Snel bracht hij de regeling der onderworpen landen ten uitvoer, deed de

regenten aanzeggen dat zij zich onderwerpen moesten aan Pakoe Boewana

den keizer en tevens Adipati Anoem ten doode vervolgen. De regent van

Kediri was er echter niet meer; hij keerde terug naar Bali, kort vóór

dat de veldtocht begon, daar hij zijn schoonzoon niet kon vergeven dat

deze zich in de armen der Mahomedanen had geworpen. Zijn dochter,

Lembono’s gemalin, nam hij met zich mede; wellicht trok hij zich in het

gebergte terug om daar het leven van een kluizenaar te voeren.

Soenan Mas echter voegde zich bij de zonen van Soerapati, die zich in

het Malangsche gebergte hadden verscholen en nog maar een geschikt

oogenblik afwachtten om de vijandelijkheden opnieuw te beginnen.

Zoodra in Pasoeroean alles geregeld was, vertrok de Wilde van Soerabaya

naar Samarang. Hij was doodziek en afgemat; nog vele zaken had hij te

voleindigen, en daartoe was het noodzakelijk dat hij den Soesoehoenan

sprak, maar hij was te zwak om naar Karta-Soera te gaan, en de keizer

kwam dus naar Samarang; nog stervend leidde hij de onderhandelingen,

die de macht der Compagnie bevestigden, de rechten en verplichtingen

des keizers omschreven en dus aan den gespannen toestand, die reeds

sinds zoovele jaren op Java heerschte, een einde maakten.

Hij keerde na de sluiting van het contract naar Batavia terug en

overleed daar weldra, omstreeks een jaar na den slaaf, dien hij zoo

bitter had gehaat.

IX.

VEREENIGD.

In het huis Voornelust was het nog stiller en doodscher geworden dan

voorheen; tot twee keer was de dood er in verschenen, den eersten keer

had hij den kleinen Albert weggerukt na een lang en zwaar lijden.

In Digna’s armen was hij gestorven en na zijn dood was haar leven eerst

recht treurig en moeilijk geworden.

Markus Voorneman scheen overstelpt door smart, toen hij zijn eenigen

zoon verliezen moest, maar deze smart was zoo onnatuurlijk dat Digna

weldra gegronde vrees opvatte voor zijn geestvermogens. Nadat Robert

wederom in haar leven was verschenen, was hij zeer prikkelbaar en

lastig geworden; zijn hartstocht voor Digna nam meer en meer toe, doch

zij kon dien slechts met warme genegenheid en diep medelijden

beantwoorden; dit maakte hem hoe langer hoe onrechtvaardiger jegens de

arme vrouw en zelfs de groote zelfopoffering en toewijding waarvan zij

blijken gaf bij de ziekte van Albert, konden bij hem het eenmaal

vastgewortelde denkbeeld niet uitroeien dat Digna zich ongelukkig

voelde, Robert betreurde en naar zijn dood verlangde.

Eenige weken na Albert’s overlijden was twijfel niet meer mogelijk,

Heer Voorneman’s geestvermogens bleken gekrenkt en een zware taak

wachtte zijn vrouw; beurtelings overlaadde hij haar met de

hartstochtelijkste liefkoozingen om haar een oogenblik later te

mishandelen.

Met het grootste geduld en onbeschrijfelijke liefde bleef zij op haar

post, niemand de zorg overlatend om haar man te verzorgen; zij bleef

haar plicht trouw totdat de dood aan zijn betreurenswaardig leven na

een jaar een einde maakte.

En nu was zij alleen in het groote huis!

Alleen met haar herinneringen. In een testament kort na Albert’s dood

opgesteld, vermaakte Markus Voorneman zijn geheele vermogen aan zijn

echtgenoot, onder voorwaarde echter dat zij niet zou hertrouwen.

Deze dwang, door den stervende nog na zijn dood op haar leven

uitgeoefend, doofde de laatste vonk van liefde jegens haar gemaal in

Digna’s hart uit; slechts medelijden bezielde haar meer voor hem en met

grooten tegenzin genoot zij zijn rijkdom, waarvan zij thans maar al te

goed de herkomst wist.

De Raad van Justitie Voorneman had niet meer of minder dan anderen

gebruik gemaakt van zijn betrekking om een sluikhandel op naam zijner

overleden vrouw te voeren op Japan en de Molukken; natuurlijk durfde

niemand mevrouw Voorneman beschuldigen of haar eenigszins belemmeren in

de uitoefening harer liefhebberijen.

Het leven van Digna was treurig en stil; zij ging met niemand om dan

met haar oom en tante van Hoorn; bij hen hoorde zij dan ook hoe een

jonge militair, Robert genaamd, groote diensten aan het leger der

Compagnie had bewezen en nu tot luitenant was bevorderd na den

gelukkigen afloop van den laatsten veldtocht. Als een goede dochter

verheugde zij zich in den val van Soerapati in wien zij nog steeds den

moordenaar haars vaders zag, maar toch huiverde zij bij het vernemen

van de wraak door de Wilde op zijn gebeente uitgeoefend.

In het begin van 1708 bevond zij zich op het kasteel, toen er een jonge

officier bij haar oom, den Gouverneur-Generaal, werd binnengelaten; het

was of haar bloed stilstond, want zij herkende Robert, doch een geheel

andere Robert, dan dien zij het laatst had gezien. Een man in de volle

beteekenis van het woord was luitenant Robert thans, een man gerijpt

door vele ervaringen, die den strijd met zich zelf aangedurfd had en

daarin overwinnaar was gebleven, een ferm, krachtig man, die eerbied

wist af te dwingen en zelfs tegenover den machtigen Opperlandvoogd zich

gemakkelijk en vrij kon bewegen.

Voor haar maakte hij een diepe buiging, maar niemand dan zij bemerkte

hoe bleek en ontroerd hij plotseling werd.

Dien avond voelde Digna zich niet alleen meer in haar groot ledig huis;

het beeld van den weergevonden vriend harer jeugd volgde haar en

verliet haar wakend noch slapend meer.

Den volgenden morgen ontving zij een kort briefje, waarin luitenant

Robert verlof vroeg haar dien middag een bezoek te brengen. Zij wachtte

hem in de groote zaal, gekleed in haar stemmig weduwkleed, maar uit

haar schitterende oogen en frisschen blos was elk spoor weggevaagd van

de moeilijke, smartvolle dagen, die zij doorleefd had; nooit was zij

schooner geweest dan op dien middag toen luitenant Robert met opgeheven

hoofd door de groote deur het huis binnentrad, dat hij ’t laatst

tersluiks, opgejaagd als een dief had moeten verlaten.

„Robert!”

„Digna!”

En beider handen rustten ineen, beider oogen staarden in elkander; zij

begrepen dat de een den ander op nieuw toebehoorde en nu voorgoed, maar

toch veel moest uitgesproken worden vóór het beslissende woord tusschen

hen viel.

„Digna,” sprak hij, toen hij eindelijk zijn ontroering meester werd en

naast haar plaats nam, met zijn hand nog steeds de hare omklemmend, „er

is veel gebeurd sinds we elkander hier het laatst zagen, meer dan gij

vermoedt, maar ik heb mijn woord jegens u gehouden.”

„Dat begreep ik gisteren reeds dadelijk, Robert!”

„’t Heeft mij staande gehouden in een zware verzoeking, het deed mij

een kroon afwijzen.”

Zij zag hem vragend aan.

„En nu Digna, wat nu?”

Zij wendde blozend haar hoofd af, en zuchtte. Hij vervolgde:

„Ik heb het recht u thans te vragen de mijne te worden, als gij

vergeten wilt, dat ik geen naam bezit: uw woorden van vroeger, die ik

allen in mijn hart bewaar, geven mij moed, maar er zijn andere

bezwaren. Uw fortuin...”

Zegepralend hief zij het gelaat naar hem op, en zich zelf verradend,

wierp zij den scheidsmuur tusschen hen plotseling neer:

„Ik heb geen fortuin Robert, anders dan dat mijner ouders, want zoodra

ik trouw met wien ook, verlies ik alle aanspraak op dat van mijn

overleden echtgenoot.”

Juichend sloot hij haar in de armen en zij liet haar hoofd aan zijn

borst rusten, blijde dat het nu voortaan haar vrijstond zich over te

geven aan het gevoel dat zij zoo langen tijd ernstig en moedig had

bestreden.

Maar hij liet haar eensklaps los en riep uit:

„Ik vergat... er is meer... Digna, gij hebt mij uitgezonden om

Soerapati te bestrijden en den dood uws vaders te wreken op hem in wien

gij zijn moordenaar zaagt....”

„En mijn opdracht heeft u eer en roem bezorgd, mijn geliefde!”

„Ge vergist u Digna, ik heb Soerapati niet bestreden, integendeel, ik

heb hem alles te danken, ik vereer zijn nagedachtenis en ik betreur

zijn dood, want hij was mijn vader.”

„Uw vader!” riep Digna verschrikt uit.

Robert verhaalde haar alles, wat hij doorleefd had, de zonderlinge

opheldering van het geheim zijner geboorte, zijn kortstondige glorie,

zijn beproeving en wat daarna geschiedde.

„En nu Digna,” sprak hij, „nu weet ge alles! Beslis, maar voor een

zaak, blijf ik u borg. Slechts wettige tegenweer dwong mijn vader tegen

den uwe op te rukken en zijn hand heeft hem niet gedood!”

Digna sloeg haar schoone oogen naar hem op en fluisterde:

„Niets kan ons meer scheiden Robert, dus ook geen herinnering!”

Eenige weken later had in alle stilte het huwelijk van luitenant Robert

en de weduwe Voorneman plaats; natuurlijk vond de Bataviasche wereld

veel op hun besluit aan te merken; maar zij bekommerden zich niet om

het oordeel der wereld, ook niet om het verlies van Digna’s groot

fortuin, zij waren te gelukkig elkander eindelijk te mogen toebehooren.

Kort na hun huwelijk vertrokken zij naar Amboina, waar Robert het

kommando over een klein fort had gekregen. De plaats was stil en

afgelegen, maar overal waar Digna vertoefde bracht zij den zegen van

echte vrouwelijkheid en fijne, innerlijke beschaving met zich mede en

zoo bezat zij de gave om zelfs een wildernis in een paradijs te

herscheppen.

Lange, gelukkige jaren wachtten beiden; Robert was een trouw eerlijk

dienaar der Compagnie, en deze wist zijn verdiensten ook naar waarde te

beloonen. Toch wanneer hij de kleingeestige, inhalige wijze zag, waarop

de grootere en kleinere Hollandsche beambten de Inlanders behandelden,

met geen ander doel klaarblijkelijk dan hen uit te zuigen en zich zelf

te verrijken, bekroop hem soms een twijfel of hij in zijn jeugd niet al

te edelmoedig en te fijn van geweten was geweest toen hij het rijk, dat

aan zijn voeten was neergelegd, had versmaad; maar als hij Digna

deelgenoot van zijn twijfel maakte, dan drukte zij vriendelijk zijn

hand en sprak:

„Mijn goede Robert, gij hebt gedaan, wat gij toen voor uw plicht

hieldt. Wees gerust, dat was het beste!”

Toen Digna en Robert stierven, lieten zij hun kinderen geen groot

vermogen na; dat was de beste lof, de welsprekendste lijkrede, welke

men een dienaar der Compagnie uit die dagen kon nageven.

EINDE.

AANTEEKENINGEN

[1] Betelplant en toebehooren.

[2] Genade!

[3] Batavia.

[4] Hert.

[5] Tooverspreuk.

[6] Reebokje.

[7] Hollanders.

[8] Vleermuizen.

[9] Javaansche duiven.

[10] Band om het middel.

[11] Wild zwijn.

[12] Kniebuiging.

[13] Manden uit bladeren gevlochten.

[14] Haarwrong.

[15] Etiquette.

[16] Vertooner van de wajang,—Javaansch marionettenspel.

[17] Chinees.

[18] Onbeschaamde.

[19] Juist.

[20] Indische toespijs van onrijpe vruchten en Spaansche peper.

[21] Fabelachtige koningin der Zuidzee, die bijna over de geheele

Zuidkust van Java vereerd wordt.

[22] Hemel der Hindoes.

[23] Danseressen.

[24] Zijden shawl.

[25] Eerste keizerin.

[26] Bijvrouwen.

[27] Harems.

[28] Engel.

[29] Verfrisschende drank.

[30] Wierook.

[31] Voetkus.

Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java · 第 30 / 30 段