De fraaie rotsige landschappen in de vallei van de Sambre geven
reeds hier en daar, door de plotselinge verheffingen van den grond,
een voorsmaak van de naburige Ardennen. Thuin, Lobbes, met hunne
groene of krijtachtige heuvelen, die zich in de wateren spiegelen,
zijn als het ware een beeld in het klein van de meer forsche en ruwe
bekoorlijkheden der valleien van de Lesse, de Hermeton, de Bocq: en dit
karakter treedt steeds duidelijker in het licht, naarmate men Chimay,
Mariembourg en Couvin nadert. Maar om de volle eigenaardigheid van eene
bijna woeste natuur te begrijpen, moet men de streek tusschen Sambre
en Maas, het nog min of meer twijfelachtige landschap van overgang,
verlaten en tot de boorden van laatstgenoemde rivier naderen. Eerst
daar vertoont de natuur die eigenaardige physionomie, die nog de
sporen draagt van worsteling en wanorde en strijd, dien trek van
toorn en smart en woede, waarover thans, nadat de rust is weergekeerd,
de glimlach der tevredenheid zweeft.
Reeds even voorbij Chimay, in die uitgestrekte heide, die zelfs de
stalen vlijt en onuitputtelijke volharding der Trappisten nog maar
voor een deel heeft kunnen ontginnen, maakt het landschap een anderen
indruk, dan dien ge tot dusver ondervonden hebt. Reeds daar teekenen
zich de eerste trekken van die kosmische weeën, die op geheel deze
natuur haar onuitwischbaren stempel hebben gedrukt. Eensklaps ontrollen
zich de Fagnes van Chimay, door struikgewas en moerassen afgebroken,
die in den zomer zijn uitgedroogd en waarover in het najaar lage en
vochtige nevels zweven: en het landschap maakt op u den indruk van eene
opeenvolging van ruwe en snijdende tonen, die de toehoorders moeten
voorbereiden op de schokkende tafreelen van het eigenlijke drama.
Hier begint inderdaad het voorspel: ge bevindt u in eene woestijn,
waarin zich de mensch toch woningen en dorpen heeft gebouwd en
die langzaam en onwillig terugwijkt voor de vereenigde pogingen
van den landbouwer en den os, te zamen gebogen onder hetzelfde
juk, trekkende aan denzelfden ploeg. Voert uw verdere weg u in de
gevaarlijke moerassen en hooge veenen, die zich van Spa tot Malmedy
uitstrekken, waar nergens een dak te bespeuren is om u te beschermen
tegen het brandend steken van de zon, nergens een groepje boomen om
uw oogen te verpoozen van het staren in de strakke gloeiende lucht,
nergens eene bron of beek om uw folterenden dorst te lesschen; als
ge door deze wildernis dwalen zult, aan alle martelingen ten prooi,
dan zal de gewaarwording, welke ge daar ondervindt, toch maar alleen
in graad verschillen van hetgeen ge hier gevoelt, in dezen voorhof
van het woeste land.
Maar ditmaal is die indruk niet meer dan voorbijgaande: op de wildernis
volgt nu al spoedig een paradijs van ruischende wateren en lommerrijk
geboomte, van schilderachtige heuvelen en vreedzame dalen, die u reeds
een denkbeeld geven van de zoo karakteristieke valleien, waardoor de
Semais, de Ourthe, de Amblève en de Lesse haar kristalheldere wateren
stuwen: zij, de meer bekende zusteren van die nederiger najaden, zich
verbergende onder den naam van Eau-Noire, Eau-Blanche, Eau-d'Heure,
Brouve, Viroin, Hermeton en Acoz.
Tegelijkertijd bevolkt zich het land: de dorpen vermenigvuldigen zich;
de bergen worden hooger, de rotsen kantiger en grilliger van lijnen;
scherpgeteekende profielen trekken telkens uw oog bij iedere kromming
van den weg, die rijst en daalt en in breede slingeringen de hoogten
bestijgt. De horizon verwijdt zich; de plateaux ontrollen zich voor
uw oog; de frissche berglucht zet uwe longen uit; de onwederstaanbare
betoovering van de hooge plaatsen der aarde doortintelt uwe aderen.
Zoo is de landstreek tusschen de Sambre en de Maas,
l'Entre-Sambre-et-Meuse, als eene voorbereiding voor de eigenlijke
Ardennen: het is nog niet de oneindige uitgestrektheid der
bergplateaux, nog niet de majesteit van de boorden der Maas, nog niet
de tooverachtige idylle der valleien van de Lesse en de Bocq; maar
haar bosschen, haar heidevlakten, wat nog over is van de Marlagne,
het geheimzinnige donkere woud, dat ten tijde der revolutie nog eene
oppervlakte besloeg van twintig vierkante mijlen, vertoonen toch
reeds een beeld in het klein van dat betooverende land, waarvan ieder
die het ooit mocht betreden, eene onuitwischbare herinnering mede
draagt.--Drie groote valleiën, van de Hermeton, de Molignée en de
Viroin, doorsnijden met haar diepe ravijnen het land, en aan dezen
sluiten zich andere kleinere valleïen, die van de Heure en de Acoz,
als vertakkingen van een reuzenboom, die het gansche land met zijne
armen omstrengelt.
Later, in de eenzame omgeving van de baraque Michel, op het hoogste
punt van de Ardennen, als in eene koude zwijgende woestijn verloren,
zullen wij den grond, in wilde sprongen, zich zien opheffen tot
zeshonderd el boven de zee; maar hier bereiken de hoogste bergen
nog niet een derde van deze hoogte. Maar hoe nederig en bescheiden
zij vergelijkenderwijze ook mogen zijn, toch geven de rotsen van
de Entre-Sambre-et-Meuse ons reeds een beeld te aanschouwen van de
verscheuringen dezer gefolterde, als het ware stuiptrekkende natuur,
op welke inderdaad de zoo vaak misbruikte vergelijking met de golven
eener versteende zee van toepassing is. Wilde men het beeld voltooien,
dan zou men de hooge plateaux, die daarboven hunne effen vlakten
ontrollen, kunnen vergelijken bij de stranden, zich opheffende boven
het onstuimig gewoel der wateren.
Doch beneden, nu eens stil den voet der rotsen lekkende, die
zij op andere tijden als woedende draken bespringen, dartelt en
stoeit en zingt het vroolijke koor der rivierkens. Hier wellustig de
hellingen omarmend der bergen, wier rotsachtige krijtwanden en dichte
boomgroepen zij in haar kristallen wateren weerspiegelen; elders zich
een weg banende door de trillende treurwilligen, waaronder de azuren
insekten zweven en dansen;--overal ziet gij ze, tallooze slingeringen
beschrijvende, zich verliezende in het malsche groen der weiden,
om dan weer nieuwsgierig voort te dartelen langs den grooten weg,
in zijn bochtigen gang vaak niet minder grillig dan zij zelven.
Haar aantal is legio: daar hebt ge, behalve de Molignée, de Hermeton
en de Viroin, die haar naam gegeven hebben aan de valleien welke
zij besproeien, de Yves, de Biert, de Flavion, de Acoz, de Brouve,
en al die andere beekjes met haar welluidende namen, die als de
dochters van eene zelfde familie, allen den gemeenschappelijken
naam dragen van Eau. Overal hoort ge ze babbelen en neuriën, als de
nooit zwijgende muziek, de zilveren lach van het landschap: aan het
suizen van den wind in het ritselend gebladerte paren zij het zoet
gekweel der fluitspelende sylfen in het riet langs haar boorden;
en de rotsen, die eenzame reuzen, op wier schedel de donkere kroon
van den nooit stervenden ouderdom rust en die eeuw in eeuw uit in
zwijgenden ernst de jaren over zich heen voelen glijden, zij zien
neder op de vroolijke kinderen, uit hun somberen schoot geboren,
die aan hun voet huppelen en dartelen, en in hun blijde sprongen met
milde hand parelen en diamanten strooien om zich heen.
Volg ze op haar baan, deze wandelaarsters: zie hoe zij den zilveren
draad van haar heldere wateren al verder en verder ontspinnen te midden
van de stille landschappen, van al de zoete liefelijkheden der natuur:
schaduwrijke kreekjes, nestjes van groen, fluweelige weiden met bloemen
bestikt, amphitheaters van bosschen tegen de berghellingen gebouwd,
woeste ravijnen in de rots uitgesneden, telkens afwisselende panorama's
en vergezichten, ongedachte verrassingen bij iedere kromming; eene
opeenvolging van _dissolving views_ in eindelooze verscheidenheid
elkander verdringende, maar zoo als de onuitputtelijke natuur alleen
ze voor de oogen tooveren kan. Volg ze op haar baan, die dichterlijke
zwerfsters, die van niets meer gruwen dan van de rechte lijn; volg
ze met vreugdevol vertrouwen, zij zullen u--'t is waar, niet langs
den kortsten weg, maar langs ongebaande, nauw vermoede paden, dolend
en dwalend als de knaap die onwillig naar de school gaat en ieder
voorwendsel aangrijpt om zich op te houden;--ja, zij zullen u brengen
naar stille plekjes, waar ge droomend nederzit en het u zijn zal,
als hoordet ge duidelijk het loflied, dat bergen en rotsen, wouden en
velden, vlakten en dalen, rivieren en beken, onverpoosd opzenden naar
den hoogen hemel, die zich zegenend uitbreidt over de bloeiende aarde.
Als ge Chimay verlaten hebt,--Chimay, waar verval en verlatenheid hunne
tenten hebben opgeslagen sedert de vroolijke hofhouding der prinsen
verdween; Chimay, waar op het kleine plein het standbeeld verrijst
van den genialen verteller, den onnavolgbaren kroniekschrijver Jean
Froissart, die in het koor der kerk den eeuwigen slaap slaapt;--en als
ge achter u de bosschen laat liggen, waarin nog de echo's zweven van
al deze gloriën van een grootsch verleden, en de reusachtige vijvers,
waarop weleer vergulde gondels dreven en waarlangs nu de eenzame
reigers starend uitzien naar hunne prooi;--dan ontmoet ge weldra op
uw pad een zingend en murmelend beekje, waaraan men zeker ter wille
van de zilveren helderheid van zijn water, den naam gegeven heeft
van Eau-Blanche. Dit is de eerste dier levende idyllen, wier zoete
zang u van alle zijden in de ooren dringt, de eerste althans die ge
ontmoet als ge uit Henegouwen komt, en als ge, om uw tocht door de
Ardennen te beginnen en de provincie Namen te bezoeken, al aanstonds
uwe schreden richt naar den doolhof der valleien, en langzaam, zonder
eenige overhaasting, uwe voetreis vervolgt, om u, zooals het behoort,
gaandeweg vertrouwd te maken met de schoonheden van het landschap,
met het eigenaardig karakter der natuur om u heen. Ge zijt er immers
met mij van overtuigd, dat een reiziger, die inderdaad het land dat
hij bezoekt, wil zien en leeren kennen, geen hooger en duurder plicht
heeft dan dezen: dat hij zich ten strengste onthoude van ooit een
voet te zetten in een spoorwagen of wat daarop gelijkt?
Kom aan, laat ons deze moderne inrichtingen vergeten: wij gaan
wandelen. Al voortgaande, keuvelende, rondziende, luisterende, zijn wij
een weinig het spoor bijster geworden: wij zullen hier even stilhouden
bij deze schaapskooi en de deur een weinig openstooten. Maar niet te
snel en niet te ruw: laat ons den jeugdigen zanger niet storen, die
uit volle borst een lied zingt van de bergen, op die eigenaardige,
half weemoedige, slepende wijze, die, vooral op zekeren afstand, zoo
liefelijk klinkt en zoo aangenaam het oor streelt, als eene muziek,
zwevende op den adem van het koeltje en altijd door ruischende als een
nooit eindigend lied. In den warmen gouden nevel, die de schemerende
ruimte vervult, ontdekt ge het blozende gelaat van den knaap, die
naar u toekomt en op wiens gebruinde wangen, in wiens donkere oogen
ge kracht en gezondheid leest. Misschien begrijpt ge zijne aanwijzing
niet volkomen: geen nood, hij is aanstonds bereid, u te vergezellen en
u weer op den rechten weg te helpen. Wij treden dan uit de van gloed
doortintelde schemering naar buiten in het volle zonlicht; en terwijl
de rotsen zich in statigen ernst ter wederzijde van den weg scharen,
terwijl de meerlen fluiten in het lage hout en de klaprozen gloeien in
het schrale gras, begint de vroolijke, levenslustige knaap u allerlei
geschiedenissen te vertellen. Hij verhaalt u van Jean, den molenaar,
wiens rad ge daar ginds achter de treurwilgen knarrend wentelen hoort,
en die, oud vrijer, sedert vijftien jaren vergeefs uitziet naar eene
bruid zijner keuze; van Martinette, de dochter van den herbergier
van het dorp, die de preutsche uithing en die toch ten vorigen jare
zich vergat met een mijnheer uit de stad; van het ongeluk dat den
postbode van een naburig dorp overkwam, die door zijn eigen karretje
overreden werd; eene ramp, waarvan de herinnering nog wordt bewaard
door den met mos begroeiden steen, dien hij u wijzen zal; maar hij
weet ook te verhalen van geheimzinnige verschijningen en geesten,
die, in sommige nachten, rondzwerven om de oude gebroken muren,
die ge hoog boven uw hoofd, op den top der rotsen, tegen den blauwen
hemel hunne grillige lijnen ziet teekenen. Ja, zoo ge eenigszins zijn
vertrouwen weet te winnen, zal de flinke knaap u ook zijne eigene
geschiedenis vertellen en u deelgenoot van zijne zoete geheimen, zijne
wenschen en verwachtingen maken. Onbeduidend gebabbel, waaraan het
niet de moeite waard is, eenige aandacht te schenken. Het zij zoo:
maar toch altijd belangwekkender en aangenamer om te hooren, dan
het oorverdoovend ratelen der wielen over de rails of het demonisch
fluiten van de stoompijp.
Zoo is het met de Eau-Blanche en met al die andere beekjes, wier
leven--want hebben zij geen eigen leven, dat geheimzinnige leven,
dat de ouden, die de natuur zooveel beter verstonden en gevoelden
dan wij, verzinnelijkten in hun nimfen, hun sylfen en najaden?--zoo
innig gemengd is met het nederig en eenvoudig bestaan dezer
landbewoners. Midden door de dorpen, van deur tot deur, stuwen zij
haar heldere wateren voort, waarin de huismoeders haar groenten en
haar linnengoed wasschen, waarin de runderen hun dorst lesschen, als
zij den kop opheffende, van den breeden muil sprankelende diamanten
laten droppelen. In die murmelende beekjes plassen en dartelen de
eenden met haar jongen, zoo pas aan het broedende nest ontsnapt; in
dien kristallen spiegel weerspiegelt zich het rimpelig gelaat van
het oude grootje, nevens het rozige kopje van haar kleinkind, dat
het eene handje uitstrekt om de vlugge vischjes te vangen en met het
andere zich vastklemt aan grootmoeders boezelaar. En wanneer ge, de
dorpen achter u latende, het vrije veld ingaat, dan zullen de beekjes,
dartelend langs den voet der heuvelen, u heenvoeren naar de eenzame
hoeve, verloren te midden der velden, naar de grot, die ginds den
donkeren muil openspert, naar den ontmantelden en ontkroonden burcht,
die als met ijzeren klauwen in de rots geworteld staat.
Met de Eau-Blanche wandelt ge door vlakke velden, langs heuvelen
en rotsen, bespiedt ge in de vroege morgenuren het ontwaken
der sluimerende dorpen: hier Aublain, Vaux, Lompret, ginds
Boussu-en-Fanges, verder Mariëmbourg, een oude vesting, wier wallen
zijn gesloopt en wier grachten zijn gedempt, zelfs geene ruïne meer,
niets dan een groepje kleine lage huizen, waartusschen de koeien
haar weg zoeken, als zij des morgens naar de weide gaan. Richt uwe
schreden oostwaarts: daar troont Fagnolles, de zeshonderdjarige
ruïne, die met hooghartigen weedom schijnt neer te blikken op het
diepe verval der stad van Maria van Hongarije, nu niets meer dan een
doodsch gehucht. Zij zelve, de eerwaardige ruïne, zij mag met fieren
trots haar wonden en bressen vertoonen, en haar gebroken torens en
geschonden muren ten hemel beuren, als de nog onverwoeste herinneringen
aan haar roemrijk verleden.
Overal, op dezen alouden historischen bodem, vindt ge de sporen
van den voortijd: de talrijke adellijke burchten zijn niet meer dan
steenhoopen, en op de plek, waar weleer zoo menige kleine krijgshaftige
vesting stond, drijft de landman thans den ploeg door den grond. Van
Sautour, de stad met de zestien torens, zoo als de kronieken haar
noemen, is niets meer over dan enkele brokken muurs. Maar al is de
oude burcht verdwenen, soms, als te Couvin, van welks rots het eens
zoo geduchte kasteel broksgewijze naar beneden is gestort, soms hebben
de huizen en de straten nog iets van het oude karakter behouden. Eene
zuster van de Eau-Blanche, aan wie men om haar van de vele andere beken
te onderscheiden, den overigens geheel onverdienden naam van Eau-Noire
heeft gegeven, deelt het stedeke in twee helften, en weerkaatst
in haar heldere wateren menig aardig, ouderwetsch, overhangend
geveltje. Dan klauteren de smalle steegjes tegen de rots omhoog en
brengen u eindelijk boven op de kruin van de donkere steenmassa,
waar eene herberg de plaats vervangt van den ouden feodalen burcht.
Eene niet onaardige anekdote knoopt zich aan de verwoesting van deze
sterkte. De geweldige jager, die toen over Chimay regeerde, Jean
de Croy, ontzag zich niet, naar het schijnt, om met zijne honden te
gaan jagen in de bosschen van Couvin en zich alzoo meester te maken
van wild, waarop hij geen recht had. Deze minachting van hun recht
ergerde en verbitterde de poorters der stad, die eindelijk besloten,
den roover in eene hinderlaag te vangen; en te oordeelen naar een
onlangs ontdekt dokument, gingen zij daarbij al even ongegeneerd
te werk als de adellijke strooper zelf. Op zekeren dag dan, toen
de graaf weer in de bosschen van Couvin jaagde en, door zijn ijver
medegesleept, in vollen ren voortdraafde, zoodat hij geheel van zijn
lieden gescheiden was, schoten die van Couvin gemaskerd op hem toe,
grepen de teugels van zijn paard, hielden hem tegen, knevelden hem
en bonden hem een doek voor de oogen. Zoo trokken zij met hem heen en
weder door het bosch tot omstreeks het vallen van den avond, zoodat het
scheen als hadden zij hem ver weg gevoerd, en brachten hem eindelijk,
buiten medeweten van de andere burgers, op het kasteel van Couvin,
waar zij hem in een donker hok in een der torens opsloten. Daar
wierp men den gevangene een weinig water en brood toe, om hem alzoo
langzamerhand van gebrek te doen sterven. In dien kerker bracht de
graaf zeven jaren door, zonder dat zijne echtgenoote of iemand anders
van zijn gezin eenige tijding ontving, daar ieder meende dat hij
door roovers was vermoord of door wilde dieren verscheurd; hij zelf
wist ook niet, waar hij gevangen werd gehouden, noch om welke reden,
zich verbeeldende dat hij zich op grooten afstand van Chimay bevond,
waarvan hij toch ter nauwernood drie mijlen verwijderd was.
Eindelijk erbarmde de hemel zich over den martelaar. In zijn kerker,
die in de rots was uitgehouwen, bevond zich eene nauwe spleet, waardoor
hij eenig licht ontving; en aan den voet dier spleet lag eene kleine
vlakte, waar een knaap de schapen hoedde. Deze knaap vond er vermaak
in, met zijn handboog te schieten en aan te leggen op die kleine
opening in de rots: na verschillende vruchtelooze pogingen gelukte
het hem eindelijk, een pijl door het gat te schieten. Toen hij nu
naderbij kwam en zijn arm in het gat stak om zijn pijl te halen,
greep de graaf hem bij de hand vast; de jongen huilde en schreeuwde,
maar de graaf bracht hem tot bedaren, sprak vriendelijk met hem en
vroeg hem waar hij was; en van den knaap vernomen hebbende, dat hij
te Couvin was, verzocht hij den jongen, zijn vader te roepen.
Wat nu volgt is min of meer raadselachtig. Bij het weinige licht, dat
door de opening in de rots drong, schreef Jean de Croy een brief aan
zijne echtgenoote, haar dringend verzoekende, dat men hem nu aanstonds
zou komen verlossen. Hoe en waarmede schreef hij dien brief? Het
oude verhaal meldt daaromtrent niets; en met reden: immers wat zou er
van de legende terecht komen, als er niet iets geheimzinnigs in deze
jammerlijke geschiedenis overbleef? Kortom, de herdersjongen belastte
zich met de bezorging van den brief en ontmoette de gravin, juist toen
zij over de ophaalbrug van het kasteel ging om zich naar de mis te
begeven. Op het zien van het schrift van haar echtgenoot verbleekte
de dame en zonk in de armen harer vrouwen; maar weldra kwam zij weder
tot zich zelve en zond dadelijk het bevel naar de zeventien dorpen der
heerlijkheid van Chimay, dat alle gewapende mannen moesten opkomen om
hun heer te verlossen. Spoedig wemelt het op de wegen van gewapenden,
de pieken blinken in den zonneschijn; twee kanonnen rollen zwaar
dreunend over den weg, en de geheele drom slaat het beleg voor Couvin,
welks burgers niets van dien onverwachten aanval begrijpen. Wat willen
die lieden toch? "Onze heer is daar opgesloten, en kwijnt sedert
zeven jaren weg in een afschuwelijk hol!" roepen die van Chimay,
de vuist dreigend opgeheven tegen den burcht. De verbaasde poorters,
die nog altijd niets wisten van de vangst, door eenigen hunner in de
bosschen gemaakt, en niet vermoedden welke vorstelijke prooi daar in
de rots gevangen zat, beklimmen in vliegende haast de trappen die naar
het kasteel leiden, openen de deur van den kerker en geven de vrijheid
weder aan den hoogen baron, die haastig uitgaat en nu op zijne beurt
niet rust, voor hij het kasteel tot gruis geschoten heeft. Na dit
voorval herbouwden de poorters van Couvin hunne rotsvesting niet meer.