwd. Hier en daar gapen in de rotswanden wijde steengroeven en

klinken, in rhythmischen maatslag, de hamers der steenhouwers. Links

ligt op een reusachtige terp het gehucht Bois-Laterie, waaraan de

naam van arendsnest niet kwalijk voegen zou, en dat door ongeveer

een honderdtal gezinnen bewoond wordt.

Op deze hoogte ontaardt bijna de minste bries welhaast in storm,

die met woest geweld over de kale vlakte vaart en de rieten daken

der armelijke huizen wegslingert. Van den duizelingwekkenden top der

rotsen ziet men, beneden in de diepte, de Maas, niet breeder dan een

lint, slingerende tusschen de hooge en steile bergen, van onderen

tot boven met struikgewas bedekt; terwijl hierboven op de plateaux,

zoo ver het oog zien kan, de gouden korenaren onder den stralend

blauwen hemel golven op den adem der frissche koelte.

Wij zijn tot het punt genaderd, waar de weg zich splitst: een tak

klimt opwaarts naar Blioux, waarvan het eeuwenoude kasteel nog roem

draagt op zijn ophaalbrug en zijne valluiken; de andere loopt naar

twee rijen schuren, varkenshokken en ruwe armoedige woningen. Zijn

wij deze nauwe straat door, dan verrijst daar voor ons de geelachtige

krijtrots, met haar gladde, loodrechte wanden, die in geheel den

omtrek bekend is onder den naam van de Roche aux Corneilles, en die

inderdaad steeds door talrijke scharen van kraaien omzwermd wordt.

Een weinig verder loopt de weg door het dorp Hun; op eenigen afstand

vertoonen zich Anhée en Moulin, met den anderen oever verbonden door

eene ijzeren brug; in de verte bespeurt ge reeds het schilderachtige

Yvoir, waarvan de huizen gegroept zijn tegen de helling van een

hoogen ronden heuvel, langs welks voet eene beek murmelt. Hoe lief

en landelijk ziet het er hier uit! Langs de gevels van alle huizen

slingeren zich wingerdranken; de vensters lachen u tegen uit het

groen; een mozaïek van mos tooit de daken. En die oude steenen brug

over het murmelend rivierke, waarin de forellen dartelen; en die

onuitsprekelijke onverstoorbare rust, over het geheele landschap

verspreid! In trouwe, Yvoir is eene levende idylle.

Maar wij mogen hier niet toeven, en gaan door Moulin, van waar een

waar een weg bergopwaarts voert naar de ons reeds bekende ruïnen van

Montaigle. En zie daar, voor ons, de indrukwekkende rotsmassa van

Poilvache, die haar stoute en kantige lijnen zoo scherp tegen den

hemel afteekent en de aan haar voet gegroepeerde huizen schijnt te

verpletteren. Een steil pad voert langs de rotswanden naar boven,

naar het plateau, waarop nog de overblijfselen te herkennen zijn

van den overouden burcht, die eens op deze rots troonde en waaraan

de naam verbonden is van die vier Haymonskinderen, die trotsche

krijgshaftige paladynen van Karel den Groote, wier merkwaardige

lotgevallen, schitterende heldendaden en romantische avonturen nog

eeuwen lang hebben voortgeleefd in volksliederen en sproken.

Na een groet aan dat groot en roemruchtig verleden, waarvan nog

maar enkele brokken muur de herinnering bewaren, dalen wij weder

naar het dal af, waar de gebruinde en gespierde gestalten ons

denken doen aan dien anderen, nooit rustenden strijd, dien van

den ploeg en de vruchtdragende aarde. Houx, dat zijne leien daken

en zijne groene tuinen in de Maas spiegelt, heeft niets dat aan de

dagen der feodaliteit herinnert; en, op het eerste gezicht althans,

evenmin de stad, tusschen wier geel gepleisterde huizen de weg nu

doorloopt. Achter de vensters dier huizen stallen slagers en bakkers,

kruideniers en witwerkers hunne waren te koop. Gij krijgt den indruk

van de buitenwijk eener kleine stad, waar op klaarlichten dag zware

met ossen bespannen wagens langzaam voortrollen over de puntige keien,

langs de ruischende goten.

Dit is Bouvignes. Maar als ge, een der steile, bochtige zijstraatjes

inslaande, naar boven klimt, dan komt ge in het eind aan den toren van

Crèvecoeur, den mededinger van dien anderen toren, Montorgueil, door

de lieden van Dinant gebouwd. In haar eenzame verlatenheid bewaart de

weemoedige ruïne de herinnering aan de drie vrouwen van Crèvecoeur, die

zich van de hoogte der rots naar beneden in de rivier stortten, om niet

in de handen te vallen der ruwe condottieri van Hendrik II. Misschien,

wanneer de laatste steen van de oude veste zal zijn weggebrokkeld,

misschien zal dan ook de romantische legende worden vergeten; reeds nu

zijn er pedante, neuswijze geleerden, die den afstand meten tusschen

den burcht en de rivier, en ons dan komen vertellen, dat een sprong van

de vestingmuur in de Maas onmogelijk is. Alsof er voor de prinsessen

en heldinnen der sprookjes en legenden iets onmogelijks ware, alsof

zij gebonden waren door dezelfde alledaagsche, plat burgerlijke wetten

en regelen, die voor gewone stervelingen gelden!

Bouvignes was niet altijd zulk een kalm, rustig stadje, waar

tegenwoordig de stilte alleen verbroken wordt voor de voorbijrijdende

wagens en karren, wier voerlieden luide de zweep doen klappen. In

de vijftiende eeuw was zij de mededingster van Dinant op het gebied

der koperindustrie: en deze mededinging kweekte een naijver, die

zich ook op andere wijze openbaarde. Meermalen kwam het tusschen de

vijandige poorterijen tot bloedige gevechten, waarvan de geschiedenis

de herinnering heeft bewaard. Somwijlen namen deze plaatselijke

veeten grootere afmetingen aan: als, bijvoorbeeld, toen de hertog van

Bourgondië de zijde van Bouvignes koos en ten strijde toog tegen die

van Dinant, onder wie hij eene groote slachting aanrichtte en wier

muren hij met den grond gelijk maakte, om voor goed iedere weerwraak

onmogelijk te maken.

Hoe verder wij komen, des te talrijker worden, langs den rechteroever,

de steenen en houten huizen, waarvan de overhangende balkons

over den weg uitsteken. Sommigen hebben puntige trapgevels, waarin

smalle vensters, die door hun kleine ruiten niet al te veel daglicht

doorlaten. Bij enkelen ziet men lage overwelfde doorgangen, waaronder

trappen van de kaai naar de straat opwaarts voeren. Bijna al deze

huizen hebben in hun voorkomen iets antieks, ook al zijn ze misvormd

en van hun eigenaardig karakter beroofd door het overvloedig gebruik

der noodlottige witkwast.

Hier begint Dinant, waarvan de naam, volgens de geleerden, zou zijn

afgeleid van "Die Nam", de aanvangswoorden van de strafrede, die

Sint-Maternus, in vroeger eeuw, uitsprak tegen den afschuwelijken

afgod, die onder den naam van Nam in deze streken werd vereerd. Wij

zullen ons in deze etymologische geheimenissen niet verdiepen,

en liever een blik slaan op het tafreel, dat zich voor onze oogen

ontrolt. De huizen, die tot dusver langs den oever stonden geschaard,

wijken terug en vormen straks een kring om een vrij ruim plein,

waarop verschillende straten uitkomen. Terzelfder tijd treedt de

rots, die voor de buitenwijken zich had teruggetrokken, weer meer

naar den voorgrond, en rijst loodrecht omhoog, vlak boven een juweel

der gothische architektuur, dat als aan haar voet schijnt ontloken.

Do Onze-Lieve-Vrouwekerk is inderdaad zoo dicht tegen de rots

aangebouwd, dat zij welhaast een geheel met den trotschen bergwand

schijnt uit te maken. De berg heeft hier hot menschenwerk grenzen

gesteld, en de ruimte bepaald, die de kerk moest innemen: zoo staat

zij daar, als saamgeperst, gelijk een krijgsgevangene, dien men in een

hok heeft opgesloten, waar hij zijne armen niet kan uitstrekken. Deze

heerlijke kunstschepping uit de tweede helft der dertiende eeuw,

die overal elders een machtigen indruk zou maken, schijnt hier klein

en nietig, gemeten met den maatstaf van den steenen reus, die haar

geheel beheerscht en als het ware met zijne massa verplettert. Doch,

hoezeer de kerk nevens de rots een dwerg moge schijnen, wanneer ge haar

binnentreedt zal hare schoonheid onvermijdelijk uwe belangstelling,

uwe bewondering wekken. Alle indrukken van kleinheid en beperking

verdwijnen, zoodra ge den voet zet binnen de gewijde ruimte, met haar

drie schepen, door statige zuilen gescheiden; en als ge u eenmaal

gewend hebt aan deze meer bescheiden afmetingen, als de verborgen ziele

van het schoone heiligdom tot uw gemoed spreekt en de betoovering der

antieke kathedralen ook hier hare werking niet mist,--dan vergeet

ge geheel, dat Onze-Lieve-Vrouwe van Dinant, wegzinkende onder de

geweldige rotsmassa, waarboven haar torenspits zich ter nauwernood

verheft, zich uitwendig zoo klein en zoo nietig vertoont.

Van de rijke dekoratie van weleer is in de parochiale kerk van Dinant

bijna niets overgebleven dan hier en daar eenige koperen ornamenten,

getuigen van de vroegere kunstvlijt der plaats. Maar de schoonheid

der architektuur doet u deze kaalheid vergeten: indien wij althans

van kaalheid mogen spreken, waar de wanden op zoo menige plaats met

bas-reliefs zijn bedekt en somwijlen een rijkdom van beelden het oog

verrast, zoo als bijvoorbeeld in de doopkapel.

Wandelingen door België De Aarde en haar Volken, 1886(#15403) · 第 10 / 16 题