Weldra vervolgt de Eau-Noire haar grillige wandeling door de velden
en dalen, haar kristalheldere wateren met zoet geluid voortstuwende
over de bemoste steentjes in haar ondiepe bedding; maar eensklaps
verandert de idylle in een somber drama. De liefelijke beek, in wier
klaren spiegel zich het blauw des hemels en de bloemekens langs den
zoom weerspiegelen, verdwijnt eensklaps bij den _pont d' Avignon_,
een met dien populairen naam gedoopten berg, die daar juist gereed
schijnt te staan om het arme, roekelooze rivierke, dat hem onbedacht
in den mond loopt, met een hap te verslinden.
Nu verneemt men in vier-en-twintig uren niets van de Eau-Noire:
immers, men heeft uitgerekend dat zij vier-en-twintig uren noodig
heeft, om weer te voorschijn te komen uit de duistere afgronden,
waarin zij wellicht aan allerlei mishandeling ten prooi is. Als zij
eindelijk, aan de andere zijde van den berg, weer aan het daglicht
treedt, dan kookt en schuimt haar water: siddert de teedere najade
nog bij de herinnering aan hetgeen haar in de diepte weervoer? Maar
weldra herstelt zij zich weer: haar water wordt weer helder, en zingt
weer haar vroolijk lied, en weerkaatst weer den reinen blauwen hemel
en de bloemekens langs haar zoom.
Deze geheimzinnige roman speelt te Nismes, een vlek, door het gansche
land bekend van wege een oud gebruik, dat nog aan de riddertijden
herinnert. Het is namelijk te Nismes oude zede, wanneer een huwelijk
gesloten wordt, dat de hoofdlieden der jongelingschap voor het
kerkportaal het bruidspaar afwachten, bruid en bruidegom met gekruisten
degen tegenhouden en niet doorlaten, voor de jonkman een lint van het
kleed der bruid losgemaakt en met eigen hand op de borst van een der
ridders vastgehecht heeft. Echter kan de man--maar dit is zeker een
later inkruipsel--die schatting tegen eene zekere som afkoopen.
Nabij Dourbes vereenigen de Eau-Blanche en de Eau-Noire haar wateren
en vormen te zamen de Viroin, die de overschoone vallei van gelijken
naam gaat besproeien. Dadelijk neemt het landschap een ruwer en
romantischer karakter aan; de rotsen worden steiler, en op den top van
een loodrechten rotswand troont, als een vooruitgeschoven wachtpost,
eene schilderachtige ruïne: de bouwval van het kasteel Haute-Roche,
dat het lot deelde van zoo vele andere feodale burchten in het
land tusschen Sambre en Maas, en door de kogels van het fransche
geschut werd vernield, toen de gewapende benden van Hendrik II als
een sprinkhaanzwerm neerstreken op de valleien, overal moord en
verwoesting verspreidende.--Maar beneden, aan den voet der dreigende
rots, vloeit de Viroin in stille bekoorlijkheid en weerspiegelt in
haar heldere diepte den donkeren rotswand en de geteisterde ruïnen,
met haar sombere herinneringen van geweld en bloedstorting. Wat
is zij nu anders, de eens zoo geduchte veste, dan een motief in de
romantische dekoratie van het idyllische landschap?
Konden wij over de noodige ruimte beschikken, hoe gaarne zouden wij
u uitnoodigen, met ons te dolen door die liefelijke valleien tusschen
Maas en Sambre, zoo rijk aan het meest afwisselende natuurschoon. Maar
wij moeten ons beperken en kunnen slechts voor enkele punten uwe
aandacht vergen.
Een groote weg, die de Hermeton doorsnijdt en naar Stave voert,
ontmoet bij Rosée en niet ver van haar oorsprong, de kleine, pas
geboren beek de Molignée, die met haar tallooze krommingen, van
Foy tot Moulins, de naar haar genoemde vallei vormt, zeker een der
schoonste en liefelijkste van de geheele streek. Ook hier teekenen
zich, schier zonder eenige onderbreking, ter wederzijde, de groote
kantige profielen der ernstige rotsen, als in het harnas vergrijsde
krijgers, schouder aan schouder geschaard. En altijd, in het dal, het
zangrig lied van de beek, het geklepper der wentelende molenraderen,
die fonkelende diamanten strooien; voorts de steenachtige voorde,
waar de koeien, ter halver lijve in het murmelende water stappende,
gaan drinken; de waterkers, trillende op de rimpeling des waters; de
stuwen waartegen de golfkens schuimend koken, en langs den oever de
knoestige wilgen, wier saamgeweven takken als een gordijn van groen
vormen, waar de roodbruine rotsen doorheen schemeren.
Te Foy voert een niet al te steile helling naar het plateau, waarop
zich de ruïne verheft van het oude kasteel van Faing, in de twaalfde
eeuw gebouwd, in de veertiende veranderd, en dat nu meer bekend is
onder den schoonklinkenden naam van Montaigle. Is het niet, als hoordet
ge, op den klank van dien naam, de echo der schetterende trompetten,
als de heer van de jacht of van den oorlog--eene andere soort van
jacht--teruggekeerd, de houten ophaalbrug opreed en door zijne
dienstmannen feestelijk ontvangen en met gejubel ingehaald werd. Ze
zijn als geknipt voor een of ander schokkend romantisch verhaal,
eene geschiedenis als van Blauwbaard, die schilderachtige ruïnen,
als een arendsnest tronende op den top van eene steile rots. Nog
hangen de trappen hier en daar tegen de zware muren der torens en
klauteren, wentelend en draaiend naar boven, en brengen u plotseling
op eene of andere tinne, als opgehangen in de ledige ruimte en van
waar uw blik den ganschen omtrek overziet, en wel in de eerste plaats
den geschonden, ontwapenden steenklomp aan uwe voeten. Toch moet de
ruïne van Montaigle in grootsche epische majesteit onderdoen voor
de indrukwekkende overblijfselen van menigen anderen burcht uit het
heldentijdvak der feodaliteit, van die geduchte vestingen, waarin de
fiere krijgshaftige baronnen zelfs koningen trotseerden. Het slot,
waarvan wij de bouwvallen overzien, dagteekent uit later tijd, toen
de feodaliteit bereids ten ondergang begon te neigen en de ridder
maar al te vaak in den roover opging. Maar, spreekt de overlevering
waarheid, dan heeft deze rotsheuvel heugenis van nog ouder dagen,
en zou hier eenmaal Quintus Cicero zijn kamp hebben opgeslagen,
waarvan de sporen eeuwen lang bleven bewaard.
Als ge van de ruïne den omtrek overziet, dan dwalen uwe blikken over
eene zee van groen, waar tusschen en waarboven, als voorgebergten in
den oceaan, grillig gevormde rotsen uitsteken, die aan de eene zijde
met steile helling in het dal afdalen, en aan de andere samenhangen
met de hooge plateaux, waarop de korenaren golven en die tot aan de
oevers der Maas reiken. Terwijl ge dit eigenaardige landschap overziet,
luistert ge onwillekeurig naar het harmonisch ruischen van de Molignée,
dat, vermengd met het ritselen der bladeren, als eene zoete muziek
uit de diepte van het dal u tegenklinkt. Hoe bekoorlijk het landschap
ook zij, toch draagt het eenigszins een ernstig karakter: niet verre
immers is de antieke kloof der Flavion, het eerste voorhistorische
station des lands. Daar, in de opengescheurde ingewanden der aarde,
vond men in vijf grotten of spelonken--den trou du Sureau, den trou
de l'Erable, den trou Phillippe, den trou du Chêne en den trou du
Lierre--merkwaardige en hoogst belangrijke overblijfselen uit het
tijdperk van den mammouth en het rendier. Als ge van Montaigle naar
Dinant wilt gaan, moet ge dien weg volgen: na de kloof verlaten te
hebben, klautert ge omhoog naar Haut-le-Wastia, een groot vlek,
op het hoogste punt van het plateau, van waar ge langs golvende
hellingen ongemerkt afdaalt naar de eerwaardige ruïnen van Bouvignes,
in de onmiddellijke nabijheid van Dinant.
Maar wij hebben nu lang genoeg buiten rond gewandeld, het is tijd
weder de steden op te zoeken: wij zullen dus onze schreden richten
naar Namen, de hoofdstad van dit land van rotsen en wouden, en ons
punt van uitgang kiezen in het smalle dal, waarboven de romantische
ruïne van Montaigle oprijst. Eene kleine wandeling brengt ons naar
Walcourt, eene oude heerlijkheid, wier geschiedenis opklimt tot de
elfde eeuw, en wier fraaie gothische kerk wijd en zijd beroemd is
wegens het wonderdoende beeld van Onze-Lieve-Vrouwe, dat zij bevat.
Omstreeks zeshonderd jaar geleden, werd het heiligdom eensklaps door
het vuur aangetast; maar godvruchtige handen redden het beeld der
verhevene schutsvrouwe uit den vuurpoel en bergden het veilig in de
holte van een boom. Toen het gevaar geweken was, trachtte Thierry,
graaf van Rochefort vergeefs het beeld uit die tijdelijke bergplaats
te verwijderen om het weder in de kerk te plaatsen. De edelman
bad en smeekte te vergeefs, tot zijn paard zoo geweldig begon te
steigeren, dat hij bijna ter aarde was gevallen. Nu begreep de graaf
dat Onze-Lieve-Vrouwe iets meer van hem vorderde en hem bijzondere
genade bewijzen wilde: als door een hemelschen lichtstraal getroffen,
zag hij wat hem te doen stond, en deed hij op het eigen oogenblik de
gelofte, de abdij du Jardinet te zullen stichten. Nauwelijks had hij
deze gelofte afgelegd, of het beeld liet zich gewillig medevoeren. De
boom, die tijdelijk ten verblijve strekte aan Onze-Lieve-Vrouwe
van Walcourt, is sinds lang ontbladerd: maar telken jare wordt op
nieuw de herinnering gevierd van het mirakel, en groent op nieuw de
legendarische linde op de eigen plek, waar de oude boom eenmaal stond.
Op dienzelfden merkwaardigen Trinitatisdag, waarop, op de Grand Place
van Mons, Sint-George met zijne lans den verschrikkelijken draak van
Wasmes nedervelt, schaart zich de ban en de achterban der omliggende
kerspelen, in krijgshaftige vortooning om de eerwaardige linde. Bij
het krieken van den dageraad vormen zich in de verschillende dorpen,
bij het roffelen der trommen en het geschetter der trompetten, de
dappere bataillons, op de zonderlingste manier toegetakeld, gedost in
de bontste uniformen, gewapend met musketten, met pieken en sabels,
het hoofd gedekt met helmen, kolbaks, beremutsen, shakos, petten en
fez. Met deftigen ernst defileeren zij te midden der bloeiende hagen
en witte appelbloesems, zoo echt martiaal als gold het de verdediging
van het bedreigde vaderland. De grond dreunt onder den maatvasten stap
der kompagniën, die in gesloten kolonnen oprukken, de kapiteins aan de
spits, en vaak genoeg halt houden om hunne door het stof verdroogde
kelen met een hartigen dronk te verfrisschen. Dan draven en loopen
de officieren, als herdershonden langs de kudde, en zwaaien hetzij
den slakkensteker van den infanterist, hetzij de lange lat van den
dragonder, hetzij een schermdegen, hetzij een sabel of een kris of wat
soort van wapen ook, en schreeuwen zich buiten adem om weer een schaduw
van orde te herstellen en voort te rukken naar de aangewezen plek, waar
reeds andere, niet minder fantastisch uitgeruste benden zijn opgesteld.
En telkens ziet men nieuwe rekruten opdagen, met vuurrood gelaat
en in de meest opgewekte stemming, en die verschillende troepen,
allengs saamgevoegd, vormen een leger, waarvan de wedergade zeker
niet gemakkelijk te vinden zou zijn, en dat, op een gegeven teeken,
oprukt naar de gewijde linde. Dan begint eene gansche reeks van
zonderlinge, ingewikkelde manoeuvres, het onmisbare voorspel voor de
groote plechtigheid der wegvoering van Onze-Lieve-Vrouwe, door een
middeleeuwschen ridder, van het hoofd tot de voeten in ijzer gehuld,
als weleer zijne gedroomde voorvaderen. Wie dit oogenblik gezien heeft,
zal het niet licht vergeten: bij brigades in de velden geschikt,
staan daar de verschillende gezelschappen en vereenigingen, die zich
gedurende eene maand en langer hebben geoefend voor deze vertooning
en nu prijken in den meest fantastischen dos dien men zich denken
kan, waartoe de uniformen van bijna alle europeesche legerkorpsen
van vroeger en later tijd hun contingent hebben geleverd.
Toch, al moge het tafreel op u den indruk maken van eene
maskeradeklucht, is het dezen lieden ernst. Zonder lachen volvoeren
zij de manoeuvres en gehoorzamen aan de bevelen hunner officieren,
marcheeren en vuren op kommando, al zijn zij op de zonderlingste
manier gewapend met allerlei soort van schietgeweer. Er wordt kruit
genoeg verbrand: men schiet en manoeuvreert tot eindelijk de voorraad
is opgeteerd en, tegen het vallen van den avond, de vermoeide krijgers
huiswaarts keeren, ieder naar zijn dorp of zijne boerderij.
En deze zonderlinge vertooning bepaalt zich niet tot Walcourt: te
Gerpinnes heeft iets dergelijks plaats ter eere van Sinte-Rolande,
die om hare eer te redden, in haastige vlucht door negen dorpen ijlde
en eindelijk bij eene bron nederzeeg en stierf; ook daar trekt een
soortgelijk militair geleide mede met de relikwiën van de heilige,
die in statigen ommegang door de negen dorpen worden gedragen, welke
zij zelve doorliep eer zij den adem uitblies.
Elders, te Fosses, in het ronde bekend om zijn Saint-Follien, en te
Foy-Notre-Dame--waar, zooals de legende verhaalt, een timmerman, met
een slag van zijn bijl, een beeld ontblootte van de Madonna, dat in een
eik verborgen was,--heeft de militaire vertooning maar eens in de zeven
jaren plaats, maar dan ook met een praal, waarvoor soms zelf de parade
van Walcourt zwichten moet. Welke de oorsprong van deze zonderlinge
vertooningen is, kan ik niet met zekerheid zeggen: misschien zijn
zij niet meer dan eene herinnering aan vroegere toestanden, toen het
noodig kon zijn, de kerken en de daarin bewaarde heilige voorwerpen
en relikwiën te verdedigen tegen roovers en dieven, die zich niet
ontzagen ook naar gewijde schatten de handen uit te steken.
Van Walcourt naar Fosses is eene heele wandeling: maar de aandacht
wordt zoo zeer in beslag genomen door de schoonheden van het landschap,
dat men aan geen vermoeienis denkt. De zang van den leeuwerik in
de oneindige ruimte, het suizen van den wind in de heidestruiken,
het loeien der runderen in de weilanden, al die landelijke stemmen
en geluiden smelten samen tot een akkoord, passende bij de zoete
droomerijen van uw geest, als ge het drijvend wolkje naoogt in het
azuur, of uw blik laat rusten op den kalmen waterplas, als een metalen
spiegel op een fluweelen kleed, uitgespreid in de bruine heide;
als ge luistert naar het kunsteloos gezang van den boerenjongen,
die naast den weg zijne twee paarden huiswaarts leidt, of naar het
tjingelen der bellen van de kleurig opgetuigde hit voor de huifkar
van den postbode. Eindelijk, na eene lange wandeling door bosschen
en velden en dorpen, betreedt ge de groote straat van de oude goede
stad van het prinselijke bisdom van Luik, met haar ouden kerktoren,
door dienzelfden Saint-Follien gebouwd, tot wiens eer de beroemde
zevenjarige parade gehouden wordt. De doorluchtige stad, zoo als
Fosses in de kronieken genoemd wordt, is thans niets meer dan een
stil gehucht, dat alleen op den dag van de paardenmarkt voor eenige
uren uit zijne dommelige rust ontwaakt.
Weldra dalen de plateaux en eene opeenvolging van zacht glooiende
heuvelen brengt ons weder in de schoone en liefelijke vallei van de
Sambre. Voor ons verrijst Floreffe, tegen de helling van een heuvel
gebouwd, welks top is gekroond door de eerwaardige gebouwen der oude
beroemde abdij, thans tot seminarie ingericht. De heilige Norbert,
de stichter van de orde der Premonstratensers, grondvestte in de
twaalfde eeuw deze abdij, die eeuwen lang tot de beroemdste en
voornaamste gestichten der zuidelijke Nederlanden behoorde.
Naarmate wij in het schoone dal de grillige kronkelingen der rivier
volgen en dichter bij Namen komen, vermenigvuldigen zich langs
de beide oevers de lusthuizen en buitenverblijven, waar de rijke
burgers der stad de zomermaanden doorbrengen. Floriffaux, Flawinne,
Salzinne, liefelijke vlekken in het groen verloren, zijn als het ware
de voorsteden van Namen, wier fiere citadel, tronende op de steile
rots, eensklaps voor ons oprijst. Wij zijn te Namen.