Op wanhopige wijze had de vijand zich verdedigd; zoo lang hij kon

schoot hij op de aanvallers. Soerapati voerde zelf het bevel; het

scheen of hij overal tegelijk kon wezen, waar zijn troepen begonnen

terug te deinzen, stelde hij zich aan hun hoofd en voerde hen weer

terug in den strijd.

Een uur lang duurde de aanval en nog was de kans niet beslist, telkens

werden de aanvallers teruggeslagen, toen plotseling een luid gehuil

opsteeg uit de gelederen der belegerden. Zij hadden hun aanvoerder zien

vallen; een handgranaat, die naast hem ontplofte, had hem aan den

schouder gewond. Hij richtte zich dadelijk op, zwaaide zijn piek boven

het hoofd en riep luide:

„’t Is niets, ik ben niet gekwetst! Voorwaarts, voorwaarts!...”

Nogmaals wilde hij voortrukken en met het vuur, dat hij alleen aan zijn

mannen mededeelen kon, hen opnieuw bezielen, toen hij plotseling

ineenzakte; hij had ook in de zijde een wond ontvangen, welke hij niet

eens voelde maar die toch doodelijk was.

Lembono, zijn zoon, snelde toe, om hem op te richten.

„Laat mij wegbrengen, stel u aan hun hoofd, dat ze het niet bemerken,”

gebood hij.

Maar als een loopend vuur verspreidde zich de treurmare door het leger,

een onbeschrijflijke schrik heerschte alom, de moed ontzonk allen en

weldra waren de troepen der Compagnie besliste overwinnaars; Bangil, de

sleutel van het vijandelijke land, was nu veroverd, en niets scheen

thans meer aangewezen dan dat het zegevierende leger zijn tocht zou

voortzetten naar Pasoeroean.

Dit schenen de verdedigers en bewoners van Bangil ook te verwachten,

want alles begaf zich snel op de vlucht, maar in het vijandelijke kamp

werd anders besloten. Zware regenbuien ontlastten zich boven hun

hoofden, men kende de wegen niet en vertrouwde den Depati minder dan

ooit, de ziekten raapten vele soldaten weg, eten en drinken ontbraken,

de toestand der officieren was reeds ellendig, hoeveel te meer moest

die der soldaten dan wezen; men wist daarenboven niets van Soerapati’s

zware verwonding.

De oude Panombahan ried ten sterkste af den veldtocht voort te zetten

en de Depati koos met zijn troepen het hazepad toen het bericht kwam,

dat de vijand zich gereed maakte Soerabaya aan te tasten.

Al deze overwegingen en feiten deden den kommandant Knol besluiten den

tocht niet verder voort te zetten maar naar Soerabaya terug te keeren;

hij beging daarbij de onvergefelijke fout om de met zooveel moeite

veroverde punten onbezet te laten.

Men meende voor dit jaar genoeg te hebben gedaan.

VII.

SOERAPATI’S DOOD.

De gewonde vorst was met een draagbaar naar het dorp Randa Telloe

gevoerd, hij ook verwachtte niet anders dan dat het vijandelijke leger

zijn voordeelen niet zou opgeven, maar voorttrekken naar Pasoeroean;

hij gaf dus bevel hem niet naar zijn kraton te brengen, maar naar het

twee uur van Bangil verwijderde plaatsje, waar hij een klein lusthuis

bezat.

Zijn wonde vooral die aan de zijde was zeer gevaarlijk, nog dienzelfden

avond openbaarden zich hevige wondkoortsen, verscheidene doekoens

werden bij zijn legerstede geroepen, doch geen van allen wist raad.

Hij viel telkens in zwijm, maar nauwelijks had hij een helder oogenblik

of hij vroeg:

„Zijn de vijanden voortgerukt? Komen ze nader? Houd mijn verwonding

geheim, dat niemand in Pasoeroean het wete!”

Zijn omgeving trachtte zijn wensch zooveel mogelijk te eerbiedigen,

daar ieder begreep van hoeveel gewicht het was zijn verdwijning

verborgen te houden.

Toen de Hollanders teruggekeerd waren naar Soerabaya kwam men hem de

heugelijke tijding brengen; hij glimlachte ondanks zijne pijnen.

„De dwazen, mijn geheele land lag voor hen open en zij hebben het nu

verlaten, als ik beter ben, hoe duur zal ik ze mijn wond en de

nederlaag van Bangil doen boeten. Soerabaya heeft zijn belofte wel

gehouden”.

Een tweede bode kwam melden dat ook de aanval op Kediri mislukt was en

dat kapitein de Roode gedwongen was terug te keeren naar Karta-Soera.

„Als ik slechts hersteld was, zouden wij tevreden mogen zijn!” sprak

hij.

Nu maakte hij geen bezwaren meer om naar Pasoeroean te worden geleid,

waar hem in den kraton betere verzorging wachtte. Met de grootste

omzichtigheid werd hij vervoerd, want zijn toestand vereischte veel

zorg en de kunst der Javaansche wondheelers was niet groot; in een

eenvoudige draagbaar droeg men hem weg, doch hoe voorzichtig ook alles

in ’t werk gesteld werd, men kon ’t niet verhoeden dat de beweging een

hevige koorts ten gevolge had en hij in ellendigen toestand te

Pasoeroean aankwam, waar men nog weinig vermoeden had van zijn ziekte.

Zelfs de Radhen Ajoe wist er niets van; zij had gemeend dat haar man

zich met haar zoon Lembono aan het hoofd der troepen bevond, die een

inval deden op Soerabaya.

Toen men haar meldde dat de vorst zwaar gewond en misschien hopeloos in

den kraton was aangekomen, verschrikte zij hevig; de oude liefde welke

zoo lang door ijverzucht in slaap gewiegd, ingesluimerd was, ontwaakte

weer en met verwarde haren luid gillend en jammerend snelde zij naar

het rustbed, waarop de held uitgestrekt lag.

Opgeschrikt door haar kreten hief Soerapati de moede oogen op.

„Blijf bedaard, Radhen Ajoe, blijf bedaard!” fluisterde hij. „Gij en uw

zoons zult weldra meesters zijn! ’t Was niet noodig, dat gij u samen

tegen mij verbondt.”

„Wie heeft u dat gezegd?” snikte zij. „O, Soerapati, is dan uw liefde

jegens mij geheel dood? Men heeft mij wreed bij u belasterd.”

„Was dat ook laster?” vroeg hij met moeite, „het aandeel dat gij op u

hebt genomen om mijn hart los te rukken van Suzanna? Die leugen werd

zij niet door u verzonnen en bekrachtigd?”

„Zoovele jaren zijn verloopen sinds dien tijd! Ik had u zoo lief!”

„En daarom moest gij mijn hart verwonden tot stervens toe? Neen,

Koesoema, uw liefde was een noodlottig geschenk.”

„Vergeef mij!” ging zij schreiend voort, „vergeef mij! Ik haatte haar

die gij nooit hebt kunnen vergeten. Zeg me, wat moeten wij doen, uw

zonen en ik, uw wensch zal ons een bevel zijn, maar gij zult genezen en

dan ik zweer ’t u, al begrijpen we u niet, wij zullen u gehoorzamen!”

„Waar is Lembono?” vroeg hij.

„Hij is in Soerabaya gevallen en vernielt daar alles te vuur en te

zwaard; misschien zal hij nog het Hollandsche fort daar binnenrukken.”

Toorn gloeide in de oogen van den gewonde en zijn stem beefde, toen hij

haperend de woorden uitstiet:

„Vervloekt die onzinnige daad! Hij vernielt de landen van onzen

trouwsten vriend en bondgenoot. De Depati zal hem daarvoor zwaar doen

boeten; nu zie ik in, hoe ’t zal gaan na mijn dood. Onverstand en

hartstocht komen aan het bestuur!”

En de handen voor het gelaat drukkende brak hij in luide wanhoopskreten

los.

„Alles vergeefs! alles!” klaagde hij, „’t is of ik niet geleefd heb.

Ellende en oorlog laat ik achter met oneer. De Hadji wordt op nieuw

meester. Ga heen vrouw! ga heen, gij en uw kinderen overlaadt mijn

einde met schande en smart.”

Plotseling richtte hij zich op, een straal van hoop gleed over zijn

ingevallen vermagerd gelaat, en een bediende wenkend, gebood hij hem:

„Ga naar de gevangenis, verlos toewan Sidin van zijn ketenen en breng

hem hier!”

„Wat is uw voornemen?” vroeg Radhen Goesik.

„Koesoema,” sprak hij, en legde zijn handen op de hare, „belooft ge

mij, dat mijn laatste wil u heilig zal wezen? Zweert ge gehoorzaamheid

in naam ook van onze kinderen?”

„Ja, ik beloof ’t u,” antwoordde zij weenend.

„Dan vergeef ik u alles, alles, maar als die knaap binnenkomt, laat ons

alleen!”

Ook Robert had droevige weken doorgebracht; zijn gevangenis hoewel

beter dan die hij verlaten had, was een treurig somber verblijf, des te

treuriger door het contrast met de heerlijke dagen, die hij achter zich

had. Toch voelde hij zich niet ongelukkig; het bewustzijn dat hij leed

voor een hooger beginsel, dat hij vrijheid, eer, rijkdom en aanzien ten

offer bracht aan zijn plicht, de gedachte aan Digna, die ongetwijfeld

zijn gedrag goedkeurde, de zekerheid dat zijn karakter gelouterd werd

en dat hij boete deed voor zijn betreurenswaardige afdwalingen herwon

hem de achting voor zich zelf en schonk hem een zoete voldoening, die

zijn ketens lichter maakte en hem alle ongemakken van den kerker met

geduld deed dragen.

Hij wist niets van alles, wat er in den omtrek van Bangil plaats had,

hij vermoedde niets van het lot der Hollandsche wapenen, tot op het

oogenblik toen men hem zijn boeien afnam en de gevangenis deed

verlaten.

Men bracht hem in het vorstelijke slaapvertrek; voor het hooge met

donkerroode gordijnen behangen ledikant zag hij een vrouw ter aarde

liggen, wier gitzwarte haren verward over haar lendenen vielen; maar op

zijn nadering stond zij op en wankelde de kamer uit.

„Robert,” zoo hoorde hij zich met een zwakke stem noemen. Hij snelde

naar de legerstede en stond als verpletterd stil; die vermagerde man

met dat ingevallene, door lijden verwrongen gelaat, den verbonden

schouder en half uitgedoofde oogen, kon dat de trotsche, krachtige

Radhen Wiro Negoro zijn, die bij elken stap zich als vorst deed kennen?

„Kom nader Robert, schrik niet!” ging hij bijna fluisterend voort en

stak de rechterhand naar zijn zoon uit.

Diep medelijden maakte zich van Robert’s ziel meester, voor het eerst

voelde hij in volle kracht dat de sterkste van alle banden hem aan dien

man hechtte; hij vergat alles om zich alleen te herinneren dat hij

tegenover zijn stervenden vader stond.

Hij greep zijn hand en drukte die aan de lippen.

„Vader, arme vader!” zeide hij deelnemend, „wat deert u?”

Soerapati sloeg den arm om hem heen en trok hem dichter naar zich toe.

„Het zijn uw vrienden die mij in dezen toestand hebben gebracht,” zeide

hij met een zwakke poging tot een glimlach, „ge weet nog van niets? Ze

hebben Bangil veroverd en het ware hun niet gelukt, als ik was staande

gebleven maar helaas! de goden hebben het niet gewild. Zij hebben hun

voordeelen echter opgegeven en niets is verloren, maar welhaast zal ’t

met mij gedaan zijn, Robert!”

De jonge man knielde naast het bed neer en zag zijn vader met teere

bezorgdheid aan.

„Waar zijt gij gewond, vader? Zeg me, doet het veel pijn? O wat gloeit

uw hoofd!” sprak hij.

„Ja kind, mijn einde nadert! Ge hebt bittere dagen doorleefd, arme

Robert, maar ik kon niet anders. Ik wilde u dwingen tot uw geluk. Zeg

me spoedig, want de tijd dringt, wat is thans uw antwoord op mijn

vraag?”

Robert sloeg de oogen ter aarde en zweeg.

„Samen mogen wij niet meer arbeiden, maar alleen wacht u nog grootscher

taak. Kunt gij uw stervenden vader den laatsten troost weigeren? Kunt,

wilt gij hem zijn doodsuur verbitteren door uw hardnekkigheid? O

Robert, heb medelijden met mij! Zeg dat gij de rechten wilt aannemen,

die ik u schenk. Nog is ’t tijd, morgen wellicht, van avond is het te

laat!”

„O vader,” riep de jonge man zielsbedroefd uit, „kwel mij niet, het

valt me zwaar te weigeren, maar ik mag niet!”

„Heeft de afzondering u niet tot andere gedachten kunnen brengen?”

„Integendeel, zij maakte mijn besluit nog vaster!”

„Wee, driewerf wee mij! Die knaap heeft een wil, een ijzeren, een

onverzettelijken wil; hij ziet, wat zijn plicht is en daarnaar streeft

hij met vaste hand, noch beloften, noch bedreigingen, noch kwellingen

kunnen hem daarvan afleiden. Hem juist had ik noodig. Hoe zou hij alles

veel beter dan ik hebben uitgevoerd, maar helaas! hij wil niet.”

„Ik kan niet, vader!”

„Kind, zal niets u overtuigen van het dwaze van uw besluit? Zijn die

mannen wien gij zooveel offert, dit offer waardig? Doet gij niet beter

hen te bestrijden dan te helpen hun kleingeestige belangen ten uitvoer

te brengen? Wat zoeken zij hier op Java? Winst, geld, genot! Wat zij

beters hebben sluiten zij voor ons nijdig af, uit vreeze dat zij dan

niet meer zullen vinden, waarnaar hun hart alleen haakt. Niets is nog

verloren, Robert! Ik zal mijn Balineezen laten roepen, zij zullen u

trouw zweren, in u hun aanvoerder erkennen, mijn Radhen Ajoe wil u

gehoorzamen en steunen en ook uw broeders zal ik leeren in u hun

eenigen redder te zien. Gij zult hen behandelen zooals zij ’t

verdienen, en geen onrecht aandoen. O Robert, begrijp uw belang en dat

van uw geboorteland, van mijn volk, dat ook het uwe is....”

Hij zonk achterover, uitgeput door de inspanning, en de opwinding;

vermoeid sloot hij de oogen en zijn borst ging heftig op en neer.

Robert stond hem zwijgend aan te zien; in stille wanhoop wrong hij de

handen en dacht:

„O Digna, kondet gij mij zeggen, wat plicht is!”

„Antwoord!” lispelde de zieke schier onhoorbaar.

„Vader, ik zou mijn land verraden, mag, kan ik het? Uit vrijen wil

zwoer ik trouw aan uw vijanden, zal ik nu tegen mijn vroegere

wapenmakkers ten strijde trekken?”

„Is ’t vrees die u doet weifelen, meent ge niet sterk genoeg te zijn

voor de taak, welke ik op uw schouders leg?”

„Neen, duizendmaal neen! Aan moed ontbreekt het mij niet! O, als gij

wist hoe uw voorstel mij toelacht, hoe de werkkring, dien gij voor mij

opent, mij schoon en verleidelijk voorkomt.”

„En toch weigert ge?”

„Ik mag niet anders.”

„Dan is alles gedaan, alles voorbij!”

Hij sloot de oogen en drukte de rechterhand op het hart; bewegingloos

bleef hij liggen, zoo stil, dat Robert, die naast hem zat, meende dat

alles gedaan was; nu en dan alleen verried een zware zucht, dat hij nog

leefde en dacht.

Een oud man trad binnen, behoedzaam en stil eerst, maar toen hij den

schier levenloozen vorm zag van zijn vorst, slaakte hij een

doordringenden gil en wierp zich jammerend op zijn voeten.

Soerapati opende zijn zware oogleden, en vroeg verbaasd:

„Gij hier, Kiai, gij en in dit uur!”

„Vervloekt, het uur, waarop ik geboren werd; moest ik den zoon van mijn

hart overleven, moest ik daarvoor de gevangenis verlaten en op mijn

leeftijd al bedelend geheel Java doortrekken om mijn kind in dezen

toestand te zien?”

„Ga heen, vader! Raak mij niet aan! Gij hebt mij eens een bitteren

drank bereid, die mijn leven vergiftigde. Nonna Suzanna was mij nooit

ontrouw en haar zoon verbittert thans mijn laatste oogenblikken.

Vertrek, ik schenk u het leven, daar gij oud en zwak zijt en uw dagen

geteld zijn, maar u die leugen vergeven en het monsterverbond met mijn

vrouw en den dwerg, dat nimmer.”

De grijsaard brak in een hartverscheurend gejammer uit.

„Ga heen! Folter mij niet langer, of neen, nog iets! Wat heeft de

groote Heer geantwoord?”

„Hij heeft naar mij geluisterd, den diamant aangenomen en mij gevangen

gezet; ik ben ontvlucht....”

„’t Is goed, verlaat mij thans! Spoedig, spoedig, nog heb ik macht te

bevelen!” drong hij aan toen de oude man aarzelde. Luid kermend ging de

grijsaard heen, en op nieuw heerschte diepe stilte in het vertrek.

Nu en dan kwamen rijksgrooten bij het bed zien of hun meester in staat

was hen te antwoorden als zij over staatszaken wilden spreken, hij

bleef echter zwijgen; ook Pengantin en Lembono verschenen, maakten

groot misbaar en wierpen wantrouwende blikken op den vreemdeling, die

de zijde huns vaders niet verliet.

Maar Soerapati scheen niets meer te hooren of te zien, totdat eindelijk

zijn oude krijgsmakker, de regent van Kediri, zich over hem boog en met

de tranen, die van zijn verweerde wangen afdroppelden hem het voorhoofd

bevochtigde.

„Wirajoeda,” sprak hij zacht, „heb ik ’t niet gezegd, kameraad, dat

onze weg ten einde liep, onze lange, moeilijke weg? Gij zijt mij steeds

trouw geweest, ik dank u voor uw vriendschap, uw toewijding. Schrei

niet, die tranen passen niet op uw ruw gelaat; druk me nog eens de

hand!”

„Lijdt ge veel meester?” vroeg Wirajoeda snikkend.

„Die wonde beteekent niets, maar mijn hart doet me zeer. Ik had u zoo

gaarne een waardigen opvolger gelaten, vriend, die verdiende door u

gehoorzaamd te worden; beken mij oprecht, kunt gij onder een mijner

drie zonen staan?”

„Zij verschillen zooveel van u!”

„Maar deze zoon van mij!” en hij nam Roberts hand in de zijne, „was ten

volle uw onderwerping waardig. Hij had dit rijk tot hooger bloei

gebracht, als hij slechts wilde.”

Verbaasd zag Wirajoeda den jongen man aan, toen wierp hij zich voor

zijn voeten en smeekte:

„Zoon van mijn meester, gij behoort tot een volk, dat ik haat en

verfoei, maar ik heb levenslang uw vader gevolgd en weet dat alles wat

hij wenscht goed, ja het beste is. Gehoorzaam zijn wil, laat zijn

laatste uren niet zwaar worden door uw schuld en ik zweer u dezelfde

trouw, die ik hem sints dertig jaar bewees!”

„O, kon ik ’t maar!” zuchtte Robert.

„’t Is genoeg! Hij zal aan uw verzoek niet toestaan, wat hij aan mijn

herhaalde smeekingen en bedreigingen weigerde. Laat ons nu alleen,

Wirajoeda, ik heb nog slechts enkele woorden te spreken met mijn zoon.

Ik vertrouw zijn leven aan u toe!”

„Ik blijf u met het mijne daarvoor borg.”

En zoodra zij alleen waren, richtte Soerapati zich half op en zocht

Robert met de oogen.

„Het schildpadden kistje, de kamer hier naast,” stamelde hij met reeds

gebroken stem. Robert stond op en voldeed aan het verlangen van den

stervende; hij ontving het sleuteltje en maakte het kistje open.

„Portret uwer moeder!” fluisterde de zieke en toen Robert hem Suzanna’s

beeld gaf, drukte hij het aan de bleeke lippen. Daarna legde hij ’t

weer in het kistje; van zijn vinger nam hij een ring met buitengewoon

grooten diamant.

„Voor u, dit kistje, deze ring, alles! Houd den ring als een

gedachtenis maar verkoop den steen, uw erfdeel!”

„O mijn vader, mijn arme vader!” snikte Robert.

„Gij zijt sterk en moedig! Ge durft lijden voor uw beginselen, voor

zulk een zoon was het goed een rijk te stichten. Gij wilt niet,

misschien hebt gij gelijk, zij zijn meer dan wij, verlaat hen niet, ’t

is beter blank te zijn, ’t zij zoo.... keer terug naar het volk uwer

moeder.... dit rijk zakt in elkander.... liever het bestuur der

Compagnie dan de regeering der inlanders.... ge moogt alles zeggen, wat

ge weet... ik wensch den zegepraal niet van mijn zonen.... nu gij hen

niet aanvoert.... laat er een eind aan komen.... en word gelukkig bij

uw volk!”

Hij zweeg overmand door aandoening en uitputting.

„Vlucht dadelijk.... vóór mijn dood! Verberg u, ze zullen u niet deren,

zoolang ik nog adem!”

„Neen vader, ik verlaat u niet!” riep Robert uit.

„Het moet, maar wacht nog even!.... Roep uw God voor mij aan, den

gekruisten God der Christenen, dien Suzanna aanbad.... Ik had hem

lief.... liever dan Batoro Shiwa, Boeddha of Allah.... maar Hij wilde

mijn vereering niet.”

„O, zeg dat niet, vader! Hij is goed en barmhartig! Ja, ik zal voor u

bidden, het gebed dat Hij zelf ons leerde.”

Robert knielde neder, en bad:

„Onze Vader, die in den hemel zijt....”

„Onze Vader,” lispelde de stervende stem, „ja, dat is het, zoo moest

het zijn.... ons aller Vader.... kinderen van een vader, blank en

bruin.... de kinderen vergeten het.... maar Hij, Hij weet het.... Hij

kent ze allen.... Onze Vader....”

Robert bracht met moeite het gebed ten einde; de vorst echter lag

onbewegelijk de rechterhand op zijn voorhoofd gedrukt.... de lippen

half geopend.... nog klopte zijn hart flauw en zacht, maar de machtige

geest was reeds ter ruste gegaan.

Wirajoeda trad binnen, hij zag de teekens van den laatsten strijd op

het gelaat van zijn geliefden vorst en huiverde, maar toch zijn zorg

betrof alleen den levende.

„Vertrek spoedig, neem mede, wat van u is,” drong hij aan, „de zonen

van Soerapati hebben ’t op uw leven gemunt. Volg mij spoedig!”

Werktuigelijk stond Robert op; de regent voerde hem bij den arm weg,

door een menigte zalen, gangen en binnenplaatsen, totdat hij aan een

poort in den buitenmuur kwam; daar stond een paard gezadeld.

„Langs de zee kunt gij niet ontvluchten! Het gebergte in, spoedig,

spoedig naar Tosari.”

Tegen het vallen van den avond bereikte Robert het dorp, waar de

goedige bergbewoners hem herkenden en vol vreugde ontvingen. Siwangi,

nu een gelukkige gade, was zijn gastvrouw. Bittere smart heerschte in

het dorp bij het vernemen van Soerapati’s dood.

„Wat zal nu ons lot zijn, onder zijn vrouw en zonen?” vroegen zij zich

angstig af.

Toen de begrafenis van den vorst in alle stilte had plaats gehad,

verliet Robert vermomd als Tengerees met eenige zijner vriendelijke

gastheeren het dorp; hij kwam in Pasoeroean aan en bezocht het

eenvoudige graf zijns vaders. Daar ook vernam hij dat de drie broeders

elkander op heftige wijze zijn nalatenschap betwistten en dat Kiai

Hemboong zich op het graf zijns meesters had gekrist. Het onreine

bloempje van Pengantin’s liefde tot Siwangi was tusschen al dien rook

en dat bloed gelukkig verwelkt.

Door de zorgen der Tengereezen gelukte het Robert met een kleine list

Pasoeroean te verlaten en in Soerabaya aan te komen, waar de officieren

hem als een uit den dood verrezene ontvingen.

VIII.

DE WRAAK OP DEN DOODE.

Hoewel de dood van Soerapati der Compagnie een zucht van verlichting

deed slaken, zoo was ’t er nog ver af dat de oorlog een einde had

genomen. Te Batavia nam men het den veldheer Govert Knol ten hoogste

kwalijk dat hij zijn troepen bevel had gegeven naar Soerabaya terug te

keeren in plaats van hen te doen voortrukken naar Pasoeroean; maar nog

grooter was de verontwaardiging tegen Depati Soerabaya, wiens dubbele

rol men nu duidelijk doorzag, maar wiens verraad althans voorloopig

niet gestraft kon worden.

De drie broeders begonnen onmiddellijk na des vaders dood hevig te

twisten, terwijl de prins van Balembangan die gewillig het bestuur van

zijn land had overgelaten aan Radhen Wiro Negoro, wiens meerderheid hij

erkende, nu de teugels van het bewind zelf in handen nam; om hem

vereenigden zich de Balineezen, terwijl de Javaansche Mahomedanen zich

rond de zonen van Soerapati schaarden.

Radhen Goesik gelukte het door middel van Sheik Abdoelah den vrede

onder de broeders te herstellen; zij ging met hen naar Kediri en haalde

hen over zich aan Soenan Mas schijnbaar te onderwerpen; deze nam hun

hulde aan en beleende Pengantin met de opvolging van zijn vader, alsof

deze den keizer ooit als leenheer had erkend; ook de andere zonen

kregen een gedeelte van het land onder hun gebied.

Door deze plechtigheid werd de zedelijke kracht der jonge mannen niet

weinig vermeerderd. Sheik Abdoelah vuurde de godsdienstige hartstochten

van het volk nog meer aan en met vol vertrouwen wachtte nu de geheele

Oostkust van Java den nieuwen veldtocht af, welke in het volgende jaar

(1707) tegen hen ondernomen werd.

Deze stond echter niet onder het bevel van Govert Knol maar onder dat

van Herman de Wilde, die door den dood van zijn vijand nog niet

bevredigd, van verlangen brandde zijn rijk te vernietigen.

Den 18den Juli begon de veldtocht van uit Karta-Soera, over de

Solorivier en de Brantas naar Kediri, dat echter reeds door den

heldhaftigen Adipati Anoem ontruimd was en dan verder naar Tjarit, waar

de beslissende slag geleverd en de vijand op de vlucht gedreven werd.

Intusschen was ook de legerafdeeling uit Soerabaya onder kapitein

Sergeant op marsch gegaan en vereenigde zich met de hoofdmacht;

gezamenlijk rukte men nu op naar Pasoeroean dat zonder slag of stoot

genomen werd.

Groote diensten had Robert in deze expeditie bewezen; hij kende het

land door en door, wist vele bijzonderheden, die Soerapati hem zelf had

medegedeeld en maakte daarvan gebruik om de bevelhebbers in te lichten.

Ook zijn dapperheid bleef niet onopgemerkt; vóór dat echter de

zegevierende troepen Pasoeroean binnentrokken werd hij ernstig ziek ten

gevolge van verwaarloosde wonden en moest dus naar Soerabaya

terugkeeren; zoo was hij geen getuige van de onedele wraakoefening, die

de Wilde op het graf zijns vader nam.

Herman de Wilde liet Soerapati’s gebeente opgraven en het op den

aloen-aloen verbranden.

Met overelkander geslagen armen en een lach van zelfvoldoening op de

bleeke lippen, staarde hij de vlammen aan, die het geraamte verteerden

van den man, dien hij zoo fel gehaat en zoo vurig benijd had, en toen

van het lichaam, dat eenmaal door zulk een krachtigen adem bezield was

geweest, niets meer overbleef dan een hoopje asch, gebood hij ook dit

weg te strooien in de wateren der zee.

Nu alles, wat dus aan zijn vijand herinnerde, van het aanschijn der

aarde verdwenen was, achtte hij zijn levenstaak geëindigd; niets bleef

hem meer te doen over, zijn doel was bereikt, zijn wraak volvoerd.

Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java · 第 29 / 30 段