Wij gaan in onze verbeelding een paar eeuwen terug. Het land van
Charleroi en de omliggende streken waren toen nog niet, als nu, de
prooi van eene rustelooze, rumoerige, alles verdringende industrie,
de geboren vijandin van alle natuurschoon en alle poëzie; de bevolking
legde zich veel meer op landbouw dan op nijverheid toe. Wel waren er
te Châtelineau, te Grilly, te Charnoy (de bakermat van het latere
Charleroi), te Lodelinsart, te Jumet, enkele kolenputten; maar de
kunst om die putten of mijnen te exploiteeren verkeerde nog in hare
kindsheid; men gebruikte wat als het ware voor de hand lag, en de
steenkool, die als handelsartikel nog weinig beteekende, dacht er nog
niet aan, de heerschappij van het hout op het gebied der nijverheid
te betwisten. De metallurgie deed nog niet de aambeelden zuchten
onder de rustelooze slagen der zware hamers en wekte de echo's
der stille valleien nog niet met het oorverscheurend gefluit der
machines. Te Marchienne, te Monceau, te Presles, te Loverval en op
enkele andere plaatsen vond men eenige onbeteekenende smederijen
of pletterijen; voor het overige brachten de landlieden, in de
meeste dorpen langs de Sambre, de lange winteravonden door met het
vervaardigen van spijkers. Niets deed toen en ook nog veel later de
ontzaglijke vlucht vermoeden, welke de groote industrie later zou
nemen, en die het geheele aanschijn des lands zou veranderen. Wie
toen langs de liefelijke boorden der Sambre, door geurige bosschen,
door bloeiende boomgaarden en met bloemen beparelde weiden wandelde,
ademde eene zuivere lucht in, niet bezwangerd met vuile dampen
van allerlei soort, en kon zijne oogen vrij laten dwalen door het
schilderachtige, romantische landschap, zonder overal te stuiten op
monsterachtige fabriekgebouwen en wanstaltige, vuur en rook spuwende
schoorsteenen. Onze benijdenswaardige voorvaderen leefden ook nog niet
in dien eeuwigen, verbijsterenden rosmolen, in den wilden roes die
ons onweerstaanbaar medesleept in zijn suizelende vaart; zij hadden
nog den tijd om van den arbeid uit te rusten en in stille kalmte
het leven te genieten; zij kenden ze nog niet, die aangezichten,
waarop de onverzadelijke geldzucht, de razende speculatiekoorts
haar onuitwischbaren stempel hebben gedrukt, uit wier harde koude
trekken zelfzucht en koele berekening spreken; die aangezichten,
waarop iedere flikkering van hooger leven is uitgedoofd, trouwe
spiegels van de ledige, door zelfzucht verteerde, door ongeneeslijke
verveling en onvoldaanheid verkankerde harten. Onze voorvaderen,
zij hebben de schoone Sambre-vallei nog gekend als een dichterlijk
Eden, hier gekroond met boschrijke heuvelen, aan wier voet de golfjes
kabbelden der rivier; daar zich uitbreidende in groene weilanden,
met veelkleurige bloemen bezaaid, waar de bij haar honig puurde en de
veelkleurige vlinders fladderden; tuinen en velden, waartusschen de
murmelende Sambre, in tallooze bochten, zich slingerde als een zilveren
lint, wandelende in ongestoorde vrijheid. Want de ingenieurs waren
nog niet gekomen en hadden de dichterlijke, kronkelende rivier nog
niet misvormd tot een rechtlijnig kanaal, leelijk als een spoorweg; en
vischrijke beekjes, waarin kreeften en forellen huppelden en dartelden
tusschen de gladde glimmende steentjes en over het smaragdgroene mos,
vroolijke zingende, dartele beekjes met welluidende, sonore namen,
spoedden zich vroolijk en lustig naar de rivier, om haar de schatting
te brengen van haar kristallen wateren. Een waas van plechtige stilte,
van stemmende sabbathrust lag over geheel het schoone landschap
uitgespreid: eene stilte, niet verstoord, maar verhoogd en als gewijd
door het statig ruischen der bosschen, het gemurmel der vlietende
wateren, het gezang der vogelen. Nevens een groot aantal aanzienlijke
boerderijen en hofsteden, waar in aartsvaderlijke eenvoudigheid, van
geslacht tot geslacht, brave en achtenswaardige landbouwersgezinnen
hun leven sleten, verhieven zich in het dal enkele kleine steden,
trotsch op haar sterke muren en wallen, haar torens en grachten, haar
veilige ligging op de steile rots: Thurin, Walcourt, Fontaine-l'Evêque,
Marchienne, Châtelet, Fosses; voorts eenige aanzienlijke vlekken, met
recht fier op hun hooge oudheid: Gosselies, Gerpinnes, Fleurus. En
te midden der boerenwoningen troonden de hooge adellijke burchten,
met hun zware gekanteelde muren en torens, hun ophaalbruggen, met
de glorierijke herinneringen van heldenroem en ridderdeugd: Monceau,
Montigny, Farciennes, Acot, Presles, Loverval. En op de liefelijkste,
schoonste plekjes schuilden, in het stille bosch, in de rustige
betooverende vallei, de groote, van ouds beroemde, rijk begiftigde
abdijen: Lobbes Alne, Oignies, Floreffe; en vele kloosters van minderen
rang, Soleilmont voor vrouwen, Saint-Frangois-sur-Sambre voor mannen,
als ook enkele kluizen, Saint-Blaise te Bouffiaulx en nog een paar
anderen, die mede bijdroegen tot de schilderachtige fysionomie van het
stille landschap. Daar, in die kloosters en abdijen, in die kasteelen
en heerenhuizingen, vloot het leven meestal rustig en kalm voort,
vaak gewijd aan studie en wetenschappelijke nasporingen, aan gebed en
vrome overpeinzingen. De massa der bevolking leefde stil en eenvoudig,
naar voorvaderlijke zede, in eerbiedige onderwerping aan het eeuwenoude
gezag van den wereldlijken of geestelijken heer, onbekend met hetgeen
daar buiten in de wereld geschiedde, ten eenemale vreemd aan de
politiek en wat daarmede samenhangt. De landman, de ambachtsman,
de stille gezeten burger, zij allen verrichtten met zorg en ijver
en nauwgezetheid hun arbeid; zij kweten zich van de verplichtingen,
die uit verschillenden hoofde op hen rustten en trachtten zich in hun
kring nuttig te maken; maar zij waren te verstandig om te staan naar
hetgeen buiten dien kring ligt, om te meenen dat ook zij geroepen en
bevoegd waren om mede het land te regeeren....
Die tijden zijn voorbij. Wie nu per spoortrein van Bergen naar
Charleroi reist, aanschouwt een gansch ander tafreel, al heerscht
hier ook, in vergelijking met de koortsige, razende werkzaamheid in
de Borinage, een betrekkelijke rust, en al wordt het oog menigmaal
verkwikt door den aanblik van groene weilanden en bloeiende akkers.
Binche, de vroolijke bakermat dier _Gilles_, die een zoo voorname rol
spelen in het beroemde karnaval der stad; Binche heeft steenkolenmijnen
en glasblazerijen, wier geraas evenwel de stilte en rust van het
landschap niet al te zeer verbreekt. Deze kalme, rustige natuur reikt
tot aan de boorden van de Sambre: maar daar wijkt de idylle eensklaps
voor het verbijsterend rumoer der alles overweldigende industrie. Toch
is het hier nog niet zoo erg als in de Borinage: te midden van dit
gebied van ijzer en vuur vindt men nog stille liefelijke plekjes
vol lommer en landelijke poëzie. Dikwijls nog bewaart de eens zoo
liefelijke vallei, nu onophoudelijk weergalmend van het geraas der
smederijen, voor den reiziger de aangename verrassing van die stille
nestjes, in het dichte lommer verscholen, vol geheimzinnige schemering
en welluidend gezang, van die bekoorlijke plekjes, waar men ongestoord
de vrije natuur genieten kan: paradijzen te midden dezer hel waar de
stoom en de machines hun triomf vieren. Reeds te Marchienne verbijstert
u het oorverdoovend geraas van tallooze hamers, nederdalende op ijzeren
platen of trillende aambeelden; wij bevinden ons weder in het gebied
van den demon des vuurs, aan wien wij te Cuesmes ontsnapt waren,
maar die ons nu niet eer zal loslaten voor wij den kring hebben
overschreden eener vrij wat meer saamgestelde industrie dan in de
Borinage, want bij de exploitatie der steenkolenmijnen komt hier,
in het land van Charleroi, de bewerking der metalen en van het glas.
Reeds bij de met heete kolendamp bezwangerde nevels van Elouges, Dour
en Hornu, was het ons, of wij door eene hel rondwandelden; maar hier
is die indruk nog sterker, in zoo geweldige mate is hier de geheele
natuur veranderd en misvormd door den rusteloozen menschelijken
arbeid, onverbiddelijk en onbuigzaam als het noodlot. Men moet in
waarheid zijne toevlucht nemen tot beelden en vergelijkingen aan eene
bovennatuurlijke orde ontleend, om een eenigszins getrouwe voorstelling
te geven van dien verwoeden, razenden kamp, door eene gansche bevolking
tegen de elementaire natuurkrachten gevoerd: een strijd, waarin de
mensch wordt bijgestaan door dat andere wezen, dat hij naar zijn
beeld heeft geschapen, dat voor en met hem arbeidt, als met verstand
en oordeel des onderscheids begaafd, maar dat hem ook, onder meer dan
een opzicht, tot zijn slaaf heeft gemaakt. De machine--dat schepsel
van ijzer, niet het evenbeeld, maar de karikatuur, de aap van den
mensch;--heerscht hier alom als de natuurlijke bondgenoot en helper van
haar heer en meester, van dien bleeken, uitgeteerden, hongerigen man,
die haar in beweging brengt, hare gewrichten insmeert en lenig houdt,
en haar maag vult met telkens nieuwen voorraad, dien zij brullende
verslindt. Of liever, die machine, de titan, die in zijn geblakerd
paleis niets nevens zich duldt; die wanstaltige Briareus, die zijne
duizend armen uitstrekt in alle richtingen, die der zon zijn vuilen
adem in het aangezicht spuwt en de ingewanden der aarde doorwroet; die
apokalyptische reus heerscht hier als koning en opperste gebieder over
een volk van slaven, dat niet dan door hem leeft. Inderdaad schijnt
de mensch, een machtelooze dwerg tegenover den geweldigen titan, niet
anders dan een slaaf, die voor het levensonderhoud en de veiligheid
van den reus moet waken; maar daarbij voortdurend op zijne hoede moet
zijn tegen de verraderlijke streken en doodelijke aanslagen van den
geweldige, die er steeds op uit is, zich te wreken over de banden,
welke de nietige mensch hem aanlegt, over de strenge tucht, waaraan
hij hem onderwerpt. Want hij gevoelt het wel, de machtige heerscher,
dat ondanks al zijne reuzenkracht en zijn onberekenbaar vermogen,
waartegen de zwakke mensch niets vermag, toch de wil van dien zwakken
nieteling hem regeert en hem het onverbiddelijke: "Tot hiertoe en niet
verder!" toeroept, waarvoor hij zwichten moet. Hij buigt voor die wet;
maar terwijl hij zijne reuzenarmen op en neder laat gaan en het gansche
veelvoudige samenstel van raderen en buizen en zuigers en riemen,
als de ledematen van een monsterpolyp, in beweging brengt; terwijl
hij de lucht vervult met zijn geloei en gesnuif en geblaas, zint hij
op wraak en loert op eene gunstige gelegenheid om de pygmeën, die hem
omringen en beheerschen, te straffen voor hunne vermetelheid. Nu eens
grijpt hij er een, in het voorbijvliegen, bij een slip van zijn kleed,
sleurt hem mede tusschen zijne tanden, vermaalt hem en werpt hem op
den vloer, eene vormelooze, bloedende massa. Daar weder waagt hij eene
stoute poging om zijne banden te breken: als een andere Simson verheft
hij zich in zijne woeste kracht, doet zijne ketels barsten, vernielt
zijn tempel, plettert alles tot gruis, begraaft de lijken onder het
neerstortend puin en verspreidt wijd en zijd dood en verwoesting.
Beschuldigt men mij wellicht van te stoute beeldspraak, van te
fantastische overdrijving? Welnu, treedt dan een dier groote
pletterijen binnen, die te Couillet, te Marchienne, te Châtelet,
te Monceau-sur-Sambre, bij honderden den grond doen dreunen onder de
rustelooze beweging harer machinerieën; en zeg mij dan of niet bij den
aanblik van deze verwonderlijke gewrochten der wetenschap, zoo zuiver
stoffelijk en mechanisch, en toch op wonderlijke wijze doortinteld van
een verborgen leven: zeg mij, of dan niet onwillekeurig de gedachte
bij u oprijst aan een zelfbewust wezen, dat krachtens eigen wil en
wet handelt en werkt, onafhankelijk van hetgeen daarbuiten is? Als de
ledematen van het menschelijk lichaam, zoo schijnt elk deel van dit
reusachtig organisme zelfstandig te werken, met haastiger of langzamer
beweging, naar gelang de bewuste wil dat voorschrijft en regelt, met
het oog op het doel van al dezen gemeenschappelijken arbeid.--Wat
mij aangaat, het is nooit zonder een gevoel van bewondering, maar
ook van geheimen onwederstaanbaren afschuw, dat ik de bewegingen, nu
verblindend snel, dan tergend langzaam, de slingeringen en wendingen
van deze reusachtige werktuigen aanzie: hier, die in vliegende
vaart rondwentelende raderen, wier tanden in elkander grijpen;
elders die als in stomme wanhoop op en neer gaande zuigers; ginds
die monsterachtige hamers, in staat om rotsen te pletter te slaan en
toch soms zoo onmerkbaar, zoo huiveringwekkend zacht nederkomende,
dat ge uw vinger op het aambeeld zoudt kunnen leggen zonder schade
te ondervinden; al dat gedraai, gewoel en gewemel, dat u den indruk
geeft van een levend wezen, van een of ander voorwereldlijk gedrocht,
dat overal, naast u, achter u, voor uwe voeten, hoog boven uw hoofd,
zijne tallooze armen en voelhorens en wonderlijke organen uitstrekt en
in beweging brengt; met een gesnuif, als van eene benauwde ademhaling,
met een verdoovend gesis en gefluit en gegons, met snijdende kreten
als van een gemartelde op de pijnbank.
In den ketel kookt en woelt en brult de stoom, die van dit middelpunt,
het onstuimig kloppend hart van den reus, door honderden buizen,
als zoo vele aderen, de levenskracht doet uitgaan, welke het gansche
mechanisme in beweging zet. Zoodra die heete stroom door zijne
aderen bruist, ontwaakt de titan uit zijne rust: zijne gewrichten
ontspannen zich, de kettingen kraken, de raderen beginnen te wentelen;
de geweldige kolossus rekt zijne ledematen uit, richt zich op en
hervat in woedende drift zijn arbeid. Wee den ongelukkige, die
het monster te nabij komt! In een oogwenk wordt hij aangegrepen,
meegesleurd, vermaald en verslonden, zekerder dan door de kaken
van tijger of krokodil. Maar die vreeselijke kracht tot vernielen,
waarmede de wetenschap hem heeft toegerust, wordt in toom gehouden
door het genie van den mensch, die den geduchten titan aan zijne
wetten onderwerpt, ieder zijner bewegingen bepaalt en regelt, hem als
aan eene onverbreekbare ketting leidt, en dienstbaar maakt aan zijn
wil. Zoo arbeidt hij, de geweldige, ten behoeve der moderne industrie,
die zonder hem niet bestaan kan, niet denkbaar is.
Van Marchienne tot Monceau en van Couillet tot Sainte-Marie d'Oignies
is de hemel rood gekleurd, als door den weerschijn van een reusachtigen
brand, en is de lucht met rook en damp vervuld, als waren eenige
honderden batterijen rusteloos in werking. Overal steken de hooge
schoorsteenen, als bladerlooze boomstronken hoog in de lucht. In eene
eindelooze rij, bijna zonder tusschenpoozen, volgen pletterijen op
kalkovens, steenkolenmijnen, glasblazerijen, hoogovens; op sommige
plaatsen, zoo als te Couillet, te Monceau, te Sainte-Marie d'Oignies
en te Mariemont, vormen deze verschillende inrichtingen uitgestrekte
établissementen, onder een enkel bestuur geplaatst en met eene talrijke
bevolking: kleine steden op zich zelven. Het zijn inderdaad steden, met
haar straten, haar grachten, haar spoorwegen, haar eigen organisatie,
met eene groote mate van zelfstandigheid en eene eigene fysionomie,
die elke van haar in het bijzonder onderscheidt.
Reeds in 1830 liet de maatschappij Marcinelle-et-Couillet de eerste
werkmanswoningen bouwen, en gaandeweg werden nieuwe inrichtingen ten
behoeve der arbeidersbevolking in het leven geroepen: bewaarscholen,
scholen voor lager onderwijs, teekenscholen, ambachtsscholen, een
muziekgezelschap, een spaarbank, een maatschappij van levensverzekering
en dergelijken. Te Mariemont heeft de welvaart, dank zij vooral
de ijverige bemoeiingen en verstandige energie van den heer Abel
Warocquié, een hoogen trap bereikt. Te Sainte-Marie d'Oignies
vormen de ruim zestienhonderd bedienden en werklieden in zekeren zin
eene groote familie, die, behalve haar scholen, ook een winkel van
levensmiddelen, eene goedkoope spijsinrichting, hulp- en spaarbanken
bezit en eene tamelijk ingewikkelde maatschappelijke organisatie op
zich zelve vormt. Elders vindt men hetzelfde, zij het ook op kleiner
schaal; deze industriëele centra streven er naar, eene zelfstandige
maatschappelijke organisatie in het leven te roepen, waardoor ook
voor de welhaast in duistere slavernij verzonken arbeidersbevolking
een weg geopend wordt om zich uit de diepte op te heffen en tot een
meer menschwaardig bestaan te geraken.
Evenals in de Borinage wordt ook hier deze geheele beweging
hoofdzakelijk geleid door een uitgelezen korps van ingenieurs,
die zich zoo veel mogelijk trachten neer te buigen tot het peil der
onontwikkelden om hen langzamerhand tot zich op te heffen, en ook
in de onderste lagen der maatschappij het licht der wetenschap te
doen schijnen. Hun aantal is legio: de school te Luik, waar beroemde
leeraren eene talrijke schaar van leerlingen om zich vereenigen,
is de kweekplaats, die telkens nieuwe officieren levert, om op de
slagvelden der industrie de drommen der soldaten aan te voeren. Ik
weet niet hoe het in andere landen, waar de grootindustrie bloeit,
gesteld is; maar ik weet wel, dat in dit waalsche land, waar telkens de
moeilijkste vragen worden opgeworpen, met ijver en toewijding gearbeid
wordt aan de geestelijke en zedelijke verheffing en bevrijding van
de arbeidende klasse :--dat geduchte probleem, aan welks oplossing
de moderne demokratie wel waarlijk haar beste krachten mag beproeven,
want aan die oplossing hangt haar leven. En het ware onrechtvaardig en
onbillijk, de goede vruchten van dien arbeid te loochenen, de waarde
der verkregen resultaten te miskennen; te loochenen dat, althans in
de voornaamste centra, het peil der ontwikkeling niet onbelangrijk
gerezen is en de beschaving, ook onder de lagere klassen, vorderingen
heeft gemaakt. En niet alleen tracht men den geest te beschaven, men
doet ook het mogelijke om de positie van den werkman te verbeteren
en hem in zijn eigen oog te verheffen. Te Sainte-Marie d'Oignies kan
de werkman, door geregelde betaling zijner huur, zich den eigendom
verzekeren van zijne woning, die, hoe nederig zij moge zijn, toch
den eigenaar in eigen schatting doet rijzen en hem iets geeft van het
rustige zelfgevoel van een landheer, die op zijn eigen goed zit. Ook
zal het besef van eigendom hem dikwijls bewaren voor de gevaarlijke
verlokkingen van eene fantastische toekomst, waarvan het toch niet
zeker is dat zij inderdaad verbetering in zijn lot zou brengen. Te
Mariemont, waar men hetzelfde stelsel in toepassing brengt, heb ik
arbeiderswoningen gezien. Zij bestaan doorgaans uit vier vertrekken,
twee beneden en twee boven, met een tuintje, dat de noodige groenten
voor het gezin kan opleveren. Eene familie van vijf of zes personen
heeft het in zoo'n huisje wel niet ruim, maar de woning is ten minste
gezond en zindelijk; er heerscht zekere mate van welvaart, een geest
van orde en spaarzaamheid, die deze arbeiderskoloniën zeer gunstig
onderscheidt van de ellendige krotten in de Borinage.
Dit alles is zeker uitmuntend en voortreffelijk; en men moet zonder
eenige aarzeling den ijver, de toewijding en de goede bedoelingen
prijzen van hen, die dit alles in het leven riepen en, naar hun
oordeel, niets onbeproefd lieten om de onvermijdelijke noodlottige
en verderfelijke invloeden en werkingen der moderne industrie te
keeren, en den voortgang van het kwaad te stuiten. Toch--ik mag het
niet verzwijgen--is bij mij menigmaal de vraag gerezen, of aan al dien
arbeid, aan al die inspanning, aan al die opoffering en toewijding niet
iets ontbreekt, eene hoofdzaak ontbreekt: en of niet door het gemis
van dat ééne, al het andere in het eind zal blijken ijdel en vergeefs
te zijn geweest? Voorzeker, deze industrieelen en ingenieurs zijn geen
grove materialisten, die meenen dat voor den mensch alles gedaan is,
wanneer hij eene goede woning en overvloedig voedsel heeft, wanneer
hij trouwen kan en kinderen verwekken; neen, zij weten en begrijpen
dat hij ook geestelijke behoeften heeft, zij trachten zijn verstand
te ontwikkelen, den kring zijner kennis uit te breiden, het licht der
wetenschap ook op den werkman te doen schijnen. Maar, voor hen, immers
voor de meesten hunner, is dat dan ook genoeg: dat intellektueele
ontwikkeling en zedelijkheid, dat kennis en karakter al zeer weinig
met elkander hebben uit te staan; dat het bezit van het eene niet
den minsten waarborg oplevert voor de aanwezigheid van het andere;
dat althans voor de overgroote meerderheid eene bloot verstandelijke,
wetenschappelijke beschaving zonder zedelijk-godsdienstigen grondslag,
zonder positieve religieuse overtuiging, inderdaad geene beschaving,
maar eene verniste barbaarschheid, niet eene weldaad en zegen, maar
veeleer een vloek en een zeer groot gevaar is:--ziedaar eene waarheid
die, naar ik vrees, ook hier, als elders, al te zeer uit het oog
wordt verloren. Zou het niet in de eerste plaats daaraan zijn toe te
schrijven, dat juist onder die zoogenoemd verlichte en ontwikkelde
arbeidersklasse, juist in die kringen der half-cultuur--veel erger
en veel gevaarlijker dan volslagen onwetendheid--het socialisme zijne
vurigste predikers en ijverigste aanhangers telt?
Maar in dergelijke vragen, hoe gewichtig ook, hebben wij ons hier niet
te verdiepen. Overigens zou men zich zeer vergissen, indien men den
toestand der bevolking van deze geheele streek ging afmeten naar enkele
bevoorrechte dorpen, waar de voorgang en de werkzaamheid van eenige
welwillende en menschlievende patroons een weldadigen invloed heeft
uitgeoefend op het lot der arbeiders. Overal elders, waar die invloed
zich niet heeft doen gevoelen, komt de oorspronkelijke ruwheid aan den
dag, die bij de eerste aanraking uwe sympathie voor den ongelikten,
onvriendelijken, brutalen en ontevreden werkman op eene harde proef
stelt. Wanorde en zorgeloosheid kweeken en bevorderen de armoede,
die weder op haar beurt eene gansche sleep van ellende en verkeerdheid
medebrengt.
Wie nu echter niet als moralist of wijsgeer, maar enkel als kunstenaar
deze bevolking gadeslaat, zal getroffen worden door eene krachtig
geteekende individualiteit, door zekere oorspronkelijkheid en een waas
van sombere poëzie, waardoor deze ruwe, misdeelde menschen zoo goed
passen bij de omgeving, bij de woeste, onherbergzame, ruwe fysionomie
van dit land van nimmer poozenden, buitensporigen arbeid. De aard zelf
van dit leven in de ingewanden der aarde of tusschen de gloeiende
fornuizen en smeltovens der pletterijen en glasblazerijen, schijnt
hen als van nature voor te bestemmen tot zekere natuurlijke ruwheid
en woestheid: zij maken bijna den indruk van wezens tot eene andere,
lagere orde behoorende, gedoemd tot den onophoudelijken strijd met de
elementen en de onbewuste krachten der natuur. De donkere teekening
die ik, naar waarheid, van de Borinage heb opgehangen, past ook
volkomen op dit eenmaal zoo schoone land, waarvan de industrie eene
huilende wildernis heeft gemaakt, dat zij heeft misvormd, verscheurd,
geteisterd, omgekeerd, en van alle natuurschoon, van alle frischheid
en leven beroofd.
Echter zou ik u een verkeerden indruk van deze streek geven, indien
ik ook niet wees op de bewonderenswaardige orde onder deze schijnbaar
chaotische wanorde, en op de weergalooze bekwaamheid, waarmede de
industrie van dat verwoeste land heeft weten partij te trekken voor
haar middelen van gemeenschap en vervoer. Als een reusachtig spinneweb
strekken de spoorwegen naar alle kanten en in alle richtingen hunne
tallooze rails uit, die de fabrieken en werkplaatsen verbinden met
de lijnen van den staat. De onophoudelijke donder der voortsnorrende
treinen doet den grond beven, bruist door de tunnels, ratelt over de
viaducs; en dit oorverdoovend geraas vermengt zich met het knarsen
en kraken van duizenden karren op de sintels en het steengruis der
wegen; met de kreten der voerlieden, die hun vracht op- en afladen;
met de beweging en het rumoer van de drukke scheepvaart op de Sambre en
het kanaal van Brussel naar Charleroi: twee belangrijke waterwegen,
waarlangs de produkten van deze reusachtige werkplaats tot in de
uiterste deelen des lands en naar den vreemde worden vervoerd.
Ik zal mijn lezers niet in de fabrieken rondleiden. De bezichtiging
van dergelijke inrichtingen, pletterijen, smeltovens, glasblazerijen
en hoe ze meer mogen heeten, is toch alleen voor den deskundige van
belang en heeft ook alleen voor hem eenige aantrekkelijkheid. Geen
deskundige zijnde, gevoel ik nooit eenigen aandrang om zulk eene
fabriek te gaan bezichtigen; gebeurt het mij eene enkele maal dat
ik haar drempel moet overschrijden, dan is de algemeene indruk in de
hoogste mate onaangenaam, en wensch ik niets liever dan dit lokaal,
waar oog en oor, gevoel en smaak om het zeerst worden gekwetst
en beleedigd, zoo spoedig mogelijk te verlaten. Welnu, ik zal mijn
lezers die kwelling besparen; wij hebben nu waarlijk lang genoeg over
de industrie gesproken, en keeren van harte gaarne tot aangenamer en
belangrijker onderwerpen terug.