Op de legermacht der Compagnie volgen de troepen van den Madureeschen

prins, wiens tegenwoordigheid in het leger gelijk staat met dat van

10000 man, want hooggeëerd is deze tachtigjarige vorst niet alleen door

zijn eigen volk maar door geheel Java. Het loopen of rijden valt hem

moeilijk, waarom hij zich dan ook door twaalf mannen op een rijk met

kleeden en tapijten belegde plank laat dragen; hij is ondanks zijn

hoogen leeftijd een zwaar, flink gebouwd man met breed aangezicht en

scherp geteekende trekken, het wit zijner oogen is geheel met rood

beloopen, slechts weinige grijze haren bleven op zijn schedel over,

maar nog verraden zijn gespierde armen de meer dan gewone kracht, welke

zij eenmaal hadden bezeten; een vroolijke lach speelt dikwijls op zijn

gelaat, hij is vriendelijk en voorkomend, maar ook onverbiddelijk

streng tegenover zijn ondergeschikten. Hij draagt een rijk opperkleed

van leverkleurig damast, dik geborduurd met gouden bloemen en een blauw

zijden sarong met zilver doorwerkt, een menigte ringen versieren zijn

gerimpelde handen en zijn kris vonkelt in de met edelgesteenten belegde

gouden scheede. Naast hem rijden even sierlijk gekleed zijn zonen,

klein- en achterkleinkinderen, waarvan zich verscheidene, naar men

zeide honderdtwintig, in het leger bevonden; een zonnescherm van

nipabladeren wordt boven zijn hoofd gehouden, terwijl men hem zijn

gouden piek vooruit draagt.

Meer dan duizend voorname Madureezen volgen hem—een leger van

Sumanappers en Pamakassanen, met hun kleurige vaandels, bonte doeken,

waarop spreuken, griffioenen, draken en halve manen afgebeeld zijn, ook

vier gesloten draagstoelen merkt men op, daarin werden de schoonste

vrouwen van den ouden vorst gedragen, die hem op den veldtocht zouden

vergezellen; de muziek der gamelans en javaansche trommen begeleidde

hen.

De stoet wordt gesloten door de troepen van Djajang Rana, den Depati

van Soerabaya, allen kleine, onaanzienlijke mannen, die aangevoerd

werden door den Regent zelf en zijn drie broeders. De Soerabayasche

prinsen zaten op rijk getooide olifanten; de Depati was bekend als een

der schoonste mannen van zijn land, hoewel volgens Europeeschen smaak

zijn neus te plat en zijn trekken te breed geacht konden worden; hij

was echter van hooge gestalte en zwaren lichaamsbouw, nog slechts zes

en dertig jaar oud, buitengewoon trotsch en ongenaakbaar; niemand kon

het in het strijdperk tegen hem uithouden. Zijn broeders waren kleiner

maar vriendelijker en schenen min of meer gedrukt onder de heerschappij

van hun oudste.

Het geheele leger bestond thans uit 15000 man, verscheidene stukken

geschut, die door 200 buffels vervoerd werden en uit 5000 lastdragers.

De dag waarop de wapenschouwing plaats had, werd door een groot feest,

gegeven door den Depati, besloten, den volgenden morgen zou men zich op

marsch begeven; een onafzienbare menigte menschen drong zich om den

aloen-aloen, teneinde dit bijna eenige schouwspel van een strijdvaardig

leger, aangevoerd door de eerste Javaansche prinsen na den keizer, te

zien oprukken. Morgen in alle vroegte zouden eerst eenige Hollandsche

brigades vertrekken, om dan gevolgd te worden door de Madureezen en

Soerabayers, terwijl eindelijk nog eenige brigades met den staf van het

leger de achterhoede moesten vormen.

Het feest dat de Depati in zijn dalem aanrichtte was schitterend; een

groote tafel, waaraan wel driehonderd man konden zitten, was onder een

ruime pendoppo opgeslagen; voor de gasten waren chineesche stoelen

neergezet; aan het hoofd der tafel zat de grijze Panombahan, wien men

echter met moeite deze eereplaats had opgedrongen, daar hij deze aan

den veldheer wilde afstaan. Aan zijn rechterhand was majoor Knol

gezeten en aan de linkerzijde de Depati Soerabaya, die een man met een

stemmig, eenigszins ontevreden gelaat aan zijn zijde had, de

veldprediker François Valentijn namelijk. Zeer tegen zijn zin maakte

hij dezen veldtocht mede en met misnoegden blik liet hij de rijke

verscheidenheid van schotels langs hem heen trekken, want hoe heerlijk

toebereid ook het wildbraad, het ossen-, kalfs- en hertenvleesch zijn

mocht, hij kon er niets van genieten daar alles met klapperolie was

toebereid, hetgeen de spijzen voor hem oneetbaar maakte; zijn gedachten

waren klaarblijkelijk verre van daar te Batavia, waar hij een zieke

vrouw en verscheidene kinderen had achtergelaten of bij het weinig

verkwikkelijke vooruitzicht van den aanstaanden veldtocht.

Hij kon toch niet nalaten nu en dan een blik te werpen op de vrouwen

tot het gevolg van de Javaansche prinsen behoorende, die ten getale van

honderd in een halve maan achter de tafel op kleine matten gezeten

waren; zij schenen echter het bezien nauwelijks waard, zonder de

bloemen en juweelen die haar versierden. Op den predikant Valentijn

volgden de andere kapiteins, officieren, Javaansche en Madureesche

prinsen.

Hoewel het feest door een Mahomedaan gegeven werd en zoovele andere

Mahomedanen er deel aan namen, vloeide de wijn in ruime mate, en deze

bond welhaast de tongen los; toen de eigenlijke maaltijd geëindigd was,

verscheen het dessert op tafel dat zoo het kon alles wat reeds

voorgediend was, in overvloed en rijkdom overtrof. De heerlijkste

pompelmoezen, djamboes, pisangs, ananassen, manga’s in de rijkste

verscheidenheid, sappige nanka’s, goudgele doerians,

tamarindeconfituren en ketelawortelen in sierlijken vorm gerangschikt,

streelden vooral het oog van den armen predikant, die zich tot nu toe

slechts met droge rijst had moeten behelpen.

Allen prezen het rijke onthaal dat de Depati zijn gasten aanbood en den

smaak zijner trotsche eerste vrouw, een Japarasche prinses, die hem in

hoogmoed waardig terzijde stond; niemand hechtte ongetwijfeld op dit

oogenblik eenig geloof aan de lasterrijke praatjes, welke hier en daar

gefluisterd werden van de al te goede verstandhouding, welke tusschen

dezen prins en den vijand bestond.

Gedurende het geheele maal hadden de Javaansche orkesten zich laten

hooren; een vroolijke, opgewekte geest scheen aan tafel te heerschen,

want de regent van Soerabaya was ondanks zijn grooten trots toch een

hoogst aangename, gulle gastheer.

Er werd tusschen de drie legerhoofden druk gedronken en geklonken, op

den goeden uitslag der expeditie en der vereenigde wapenen; daar

verbleekte de Depati plotseling, de hand waarmede hij het glas aan de

lippen wilde brengen, beefde zoo sterk, dat de inhoud over zijn

goudlakensch wambuis viel.

De Panombahan brak in een luidruchtig gelach uit, hij dacht niet anders

of de wijn had zijn sterken broeder van Soerabaya reeds het verstand

beneveld en de kracht der vingers ontnomen. Met een gedwongen lach

verontschuldigde zich de Depati; een der slaven, die aan tafel dienden,

een groote, sterke man, was toegesneld en wischte met een doek de

druppels weg. Niemand zag hoe van terzijde de regent den bediende

aanzag en hem binnensmonds toevoegde:

„Vermetele, hoe durft gij?”

De slaaf ging echter voort met zijn werk en sprak:

„’t Is gedaan, edele Heer!”

Hij verwijderde zich vervolgens weer en nam een der schotels met

vruchten op om ze den bevelhebber aan te bieden; doch de oogen van den

Depati bleven hem steeds volgen, zoo bemerkte hij ook hoe deze slaaf in

het voorbijgaan een anderen aansprak, wiens donker bijna zwart gelaat

zich met woeste, grimmige uitdrukking op de Hollandsche gasten richtte.

Slechts een verstrooid oor leende de regent meer aan de gesprekken; hij

glimlachte soms werktuigelijk maar vermeed telkens mede te spreken,

terwijl de beide slaven zich thans achter den zetel van den Madurees

bevonden, die met Govert Knol de bijzonderheden van den veldtocht druk

besprak.

Wie let er ook op een slaaf? Noch de majoor, noch de Panombahan

koesterden eenige achterdocht, terwijl de slaaf met onverschillig over

elkaar geslagen armen achter hun stoelen stond en zijn blikken koel

door de pendoppo deed dwalen.

Tevergeefs hield dominé Valentijn een zeer belangwekkend gesprek over

Hollandsche en Javaansche vruchten, de Soerabayasche prins luisterde

niet; op zijn vragen aangaande de verscheidene soorten van djamboes en

pisangs kreeg hij dikwijls de meest onzinnige antwoorden, zoodat de

goede leeraar tot het besluit kwam den hoogmoedigen prins niet langer

het genot zijner gesprekken te gunnen.

Eindelijk stond de Edele Heer Knol op; de twaalf dragers van den

Panombahan schoten toe en hieven hem weer op de draagplank, alle andere

grooten verwijderden zich nu ook van de tafel, terwijl het gevolg

toeschoot om van het rijke overschot zijn deel te nemen.

De Depati verliet alleen de pendoppo; langzaam en ongemerkt volgden hem

de beide slaven, die hij in ’t voorbijgaan had toegewenkt. Zij begaven

zich naar een binnenplein door een hoogen muur van de feestzaal

gescheiden; hier waren zij alleen en onbespied, maar nog steeds behield

het gelaat van den regent een bezorgde, onrustige uitdrukking, die zijn

beide gezellen in een hartelijken lach deed uitbarsten.

„Gij kunt lachen, maar ik meende door den grond te zinken!” riep hij

toornig uit, „hoe durft gij het wagen!”

„Als ik ’t niet waagde, wie zou het anders doen?” antwoordde de

grootste slaaf, „heb ik mij niet goed van mijn taak gekweten, hoewel

het jaren en jaren geleden is, sints ik het slavenpak droeg en een

tafel diende? Inderdaad Soerabaya, uw tafel is schitterend en uw gade

een uitstekende gastvrouw, maar nog schooner is het vereenigde leger.

Hoe zal ’t er over een maand mee gesteld zijn?”

„Gij hebt de wapenschouwing bijgewoond?”

„Natuurlijk, ik wilde weten, hoe men mij vreesde; dezen morgen in alle

vroegte verlieten wij Kali-Anjer in een kleine boot, Wirajoeda en ik,

we kwamen juist bijtijds om het uittrekken der troepen te zien, maar ik

had er niet genoeg van, ik wilde de Hollanders van nabij beschouwen en

iets van hun plannen hooren. ’t Is mij goed gelukt, ik heb veel

vernomen, waarmede ik mijn voordeel kan doen.”

„Maar hebt ge niet bedacht aan hoeveel gevaren gij u blootstelt, niet

alleen uzelf maar ook mij?”

De toon van den Depati klonk thans laag en bijna ootmoedig.

„Uw toestand is gevaarlijk Soerabaya, ik erken ’t. Zeg mij oprecht,

hebt gij geen lust u in waarheid met de Hollanders te verbinden en mij

te bestrijden, de gelegenheid is schoon, ik bevind mij in uw macht. Een

woord en ik ben uw gevangene!”

„Neen, duizendmaal neen! Mataram zal verdwijnen, en de Madurees

eveneens; ik haat den ouden wellusteling, voor wien ik mij in ’t stof

moet vernederen, om den soembah [31] te doen, als ware ik zijn

onderdaan en niet een bijna onafhankelijk vorst. Gij zijt mijn eenige

hoop, als we dit leger vernietigen dan is de macht en het aanzien der

Hollanders voorgoed gefnuikt.”

„En als ik sneuvelen mocht, Soerabaya?”

„Groote gevaren heeft mijn broeder doorstaan, en steeds bleef hij

onoverwinnelijk, waarom zou thans zijn ure slaan? Maar juist daar er

zooveel afhangt van uw leven, sidderde ik zoo even toen ik u onder deze

vermomming herkende. Heeft niemand argwaan opgevat?”

„Niemand, er zijn thans zoovele vreemdelingen in de verschillende

hofstoeten dat geen zijn buurman wantrouwt. De Madureezen vroegen mij

of ik een Rembanger was en aan die van Toeban verhaalde ik dat ik den

Depati van Japara toebehoorde, maar nu moeten we vertrekken,

Wirajoeda!”

„Doch gij hebt nog niets gebruikt om u te versterken of te

verfrisschen.”

„In een warong hebben we straks ons maal genomen, minder rijk, ’t is

waar, dan het uwe, Depati, doch ruim voldoende. Ik ga terug naar

Bangil, gij houdt u aan onze afspraak; laat uw zonneschermen steeds

vooruitdragen dan zal ik zorgen dat niemand op uw manschappen schiet.”

„Heldenmoed zal hun moeilijker te leeren zijn, dan lafhartigheid.

Gemakkelijk is ’t voor hen het parool op te volgen van niet te vechten.

Doch zal ik u geen wacht geven om u te vergezellen?”

„Neen, elke voorzorg vermeerdert ons gevaar; mijn gezel moet zich

haasten naar Kediri, waar een andere inval wordt verwacht. Met den

kreupele is niets uit te richten.”

„Welnu, als het oogenblik daar is, laten wij hem vallen als een vaandel

dat zijn dienst gedaan heeft. Tot wederziens! Hoe vurig verlang ik mijn

broeder op zijn beurt hier feestelijk te ontvangen, dan zal het een

gastmaal zijn, waarbij dit in het niet verdwijnt.”

„Ik wensch het met u maar wisselvallig zijn de kansen van den krijg. ’t

Is een dobbelspel dat wij spelen Soerabaya, en de inzet is ons leven,

ons land.”

„Verlies geen moed broeder, want als gij die kostbare gave laat zakken

is alles gedaan. Vaarwel! wees voorzichtig, ik zal u den kortsten weg

wijzen uit mijn dalem, naar de Kali Mas.”

„Doe geen moeite, ik ken den weg, ga naar uw gasten terug broeder, die

uw afwezigheid stellig betreuren, wij redden ons zelf.”

De regent keerde met bezwaard gemoed naar zijn gasten, die zijn

afwezigheid op hun wijze uitlegden en zich verlustigden of verveelden

met het gezicht der danseressen, die haar kunstigste toeren ten beste

gaven voor het hooge gezelschap.

Intusschen waren de beide vermomde slaven zonder ongeval in hun

schuitje gekomen, dat door vier roeiers in beweging werd gebracht. Snel

doorkliefde het de baren, die in de laatste zonnestralen met vuurrooden

glans schitterden.

Spoedig viel de duisternis en met haar kwam zich een gouden weefsel van

sterren in de zacht geschubde wateren spiegelen. Soerapati zat achter

in het prauwtje, tegenover hem lag Wirajoeda uitgestrekt; met snelle

slagen roeiden de roeiers voort, verscheidene scheepjes vlogen hen

langs en niemand vermoedde, wie zich in dat onaanzienlijke schuitje

bevond. Beide mannen zwegen, plotseling vroeg de vorst:

„Wat zegt ge van die troepenmacht, Wirajoeda, uitgezonden om mij, mij

alleen te bestrijden?”

„Die troepen jagen mij geen schrik aan maar wel het zware geschut, hoe

zullen wij dat op den duur weerstaan? De moerassige grond, het

verwijderde seizoen zijn onze beste bondgenooten, zullen zij op den

duur bestand blijken tegen die kanonnen, mortieren en handgranaten? Hoe

weinig kunnen wij daar tegenoverstellen? O meester, waarom hebt ge het

mij verboden? Een druppel in den drank van die blanke honden en zij

waren onschadelijk geworden....!”

„Sinds wanneer strijden wij met zulke wapenen, vriend? Een rijk is al

zeer nabij zijn ondergang wanneer de vorst tot deze middelen zijn

toevlucht moet nemen. Wij zullen hen ontvangen achter onze

versterkingen en dan zien wie de sterkste blijkt.”

„Nooit steeg het water ons zoo hoog aan de lippen.”

„Ge hebt veel vergeten Wirajoeda, en in de gevangenis van Batavia dan

en in het gebergte van den Preanger en in den dalem van Karta-Soera? ’t

Is zoo, we waren toen jonger, wij hadden minder te verliezen, maar toch

alles wel beschouwd, ik heb nu ook niets te laten dan mijn leven, is

dat weg, welnu....”

„En uw rijk dan?”

„Het zal met mij staan of vallen, ik heb vele erfgenamen maar geen

opvolger.”

„Meester,” vroeg Wirajoeda zacht, „is ’t waar, wat men fluistert? Hebt

gij den zoon uwer blanke vrouw teruggevonden en wildet gij hem

verheffen boven al uw andere kinderen?”

„Het is zoo, Wirajoeda en ook gij zoudt hem gehoorzaamd hebben daar hij

de eenige was, die mijn rijk in mijn geest zou hebben voortgezet maar

noch Lembono, noch Pengantin, noch mijn andere kinderen had ik

benadeeld. Hem zouden de grootste plichten zijn ten deele gevallen.

Hadt gij hem gehoorzaamheid geweigerd?”

„Gehoorzaamheid weigeren aan den uitverkorene mijns meesters, dat

nooit, al zou ook mijn hart gebloed, mijn stem gebeefd hebben bij het

zweren van den eed van trouw!”

„Ik weet dat ik op u rekenen kan, oude vriend! Hoe lang was de weg,

dien wij samen maakten uit het slavenhok naar den vorstentroon, van het

Westen van Java tot aan het Oosten vervolgden wij dien weg, wij gingen

de zon tegemoet. ’t Ware jammer Wirajoeda, als wij vergeefs hadden

gearbeid; wie kan mijn werk voortzetten, geen mijner zonen, evenmin als

de Balembanger maar mijn Hollandsche zoon is moedig, onverschrokken,

eerlijk en trouw als zijn moeder.”

„Als zijn moeder?”

„Ja, als mijn Suzanna, die den dood en de schande verkoos boven ontrouw

aan mij. Kiai Hemboong en Radhen Goesik hebben mij bedrogen, niet zij;

mijn tegenwoordige vrouw echter vreest niet tegen mij samen te spannen

juist in de ure des gevaars en mijn taak nog zwaarder te maken. Zij

echter was trouw als goud en dit is de troost mijns levens.”

„Maar uw zoon, waar is hij nu?”

„In den kerker; hij heeft bezwaren, ik hoop die te overwinnen, daarbij

nergens is zijn leven veiliger dan juist daar!”

„Zal nimmer uw voorkeur tot de vreemdelingen tanen, meester; hebt ge

niet genoeg van hen verduurd? Hebt ge het lot vergeten van kapitein

Jonker, dien zij beleedigd, gewantrouwd, vervolgd en doodgeslagen

hebben?”

„O als ik slechts tijd van leven hebben mag, als mijn zoon wilde, dan,

dan...! Maar neen! Ik heb van nacht zonderling gedroomd, Wirajoeda, ik

verbeeldde mij in Malang te zijn, ik zag de hoogvlakte aan mijn voeten

met haar wouden en terrassen, ik zag de breede stroomen en de hooge

bergen, de bergribben en kloven zoo duidelijk als ik ze meermalen in

werkelijkheid aanschouwde en plotseling bemerkte ik dat bruggen van

ijzer en steen de rivieren overspanden, dat zich steden aan den voet

der bergen legerden, dat op de reede van Pasoeroean reusachtige schepen

het water doorkliefden. Plotseling hoorde ik een zonderling gerucht, ik

zag omlaag en daar kronkelde zich al sissend een reusachtige slang vuur

en vlammen brakende door de bosschen en wolken rook dreven over de zee

en over die groote schepen. ’t Was vreemd maar niemand verschrikte voor

de zonderlinge monsters, die zee en aarde verontrustten. De slang drong

in de bergen en trok over de rivieren, hijgend en loeiend bleef zij

soms staan en menschen verlieten haar schoot, blanken en bruinen waren

het, ik zag ze nauwlettend aan en zie het werd mij duidelijk hoe ’t

land toch niet van aanschijn was veranderd, hoe ook de bergen

doorboord, de rivieren overbrugd, de afstanden verdwenen waren,

tusschen ons volk en het hunne bleef een wijde klove gapen. Zij waren

nog steeds de meesters en wij de dienaren. Toen begreep ik dat ook mijn

werk vergeefsch was geweest, en ik ontwaakte vol bittere smart. Vriend,

onze weg spoedt ten einde!”

VI.

VOOR BANGIL.

Het leger der Hollanders lag in de rijstvelden van Derma gekampeerd;

deze vruchtbare vlakte strekt zich tusschen een dicht woud en het

stadje Bangil uit, dat geducht versterkt was en elken verderen

doortocht belette.

Een zwaren moeilijken tijd had de vereenigde legermacht der Hollanders,

Madureezen en Soerabayers doorstaan.

De weg voerde over den vochtigen, moerassigen bodem van de Delta der

Kalimas of Brantasrivier, welke daarenboven door talrijke riviertakken

besproeid was, die het leger moest doorwaden of overbruggen; de zware

hitte, de schadelijke uitwasemingen van den grond, het gebrek aan water

en welhaast aan levensmiddelen brachten het leger spoedig in

betreurenswaardigen toestand.

Bij het dorp Penangoengan lag de vijand achter een verschansing, het

gelukte den kommandant Knol hem van hieruit te verdrijven, nadat hij

over de rivieren, welke er voor lagen met de grootst mogelijke

inspanning eenige bruggen had laten slaan.

In plaats echter dat deze overwinning den moed onder de manschappen

opwekte, werd de stemming hoe langer, hoe treuriger; met moeite rukte

men in den vroegen morgen voort, het aantal zieken nam steeds toe, de

lastdragers, Javaansche koelies van het minste soort, wierpen telkens

hun bagage op den grond en zetten het dan op een loopen, met geweld

moest men hen telkens tot voortgaan dwingen. De krijgshaftige troepen

uit alle volkeren van den Archipel bestaande, welke voor weinige dagen

Soerabaya, met vliegende vaandels en slaande trommen, hadden verlaten,

waren in een weinig oogelijke, havelooze menschenmassa veranderd, die

zich met moeite voortsleepte onder de brandende zonnestralen.

Maar wat echter hun moed geheel knakte en allen lust tot strijden en

voortgaan benam, was het vermoeden dat zij opzettelijk langs dwaalwegen

gevoerd werden naar een hinderlaag; met wantrouwen zagen zoowel de

Hollanders als de Madureezen den trotschen regent van Soerabaya aan,

die met zijn drie broeders een leger van lafaards aanvoerde; zoodra het

oogenblik des gevechts gekomen was, wierpen deze helden zich ter aarde

en weigerden voort te gaan; daarenboven hield men zich overtuigd dat de

vorst dagelijks boden naar Soerapati zond om hem in kennis te stellen

van alles, wat er in het Compagniesleger plaats had.

Met de grootste moeite werd het zware geschut door allerlei greppels,

moerassen en kleine rivieren gesleept, over half overstroomde

rijstvelden, totdat men een groot bosch al kappende moest doortrekken.

Eindelijk kwam men aan de rijstvelden van Derma. Hier werd een gedeelte

van het leger dat vooruitgezonden was om zich een weg door het volgende

woud te banen door den vijand aangevallen en evenals de compagnieën

onder den onstuimigen kapitein de Bevere, die tot hun ontzetting werden

uitgestuurd, deerlijk geslagen.

Omstreeks 140 man werden door vijanden wier aantal nauwelijks de helft

bedroeg gedood; het waren alweder de ruiters van den Depati Soerabaya,

die oorzaak geweest waren van deze nederlaag.

Groote verslagenheid heerschte er na dit ongelukkig voorval in het

Hollandsche kamp; de dragers waren niet meer te bewegen voort te gaan,

hoe zij ook aangedreven en zelfs geslagen werden, vóórdat aan

weerszijden van den weg een pagger ter hunner verdediging werd

opgericht; dit kostte natuurlijk veel tijd, een dure tijd nog wel, daar

de regentijd aanstaande was en de ellende niet zou te overzien zijn

indien het leger te midden van deze moerassen en over hun bedding

stroomende rivieren door het slechte seizoen verrast werd.

De tenten van den Hollandschen legerhoofdman lagen in het midden, die

van den Madureeschen Panombahan links en die van Depati Soerabaya

rechts; de Heer Knol had zoolang hij kon nog een open tafel gehouden,

thans echter was de mondvoorraad uitgeput, slechts met wat droge rijst

en ellendig water moesten officieren en manschappen hun leven rekken.

Niemand mismoediger dan de heer Valentijn, die zich hoe langer hoe

zieker voelde en aan den toestand van zijn lichaam nog vrij wat meer

waarde hechtte dan aan het treurige vooruitzicht dat het leger der

Compagnie wachtte; hij boekte alle lotgevallen van deze reis even

nauwkeurig als alle verschillende tijdperken die zijn lichaam doorliep.

Den tijd, dien de vijanden noodig hadden om langzaam voort te rukken,

want om 1½ mijl te vorderen besteedden zij 12 dagen, benuttigde

Soerapati om de verdediging van Bangil te voltooien; achter twee

kanalen lagen zijn versterkingen over een groote, eenigszins

binnenwaarts gebogene linie, de rechter- en linkerwerken sprongen een

weinig vooruit, terwijl nog op een zevental plaatsen de linie versterkt

was door katten.

Achter deze wallen lag het stadje Bangil: de Hollanders hadden thans

vijf bolwerken met veel moeite opgericht, welke dienen moesten om den

vijand op vijf plaatsen tegelijk aan te tasten.

Den 16 October des morgens om half zeven begon de storm; de Panombahan

en zijn Madureezen tastten de vesting ter linkerzijde aan, de kapiteins

van der Hout en Bintang in het front, de Soerabayers ondersteund door

kapitein de Bevere aan de rechterhand.

Het gevecht ontbrandde van beide kanten; onder het hevig geweervuur van

den vijand rukte het Compagniesleger vooruit; niemand echter waagde

zich zooverre als kapitein de Bevere, die zijn nederlaag van voor

weinige dagen moest uitwisschen; hij was de eerste, die den

vijandelijken wal beklom, zonder van een stormladder gebruik te maken.

Toen hij door een vijandelijke piek neergestooten verdween, meende de

bevelhebber dat hij gesneuveld was en zond een anderen kapitein om hem

te vervangen maar bijna dadelijk zag men hem weer op den wal, waar hij

zijn vaandel onverschrokken plantte; de piek had slechts de kwast van

zijn sjerp getroffen en hij was in de armen van zijn oppasser

neergevallen.

Ook kapitein van der Hout deed wonderen van dapperheid, tachtig zijner

mannen waren door de reten der bamboes van den pagger neergeschoten en

groote verslagenheid dreef de troepen aan tot vluchten, maar de

kapitein rukte de sabel uit de scheede, stelde zich aan het hoofd

zijner mannen en dreigde ieder die vluchtte neer te sabelen. Dit hielp,

binnen weinige oogenblikken verdreef hij den vijand ook van dezen post.

De Madureezen kweten zich wel op dezen dag; kloppend op een kleinen

gong gaf de tachtigjarige Panombahan telkens het sein tot den aanval;

drie keer werden zij teruggeslagen en telkens hernieuwden zij den

aanval totdat zij den vierden keer ondersteund door den veldheer Knol

zelf, meester van deze plaats werden.

Alleen de Soerabayers vochten meer in schijn dan werkelijk, zij sloegen

met de pieken tegen die van den vijand als gold het een spiegelgevecht

en toonden telkens lust van de veroverde punten weg te vluchten, indien

kapitein Sergeant hun niet met geweld in het vuur had teruggedreven.

Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java · 第 28 / 30 段