De reiziger die te Brussel aan het Zuiderstation in den spoortrein
is gestapt, ziet, als hij de boschen van Ghlin heeft verlaten, eene
door kanalen doorsneden vlakte zich voor zijne oogen ontrollen, en
aan den gezichteinder een toren, op eene hoogte gebouwd, benevens
de verwarde massa eener zee van daken, zich uitstrekkende naar
alle richtingen. Mons! roepen de conducteurs; en na het station
te zijn doorgegaan, ziet hij voor zich eene breede straat, die
weldra smaller wordt, en dan ombuigende en kronkelend, door vaak
mikroskopische trottoirs omzoomd, eindelijk uitloopt op een ruim
plein, waarop het stadhuis verrijst. Deze onregelmatige, smalle,
slecht geplaveide straat is toch de voornaamste der stad, waar de
meeste drukte en levendigheid heerscht. Hier vindt men de fraaiste
winkels en magazijnen, wier bontkleurige, opzichtige uitstallingen u
herinneren dat ge in eene provinciestad zijt. Op markt- en feestdagen
verdringen zich ook in deze straat de scharen van mannen en vrouwen
uit de Borinage, de sombere mijnwerkers, voor wie Mons als het ware de
hoofdstad is van dat donker schimmenrijk, waarin zij hun leven slijten.
Tweemaal in het jaar vooral stroomen zij, in dichte scharen naar
de stad, om daar pret te maken: ter gelegenheid van de jaarmarkt
van Sinte-Barbara en bij de kermis van Trinitatis. De jaarmarkt van
Sinte-Barbara, die veertien dagen duurt, is nog in den vollen zin
des woords een volksfeest, waaraan niet alleen de bevolking der stad,
maar ook de buitenlieden volop deel nemen. De kleine burgerij en de
dorpelingen wachten nog steeds op die gelegenheid om allerlei inkoopen
te doen aan de kramen, die waalsche, vlaamsche en fransche kooplui op
de Grand' Place hebben opgeslagen; en dat niettegenstaande te Mons,
als overal, de goedkoope winkels en "schellingsbazars," naar men zou
zeggen, de jaarmarkt overtollig en onmogelijk hebben gemaakt, door
zelven eene soort van altijddurende kermis te organiseeren. En toch:
telkens verschijnen ze weer, die zwervende kooplui, die nomaden van den
handel, die levende relikwiën van een anderen, lang vervlogen tijd;
telkens bouwen zij op het plein een klein en schilderachtig stadje
van huizen van zeildoek, planken en geschilderd papier, waar vlaggen,
bonte uitstallingen, schilderijen in schreeuwende kleuren, brommende
opschriften, verlokkende affiches medewerken om de voorbijgangers
te lokken, wier gemoed zoo zelden tegen deze bekoringen bestand
blijft. Kramen, tenten, spellen vormen eene dichte massa, waartusschen
slechts smalle paden zijn open gelaten voor de bezoekers, die elkander
daar dag aan dag verdringen.
Ik zal mij niet ophouden met eene beschrijving van deze kermis,
die zich alleen daardoor van de vele andere kermissen in het
vroolijke Belgenland onderscheidt, dat hier, vooral op de dagen als
de extra-treinen de drommen uit de Borinage naar de stad voeren, de
dolle uitgelatenheid alle grenzen en perken overschrijdt. Dan levert
de kermis, met name tegen den avond, een schouwspel op, waarvan het
maar beter is, niet in bijzonderheden te spreken. Het zij genoeg te
zeggen, dat geene fatsoenlijke vrouw zich dan op straat kan vertoonen.
Maar Mons heeft meer dan zijn kermissen: het heeft den Doudou;
en evenals Doornik, voor haar kinderen, de stad is van de "Choncq
Clochiers", zoo is Bergen--want laat ons nu ook maar den dietschen
naam noemen--de stad van den Doudou, die als de verpersoonlijking
mag gelden van haar historie, van haar roem en trots.
Tenzij men geloof wil hechten aan de legende van den befaamden draak
van Wasmes, die omstreeks 1133, door Gilles de Chin werd gedood, is het
zeer wonderbaarlijke gevecht van Sint-George met den Lumeçon wel niet
anders dan eene nog altijd voortlevende herinnering aan eene of andere
vertooning der confrerie van Sint-George, die gaandeweg van karakter
is veranderd en toch aan den geest der traditie getrouw gebleven.--Den
avond voor den grooten dag heeft men op de Grand' Place het terrein
afgebakend, waarop de drakendooder zijn heldendaad volvoeren zal. De
heilige wordt doorgaans voorgesteld door een of anderen vroolijken
onderofficier van het te Bergen in garnizoen liggende paardevolk,
die met de geheimen der rijkunst vertrouwd is, en die, het hoofd
gedekt met een gevederden helm en de borst omschanst met een kuras,
het monster den doodelijken slag moet toebrengen. Maar die overwinning
wordt niet zonder moeite en inspanning behaald: telkens en telkens,
met de logge beweging van een om zijn as draaienden toren, wendt en
keert zich de draak in den circus en tracht de vlugge bewegingen te
verijdelen van den dapperen ruiter, die tegelijk aanvallen en zich
verdedigen moet.
Verbeeld u een soort van monsterachtige padde met opgezwollen buik en
uitloopende in een langen en dunnen staart, met een huid die aan het
schubbig pantser van een krokodil herinnert, wiens geweldige kaken en
wiens reuzenkracht ook het eigendom waren van den befaamden draak. Ge
kunt u daarvan overtuigen, door op het stadhuis zijn kop te gaan zien,
die daar als eene relikwie bewaard wordt. Overigens doet niets u minder
aan een wild dier denken dan de verwonderlijke kop van het monster,
die met zijn groote oogen en zijn afhangende wangen eenigszins naar
een menschelijk aangezicht zweemt. Met dien goedhartigen draak zou de
worsteling inderdaad gevaar loopen een kinderachtig spiegelgevecht
te worden, want zijn omvang en zijne logheid maken hem bijzonder
weinig geschikt voor snelle en beslissende bewegingen; maar hij wordt
bijgestaan door een paar lummels met pluimmutsen op het hoofd, die
zijne traagheid op allerlei wijzen moeten aansporen, hetzij door zijn
staart dreigend in de hoogte te tillen, hetzij door hem in vollen ren
over het plein te laten hollen, achtervolgd door den schitterenden
Sint-George op zijn paard, die tegen altijd nieuwe gevaren schijnt
te strijden, telkens bedreigd door de lagen en listen van den zoo
goedigen en komischen demon.
Die beiden zijn overigens niet de eenige kampioenen in het heldendrama,
dat thans voor de oogen van het verrukte publiek wordt opgevoerd,
en dat in dien strijd tusschen een door den hemel uitverkoren heilige
en een door de hel uitgebraakte hydra, het eeuwige en onverklaarbare
dualisme ten tooneele voert, hetwelk de gansche wereld beheerscht en
in alle denkbare gestalten en vormen optreedt. Fabelachtige wezens,
zoo als de chins-chins--eene soort van centauren, half mensch,
half paard, met iets als het achterlijf van een paard, waaronder
slingerende, uitgerafelde broekspijpen te voorschijn komen,--hollen,
met onbesuisde sprongen, naast den heiligen ridder. En telkens als
de held gevaar loopt door den Doudou te worden verrast, snellen zij
toe, springende en steigerende, om hun meester te beveiligen en eene
afleiding te bezorgen.
Maar evenmin als de groote Sint-George, die door de chins-chins in dien
hardnekkigen kamp wordt geholpen en bijgestaan, is ook de helsche draak
aan zijne eigene krachten overgelaten; om de kansen gelijk te doen
staan, heeft Satan hem eene schaar toegevoegd van zwarte gehoornde
helpers, met stokken gewapend waaraan een blaas is vastgemaakt, en
op hun rug geteekend met dreigende duivelskoppen. En vermoedelijk
oordeelende dat zelfs deze hulpbende van duivels nog onmachtig zou
blijken tegenover den ridderlijken heldenmoed in dienst van eene
heilige zaak, heeft Satan daaraan nog andere strijders toegevoegd,
wier vreeselijk voorkomen wel geschikt zou zijn de chins-chins op
de vlucht te jagen, indien dezen niet bezield waren door dien moed,
die tegen alle listen des boozen bestand is. Die geduchte kampioenen
zijn de "wildemannen", van het hoofd tot de voeten met bladeren van
papier bekleed en met zware knodsen in de hand, die zij onophoudelijk
als molentjes in de rondte doen draaien.
Dat de duivelen van het gewicht hunner taak en het ernstige van
het oogenblik doordrongen zijn, blijkt uit de zenuwachtige drift,
waarmede zij slagen doen regenen op hoofd en schouders van de goede
en hulpvaardige chins-chins; terwijl de wildemannen hun geduchte
goedendags zwaaien en telkens fraaie, klassieke standen aannemen,
ten bewijze dat de goedkeuring en bewondering der omstanders hun niet
onverschillig is. Zonder tusschenpoozen woedt de strijd tusschen de
hemelsche en de helsche legioenen, en meer dan eenmaal schijnen de
eersten op het punt van te bezwijken; de dienaars van Satan, vlug,
handig, alom tegenwoordig, zijn onuitputtelijk in telkens nieuwe
listen en lagen; maar steeds weten de chins-chins en hun edele patroon,
de ridderlijke Sint-George, aan de strikken des vijands te ontkomen.
Eindelijk begint de strijdlust van den Doudou en van zijne helpers
merkelijk te verflauwen; naar de beschikking der eeuwige machten,
die de overwinning van den rechtvaardige en de nederlaag van den
booze willen, raken de krachten der duivelen langzamerhand uitgeput,
terwijl die der hemelsche heerscharen verdubbelen naarmate de
homerische kamp zijne ontknooping nadert. Vergeefs wendt en draait
en keert de draak zich met hoog opgeheven staart in alle richtingen;
de strijder Gods zweeft op zijn gevleugeld ros om hem heen en laat
hem geen rust: hij moet vallen, om aan den onverbiddelijken eisch
der eeuwige gerechtigheid te voldoen. Daar richt de heilige zich
op in de stijgbeugels; het druppelend zweet vloeit onder zijn helm
langs voorhoofd en wangen; met gevelde lans zoekt hij de kwetsbare
plek in het schubbig pantser, waar de doodelijke stoot kan worden
toegebracht. Wel is waar, vloeit er geen bloed: om de eenvoudige
reden, dat een bovenaardsch, geestelijk wezen als deze Doudou geen
bloed heeft; maar om dergelijke kleinigheden bekommert men zich
niet. Iedereen is vast overtuigd dat de Doudou metterdaad dood is:
en deze overtuiging weegt tegen iedere andere zekerheid op.
Met ingespannen aandacht en onverflauwde belangstelling heeft het
publiek de gansche voorstelling gevolgd, beurtelings geslingerd
tusschen vreezen en hopen, naarmate de krijgskans gunstiger scheen
voor de duivelen of voor de chins-chins; en wanneer nu eindelijk de
Doudou aan de voeten van Sint-George ligt neergeveld, klinkt daar
uit duizenden monden een triomfkreet, die de lucht doet trillen. De
muziekkorpsen, die onophoudelijk met het geroffel van de turksche
trom en het schetteren der trompetten, het wapengekletter en de doffe
slagen met de blazen hebben geaccompagneerd, verdubbelen nu hunne
pogingen en laten een triomfmarsch weerschallen, waarbij hooren
en zien vergaat. En als ware dit oorverdoovend rumoer nog niet
voldoende, om waardiglijk de nederlaag van den Lumeçon te vieren,
schieten de _pompiers_--op hunne manier ook deel genomen hebben aan den
strijd, door peletonsgewijze elkander te chargeeren en op elkaar te
schieten--nu allen te zamen hunne geweren af. Dan wordt Sint-George,
met de chins-chins, de duivels en de wildemannen, in statigen optocht
teruggeleid naar het Kasteel, van waar hij, eenige uren te voren,
op even plechtige wijze is uitgegaan.
Als nauwgezet historieschrijver had ik eigenlijk met dien uittocht
moeten beginnen, want die is de noodzakelijke inleiding, het voorspel
van de zeer vermaarde en onvergelijkelijke klucht, hoewel die
oneerbiedige naam kwalijk voegt aan de gedenkwaardige jaarlijksche
ontmoeting van Monseigneur Saint-Georges en zijn vijand, den draak
van Wasmes. Nauwelijks is de helm van den held zichtbaar, of met
luid gejubel begroet de schare den uitverkoren kampioen; dat gejuich
vergezelt hem op zijn tocht naar het aangewezen krijt, terwijl de
chins-chins door komische sprongen en allerlei bewegingen schijnen
te deelen in de glorie van hun heer; en het wanstaltig monster,
met moeite in evenwicht gehouden door twee van zijn kornaks,
zich in toorn heen en weer schudt en rondslaat met zijn staart,
die de saamgedrongen menigte doet terugwijken en hier en daar een
neus aanraakt of een hoed ter aarde werpt.--Op zeker oogenblik wordt
het schouwspel werkelijk schilderachtig, als, door eene dansende en
joelende menigte voorafgegaan en gevolgd, de schitterende maskerade
de rue des Clercs afdaalt, en voortgolvende langs de steile helling,
eene fantastische processie vormt, terwijl de helm en het borstkuras
van Sint-George vonken schieten en de bonte kleuren van de zonderling
toegetakelde schare schitteren in het zonlicht. Voorop gaan de
duivelen, draaiende en dansende en allerlei bokkesprongen makende;
dan volgen de chins-chins met manen en vederen en wuivende dekkleeden,
springend en steigerend; vlak achter hen waggelt de Doudou, als eene
groote boot, wiegelend op de golven dezer menschenzee; hoog boven de
hoofden der woelige menigte vertoont zich eindelijk de kloeke figuur
van den toekomstigen overwinnaar, trotsch op zijn krijgsros gezeten,
met rustige, vroolijke blikken om zich ziende, en in zijne vuist de
lans drillende, die den draak vellen zal. Uit aller monden klinkt
het oude populaire lied van den Doudou, dat, gevoegd bij de schelle
tonen der muziekkorpsen en hoog in de lucht geaccompagneerd door
het klokkenspel, dat de beroemde wijs door de ruimte doet schallen,
de gansche stad tot de verste wijken met een gerucht van feestvreugde
vervult, dat niet verflauwen zal zoolang de strijd duurt.
Kort voor de vertooning van den Doudou heeft eene andere, zuiver
godsdienstige plechtigheid plaats: de processie van Trinitatis, waarbij
de eerwaardige en gezegende relikwiën van Sinte-Waltrudis worden
rondgevoerd. Gezegend inderdaad, want, naar luid der overlevering,
had Mons, in 1349, aan de wonderkracht dezer heilige relikwiën
het ophouden te danken eener vreeselijke epidemie, die de stad
teisterde. Telken jare houdt de statige processie de herinnering aan
dit feit levendig. Dan verschijnt ook de beroemde gouden kar of wagen,
waarop de schitterende relikwiënschrijn is geplaatst. In doorzichtige
wierookwolken gehuld, nadert hij, de gouden wagen, langzaam en statig,
getrokken door twaalf witte paarden, omstuwd, voorafgegaan en gevolgd
door banieren en kruisen, door priesters in vol ornaat, door jonge
meisjes in witte kleeding, door de schittering van goud en borduursel
en purper en edelgesteenten. De wagen zelf gelijkt een hofrijtuig
uit de achttiende eeuw; hij heeft de gedaante van een wit verlakt en
verguld vaartuig, met bloemslingers versierd en met engelenbeeldjes,
die men bijna voor liefdegoodjes zou aanzien. Deze prachtige wagen is
echter maar een van de merkwaardigheden der schitterende processie,
waarbij de kathedraal al haar schatten ten toon spreidt en de naburige
kersspelen hunne rijk versierde Madonna's zenden, om aan den ommegang
deel te nemen. Als de onafzienbare stoet de Grand' Place betreedt, met
zijn tal van geestelijken in schitterend koorgewaad, met zijn prachtige
troonhemels, banieren en tabernakels, met zijn oogverblindende pracht
van goud, van edelgesteenten, van zijde en fluweel, dan is de aanblik
overweldigend en onvergetelijk; dan begrijpt men, dat het Katholicisme
nog in vollen nadruk eene macht is, niet enkel in het vlaamsche,
maar wel degelijk ook in het waalsche land.
Zulke feestdagen zijn echter natuurlijk uitzonderingen: nauwelijks
zijn de tonen der muziekkorpsen verstomd en zwijgt het gejuich,
of Mons keert weer terug tot den eentonigen sleur van het leven
in eene provinciestad. Maar hoe traag en loom de uren en dagen ook
verloopen in de ledigheid van het kleinsteedsche leven, toch weten de
inwoners van Bergen zich aan den noodlottigen invloed van dergelijke
omstandigheden te onttrekken en wakker te blijven. Hierbij komt hun
bovenal hunne opgewektheid van geest, hunne levendige fantasie,
en hunne onuitputtelijke vroolijkheid te stade. Vooral onder de
volksklasse komt deze eigenaardigheid sterk uit: bijna iedere buurt
heeft haar eigen grappenmaker of grappenmakers, die in de herbergen
steeds een kring van bewonderende toehoorders om zich weten te
vergaderen, en wier woorden en daden, wier anekdoten en avonturen, van
mond tot mond oververteld, de stof leveren voor eindelooze verhalen
en levendige gesprekken, vaak genoeg tintelend van echten, joligen,
zij het ook soms ruwen humor.
Mons is tegenwoordig eene mooie, aangename stad, die haar wandelingen,
haar parken, haar straten en huizen zeer goed onderhoudt; deze laatsten
zien er netjes en zindelijk uit, en hebben bijna zonder uitzondering
een zuiver modern voorkomen; oude aanzienlijke hotels zijn hier zeer
zeldzaam: zij zijn verdwenen, evenals, voor verreweg het meerendeel,
de oude aristokratie, die schitterende henegouwsche adel, wier roem
van ridderzin en heldenmoed eenmaal wijd en zijd weerklonk, en wier
schoone historische namen toch nog altijd een van de gloriën--en
voorzeker niet een van de minste--des lands zijn. Maar toch heeft Mons,
ondanks zijne herschepping in de laatste tijden, nog de herinnering
bewaard aan vroeger tijd, toen de diligence van Brussel naar Parijs in
de stille stad van paarden moest verwisselen. Wie zich van dat oude
Mons eene voorstelling wil maken, die verlate de moderne buurten,
hier volmaakt even eentonig en karakterloos als overal elders,
en richte zijne schreden naar de binnenstad, met haar smalle,
bochtige, kromme straten, die zich in zoo schilderachtige wanorde
dooreenslingeren, tegen een vrij steilen heuvel, waarop het Kasteel
troont, omhoog klauteren, en met haar ouderwetsche geveltjes en haar
bijna onmogelijk plaveisel van scherpe keien, die eer voor geiten
en muilezels geschikt schijnen, een beeld vertoonen van den ouden
tijd. Dit Kasteel--of liever die toren van het kasteel, die met de
hoofdkerk van Sinte-Waltrudis het hoogste punt van Mons beslaat,
is nog een van de weinige oude monumenten, die aan de hand der
sloopers ontkomen zijn. Toch is de ouderdom van dit monument maar zeer
betrekkelijk: het is niet meer dan twee eeuwen oud, en onder de vele
torens, die in het vlaamsche land hun spits ten hemel beuren, is de
Belfroot van Bergen ongetwijfeld de jongste. Van het oude eigenlijke
kasteel is niets meer over dan een brok muurs van een der voormalige
poorten. De toren onderscheidt zich ook door zijn bouwstijl van de
andere stedelijke wachttorens: toen hij na een brand herbouwd werd,
gaf de bouwmeester Ledoux aan het monument de tegenwoordige gedaante,
die eenigszins vreemd afsteekt bij zijne oorspronkelijke bestemming.
Ook het stadhuis heeft zijn vroeger voorkomen in die mate veranderd,
dat er eenige inspanning toe gevorderd wordt om zich het gebouw voor
te stellen zoo als het was in de vijftiende en zestiende eeuw, toen
het geheel paste in de omgeving der middeleeuwsche woningen, die de
Grand' Place omzoomden. Maar zoo het dak en het torentje, en vooral
het ergerlijke balkon, dat de oude pui vervangen heeft, slecht passen
bij de rijke en smaakvolle ornamentiek van de vijftiende-eeuwsche
architektuur, toch is het raadhuis nog een der sieraden van Mons en
maakt het eene niet onwaardige figuur naast de vele gemeentelijke
paleizen, die de oude stedelijke aristokratie in België voor zich
zelve bouwde.
Men verhaalt, dat, toen ten gevolge van onophoudelijke regens,
van hongersnood en pest het werk stilstond en de talrijke
arbeidersbevolking gebrek leed, de magistraat van Bergen, ten jare
1440, tot den bouw van een nieuw raadhuis besloot, ten einde op die
wijze aan de bevolking werk en brood te verschaffen. Is dit verhaal
overeenkomstig de waarheid, dan zou het stadhuis tevens een monument
zijn van den wijzen en voorzienigen zin der burgervaderen van Bergen.
Evenwel, de grootste schat van Mons is nog niet hier: beklim
de hellingen, die naar de kathedraal leiden, en wanneer gij uwe
wandeling om het koor met zijne veelhoekige kapellen hebt volbracht,
treed dan door den hoofdingang de statige kerk van Sinte-Waltrudis
(Sainte-Waudru) binnen. Reeds dikwijls genoeg hebben wij een dier
heerlijke kathedralen bezocht, waaraan België zoo rijk is, een
dier onovertroffen gewrochten van de verheven middeleeuwsche kunst,
die toch altijd weer een zoo machtigen, zoo overweldigenden indruk
maken op het gemoed. Waarin schuilt het geheim van die toovermacht,
waarmede deze oude kathedralen ons telkens en telkens weer aantrekken
en boeien? Zou het niet voor een goed deel hierin zijn, dat zij in
al hare deelen een volkomen harmonisch geheel zijn; wel te verstaan,
niet zoozeer uit een technisch, een architektonisch oogpunt, maar veel
meer, omdat uit het geheele gebouw en uit elk zijner deelen één zelfde
geest spreekt, omdat ééne grootsche gedachte, ééne verhevene, teedere,
heilige ziel het indrukwekkende monument doordringt; omdat wij,
door deze wondervolle kathedralen omdolende, ons als overgeplaatst
gevoelen in het leven en denken en gevoelen dier voorgeslachten,
wier gansche leven en streven daarom vooral zoo groot en schoon is,
omdat het zelf, door ééne heilige inspiratie gedragen, ook één geheel
was. En aangezien nu de mensch door niets meer aangetrokken pleegt
te worden, dan door hetgeen hij gevoelt te missen, is het alleszins
begrijpelijk en natuurlijk, dat deze indrukwekkende, heerlijke,
krachtvolle eenheid van het middeleeuwsche leven, waarin niettemin
voor de rijkste verscheidenheid plaats was, ons met weemoedig
heimwee vervult. In dien geest, in die stemming van eerbiedige,
stil weemoedige piëteit, willen wij ook eenige oogenblikken toeven
in de ernstige majestueuse, bijna strenge Sainte-Waudru van Mons,
waar het gemis eener rijke dekoratie van schilderijen en standbeelden
en allerlei andere kunstwerken, waardoor de vlaamsche kerken vaak
op museën gelijken, krachtig medewerkt tot dien machtigen indruk van
godsdienstige verheffing, van mystieke extase en ontvluchting aan al
het aardsche om op te stijgen tot de bronnen van het eeuwige leven der
ziel. Ook doet deze soberheid de grootsche lijnen der architektuur, in
haar strengen eenvoud, te beter uitkomen, en geeft te beter gelegenheid
om de eigenlijke gedachte te doorgronden van den kunstenaar, die
het edele monument schiep. Wie was die kunstenaar? Ook hier, als
bij zoo menig ander monument, moet de vraag onbeantwoord blijven:
deze oude kunstenaars bekommerden zich niet in de eerste plaats om
hunne eigene reputatie. Langen tijd heeft men de eer der schepping
van dit meesterstuk van majesteit en elegantie toegeschreven aan
Jean de Thuin en zijn zoon; maar latere onderzoekingen hebben aan
het licht gebracht dat Jean de Thuin slechts het werk van zijnen
onbekenden voorganger voortzette. Het doet er trouwens weinig toe,
of wij al den naam kennen van den grooten kunstenaar, in wiens brein
deze edele conceptie ontkiemde en rijpte: hij liet ons zijn werk en
daarmede het beste van wat in hem was achter: aan ons om te leeren
verstaan wat hij ons door deze schepping zeggen wil, aan ons om te
trachten, ons weder zooveel mogelijk te doordringen van dien geest,
te voeden met dat ideale geloof, dat hem en duizenden met hem tot het
verrichten hunner groote, de eeuwen trotseerende daden, het scheppen
hunner in meer dan een zin onsterfelijke werken in staat stelde.