VI

De reiziger die te Brussel aan het Zuiderstation in den spoortrein

is gestapt, ziet, als hij de boschen van Ghlin heeft verlaten, eene

door kanalen doorsneden vlakte zich voor zijne oogen ontrollen, en

aan den gezichteinder een toren, op eene hoogte gebouwd, benevens

de verwarde massa eener zee van daken, zich uitstrekkende naar

alle richtingen. Mons! roepen de conducteurs; en na het station

te zijn doorgegaan, ziet hij voor zich eene breede straat, die

weldra smaller wordt, en dan ombuigende en kronkelend, door vaak

mikroskopische trottoirs omzoomd, eindelijk uitloopt op een ruim

plein, waarop het stadhuis verrijst. Deze onregelmatige, smalle,

slecht geplaveide straat is toch de voornaamste der stad, waar de

meeste drukte en levendigheid heerscht. Hier vindt men de fraaiste

winkels en magazijnen, wier bontkleurige, opzichtige uitstallingen u

herinneren dat ge in eene provinciestad zijt. Op markt- en feestdagen

verdringen zich ook in deze straat de scharen van mannen en vrouwen

uit de Borinage, de sombere mijnwerkers, voor wie Mons als het ware de

hoofdstad is van dat donker schimmenrijk, waarin zij hun leven slijten.

Tweemaal in het jaar vooral stroomen zij, in dichte scharen naar

de stad, om daar pret te maken: ter gelegenheid van de jaarmarkt

van Sinte-Barbara en bij de kermis van Trinitatis. De jaarmarkt van

Sinte-Barbara, die veertien dagen duurt, is nog in den vollen zin

des woords een volksfeest, waaraan niet alleen de bevolking der stad,

maar ook de buitenlieden volop deel nemen. De kleine burgerij en de

dorpelingen wachten nog steeds op die gelegenheid om allerlei inkoopen

te doen aan de kramen, die waalsche, vlaamsche en fransche kooplui op

de Grand' Place hebben opgeslagen; en dat niettegenstaande te Mons,

als overal, de goedkoope winkels en "schellingsbazars," naar men zou

zeggen, de jaarmarkt overtollig en onmogelijk hebben gemaakt, door

zelven eene soort van altijddurende kermis te organiseeren. En toch:

telkens verschijnen ze weer, die zwervende kooplui, die nomaden van den

handel, die levende relikwiën van een anderen, lang vervlogen tijd;

telkens bouwen zij op het plein een klein en schilderachtig stadje

van huizen van zeildoek, planken en geschilderd papier, waar vlaggen,

bonte uitstallingen, schilderijen in schreeuwende kleuren, brommende

opschriften, verlokkende affiches medewerken om de voorbijgangers

te lokken, wier gemoed zoo zelden tegen deze bekoringen bestand

blijft. Kramen, tenten, spellen vormen eene dichte massa, waartusschen

slechts smalle paden zijn open gelaten voor de bezoekers, die elkander

daar dag aan dag verdringen.

Ik zal mij niet ophouden met eene beschrijving van deze kermis,

die zich alleen daardoor van de vele andere kermissen in het

vroolijke Belgenland onderscheidt, dat hier, vooral op de dagen als

de extra-treinen de drommen uit de Borinage naar de stad voeren, de

dolle uitgelatenheid alle grenzen en perken overschrijdt. Dan levert

de kermis, met name tegen den avond, een schouwspel op, waarvan het

maar beter is, niet in bijzonderheden te spreken. Het zij genoeg te

zeggen, dat geene fatsoenlijke vrouw zich dan op straat kan vertoonen.

Maar Mons heeft meer dan zijn kermissen: het heeft den Doudou;

en evenals Doornik, voor haar kinderen, de stad is van de "Choncq

Clochiers", zoo is Bergen--want laat ons nu ook maar den dietschen

naam noemen--de stad van den Doudou, die als de verpersoonlijking

mag gelden van haar historie, van haar roem en trots.

Tenzij men geloof wil hechten aan de legende van den befaamden draak

van Wasmes, die omstreeks 1133, door Gilles de Chin werd gedood, is het

zeer wonderbaarlijke gevecht van Sint-George met den Lumeçon wel niet

anders dan eene nog altijd voortlevende herinnering aan eene of andere

vertooning der confrerie van Sint-George, die gaandeweg van karakter

is veranderd en toch aan den geest der traditie getrouw gebleven.--Den

avond voor den grooten dag heeft men op de Grand' Place het terrein

afgebakend, waarop de drakendooder zijn heldendaad volvoeren zal. De

heilige wordt doorgaans voorgesteld door een of anderen vroolijken

onderofficier van het te Bergen in garnizoen liggende paardevolk,

die met de geheimen der rijkunst vertrouwd is, en die, het hoofd

gedekt met een gevederden helm en de borst omschanst met een kuras,

het monster den doodelijken slag moet toebrengen. Maar die overwinning

wordt niet zonder moeite en inspanning behaald: telkens en telkens,

met de logge beweging van een om zijn as draaienden toren, wendt en

keert zich de draak in den circus en tracht de vlugge bewegingen te

verijdelen van den dapperen ruiter, die tegelijk aanvallen en zich

verdedigen moet.

Verbeeld u een soort van monsterachtige padde met opgezwollen buik en

uitloopende in een langen en dunnen staart, met een huid die aan het

schubbig pantser van een krokodil herinnert, wiens geweldige kaken en

wiens reuzenkracht ook het eigendom waren van den befaamden draak. Ge

kunt u daarvan overtuigen, door op het stadhuis zijn kop te gaan zien,

die daar als eene relikwie bewaard wordt. Overigens doet niets u minder

aan een wild dier denken dan de verwonderlijke kop van het monster,

die met zijn groote oogen en zijn afhangende wangen eenigszins naar

een menschelijk aangezicht zweemt. Met dien goedhartigen draak zou de

worsteling inderdaad gevaar loopen een kinderachtig spiegelgevecht

te worden, want zijn omvang en zijne logheid maken hem bijzonder

weinig geschikt voor snelle en beslissende bewegingen; maar hij wordt

bijgestaan door een paar lummels met pluimmutsen op het hoofd, die

zijne traagheid op allerlei wijzen moeten aansporen, hetzij door zijn

staart dreigend in de hoogte te tillen, hetzij door hem in vollen ren

over het plein te laten hollen, achtervolgd door den schitterenden

Sint-George op zijn paard, die tegen altijd nieuwe gevaren schijnt

te strijden, telkens bedreigd door de lagen en listen van den zoo

goedigen en komischen demon.

Die beiden zijn overigens niet de eenige kampioenen in het heldendrama,

dat thans voor de oogen van het verrukte publiek wordt opgevoerd,

en dat in dien strijd tusschen een door den hemel uitverkoren heilige

en een door de hel uitgebraakte hydra, het eeuwige en onverklaarbare

dualisme ten tooneele voert, hetwelk de gansche wereld beheerscht en

in alle denkbare gestalten en vormen optreedt. Fabelachtige wezens,

zoo als de chins-chins--eene soort van centauren, half mensch,

half paard, met iets als het achterlijf van een paard, waaronder

slingerende, uitgerafelde broekspijpen te voorschijn komen,--hollen,

met onbesuisde sprongen, naast den heiligen ridder. En telkens als

de held gevaar loopt door den Doudou te worden verrast, snellen zij

toe, springende en steigerende, om hun meester te beveiligen en eene

afleiding te bezorgen.

Maar evenmin als de groote Sint-George, die door de chins-chins in dien

hardnekkigen kamp wordt geholpen en bijgestaan, is ook de helsche draak

aan zijne eigene krachten overgelaten; om de kansen gelijk te doen

staan, heeft Satan hem eene schaar toegevoegd van zwarte gehoornde

helpers, met stokken gewapend waaraan een blaas is vastgemaakt, en

op hun rug geteekend met dreigende duivelskoppen. En vermoedelijk

oordeelende dat zelfs deze hulpbende van duivels nog onmachtig zou

blijken tegenover den ridderlijken heldenmoed in dienst van eene

heilige zaak, heeft Satan daaraan nog andere strijders toegevoegd,

wier vreeselijk voorkomen wel geschikt zou zijn de chins-chins op

de vlucht te jagen, indien dezen niet bezield waren door dien moed,

die tegen alle listen des boozen bestand is. Die geduchte kampioenen

zijn de "wildemannen", van het hoofd tot de voeten met bladeren van

papier bekleed en met zware knodsen in de hand, die zij onophoudelijk

als molentjes in de rondte doen draaien.

Dat de duivelen van het gewicht hunner taak en het ernstige van

het oogenblik doordrongen zijn, blijkt uit de zenuwachtige drift,

waarmede zij slagen doen regenen op hoofd en schouders van de goede

en hulpvaardige chins-chins; terwijl de wildemannen hun geduchte

goedendags zwaaien en telkens fraaie, klassieke standen aannemen,

ten bewijze dat de goedkeuring en bewondering der omstanders hun niet

onverschillig is. Zonder tusschenpoozen woedt de strijd tusschen de

hemelsche en de helsche legioenen, en meer dan eenmaal schijnen de

eersten op het punt van te bezwijken; de dienaars van Satan, vlug,

handig, alom tegenwoordig, zijn onuitputtelijk in telkens nieuwe

listen en lagen; maar steeds weten de chins-chins en hun edele patroon,

de ridderlijke Sint-George, aan de strikken des vijands te ontkomen.

Eindelijk begint de strijdlust van den Doudou en van zijne helpers

merkelijk te verflauwen; naar de beschikking der eeuwige machten,

die de overwinning van den rechtvaardige en de nederlaag van den

booze willen, raken de krachten der duivelen langzamerhand uitgeput,

terwijl die der hemelsche heerscharen verdubbelen naarmate de

homerische kamp zijne ontknooping nadert. Vergeefs wendt en draait

en keert de draak zich met hoog opgeheven staart in alle richtingen;

de strijder Gods zweeft op zijn gevleugeld ros om hem heen en laat

hem geen rust: hij moet vallen, om aan den onverbiddelijken eisch

der eeuwige gerechtigheid te voldoen. Daar richt de heilige zich

op in de stijgbeugels; het druppelend zweet vloeit onder zijn helm

langs voorhoofd en wangen; met gevelde lans zoekt hij de kwetsbare

plek in het schubbig pantser, waar de doodelijke stoot kan worden

toegebracht. Wel is waar, vloeit er geen bloed: om de eenvoudige

reden, dat een bovenaardsch, geestelijk wezen als deze Doudou geen

bloed heeft; maar om dergelijke kleinigheden bekommert men zich

niet. Iedereen is vast overtuigd dat de Doudou metterdaad dood is:

en deze overtuiging weegt tegen iedere andere zekerheid op.

Met ingespannen aandacht en onverflauwde belangstelling heeft het

publiek de gansche voorstelling gevolgd, beurtelings geslingerd

tusschen vreezen en hopen, naarmate de krijgskans gunstiger scheen

voor de duivelen of voor de chins-chins; en wanneer nu eindelijk de

Doudou aan de voeten van Sint-George ligt neergeveld, klinkt daar

uit duizenden monden een triomfkreet, die de lucht doet trillen. De

muziekkorpsen, die onophoudelijk met het geroffel van de turksche

trom en het schetteren der trompetten, het wapengekletter en de doffe

slagen met de blazen hebben geaccompagneerd, verdubbelen nu hunne

pogingen en laten een triomfmarsch weerschallen, waarbij hooren

en zien vergaat. En als ware dit oorverdoovend rumoer nog niet

voldoende, om waardiglijk de nederlaag van den Lumeçon te vieren,

schieten de _pompiers_--op hunne manier ook deel genomen hebben aan den

strijd, door peletonsgewijze elkander te chargeeren en op elkaar te

schieten--nu allen te zamen hunne geweren af. Dan wordt Sint-George,

met de chins-chins, de duivels en de wildemannen, in statigen optocht

teruggeleid naar het Kasteel, van waar hij, eenige uren te voren,

op even plechtige wijze is uitgegaan.

Als nauwgezet historieschrijver had ik eigenlijk met dien uittocht

moeten beginnen, want die is de noodzakelijke inleiding, het voorspel

van de zeer vermaarde en onvergelijkelijke klucht, hoewel die

oneerbiedige naam kwalijk voegt aan de gedenkwaardige jaarlijksche

ontmoeting van Monseigneur Saint-Georges en zijn vijand, den draak

van Wasmes. Nauwelijks is de helm van den held zichtbaar, of met

luid gejubel begroet de schare den uitverkoren kampioen; dat gejuich

vergezelt hem op zijn tocht naar het aangewezen krijt, terwijl de

chins-chins door komische sprongen en allerlei bewegingen schijnen

te deelen in de glorie van hun heer; en het wanstaltig monster,

met moeite in evenwicht gehouden door twee van zijn kornaks,

zich in toorn heen en weer schudt en rondslaat met zijn staart,

die de saamgedrongen menigte doet terugwijken en hier en daar een

neus aanraakt of een hoed ter aarde werpt.--Op zeker oogenblik wordt

het schouwspel werkelijk schilderachtig, als, door eene dansende en

joelende menigte voorafgegaan en gevolgd, de schitterende maskerade

de rue des Clercs afdaalt, en voortgolvende langs de steile helling,

eene fantastische processie vormt, terwijl de helm en het borstkuras

van Sint-George vonken schieten en de bonte kleuren van de zonderling

toegetakelde schare schitteren in het zonlicht. Voorop gaan de

duivelen, draaiende en dansende en allerlei bokkesprongen makende;

dan volgen de chins-chins met manen en vederen en wuivende dekkleeden,

springend en steigerend; vlak achter hen waggelt de Doudou, als eene

groote boot, wiegelend op de golven dezer menschenzee; hoog boven de

hoofden der woelige menigte vertoont zich eindelijk de kloeke figuur

van den toekomstigen overwinnaar, trotsch op zijn krijgsros gezeten,

met rustige, vroolijke blikken om zich ziende, en in zijne vuist de

lans drillende, die den draak vellen zal. Uit aller monden klinkt

het oude populaire lied van den Doudou, dat, gevoegd bij de schelle

tonen der muziekkorpsen en hoog in de lucht geaccompagneerd door

het klokkenspel, dat de beroemde wijs door de ruimte doet schallen,

de gansche stad tot de verste wijken met een gerucht van feestvreugde

vervult, dat niet verflauwen zal zoolang de strijd duurt.

Kort voor de vertooning van den Doudou heeft eene andere, zuiver

godsdienstige plechtigheid plaats: de processie van Trinitatis, waarbij

de eerwaardige en gezegende relikwiën van Sinte-Waltrudis worden

rondgevoerd. Gezegend inderdaad, want, naar luid der overlevering,

had Mons, in 1349, aan de wonderkracht dezer heilige relikwiën

het ophouden te danken eener vreeselijke epidemie, die de stad

teisterde. Telken jare houdt de statige processie de herinnering aan

dit feit levendig. Dan verschijnt ook de beroemde gouden kar of wagen,

waarop de schitterende relikwiënschrijn is geplaatst. In doorzichtige

wierookwolken gehuld, nadert hij, de gouden wagen, langzaam en statig,

getrokken door twaalf witte paarden, omstuwd, voorafgegaan en gevolgd

door banieren en kruisen, door priesters in vol ornaat, door jonge

meisjes in witte kleeding, door de schittering van goud en borduursel

en purper en edelgesteenten. De wagen zelf gelijkt een hofrijtuig

uit de achttiende eeuw; hij heeft de gedaante van een wit verlakt en

verguld vaartuig, met bloemslingers versierd en met engelenbeeldjes,

die men bijna voor liefdegoodjes zou aanzien. Deze prachtige wagen is

echter maar een van de merkwaardigheden der schitterende processie,

waarbij de kathedraal al haar schatten ten toon spreidt en de naburige

kersspelen hunne rijk versierde Madonna's zenden, om aan den ommegang

deel te nemen. Als de onafzienbare stoet de Grand' Place betreedt, met

zijn tal van geestelijken in schitterend koorgewaad, met zijn prachtige

troonhemels, banieren en tabernakels, met zijn oogverblindende pracht

van goud, van edelgesteenten, van zijde en fluweel, dan is de aanblik

overweldigend en onvergetelijk; dan begrijpt men, dat het Katholicisme

nog in vollen nadruk eene macht is, niet enkel in het vlaamsche,

maar wel degelijk ook in het waalsche land.

Zulke feestdagen zijn echter natuurlijk uitzonderingen: nauwelijks

zijn de tonen der muziekkorpsen verstomd en zwijgt het gejuich,

of Mons keert weer terug tot den eentonigen sleur van het leven

in eene provinciestad. Maar hoe traag en loom de uren en dagen ook

verloopen in de ledigheid van het kleinsteedsche leven, toch weten de

inwoners van Bergen zich aan den noodlottigen invloed van dergelijke

omstandigheden te onttrekken en wakker te blijven. Hierbij komt hun

bovenal hunne opgewektheid van geest, hunne levendige fantasie,

en hunne onuitputtelijke vroolijkheid te stade. Vooral onder de

volksklasse komt deze eigenaardigheid sterk uit: bijna iedere buurt

heeft haar eigen grappenmaker of grappenmakers, die in de herbergen

steeds een kring van bewonderende toehoorders om zich weten te

vergaderen, en wier woorden en daden, wier anekdoten en avonturen, van

mond tot mond oververteld, de stof leveren voor eindelooze verhalen

en levendige gesprekken, vaak genoeg tintelend van echten, joligen,

zij het ook soms ruwen humor.

Mons is tegenwoordig eene mooie, aangename stad, die haar wandelingen,

haar parken, haar straten en huizen zeer goed onderhoudt; deze laatsten

zien er netjes en zindelijk uit, en hebben bijna zonder uitzondering

een zuiver modern voorkomen; oude aanzienlijke hotels zijn hier zeer

zeldzaam: zij zijn verdwenen, evenals, voor verreweg het meerendeel,

de oude aristokratie, die schitterende henegouwsche adel, wier roem

van ridderzin en heldenmoed eenmaal wijd en zijd weerklonk, en wier

schoone historische namen toch nog altijd een van de gloriën--en

voorzeker niet een van de minste--des lands zijn. Maar toch heeft Mons,

ondanks zijne herschepping in de laatste tijden, nog de herinnering

bewaard aan vroeger tijd, toen de diligence van Brussel naar Parijs in

de stille stad van paarden moest verwisselen. Wie zich van dat oude

Mons eene voorstelling wil maken, die verlate de moderne buurten,

hier volmaakt even eentonig en karakterloos als overal elders,

en richte zijne schreden naar de binnenstad, met haar smalle,

bochtige, kromme straten, die zich in zoo schilderachtige wanorde

dooreenslingeren, tegen een vrij steilen heuvel, waarop het Kasteel

troont, omhoog klauteren, en met haar ouderwetsche geveltjes en haar

bijna onmogelijk plaveisel van scherpe keien, die eer voor geiten

en muilezels geschikt schijnen, een beeld vertoonen van den ouden

tijd. Dit Kasteel--of liever die toren van het kasteel, die met de

hoofdkerk van Sinte-Waltrudis het hoogste punt van Mons beslaat,

is nog een van de weinige oude monumenten, die aan de hand der

sloopers ontkomen zijn. Toch is de ouderdom van dit monument maar zeer

betrekkelijk: het is niet meer dan twee eeuwen oud, en onder de vele

torens, die in het vlaamsche land hun spits ten hemel beuren, is de

Belfroot van Bergen ongetwijfeld de jongste. Van het oude eigenlijke

kasteel is niets meer over dan een brok muurs van een der voormalige

poorten. De toren onderscheidt zich ook door zijn bouwstijl van de

andere stedelijke wachttorens: toen hij na een brand herbouwd werd,

gaf de bouwmeester Ledoux aan het monument de tegenwoordige gedaante,

die eenigszins vreemd afsteekt bij zijne oorspronkelijke bestemming.

Ook het stadhuis heeft zijn vroeger voorkomen in die mate veranderd,

dat er eenige inspanning toe gevorderd wordt om zich het gebouw voor

te stellen zoo als het was in de vijftiende en zestiende eeuw, toen

het geheel paste in de omgeving der middeleeuwsche woningen, die de

Grand' Place omzoomden. Maar zoo het dak en het torentje, en vooral

het ergerlijke balkon, dat de oude pui vervangen heeft, slecht passen

bij de rijke en smaakvolle ornamentiek van de vijftiende-eeuwsche

architektuur, toch is het raadhuis nog een der sieraden van Mons en

maakt het eene niet onwaardige figuur naast de vele gemeentelijke

paleizen, die de oude stedelijke aristokratie in België voor zich

zelve bouwde.

Men verhaalt, dat, toen ten gevolge van onophoudelijke regens,

van hongersnood en pest het werk stilstond en de talrijke

arbeidersbevolking gebrek leed, de magistraat van Bergen, ten jare

1440, tot den bouw van een nieuw raadhuis besloot, ten einde op die

wijze aan de bevolking werk en brood te verschaffen. Is dit verhaal

overeenkomstig de waarheid, dan zou het stadhuis tevens een monument

zijn van den wijzen en voorzienigen zin der burgervaderen van Bergen.

Evenwel, de grootste schat van Mons is nog niet hier: beklim

de hellingen, die naar de kathedraal leiden, en wanneer gij uwe

wandeling om het koor met zijne veelhoekige kapellen hebt volbracht,

treed dan door den hoofdingang de statige kerk van Sinte-Waltrudis

(Sainte-Waudru) binnen. Reeds dikwijls genoeg hebben wij een dier

heerlijke kathedralen bezocht, waaraan België zoo rijk is, een

dier onovertroffen gewrochten van de verheven middeleeuwsche kunst,

die toch altijd weer een zoo machtigen, zoo overweldigenden indruk

maken op het gemoed. Waarin schuilt het geheim van die toovermacht,

waarmede deze oude kathedralen ons telkens en telkens weer aantrekken

en boeien? Zou het niet voor een goed deel hierin zijn, dat zij in

al hare deelen een volkomen harmonisch geheel zijn; wel te verstaan,

niet zoozeer uit een technisch, een architektonisch oogpunt, maar veel

meer, omdat uit het geheele gebouw en uit elk zijner deelen één zelfde

geest spreekt, omdat ééne grootsche gedachte, ééne verhevene, teedere,

heilige ziel het indrukwekkende monument doordringt; omdat wij,

door deze wondervolle kathedralen omdolende, ons als overgeplaatst

gevoelen in het leven en denken en gevoelen dier voorgeslachten,

wier gansche leven en streven daarom vooral zoo groot en schoon is,

omdat het zelf, door ééne heilige inspiratie gedragen, ook één geheel

was. En aangezien nu de mensch door niets meer aangetrokken pleegt

te worden, dan door hetgeen hij gevoelt te missen, is het alleszins

begrijpelijk en natuurlijk, dat deze indrukwekkende, heerlijke,

krachtvolle eenheid van het middeleeuwsche leven, waarin niettemin

voor de rijkste verscheidenheid plaats was, ons met weemoedig

heimwee vervult. In dien geest, in die stemming van eerbiedige,

stil weemoedige piëteit, willen wij ook eenige oogenblikken toeven

in de ernstige majestueuse, bijna strenge Sainte-Waudru van Mons,

waar het gemis eener rijke dekoratie van schilderijen en standbeelden

en allerlei andere kunstwerken, waardoor de vlaamsche kerken vaak

op museën gelijken, krachtig medewerkt tot dien machtigen indruk van

godsdienstige verheffing, van mystieke extase en ontvluchting aan al

het aardsche om op te stijgen tot de bronnen van het eeuwige leven der

ziel. Ook doet deze soberheid de grootsche lijnen der architektuur, in

haar strengen eenvoud, te beter uitkomen, en geeft te beter gelegenheid

om de eigenlijke gedachte te doorgronden van den kunstenaar, die

het edele monument schiep. Wie was die kunstenaar? Ook hier, als

bij zoo menig ander monument, moet de vraag onbeantwoord blijven:

deze oude kunstenaars bekommerden zich niet in de eerste plaats om

hunne eigene reputatie. Langen tijd heeft men de eer der schepping

van dit meesterstuk van majesteit en elegantie toegeschreven aan

Jean de Thuin en zijn zoon; maar latere onderzoekingen hebben aan

het licht gebracht dat Jean de Thuin slechts het werk van zijnen

onbekenden voorganger voortzette. Het doet er trouwens weinig toe,

of wij al den naam kennen van den grooten kunstenaar, in wiens brein

deze edele conceptie ontkiemde en rijpte: hij liet ons zijn werk en

daarmede het beste van wat in hem was achter: aan ons om te leeren

verstaan wat hij ons door deze schepping zeggen wil, aan ons om te

trachten, ons weder zooveel mogelijk te doordringen van dien geest,

te voeden met dat ideale geloof, dat hem en duizenden met hem tot het

verrichten hunner groote, de eeuwen trotseerende daden, het scheppen

hunner in meer dan een zin onsterfelijke werken in staat stelde.

Wandelingen door België De Aarde en haar Volken, 1886(#15403) · 第 7 / 16 题