IV

De verwonderlijke scheppingen der hedendaagsche wetenschap, de alles

verdringende werkzaamheid der industrie, ze mogen ons niet verhinderen

een blik te werpen op het verleden van het land, waarop de nieuwere

tijd zoo machtig zijn stempel heeft gedrukt, maar waar de sporen en

herinneringen van vroeger eeuw gelukkig toch nog niet geheel zijn

uitgewischt. Trouwens, eene ontwikkeling als waarvan wij getuigen

waren, is alleen mogelijk op een grond, sedert lang door menschen

bewerkt en door hun zweet gedrenkt: en de bodem van Henegouwen heeft

heugenis van tijden, nog ouder dan de oudste historische herinneringen.

In de Borinage heeft zich tot op onze dagen een type bewaard,

wezenlijk verschillende van dien in het overige deel der provincie,

en die door den gelaatsvorm en de breede vierkante schouders

eenigszins herinnert aan de soldaten der romeinsche legioenen,

die in deze streken de pionniers waren der beschaving. Op de plek,

waar thans Bergen, de hoofdstad der provincie, is gelegen, bevond

zich weleer een van die talrijke versterkte legerplaatsen, zooals

de soldaten van Caesar overal in het veroverde land aanlegden. Zoo

vlecht de oude traditie een band tusschen de moderne cyclopen, die in

de mijnen en smelterijen arbeiden, en de bouwers van waterleidingen en

militaire heirbanen, wier werk, de eeuwen tartende, nog bijna overal

in Henegouwen in stand is gebleven. Maar hoe eerbiedwaardig ook,

deze traditie zelve rust op de overblijfselen eener nog veel oudere

traditie, die langen tijd in den schoot der aarde verborgen bleef,

als het geheim van een verdwenen geslacht, dat bij zijn verdwijnen

van de aarde iedere herinnering aan zijn bestaan mede had willen

nemen in het graf der eeuwige vergetelheid, waarin voor en na alle

geslachten der menschen verdwijnen.

Toen de mijnwerkers, die onophoudelijk op hun ontdekkingstocht in

de duistere diepte het eeuwenen eeuwenoude graf schenden, waarin de

versteende overblijfselen slapen van de geheimzinnige reusachtige

wouden der voorwereld,--van welker omvang men zich eenigszins een

flauw denkbeeld zal kunnen vormen, als men bedenkt dat de dikte van

de steenkolenlaag in het bekken van Bergen veertig meters bedraagt,

en dat, volgens nauwkeurige berekening, onze dichtste wouden na

verloop van eene eeuw niets meer zouden opleveren dan een enkele

schop kool van acht millimeters dikte!--toen de mijnwerkers de

eerste bladzijden aan het licht brachten van het geheimzinnige boek,

waarop de hand der natuur zelve de geschiedenis der aarde heeft

geschreven, en men daarop de gewijde teekens begon te ontcijferen,

toen kwam het wel bij niemand op, dat het immer mogelijk zou zijn,

op deze diepte onder de bewoonde aarde sporen te vinden van den

mensch.--En toch, naarmate men met meer ijver en nauwgezetheid deze

relikwieën bestudeerde eener oorspronkelijke wereld, ontdekte men

in de diep bedolven lagen, die eenmaal, in de verre schemering der

eeuwenreeksen, de bovenkorst der aarde hadden gevormd, de sporen

van een menschelijken voetstap. En die sporen volgende, kwam men

langzamerhand tot de ontdekking van menschelijke woonplaatsen,

afkomstig uit een tijd, waaraan iedere andere herinnering reeds bij

den aanvang van hetgeen wij het historische tijdperk noemen, verloren

was. In de provincie Namen vond men voor het eerst het geheimzinnig

spoor van den voorhistorischen mensch. Op het zware gordijn, waarachter

zich voor ons het verleden verbergt, vertoonden zich eensklaps de

geheimzinnige omtrekken van een volk van schimmen, in wie het toch

onmogelijk was de menschelijke gedaante niet te herkennen; van wezens,

die hoe laag zij naar onze schatting ook mogen staan, toch met ons

dezelfde menschelijke natuur gemeen hadden, even als wij aan de wet

van lijden en smart waren onderworpen, en wier lot, als het onze,

buiten hun toedoen geregeld werd door die eeuwige machten, tegenover

wie wij even weerloos staan als zij. Pompeji, eeuwen lang onder de

asch bedolven, herrees op zekeren dag uit haar graf, en toonde ons

een menschengeslacht, te midden van de werkzaamheid en genietingen

des levens plotseling in den dood gestort. Zoo vond men in de grotten

en spelonken van de Lesse en de Hermeton, onder de asch der tijden en

der geslachten, de sporen van eene primitieve wereld, aan welke het

denkbeeld van maatschappelijk leven nog vreemd schijnt te zijn geweest.

In Henegouwen kan het nieuwsgierig onderzoek niet zoo ver terug

gaan. Op het punt, waarop hier de geodesische waarnemingen en

ontdekkingen ons gebracht hebben, vindt men reeds een begin van

beschaving en ontwikkeling; in den strijd om het bestaan--die van

den aanvang af gepaard ging met moord en bloedstorting--in dien

bitteren strijd bediende deze primitieve maatschappij zich van de

wapenen, die haar de aarde zelve verschafte. De eerste arbeid van den

mensch, liever de eerste kunstindustrie--begin en oorsprong van alle

anderen--is gericht op de vervaardiging van doodelijke wapenen, die

hij in de eerste plaats keert tegen het gedierte, dat hem het leven

betwist en dat hij zich tot voedsel neemt, en vervolgens ook tegen

zijn medemensen. Gedreven door de harde noodzakelijkheid om in zijn

levensonderhoud te voorzien, scheurt hij den moederschoot der aarde

open, die hem tot dusverre met haar planten en wortels gevoed heeft,

maar zijne wassende begeerlijkheid niet meer bevredigen kan. Te

Spiennes, niet ver van Bergen, heeft men, diep onder den grond,

een aantal steenen voorwerpen en gereedschappen gevonden, buiten

eenigen twijfel door de hand der menschen bewerkt. Tusschen Dour en

Bergen, midden in het centrum der moderne industrie, heeft men zeven

putten ontdekt, die blijkbaar gediend hadden voor de exploitatie

van vuursteen. Bestond toen reeds in deze streken een brandpunt

van industrie?

In later eeuw, toen het geslacht dezer alleroudste bewoners sinds

lang was ondergegaan, kwamen de romeinsche legioenen, die het oude

Gallië hadden overstroomd, ook in deze landstreek, waar zij de kiemen

zaaiden eener beschaving en ontwikkeling met zoo forsche en taaie

levenskracht begaafd, dat nog heden het geheele land vol is van de

teekenen en herinneringen aan de werkzaamheid dier machtige kolonisten.

Sedert 1829, toen opgravingen te Montigny-sur-Sambre overblijfselen

eener waterleiding aan het licht brachten, heeft men op tal van

plaatsen genoeg sporen van den arbeid der Romeinen gevonden, om zich

eenigermate eene voorstelling te kunnen vormen van den toestand dezer

streek tijdens de heerschappij der onsterfelijke wereldstad. Zeker

moet men hier geen monumenten verwachten als in het land van Trier;

deze bodem, waarin sinds eeuwen onophoudelijk werd gegraven en gewroet

ter opsporing van metalen, eigende zich slecht voor de schepping en

vooral de instandhouding van schoone kunstgewrochten; maar hetgeen men,

onder de eeuwenheugende laag van asch en sintels en slakken gevonden

heeft, hoe misvormd en geschonden ook, toont ons toch duidelijk,

hoe ook hier het zoo verwonderlijke organiseerende en scheppende

genie van Rome werkzaam is geweest om dat ruwe land van rotsen en

ondoordringbare wouden te herscheppen en te ontginnen, ongeveer

op dezelfde wijze als Caesar de ruwe natuur der Nerviërs bedwong

en beschaafde, die bij zijne verschijning de streek bewoonden. Op

verschillende plaatsen vond men graven en werden geheele nekropolen

bloot gelegd. Te Presles--waar, naar de vrij algemeen aangenomen

meening, de gedenkwaardige, zoo moorddadige veldslag geleverd werd,

waarbij zestigduizend Nerviërs aan de legioenen van Caesar de zege

betwistten,--vond men veertig gallo-romeinsche grafsteden. Te Aiseau

ontdekte men een geheel kerkhof. Te Marcinelle ziet men reeds op

vrij grooten afstand eene groote tombe, waar boven een boom oprijst:

ook deze tombe is van romeinschen oorsprong. Te Gerpinnes brachten

de opgravingen eene villa aan het licht, bestaande uit drie gebouwen

met eene onderaardsche kamer, vermoedelijk een lararium, waarheen

een trap van eenige treden toegang gaf, en die, te oordeelen naar

de kruisen tusschen de nissen, later voor de christelijke eeredienst

moet zijn gebruikt.

Deze verre herinneringen zijn echter niet de eenigen, die bij eene

wandeling door het henegouwsche land worden opgewekt.

Henegouwen was van ouds de zetel van een machtigen en schitterenden

adel, waaronder vele geslachten, wier namen door de historie met

onsterfelijken roem zijn gekroond. Welke schromelijke verwoestingen de

moderne industrie ook hebbe aangericht, zij heeft niet overal de sporen

kunnen uitwisschen van de machtige feodaliteit, die haar forschen

stempel op het land drukte en overal hare burchten oprichtte. Nog vindt

ge in dit gewest menig vorstelijk park, menigen ouden feodalen burcht,

menig historisch kasteel: fiere, hooge huizingen, bij wier aanblik ge

het rusteloos rumoer, de razende drijfjacht van het moderne leven, den

woedenden strijd der industrie vergeet: zij doen u denken aan de kalme,

statige, half-koninklijke levenswijze dier hoog-adellijke geslachten,

die niet noodig hadden, in halsbrekenden wedstrijd, te zwoegen en te

draven om eene positie in de maatschappij, welke hun van zelve toekwam,

om het goud, dat van zelf naar hunne paleizen vloeide.

Ginds, in een uithoek der provincie, schuilt, half in de uitgestrekte

bosschen van zijn prachtig park verloren, het in gothischen stijl

gerestaureerde kasteel van Chimay, waaraan zich nog de herinnering

hecht van madame Tallien, die de hand wist te verwerven van een

prins van Chimay.--Elders Enghien, het eenmaal zoo prachtige kasteel,

waar Voltaire toefde en waar een hertog van Arenberg, naar de mode

van de achttiende eeuw dwepende met Jean-Jaeques Rousseau, een soort

van kluis,--maar eene kluis met vijftien à twintig kamers en het

overige naar evenredigheid--liet bouwen. De aloude hooge heerlijkheid

van Enghien was in vroeger tijd het eigendom der Luxemburgs en der

Bourbons, en behoort tegenwoordig aan de familie van Arenberg. Het

kasteel met het park werden door de fransche republikeinen verwoest

en sedert niet meer hersteld. Slechts enkele gebouwen zijn nog hier

en daar overgebleven; en het park, waarin nog de echo's schijnen

om te zweven van vorstelijke jachtpartijen en schitterende feesten,

keert langzamerhand tot den toestand van een natuurwoud terug, zoo als

het was voor vijf eeuwen, toen Pieter van Luxemburg dit uitgestrekte

terrein met een muur liet omgeven. Van het oude kasteel is niet veel

meer over dan de voormalige kapel, die nu geheel op zich zelve in

een weiland staat. Hoe schilderachtig is haar aanblik, nu de natuur

haar groenen mantel van klimop en kamperfoelie om de oude muren heeft

gedrapeerd. Treedt haar binnen, door de gebeeldhouwde eiken deur, en

werpt een blik op die rijke versiering, die beeld- en schilderwerken

langs alle muren; op het altaar met zijne oude schilderijen in

den trant der eerste duitsche meesters; op het uit hout gesneden en

geschilderde altaarblad; op dit zonderling aangrijpend geheel, waaruit

een geur van oudheid en eerwaardigheid, van rust en kalmte u tegenkomt.

Sommigen van deze adellijke huizingen schijnen welhaast in diepen

sluimer verzonken, wegschuilende in de schaduw hunner eeuwenheugende

wouden, en, even als het betooverde paleis der Schoone Slaapster,

wachtende op de herleving van haar blijde, schitterende, glorierijke

jeugd. De portretten der voorouders, in de statige vertrekken,

in de breede gangen en portalen opgehangen, schijnen weemoedig

neer te zien op de eenzaamheid en verlatenheid van het heden, zoo

treurig afstekende bij de beweging en de vroolijke drukte eener

schier vorstelijke hofhouding, waarvan die voorouders in hun tijd

het middelpunt en het sieraad waren. Anderen daarentegen hebben nog

iets overgehouden van het dreigend, krijgshaftig voorkomen der oude

feodale burchten. Zoo, bij voorbeeld, het aan den prins van Ligne

behoorende kasteel van Antoing, dat zijn zonderlingen toren zoo fier

en schilderachtig opheft, omgeven door den wijden muur, waarvan het

zware metselwerk, voor zoo ver het nog in stand werd gelaten, schijnt

te getuigen van de aanvallen en bestormingen, die de trotsche burcht

had te doorstaan. Binnen de wallen van dit kasteel werd in 1565 een

prachtig tournooi gegeven, ter gelegenheid van het huwelijk van de

dochter van den prins van Epinoy met den baron van Montigny. De bloem

van den nederlandschen adel was bij dat feest tegenwoordig: onder

anderen de graven van Egmond en Hoorne en de prins van Oranje. Drie

jaren later werden de beide eersten op de markt te Brussel onthoofd;

de bruidegom zelf, Montigny, eindigde zijn leven onder beulshanden

in den kerker te Simancas; de prins van Oranje viel door het moordend

lood van Balthazar Gerards.

Wie den naam van den prins van Ligne noemt, mag Beloeil niet vergeten,

de vorstelijke residentie van dit vorstelijk geslacht: Beloeil,

met zijn door Delille bezongen prachtige tuinen, de schepping van

niemand minder dan Le Nôtre. Men heeft, en niet geheel zonder grond,

tallooze malen den draak gestoken met dezen architekt der parken,

met zijne symmetrische lanen, perken en heggen, met zijne smakelooze

en kinderachtige misvorming der natuur. Maar wie over dezen stijl

van tuinaanleg een billijk oordeel vellen wil, moet een park als

dat van Beloeil hebben gezien, met zijne breede allée van een mijl

lengte en zijn vijver van zes bunders, met zijn priëelen, zijn heggen

en fonteinen en kunstwerken: alles even grootsch, even breed van

opvatting, even vorstelijk van uitvoering. Want in gewone tuinen,

op kleine schaal, inderdaad den indruk maakt van kinderachtigheid en

suffenden wansmaak, dat verkrijgt hier een geheel ander karakter. Hier

gevoelt ge het, dat eene machtige kunstenaarshand haar stempel op de

natuur heeft gedrukt, het gansche landschap vervormd en gemaakt tot

eene grootsche dekoratie, tot de levende uitdrukking, het tastbaar

beeld van dat architektonisch ideaal, dat den kunstenaar voor den

geest zweefde. Van zulk een park was het vorstelijk kasteel het

middelpunt: de lanen met haar geschoren heggen waren de voortzetting

van de gangen en galerijen van het kasteel; de rijk versierde salons

vonden hun wedergade in de kunstige berceaux en priëelen met hun

marmerbeelden en vazen; geheel de aanleg leende zich uitstekend tot

de volle ontplooiing dier rijke, statige pracht van de koninklijke

en vorstelijke hofhoudingen uit de zeventiende en de achttiende

eeuw.--Aan dien ouden tuin van Le Nôtre, dien de prinsen van Ligne

den goeden smaak hebben gehad te bewaren, grenst de moderne aanleg,

het zoogenoemde engelsche park, in zijn soort niet minder fraai,

niet minder rijk aan schoone partijen en verrukkelijke gezichten.

Het inderdaad vorstelijke kasteel is een museum, niet alleen van

kunstwerken, maar ook van zoogenoemde curiositeiten, waaronder

voorwerpen van hooge historische waarde. Wij kunnen zelfs niet

beproeven eenig denkbeeld te geven van dien schat, door de opvolgende

geslachten hier bijeen gebracht en die alle zalen en vertrekken van

het kasteel vult. Onder do schilderijen vindt men er van Rubens,

Van Dijck, Dürer, Holbein, Velasquez, Caravaggio, Van Eyck, Cranach

en andere beroemde meesters.--Tot de merkwaardigheden van Beloeil

behooren vooral ook die twee afgelegen vertrekjes, die de bekende

veldmaarschalk, prins van Ligne, als krijgsman en diplomaat beroemd,

maar bovenal als de geestige, galante, fijn beschaafde held der hoven

van Versailles, Weenen en Petersburg, die volmaakte type van den

grand seigneur uit het laatst der achttiende eeuw--dus ook filosoof

op zijne manier--bewoonde, en waar hij die Mémoires te boek stelde,

waarin hij met een fijnen, sceptischen glimlach den ondergang eener

wereld beschrijft.

Daar is in waarheid iets eerwaardigs, iets gewijds, in zulk eene

bezitting, van eeuw tot eeuw in dezelfde familie verblijvende, van

geslacht tot geslacht van vader op zoon overgaande, en aldus als

het ware het zichtbaar teeken, het tastbaar symbool wordende van de

eenheid, den roem, de glorie der familie, wier naam en wier leven

als onafscheidelijk met dit domein verbonden is. Welk een schat

van herinneringen bewaart dit eerwaardig kasteel, bewaart iedere

kamer in het vorstelijk slot, ieder plekje in het wijde park. Het

tegenwoordige geslacht hecht niet veel waarde aan de eigenaardige

eigenschappen van geest en gemoed, van denkwijze en karakter, van

de geheele persoonlijkheid, die door dit erfelijk bezit van rang en

aanzien en macht, van eene vaste, door allen erkende hooge positie,

gaandeweg worden gevormd en ontwikkeld en ten slotte haast niet minder

een erfelijk bezit zijn dan de voorvaderlijke grond; het tegenwoordige

geslacht hecht daar niet veel aan, ja, ziet daar laag op neer en wijst

het liefst op de schaduwzijden van dit aristokratisch karakter; maar

of deze geringschatting, deze vijandige minachting geene noodlottige

dwaling is, die schromelijke gevolgen na zich moet sleepen,--ziedaar

eene andere vraag. Wat ons aangaat, met eerbied en Avarme sympathie

begroeten wij deze vorstelijke kasteelen met hun doorluchtige namen,

hun nobele traditiën, hun historische herinneringen; met eerbied

en stillen weemoed wandelen wij om door hunne zalen en galerijen,

door hun parken en tuinen, waar bij iederen voetstap het schoon en

roemrijk verleden tot ons spreekt. Wie weet hoe spoedig ook deze

nobele monumenten van den ouden tijd door den wassenden zondvloed

der sociale revolutie zullen worden verzwolgen!

Een groet aan Ecaussines-Lalaing, vroeger het eigendom der

prinsen van Croy, nu van het doorluchtig geslacht van Arenberg; aan

Ecaussines-d'Enghien, met zijne schilderachtige gothische kapel; aan

Trazegnies, den eerwaardigen, door velerlei restauraties misvormden

burcht, de aloude bezitting van een hoog en edel geslacht. Een groet

aan die allen, voor het meerendeel halve ruïnen, maar ook in hun

verval zoo schoon, zoo eerwaardig, zoo onuitsprekelijk aantrekkelijk

en belangwekkend.

En hoe zouden wij ze mogen vergeten, de schilderachtige ruïnen

van Mariemont, dien prachtigen burcht, waar Maria van Hongarije,

de zuster van Karel V, haar schitterend hof hield? Koning Hendrik

II van Frankrijk, wiens kasteel van Folembray in Picardië, op last

der landvoogdes in de asch was gelegd, wreekte zich, door bij een

onverhoedschen inval, door de nachtelijke duisternis begunstigd,

het paleis van Mariemont te vernielen en aan de vlammen prijs te

geven. Toen de morgen aanbrak, was het prachtige kasteel verdwenen;

maar op het rookend puin had eene onbekende hand de woorden geschreven:

"_Royne folle! souviens toi de Folembray!_"

Het kasteel werd later onder Albertus en Isabella herbouwd en tot

vorstelijke residentie verkoren. Bij den inval der Franschen in 1794

werd het op nieuw, en nu voor goed, verwoest.

V

Van den top van den Drieëenheidsberg, die zijn breeden rug opheft uit

de vlakke velden van het oude Tournaisis, het Doorniksche gebied,

tusschen de Dender en de Schelde, met zijne vier steden en zijne

drie-en-tachtig dorpen; van den top diens bergs ziet men, uitstekende

boven de daken, de vijf hooge, vierkante torens van Onze-Lieve-Vrouwe

van Doornik (zie bladz. 61). Schoon zij eenigermate wegduiken in den

nevel, die den horizon omhuift, toch maken zij indruk door hunne

forsche afmetingen en hunne stoute verheffing; uit het hart der

doorluchtige, eerwaardige stad beuren zij hunne spits ten hemel,

als een wegwijzer in het schemerend verschiet van het verre, verre

verleden.

Inderdaad, in het oude België is daar geene oudheid te vergelijken

met die van Doornik. Wij staan hier bij de bakermat van de fransche

monarchie; evenals de groote rivieren, wier bron op een vergeten

plek in de bergen, uit den rotsigen bodem opwelt, ver van de landen

die zij met haar overvloedige wateren drenken, zoo ontkiemt de

heerlijkheid en roem der oude fransche kroon aan het barbaarsche hof

dier frankische koningen, die, van Chlodion tot Chilperik, hun zetel

hebben in het Tornacum van de vijfde eeuw. Maar dit kleine volk,

weldra gestaald in de harde leerschool van den krijg, was tot eene

groote taak geroepen; en het bewees die roeping waardig te zijn,

toen het, in de verwarde tijden der ontbinding van het Romeinsche

rijk, met beslistheid en zelfbewuste kracht op den voorgrond trad

en straks, onder de germaansche volkeren, den eersten rang wist in

te nemen en de erfenis van Rome voor zich dorst te aanvaarden. Dit

ging evenwel niet zonder bittere beproeving en harden kamp: in 451

werd de ontluikende frankische koningszetel door Attila verwoest;

vier eeuwen later werd de oude stad de prooi der Noormannen.

Sedert was Doornik als het ware de aangewezen weg, dien de legers,

uit het noorden of het zuiden komende, volgden, dood en verwoesting

verspreidende op hun schreden; en meer dan eens scheen het, als ware

de geteisterde en ter dood gewonde stad onherroepelijk veroordeeld

om in wanhopige stuiptrekkingen te bezwijken. Maar het leven was

krachtig en taai in die oude geslachten; mettertijd sloten de wonden

zich weder, de krachten keerden terug, en het bloed stroomde weer

als van ouds door de aderen; beschermd door haar nieuwe wallen,

die de plaats der gesloopte muren hadden vervangen, zal Doornik

eeuwen lang nieuwe lauweren winnen in schier rusteloozen krijg,

nu eens tegen de Vlamingen alleen, dan tegen de Engelschen en de

Vlamingen te zamen, tegen Hendrik VIII en Karel V, tegen Parma,

tegen Lodewijk XIV, tegen Lodewijk XV. Niets kan haar moed buigen:

de gevaren, waaraan zij telkens is blootgesteld, de rampen die haar

treffen, de belegeringen die zij ondergaat, voeren haar geestdrift

telkens hooger op. De vrouwen wedijveren in onversaagdheid met de

mannen en sneuvelen op de wallen, met de wapens in de hand, liever

dan zich over te geven. In het midden van de tegenwoordige stad, op

het verwonderlijke schoone plein, dat met recht haar forum mag worden

genoemd, waar nevens Onze-Lieve-Vrouwe de Belfroot fier zich opheft,

prijkt het standbeeld van Christine van Lalaing, prinses van Epinoy;

en het monument ter eere der heldhaftige edelvrouw vereeuwigt tevens

de herinnering aan den wanhopigen tegenstand, dien de kloeke stad,

twee maanden lang, aan den hertog van Parma bood: zestig vrouwen en

meisjes en drie-en-dertig knapen sneuvelden in den woedenden kamp. Deze

eeuw was tevens het tijdperk van den hoogsten bloei der nijvere stad;

volgens Guicciardini en Strada dankte zij haar voorspoed vooral aan

haar twee-en-zeventig groote gilden; haar lakens waren wijd en zijd

beroemd, en nog tegen het einde der zeventiende eeuw wordt zij eene

groote, rijke en prachtige stad genoemd. De krachtvolle, energieke

burgerij ook van deze gemeente onderscheidde zich niet minder door

haar dapperheid en lust tot avonturen, dan door haar werkzaamheid en

rustelooze vlijt. Niet minder dan elf ridders van Doornik namen, met

tal van mannen van wapenen, deel aan den eersten kruistocht; kinderen

van Doornik vormden, in oorlogstijd, de lijfwacht der koningen van

Frankrijk, die in deze stad steeds een trouwe bondgenoote vonden. In

de gelederen der beroemde bonden van ordonnancie, die zoo geduchte

ruiterij, namen de poorters van Doornik een eersten rang in; en een

niet minder talrijk contingent leverden zij aan die schitterende

spaansche infanterie, die tot op den dag van Rocroy voor onverwinlijk

gold en wier glorierijke dood Bossuet heeft verheerlijkt. De koning

van Frankrijk, Karel VII, loonde de trouw en de gehechtheid der

poorters van Doornik, door aan de stad het recht te schenken, aan

haar wapenschild de drie koninklijke leliën op azuren grond toe

te voegen, die daar nog heden prijken als eene nobele herinnering

aan haar grootsch en roemrijk verleden. Niet altijd evenwel was, bij

veranderde omstandigheden, de verhouding tusschen de fransche monarchie

en de henegouwsche stad zoo hartelijk; en de herinnering aan Karel VII

weerhield Lodewijk XV niet, om na de zegepraal bij Fontenoi, het een

oogenblik opgeheven beleg van Doornik met alle kracht voort te zetten,

en de rampzalige stad bijna te bedelven onder de veertigduizend bommen,

die zijne vuurmonden in rustelooze woede over haar uitbraakten.

Als door een wonder ontsnapte Onze-Lieve-Vrouwe aan dien verdelgenden

regen van vuur en ijzer, waarin het laatste overschot van de vroegere

welvaart der eens zoo bloeiende stad te gronde ging. Maar reeds vroeger

had die welvaart een onherstelbaren knak gekregen: voor Doornik,

als voor zoo menige andere stad in de zuidelijke Nederlanden, waren

de noodlottige troebelen en oorlogen der zestiende eeuw een keerpunt

in haar geschiedenis. Door een aantal harer burgers verlaten, aan

wanorde en innerlijke verdeeldheid ten prooi, fel belegerd, zonk

zij gaandeweg al dieper; haar bevolking nam af en haar rijkdom smolt

weg. Toch, wie weet, was die sluimer misschien voor haar, als voor

het overige belgische land, eene weldaad: deze rust, volgende op zoo

langdurige en heftige beroering, op zoo koortsachtige opwinding vaak,

gaf gelegenheid om de uitgeputte krachten te herstellen en alzoo

gereed te zijn, om, als de ure van het ontwaken sloeg, den nieuwen

arbeid met frissche kracht en vurigen moed aan te vatten.

Heden ten dage althans is Doornik, dat in de laatste jaren geheel

van gedaante is veranderd en het voorkomen eener vroolijke, bezige,

moderne stad heeft aangenomen, een der eersten op het gebied van

intellektuëele en materiëele ontwikkeling. Nog altijd evenwel leeft in

haar de oude krijgshaftige geest, en nog steeds schenkt zij aan het

belgische leger eene breede schaar van zijne beste officieren. Voor

het overige heeft zij eene volkomen herschepping ondergaan. Vroeger

zag de reiziger, die haar naderde, een woud van torens voor zich

oprijzen: zij telde toen niet minder dan elf parochiale kerken en

vier-en-twintig kloosters en abdijen, bewoond door duizend monniken

en nonnen. Nu beurt zij niet langer haar vijftig torens ten hemel;

maar nog steeds is haar aanblik indrukwekkend; en wie haar betreedt

voelt zich aangenaam aangedaan door de werkzaamheid en de onbekommerde

vroolijkheid der bevolking, die haar welvaart geniet en door de eeuwen

heen haar onverstoorbaar goed humeur heeft weten te behouden.

Op de helling van den heuvel, die de stad bestrijkt, verrijst

de indrukwekkende kathedraal van Onze-Lieve-Vrouwe, haar vijf

donkere torens ten hemel heffende, als eene edele gedachtenis aan

de roemrijke middeleeuwen. Van welken kant men haar ook nadere,

steeds is zij even reusachtig en verheven, en beheerscht zij, in haar

onbewegelijke majesteit, de stad die aan hare voeten rust, veilig in

de schaduw harer vleugelen. Inderdaad is de kathedraal van Doornik het

schoonste monument der romaansche architektuur, dat België bezit; zij

gelijkt onder geen enkel opzicht op de tooverachtige architektonische

scheppingen der gothische kunst: hier treedt de soliditeit in de plaats

der dekoratie, het getal en de massa vervangt den weelderigen rijkdom

en de bevallige lichtheid. Maar deze kerk is grootsch en reusachtig;

haar vijf torens, in het midden van het gebouw saamgegroept, zijn

indrukwekkend als de pyramiden. Dit monument draagt den onmiskenbaren

stempel van die stoere en kloeke mannen van het Noorden, van die

mannen, wier sterke handen, nadat eenmaal hun gemoed zich voor den

invloed van het Christendom had geopend en de kerk hen met haar

geest gezalfd en doordrongen had, uit den chaos eene nieuwe wereld

schiepen en gedenkteekenen oprichten, onvergankelijk als het marmer,

waaruit zij ze optrokken.

De beperkte ruimte, waarover wij beschikken kunnen, maakt het

onmogelijk, eene ook maar eenigermate volledige beschrijving te

geven van de kathedraal: trouwens, mannen van talent hebben geheele

boekdeelen geschreven om dit wondervol monument in al zijn rijkdom

en verscheidenheid te doen kennen: en nog is, naar het schijnt, de

stof niet uitgeput. Overweldigend is de indruk, wanneer men door den

hoofdingang der kathedraal binnentreedt. De grootsche afmetingen van

het majestueuse gebouw; de strenge en sobere eenvoud van het ernstige

romaansche schip, dat aan een klooster doet denken; de majesteit

van het transept en de weergalooze grootschheid der beide absiden,

waarvan men naar waarheid heeft kunnen getuigen, dat geene enkele

romaansche of byzantijnsche kerk in geheel Europa iets dergelijks

heeft aan te wijzen; de verbazende stoutheid, de ideale verheffing

en zwevende lichtheid van het koor, een wonderwerk der gothiek;

de kleurenpracht der rijk geschilderde ramen; het contrast zelfs

der verschillende stijlen, waardoor het monument in verscheidenheid

wint wat het aan eenheid verliest: dit alles werkt samen om van de

kathedraal van Doornik een der schoonste en merkwaardigste gewrochten

te maken, ons door de heerlijke kunst der middeleeuwen nagelaten: een

dier gewrochten, wier aanblik voldoende is om ons al onze kleinheid

te doen gevoelen.

Wel zijn, zoo als ik zeide, van de vijftig torens, die vroeger het

oog trokken van den reiziger, als hij zijne schreden naar Doornik

richtte, er eenigen verdwenen, maar toch blijven er nog genoeg over om

te getuigen van den vromen, godsdienstigen zin der voorgeslachten, die

zich ook uitsprak in zoo menig eerwaardig heiligdom, om de majestueuse

kathedraal van Onze-Lieve-Vrouwe gegroept. De Sint-Jacob draagt nog in

haar geheelen bouwstijl de sporen van het tijdperk van overgang tot

de eigenlijke gothiek. Sint-Piat en haar vierkante toren met drie

rijen rondboogvensters; Sint-Quentijn, waar de strenge soberheid

van het romaansche schip eene zoo aangrijpende tegenstelling vormt

met de sierlijke elegantie van het gothische koor; Sint-Nicolaas, de

overoude kerk, zoo bij uitnemendheid schilderachtig in haar verval:

zij allen staan daar om de Onze-Lieve-Vrouwe-kathedraal geschaard,

niet minder eerwaardig, ook zij, door haar ouderdom en haar nobele

traditiën. Dit geldt vooral van de aan Saint-Piat gewijde kerk, wel

waarschijnlijk de oudste van allen; naar men meent, gebouwd op de

plek, waar weleer een heidensche tempel stond. Ge kent de legende van

Sint-Piatus? Hij was een romeinsch soldaat, die als martelaar voor zijn

geloof werd onthoofd. Nadat de doodelijke slag gevallen was, richtte

het lichaam van den martelaar zich weer op; hij nam het afgehouwen

hoofd in zijne handen, verliet, door engelen geleid, Doornik en begaf

zich naar Seclin, waar hij ter aarde werd besteld. Dat wonder wekte

zoo groote verbazing, dat niet minder dan vijfduizend heidenen zich

op dien stond bekeerden.

Men zou somwijlen in verzoeking kunnen komen, Saint-Piat te

verzoeken, zijne wandeling nog eens te hervatten: want--het valt

niet tegen te spreken--de oude vrome geest is voor een goed deel

uit Doornik geweken, en eene zeer gedunde schare vergadert hier nog

onder de vleugelen der Kerk, van wier macht en heerlijkheid zoo vele

monumenten getuigen. Doornik is--om voor een oogenblik in krantenstijl

te spreken,--een van de "bolwerken" van het belgische liberalisme;

en haar oude heiligdommen zijn voor een deel van haar bevolking alleen

nog maar belangwekkend als historische monumenten. Bovenal echter is

Doornik, en met volle recht, trotsch op haar majestueuse basiliek,

waarvan de vijf torens--de "choncq clochiers", in het onbevallige

doorniksche dialekt--zoo innig saamgeweven zijn met haar geschiedenis

en eene voorname plaats bekleeden in alle liederen en gezangen,

die in den mond des volks voortleven.

Maar niet minder trotsch is de stad op haar schoone, haar ruime

Grand' Place, waar de fiere moed en de heldhaftige vrijheidszin der

oude gemeente nog schijnt voort te leven in het beeld dier Christine

van Lalaing, dier kloeke prinses van Epinoy, die in de oogen van het

volk als het ware eene soort van patronesse der stad is geworden, de

type van den alouden schitterenden riddermoed en hoogen ridderlijken

zin. Dit forum van een krijgshaftig volk is overigens uitnemend

geschikt, om met en nevens de strenge indrukwekkende kathedraal eene

breede plaats te beslaan in de herinneringen, die een volk, dat zich

zelven acht en voor de toekomst leven wil, nooit mag vergeten, nooit

mag laten uitwisschen of verdringen.

Keizers en koningen, machtige vorsten en grooten der aarde hebben op

dit plein den indruk hunner voetstappen achtergelaten--helaas! maar

al te menigvuldig ook een spoor van bloed. Dikwijls werd de eer om

deze gekroonde hoofden te mogen herbergen, gekocht voor den prijs

van den vrede naar buiten of de rust van binnen, als de stad werd

gemengd in twisten en oorlogen, die haar eigenlijk vreemd waren,

en waarbij haar belang niet of slechts voor een gering deel was

betrokken. Maar ook hier, als elders, was dit plein het hart,

het brand- en middelpunt der stad, waar haar eigen leven zich het

krachtigst openbaarde, waar iedere groote of beslissende gebeurtenis

in hare historie òf voltrokken werd òf haar spoor achterliet. Hier

was het dat het volk, op het gelui van de alarmklok der Belfroot,

zich vereenigde om het gevaar van een overval te bezweren, te wapen

te snellen tegen Engelschen of Vlamingen, maatregelen te treffen voor

de verdediging der stad;--hier, dat de volkshartstochten kookten als

de baren eener stormachtige zee;--hier eindelijk, dat het geweten

van een getergd volk zich uitte in de rochelende geluiden van de

slachtoffers der inquisitie, die er onder de wreedste folteringen het

leven lieten. De "steenen man", die, onbeweeglijk op een der hoeken

van het plein geposteerd, zoo menigmaal de zegekreten der uit den

strijd wederkeerende poorters vernam, was niet minder vaak getuige

van deze menschonteerende handelingen en beestachtige wreedheden.

Als de golf zich bij ebbe terugtrekt van het strand, zoo is de

donkere vloed der eeuwen sinds lang teruggekeerd in de breede

bedding der historie, niets achterlatende dan dien trotschen toren

van den Belfroot, als een zwijgend getuige van het verleden. Van de

vele monumenten der aloude fiere gemeenten, die wij achtervolgens

in oogenschouw hebben genomen, is deze een van de oudste en

eerwaardigste. De hooge boognissen aan de vier zijden behooren tot

den oudsten tijd der gothiek, en de toren rijst omhoog met die fiere

kracht en slanke bevalligheid, die de torens der kathedralen uit

denzelfden tijd kenmerkt. Het plein, sinds eeuwen bewaakt door dien

steenen wachter, die noch door de vijandelijke bommen, noch door het

vuur, noch door de stormen werd gedeerd, draagt nog in geheel zijn

voorkomen dat karakter van eerbiedwaardige oudheid, dat schilderachtige

en aantrekkelijke, dat aan het hart en middelpunt der eeuwenoude stad

past: de torens van Onze-Lieve-Vrouwe, het portaal van Sint-Quentyn,

de gevel in renaissance-stijl van de oude Lakenhal, het standbeeld

van de prinses van Epinoy--zij vormen, met den Belfroot, een dier

verwonderlijk schoone stedelijke dekoraties, waaraan België zoo

rijk is.

Maar het oude Doornik heeft ook nog andere herinneringen

achtergelaten. Op den hoek van de rue des Cordes wijst men u een

prachtigen gevel, die zeker, met de Korenhal van Gent, tot de

oudste monumenten van den romaanschen stijl in het geheele land

behoort. Voorts de Pont des Trous, eene voormalige waterpoort,

ongeveer zeshonderd jaar geleden gebouwd: de brug bestaat uit drie

spitsbooggewelven, die twee torens verbinden en op twee pijlers in de

Schelde rusten; ongelukkig zijn de torens gemoderniseerd en verbouwd,

en heeft men ook door andere onhandige restauraties het karakter

van het monument geschonden. Deze brug maakte vroeger deel uit van de

vestingwerken der stad; daartoe behoorde ook de toren van Hendrik VIII,

het eenig overgebleven stuk van de citadel, die de koning van Engeland,

nadat hij zich in 1513 van Doornik had meester gemaakt, liet bouwen om

de stad in bedwang te houden. Dit kasteel besloeg eene aanzienlijke

uitgestrektheid on mocht welhaast eene stad op zichzelve genoemd

worden: het bevatte eene kerk, een hospitaal, een aantal woningen en

eene munt. Zorgvuldig bewapend, ruimschoots van geschut voorzien, was

dit kasteel van Hendrik VIII bovenal verderfelijk voor de financiën

der stad: zij moest eerst voor den bouw der citadel vijftigduizend

kronen aan den koning van Engeland betalen, en later van den koning

van Frankrijk voor tweehonderd-duizend gulden de vergunning koopen om

het kasteel te mogen afbreken. Wellicht zijn ook van den zwaren toren,

die alleen van de vesting overbleef, de dagen geteld.

Wandelingen door België De Aarde en haar Volken, 1886(#15403) · 第 6 / 16 题