VIII

Weldra vervolgt de Eau-Noire haar grillige wandeling door de velden

en dalen, haar kristalheldere wateren met zoet geluid voortstuwende

over de bemoste steentjes in haar ondiepe bedding; maar eensklaps

verandert de idylle in een somber drama. De liefelijke beek, in wier

klaren spiegel zich het blauw des hemels en de bloemekens langs den

zoom weerspiegelen, verdwijnt eensklaps bij den _pont d' Avignon_,

een met dien populairen naam gedoopten berg, die daar juist gereed

schijnt te staan om het arme, roekelooze rivierke, dat hem onbedacht

in den mond loopt, met een hap te verslinden.

Nu verneemt men in vier-en-twintig uren niets van de Eau-Noire:

immers, men heeft uitgerekend dat zij vier-en-twintig uren noodig

heeft, om weer te voorschijn te komen uit de duistere afgronden,

waarin zij wellicht aan allerlei mishandeling ten prooi is. Als zij

eindelijk, aan de andere zijde van den berg, weer aan het daglicht

treedt, dan kookt en schuimt haar water: siddert de teedere najade

nog bij de herinnering aan hetgeen haar in de diepte weervoer? Maar

weldra herstelt zij zich weer: haar water wordt weer helder, en zingt

weer haar vroolijk lied, en weerkaatst weer den reinen blauwen hemel

en de bloemekens langs haar zoom.

Deze geheimzinnige roman speelt te Nismes, een vlek, door het gansche

land bekend van wege een oud gebruik, dat nog aan de riddertijden

herinnert. Het is namelijk te Nismes oude zede, wanneer een huwelijk

gesloten wordt, dat de hoofdlieden der jongelingschap voor het

kerkportaal het bruidspaar afwachten, bruid en bruidegom met gekruisten

degen tegenhouden en niet doorlaten, voor de jonkman een lint van het

kleed der bruid losgemaakt en met eigen hand op de borst van een der

ridders vastgehecht heeft. Echter kan de man--maar dit is zeker een

later inkruipsel--die schatting tegen eene zekere som afkoopen.

Nabij Dourbes vereenigen de Eau-Blanche en de Eau-Noire haar wateren

en vormen te zamen de Viroin, die de overschoone vallei van gelijken

naam gaat besproeien. Dadelijk neemt het landschap een ruwer en

romantischer karakter aan; de rotsen worden steiler, en op den top van

een loodrechten rotswand troont, als een vooruitgeschoven wachtpost,

eene schilderachtige ruïne: de bouwval van het kasteel Haute-Roche,

dat het lot deelde van zoo vele andere feodale burchten in het

land tusschen Sambre en Maas, en door de kogels van het fransche

geschut werd vernield, toen de gewapende benden van Hendrik II als

een sprinkhaanzwerm neerstreken op de valleien, overal moord en

verwoesting verspreidende.--Maar beneden, aan den voet der dreigende

rots, vloeit de Viroin in stille bekoorlijkheid en weerspiegelt in

haar heldere diepte den donkeren rotswand en de geteisterde ruïnen,

met haar sombere herinneringen van geweld en bloedstorting. Wat

is zij nu anders, de eens zoo geduchte veste, dan een motief in de

romantische dekoratie van het idyllische landschap?

Konden wij over de noodige ruimte beschikken, hoe gaarne zouden wij

u uitnoodigen, met ons te dolen door die liefelijke valleien tusschen

Maas en Sambre, zoo rijk aan het meest afwisselende natuurschoon. Maar

wij moeten ons beperken en kunnen slechts voor enkele punten uwe

aandacht vergen.

Een groote weg, die de Hermeton doorsnijdt en naar Stave voert,

ontmoet bij Rosée en niet ver van haar oorsprong, de kleine, pas

geboren beek de Molignée, die met haar tallooze krommingen, van

Foy tot Moulins, de naar haar genoemde vallei vormt, zeker een der

schoonste en liefelijkste van de geheele streek. Ook hier teekenen

zich, schier zonder eenige onderbreking, ter wederzijde, de groote

kantige profielen der ernstige rotsen, als in het harnas vergrijsde

krijgers, schouder aan schouder geschaard. En altijd, in het dal, het

zangrig lied van de beek, het geklepper der wentelende molenraderen,

die fonkelende diamanten strooien; voorts de steenachtige voorde,

waar de koeien, ter halver lijve in het murmelende water stappende,

gaan drinken; de waterkers, trillende op de rimpeling des waters; de

stuwen waartegen de golfkens schuimend koken, en langs den oever de

knoestige wilgen, wier saamgeweven takken als een gordijn van groen

vormen, waar de roodbruine rotsen doorheen schemeren.

Te Foy voert een niet al te steile helling naar het plateau, waarop

zich de ruïne verheft van het oude kasteel van Faing, in de twaalfde

eeuw gebouwd, in de veertiende veranderd, en dat nu meer bekend is

onder den schoonklinkenden naam van Montaigle. Is het niet, als hoordet

ge, op den klank van dien naam, de echo der schetterende trompetten,

als de heer van de jacht of van den oorlog--eene andere soort van

jacht--teruggekeerd, de houten ophaalbrug opreed en door zijne

dienstmannen feestelijk ontvangen en met gejubel ingehaald werd. Ze

zijn als geknipt voor een of ander schokkend romantisch verhaal,

eene geschiedenis als van Blauwbaard, die schilderachtige ruïnen,

als een arendsnest tronende op den top van eene steile rots. Nog

hangen de trappen hier en daar tegen de zware muren der torens en

klauteren, wentelend en draaiend naar boven, en brengen u plotseling

op eene of andere tinne, als opgehangen in de ledige ruimte en van

waar uw blik den ganschen omtrek overziet, en wel in de eerste plaats

den geschonden, ontwapenden steenklomp aan uwe voeten. Toch moet de

ruïne van Montaigle in grootsche epische majesteit onderdoen voor

de indrukwekkende overblijfselen van menigen anderen burcht uit het

heldentijdvak der feodaliteit, van die geduchte vestingen, waarin de

fiere krijgshaftige baronnen zelfs koningen trotseerden. Het slot,

waarvan wij de bouwvallen overzien, dagteekent uit later tijd, toen

de feodaliteit bereids ten ondergang begon te neigen en de ridder

maar al te vaak in den roover opging. Maar, spreekt de overlevering

waarheid, dan heeft deze rotsheuvel heugenis van nog ouder dagen,

en zou hier eenmaal Quintus Cicero zijn kamp hebben opgeslagen,

waarvan de sporen eeuwen lang bleven bewaard.

Als ge van de ruïne den omtrek overziet, dan dwalen uwe blikken over

eene zee van groen, waar tusschen en waarboven, als voorgebergten in

den oceaan, grillig gevormde rotsen uitsteken, die aan de eene zijde

met steile helling in het dal afdalen, en aan de andere samenhangen

met de hooge plateaux, waarop de korenaren golven en die tot aan de

oevers der Maas reiken. Terwijl ge dit eigenaardige landschap overziet,

luistert ge onwillekeurig naar het harmonisch ruischen van de Molignée,

dat, vermengd met het ritselen der bladeren, als eene zoete muziek

uit de diepte van het dal u tegenklinkt. Hoe bekoorlijk het landschap

ook zij, toch draagt het eenigszins een ernstig karakter: niet verre

immers is de antieke kloof der Flavion, het eerste voorhistorische

station des lands. Daar, in de opengescheurde ingewanden der aarde,

vond men in vijf grotten of spelonken--den trou du Sureau, den trou

de l'Erable, den trou Phillippe, den trou du Chêne en den trou du

Lierre--merkwaardige en hoogst belangrijke overblijfselen uit het

tijdperk van den mammouth en het rendier. Als ge van Montaigle naar

Dinant wilt gaan, moet ge dien weg volgen: na de kloof verlaten te

hebben, klautert ge omhoog naar Haut-le-Wastia, een groot vlek,

op het hoogste punt van het plateau, van waar ge langs golvende

hellingen ongemerkt afdaalt naar de eerwaardige ruïnen van Bouvignes,

in de onmiddellijke nabijheid van Dinant.

Maar wij hebben nu lang genoeg buiten rond gewandeld, het is tijd

weder de steden op te zoeken: wij zullen dus onze schreden richten

naar Namen, de hoofdstad van dit land van rotsen en wouden, en ons

punt van uitgang kiezen in het smalle dal, waarboven de romantische

ruïne van Montaigle oprijst. Eene kleine wandeling brengt ons naar

Walcourt, eene oude heerlijkheid, wier geschiedenis opklimt tot de

elfde eeuw, en wier fraaie gothische kerk wijd en zijd beroemd is

wegens het wonderdoende beeld van Onze-Lieve-Vrouwe, dat zij bevat.

Omstreeks zeshonderd jaar geleden, werd het heiligdom eensklaps door

het vuur aangetast; maar godvruchtige handen redden het beeld der

verhevene schutsvrouwe uit den vuurpoel en bergden het veilig in de

holte van een boom. Toen het gevaar geweken was, trachtte Thierry,

graaf van Rochefort vergeefs het beeld uit die tijdelijke bergplaats

te verwijderen om het weder in de kerk te plaatsen. De edelman

bad en smeekte te vergeefs, tot zijn paard zoo geweldig begon te

steigeren, dat hij bijna ter aarde was gevallen. Nu begreep de graaf

dat Onze-Lieve-Vrouwe iets meer van hem vorderde en hem bijzondere

genade bewijzen wilde: als door een hemelschen lichtstraal getroffen,

zag hij wat hem te doen stond, en deed hij op het eigen oogenblik de

gelofte, de abdij du Jardinet te zullen stichten. Nauwelijks had hij

deze gelofte afgelegd, of het beeld liet zich gewillig medevoeren. De

boom, die tijdelijk ten verblijve strekte aan Onze-Lieve-Vrouwe

van Walcourt, is sinds lang ontbladerd: maar telken jare wordt op

nieuw de herinnering gevierd van het mirakel, en groent op nieuw de

legendarische linde op de eigen plek, waar de oude boom eenmaal stond.

Op dienzelfden merkwaardigen Trinitatisdag, waarop, op de Grand Place

van Mons, Sint-George met zijne lans den verschrikkelijken draak van

Wasmes nedervelt, schaart zich de ban en de achterban der omliggende

kerspelen, in krijgshaftige vortooning om de eerwaardige linde. Bij

het krieken van den dageraad vormen zich in de verschillende dorpen,

bij het roffelen der trommen en het geschetter der trompetten, de

dappere bataillons, op de zonderlingste manier toegetakeld, gedost in

de bontste uniformen, gewapend met musketten, met pieken en sabels,

het hoofd gedekt met helmen, kolbaks, beremutsen, shakos, petten en

fez. Met deftigen ernst defileeren zij te midden der bloeiende hagen

en witte appelbloesems, zoo echt martiaal als gold het de verdediging

van het bedreigde vaderland. De grond dreunt onder den maatvasten stap

der kompagniën, die in gesloten kolonnen oprukken, de kapiteins aan de

spits, en vaak genoeg halt houden om hunne door het stof verdroogde

kelen met een hartigen dronk te verfrisschen. Dan draven en loopen

de officieren, als herdershonden langs de kudde, en zwaaien hetzij

den slakkensteker van den infanterist, hetzij de lange lat van den

dragonder, hetzij een schermdegen, hetzij een sabel of een kris of wat

soort van wapen ook, en schreeuwen zich buiten adem om weer een schaduw

van orde te herstellen en voort te rukken naar de aangewezen plek, waar

reeds andere, niet minder fantastisch uitgeruste benden zijn opgesteld.

En telkens ziet men nieuwe rekruten opdagen, met vuurrood gelaat

en in de meest opgewekte stemming, en die verschillende troepen,

allengs saamgevoegd, vormen een leger, waarvan de wedergade zeker

niet gemakkelijk te vinden zou zijn, en dat, op een gegeven teeken,

oprukt naar de gewijde linde. Dan begint eene gansche reeks van

zonderlinge, ingewikkelde manoeuvres, het onmisbare voorspel voor de

groote plechtigheid der wegvoering van Onze-Lieve-Vrouwe, door een

middeleeuwschen ridder, van het hoofd tot de voeten in ijzer gehuld,

als weleer zijne gedroomde voorvaderen. Wie dit oogenblik gezien heeft,

zal het niet licht vergeten: bij brigades in de velden geschikt,

staan daar de verschillende gezelschappen en vereenigingen, die zich

gedurende eene maand en langer hebben geoefend voor deze vertooning

en nu prijken in den meest fantastischen dos dien men zich denken

kan, waartoe de uniformen van bijna alle europeesche legerkorpsen

van vroeger en later tijd hun contingent hebben geleverd.

Toch, al moge het tafreel op u den indruk maken van eene

maskeradeklucht, is het dezen lieden ernst. Zonder lachen volvoeren

zij de manoeuvres en gehoorzamen aan de bevelen hunner officieren,

marcheeren en vuren op kommando, al zijn zij op de zonderlingste

manier gewapend met allerlei soort van schietgeweer. Er wordt kruit

genoeg verbrand: men schiet en manoeuvreert tot eindelijk de voorraad

is opgeteerd en, tegen het vallen van den avond, de vermoeide krijgers

huiswaarts keeren, ieder naar zijn dorp of zijne boerderij.

En deze zonderlinge vertooning bepaalt zich niet tot Walcourt: te

Gerpinnes heeft iets dergelijks plaats ter eere van Sinte-Rolande,

die om hare eer te redden, in haastige vlucht door negen dorpen ijlde

en eindelijk bij eene bron nederzeeg en stierf; ook daar trekt een

soortgelijk militair geleide mede met de relikwiën van de heilige,

die in statigen ommegang door de negen dorpen worden gedragen, welke

zij zelve doorliep eer zij den adem uitblies.

Elders, te Fosses, in het ronde bekend om zijn Saint-Follien, en te

Foy-Notre-Dame--waar, zooals de legende verhaalt, een timmerman, met

een slag van zijn bijl, een beeld ontblootte van de Madonna, dat in een

eik verborgen was,--heeft de militaire vertooning maar eens in de zeven

jaren plaats, maar dan ook met een praal, waarvoor soms zelf de parade

van Walcourt zwichten moet. Welke de oorsprong van deze zonderlinge

vertooningen is, kan ik niet met zekerheid zeggen: misschien zijn

zij niet meer dan eene herinnering aan vroegere toestanden, toen het

noodig kon zijn, de kerken en de daarin bewaarde heilige voorwerpen

en relikwiën te verdedigen tegen roovers en dieven, die zich niet

ontzagen ook naar gewijde schatten de handen uit te steken.

Van Walcourt naar Fosses is eene heele wandeling: maar de aandacht

wordt zoo zeer in beslag genomen door de schoonheden van het landschap,

dat men aan geen vermoeienis denkt. De zang van den leeuwerik in

de oneindige ruimte, het suizen van den wind in de heidestruiken,

het loeien der runderen in de weilanden, al die landelijke stemmen

en geluiden smelten samen tot een akkoord, passende bij de zoete

droomerijen van uw geest, als ge het drijvend wolkje naoogt in het

azuur, of uw blik laat rusten op den kalmen waterplas, als een metalen

spiegel op een fluweelen kleed, uitgespreid in de bruine heide;

als ge luistert naar het kunsteloos gezang van den boerenjongen,

die naast den weg zijne twee paarden huiswaarts leidt, of naar het

tjingelen der bellen van de kleurig opgetuigde hit voor de huifkar

van den postbode. Eindelijk, na eene lange wandeling door bosschen

en velden en dorpen, betreedt ge de groote straat van de oude goede

stad van het prinselijke bisdom van Luik, met haar ouden kerktoren,

door dienzelfden Saint-Follien gebouwd, tot wiens eer de beroemde

zevenjarige parade gehouden wordt. De doorluchtige stad, zoo als

Fosses in de kronieken genoemd wordt, is thans niets meer dan een

stil gehucht, dat alleen op den dag van de paardenmarkt voor eenige

uren uit zijne dommelige rust ontwaakt.

Weldra dalen de plateaux en eene opeenvolging van zacht glooiende

heuvelen brengt ons weder in de schoone en liefelijke vallei van de

Sambre. Voor ons verrijst Floreffe, tegen de helling van een heuvel

gebouwd, welks top is gekroond door de eerwaardige gebouwen der oude

beroemde abdij, thans tot seminarie ingericht. De heilige Norbert,

de stichter van de orde der Premonstratensers, grondvestte in de

twaalfde eeuw deze abdij, die eeuwen lang tot de beroemdste en

voornaamste gestichten der zuidelijke Nederlanden behoorde.

Naarmate wij in het schoone dal de grillige kronkelingen der rivier

volgen en dichter bij Namen komen, vermenigvuldigen zich langs

de beide oevers de lusthuizen en buitenverblijven, waar de rijke

burgers der stad de zomermaanden doorbrengen. Floriffaux, Flawinne,

Salzinne, liefelijke vlekken in het groen verloren, zijn als het ware

de voorsteden van Namen, wier fiere citadel, tronende op de steile

rots, eensklaps voor ons oprijst. Wij zijn te Namen.

Wandelingen door België De Aarde en haar Volken, 1886(#15403) · 第 9 / 16 题