Radhen Wiro Negoro ernstig, „’t is waar, de verwarring was groot, wij
zagen haast niets, zoo verblindde de kruitdamp onze oogen, maar toch
weet ik zeker, hoewel ik in het vuur der zelfverdediging in het wild om
mij heen sloeg dat de gezant niet door mijn hand viel. Van verraad was
echter bij mij geen sprake; de Soesoehoenan en de Rijksbestuurder
hadden mij in hun dienst genomen, zij speelden een dubbele rol; voor de
Hollanders namen zij den schijn aan dat ik hen bedreigde, terwijl hun
vurige wensch was dat ik hen van de vreemden verloste. Eerst toen men
ons aanviel en insloot, heb ik mij door mijn aanvallers een weg
gebaand, onverschillig wie zij waren. Ik weet het, nu roepen ze mij nog
tot verantwoording over de mannen van Kuffeler, die ik verslagen heb,
maar wie zal hen ter verantwoording roepen voor al het bloed, waarmede
zij onze eilanden overstroomen? En wat hebben wij gewonnen in ruil van
onze vrijheid, van ons bloed?”
„Veel, want aan hoeveel wreede willekeur en hoeveel boosheid, die aan
de hoven heerscht, maakten zij een einde door hun inmenging!”
„Niemand heeft hen hier geroepen en meent ge dat zij hier komen om ons
beter, verstandiger, beschaafder te maken? Hun eenig doel is rijk te
worden ten koste van ons. Ik heb hooren verhalen van hen, die ’t wisten
door hun grootvaders, dat de Portugeezen anders handelden; zij vonden
ons niet onwaardig hun gelijke te worden. Zij konden wreed zijn en
onrechtvaardig maar er waren toch bezittingen, die zij hooger stelden
dan goud en zilver en die zij aan de overwonnelingen wilden mededeelen.
Welnu, de straf zal niet uitblijven, wanneer deze landen, uitgeput en
uitgezogen zijn, dan is ook de macht der Hollanders geknakt, en de
Islam heeft vrij spel om de ongeloovigen uit te roeien.”
„En toch wilt gij met hen een bondgenootschap sluiten?”
„Ja, omdat zij bezitten, wat ons ontbreekt en zonder hetwelk wij niet
veranderen kunnen, maar zij weigeren het ons te geven, daar anders de
goudader minder rijkelijk vloeit.”
Eenige weken gingen aldus om en dagelijks kwamen er tijdingen van den
naderenden vijand; schepen met 15000 mannen bevracht waren te Soerabaya
aangekomen en daar feestelijk door de regenten van Soerabaya en Madura
ontvangen; gezamenlijk zouden zij tegen den gemeenschappelijk en vijand
oprukken, in afwachting daarvan namen de steekspelen, maaltijden en
danspartijen geen einde.
Robert hoopte en vreesde tegelijk een ontknooping; van dag tot dag
stelde hij het uit, zijn vader naar diens besluiten te vragen, zijn
geheele toekomst stond op het spel; nu of nooit moest de Wilde of
liever de bevelhebber Govert Knol, die dezen veldtocht leidde de
inlichtingen ontvangen, welke hij noodig had en wat moest hij zeggen?
Kon, mocht hij thans den vijand verraden in wien hij zijn vader had
terug gevonden, mocht hij misbruik maken van het vertrouwen hem zoo
ruimschoots en zoo openlijk geschonken?
Zijn leven geleek een ware feestdag, niets ontbrak hem, alle slaven van
den dalem vlogen op zijn wenken; de kroonprins werd ongetwijfeld niet
beter bediend, de rijksgrooten zelfs behandelden hem met eerbied. Nu
eens werd hij op dit dan weer op dat feest genoodigd, alleen de prinsen
hielden zich op een afstand en veinsden hem niet te zien, maar
Soerapati had Pengantin’s straf nog niet opgeheven, hij mocht nog
steeds zijn woning in den kraton niet verlaten, Lembono was met den
erfprins naar Balembangan gestuurd, Nitro vertoefde in Bangil. De
Rijksbestuurder Amirang Koesoemo was nu in Kediri, waar hij bij Soenan
Mas de plaats van den regent innam, die aan de zijde van den Vorst
bleef, wiens trouwste vriend en raadsman hij was.
Op zekeren morgen zat Radhen Wiro Negoro alleen in zijn vertrek in
gewichtigen arbeid verdiept; zoo juist was hem een brief van den Depati
van Soerabaya gebracht, waarin deze meldde dat de expeditie nog niet
vertrekken kon daar de meer dan tachtigjarige regent van Madura zich
niet op weg wilde begeven, vóórdat de maan rijzende was; de
Soerabayasche prins beloofde alle mogelijke inlichtingen bijtijds aan
zijn vriend en bondgenoot te verstrekken. Hij beschreef hem verder
nauwkeurig den weg, dien hij aan het leger zou doen nemen; nog was de
argwaan der Hollanders niet opgewekt, hij bewees hen den grootsten
eerbied, hield hen met feesten bezig maar zwoer nogmaals zijn machtigen
vriend en broeder Radhen Wiro Negoro trouw. Op een kaart, die voor hem
lag, teekende de vorst thans de doorgangen af van het vijandelijke
leger en tevens den loop, dien hij aan het zijne wenschte te geven, zoo
verzonken was hij in zijn werk dat hij niet eens de nadering vernam van
een menschelijk wezen, totdat een beweging aan zijn voeten hem deed
opschrikken; hij zag naar den grond en bemerkte daar opgerold als een
kluwen, den kleinen dwerg.
„Boeloe Kidoer! Hoe durf je mij hier storen?” zeide hij toornig.
„Meester,” hijgde de arme dwerg, „ik moet u spreken, ’t is misschien
voor het laatst, want de kleine man gaat sterven; zijn leven was toch
al niet veel meer waard in den laatsten tijd, een voetslag van uw zoon
Pengantin deed het overige.”
„Hoe, heeft Pengantin je mishandeld, is ’t mogelijk, u, den lieveling
zijner moeder!”
„Ik ben ’t niet meer, ik heb de gunst der hooge Ratoe verloren, en toch
beken ’t meester, aan mij hebt ge beiden het te danken dat gij zoo hoog
gestegen zijt. Weet ge nog meester, hoe ik in de wouden van den
Preanger u ’t eerst uw hooge bestemming heb geopenbaard en daardoor de
liefde van Radhen Goesik nog hooger deed opvlammen? En heb ik u den
ngempoel niet geleerd, die u zoovele vijanden deed overwinnen?”
Radhen Wiro Negoro glimlachte.
„Dat hebt ge, arme Boeloe! Inderdaad ge hadt een beter lot verdiend; de
zoon van haar, die gij zoo trouw hebt aangehangen, is wel schuldig dat
hij u zoo mishandelde. Welke reden had hij daarvoor?”
„Luister naar den dwerg, meester! Hij heeft u nog iets te zeggen. Veel
heeft Radhen Goesik aan mij te danken, meer dan gij weet of zelf
vermoedt. Als Kiai Hemboong op mijn raad en ten haren gevalle uw hart
niet had losgerukt van de blanke vrouw, dan zoudt gij nimmer gebroken
hebben met de Compagnie, nog minder ooit met haar gehuwd zijn.”
„Wist zij er dan van?” vroeg Soerapati bleek van toorn.
„Ik werkte voor haar en Kiai Hemboong voor u. Samen besloten wij u af
te scheuren van de Hollanders, de ring, dien gij ontvingt als komende
van Nonna Suzanna was uit haar juweelkistje afkomstig. Meester, zie mij
zoo dreigend niet aan! Als ik slecht deed, vergeef mij of ten minste
spaar mij tot ik uitgesproken heb; met een slag kunt ge mij dooden!”
„’t Is waar, ik vertrap geen wormen... Spreek voort, monster!”
„En nu haat mij de vorstin met haar kinderen omdat ik hare plannen heb
doorzien. Zij spannen samen tegen u, Meester en tegen den knaap, in
wien zij uw zoon vermoeden; zij hebben zijn dood besloten. En de
Mahomedaansche priester Sheik Abdoelah stookt het reeds zoo hevige vuur
nog meer aan. Alle dagen komen zij samen in de woning van Mas Pengantin
en spoedig zullen zij den slag slaan. Wees dus op uw hoede Radhen
Adipati, uw bitterste vijanden dreigen niet van buiten maar van binnen!
Dood mij nu, den dood uit de handen van zulk een groot, dapper man zal
mij zoet wezen, zoeter dan de mishandelingen van dien dwazen knaap,
welke zich uw zoon noemt.”
„Vertrek Boeloe Kidoer! Sterf of word beter naar dat ge verkiest, ik
dank je voor die mededeelingen en zal er gebruik van maken, vertrek
nu.”
„Ik ga, Meester, ik ga. Ge doodt mij niet, ge jaagt mij alleen weg. Gij
zijt goedertieren en toch wreed. Nog iets! Is die knaap u werkelijk
dierbaar, bescherm dan zijn leven, want het loopt groot gevaar! Niets
is meer te vreezen dan de jaloezie eener booze vrouw.”
En hij kroop met moeite weg, hevige zuchten slakend; buiten gekomen
rolde hij zich in een hoekje naar zijn gewoonte, ineen.
„Ach, we gaan allen heen! De oude Kiai is weg en komt nooit weer terug
en nu moet ik sterven, maar wat is onze dood naast den zijne en dezen
lees ik zoo duidelijk als de zonnestraal hier op den vloer, in zijn
oogen. Dan zal ’t eerst goed gaan voor het moedertje en haar laffe
zonen! Zij zijn vorsten ja, maar den slaaf zullen zij missen, o zoo
zeer! En ook Boeloe Kidoer.... wat zal zij naar hem rondzien maar dan
is hij weg, weg voor goed weg en als ze hem roept dan verschijnt hij
niet meer, neen, nooit meer!”
Zijn hoofd viel op de ingevallen borst die sterk begon te reutelen en
toen een uur later slaven door ’t vertrek kwamen, zagen zij daar een
rol kleeren liggen; zij namen dien op en vonden het lijk van Boeloe
Kidoer den Bantamschen dwerg.
Radhen Wiro Negoro ging intusschen heftig bewogen zijn kamer op en
neer, de handen over de borst gekruist, hetgeen hij altijd deed wanneer
hij een gewichtig besluit te overwegen had.
„Ik kan niet langer dralen, de tijd dringt, de omstandigheden drijven
mij, ik moet weten, wat ik van hem te hopen of te vreezen heb. Mijn lot
en dat van mijn rijk berust in zijn handen, dan zal ik weten, wat ik
met dat addergebroed te doen heb. Alles kan ik dragen, wanneer hij mij
steunt, dan kan ik hen missen en dus ook dwingen; een nieuw, krachtig
leven begint voor mij, schitterender dan alles wat voorbij is.”
Hij sloeg op den gong en beval den binnentredenden slaaf, dat men
Toewan Sidin—onder anderen naam was Robert aan het hof niet bekend—zou
roepen.
Eenige oogenblikken later kwam zijn zoon binnen en bood hem zooals zijn
gewoonte was bij de begroeting de hand aan. Radhen Wiro Negoro drukte
deze met nog meer warmte dan anders en verzocht Robert naast hem te
zitten.
„Ik moet een ernstig gesprek met u voeren, Robert,” zoo begon hij. „De
tijden zijn donker. Ik wil een beslissing nemen.”
„Reeds lang had ik u daarom willen vragen,” antwoordde de jonge man.
„De vijanden zullen spoedig voorwaarts rukken Robert, en ik moet mij in
het veld begeven om hen te bestrijden, maar nog erger vijanden dreigen
mij in den kraton, mijn eigen vrouw en kinderen spannen tegen mij
samen; niet alleen op mij hebben zij het gemunt maar ook op u.”
„Ik weet het,” hernam Robert glimlachend, „gisteravond was een man
onder mijn bed verscholen. Ik heb hem ontwapend en toen mijn kamer
uitgeworpen, hier is zijn kris.”
„Leg ze neer! Dit zijn bewijzen, die ik weldra noodig zal hebben. Het
is om uwentwille vooral dat zij ontevreden zijn. Mijn vrouw vermoedt in
welke verhouding wij tot elkander staan; ik heb niets geloochend maar
ook niets bekend en ik kan nog niets doen, nog geen schuldige straffen,
vóór ik weet of ik op u rekenen kan.”
„Waarin, Radhen Adipati?” nog gaf tot Soerapati’s grootste
teleurstelling Robert hem niet den vadernaam.
„Hoor toe! Gij weet veel, zoo niet alles van mij! Ik heb u mijn leven
blootgelegd, mijn plannen, mijn zorgen, mijn gedachten en denkbeelden,
gij weet dus ook in welken kommer ik leefde voor uw komst, daar ik het
vooruitzicht bezat, hoe alles wat ik met zooveel arbeid tot stand
bracht na mijn dood verdwijnen moest. Mijn zonen zijn zwakkelingen, in
niets onderscheiden van de Javaansche prinsen der naburige hoofden. De
erfzonden van deze geslachten, wreedheid en losbandigheid kleven hen
aan en door geen groote deugden houden zij hun verkeerde neigingen in
evenwicht. Wat zal er worden van dit rijk als ik in den strijd nu
aanstonds vallen mocht?”
„Waarom denkt ge aan die mogelijkheden?”
„Het is alleen de dwaze, die den dood in de oogen vreest te zien. Te
dikwijls reeds zag ik hem mij bedreigen dan dat ik nog angst voor zijn
nadering koesteren zou. Ik ben niet onkwetsbaar zooals mijne soldaten
het meenen. Zoo ik sneuvel, dan zal Soenan Mas zijn rechten doen gelden
op deze landen en er mijn zonen mede beleenen; te zamen zullen zij
trachten den Hollanders het hoofd te bieden of wel zij gaan dadelijk
vrede met hen sluiten, een vrede, waarbij zij alles verliezen, de Islam
zal in volle kracht zegevieren en alles overheerschen. In elk geval met
Soerapati’s rijk is het gedaan.”
Zijn stem klonk dof en treurig bij deze woorden; na een poos vervolgde
hij:
„En dit is ook beter! Welke reden van bestaan heeft dit rijk ook
wanneer Pengantin, Nitro en Lembono onder Soenan Mas en Sheik Abdoelah
het regeeren? Beter is ’t ongetwijfeld dat de Hollander er den hiel
opzet en ’t onder zijn zorg neemt. Die gedachte kwelt mij nacht en dag;
met mij zal ook mijn werk in ’t graf dalen.”
„Maar ge zijt nog geen grijsaard Adipati, en de kansen van den oorlog
kunnen u gunstig zijn.”
„Zal het gevaar daardoor geweken zijn? Het oogenblik van mijn dood kan
verschoven worden, ’t is waar, doch in en met mij gaat toch eenmaal
alles ten gronde; toen ik alles verloren waande, kwam er plotseling
licht. Gij werdt mij toegezonden, mijn oudste, mijn liefste zoon, het
kind van de eenige vrouw, die ik ooit heb bemind. In u zag ik alles
vereenigd wat ik wenschte.”
„En wat wenscht ge dan?”
„De droom van mijn leven is geweest, gij weet het, toenadering tot de
Hollanders; ik erken in hen een hooger ras, zij hebben een volmaakter
godsdienst, meer wetenschap, meer kennis, meer beschaving dan wij, maar
kunnen deze bezittingen dan ook niet de onze worden? Waarom moet altijd
een afgrond blijven gapen tusschen hen en ons? Is ’t omdat zij blank en
wij bruin zijn, maar ons verstand ons hart zijn dezelfde toch, ons
uiterlijk alleen verschilt. Gij hebt daar in Europa grootsche
bouwwerken, maar hebben ook wij Java en Bali niet bedekt met trotsche
gebouwen voor dat de Islam ze vernietigde? Gij hebt heerlijke gedichten
maar ook wij bezitten ze in de Brata joeda, in de Mintorogo en in
zooveel meer, en wat ik wrochtte met de ellendigste hulpmiddelen, kan
daar een Europeesch veldheer tegen wedijveren? Zoo wij beneden u staan,
’t is omdat de gelegenheid tot leeren ons ontbrak, omdat gij ons niets
geleerd hebt in de twee eeuwen, gedurende welke wij te zamen leven. Ik
heb er van gedroomd, die klove te overbruggen maar mijn kracht schoot
te kort bij alle voordeelen der blanken. Zij hebben mij telkens
verstooten wanneer ik ter goeder trouw tot hen kwam. Slechts uw moeder,
Robert, heeft zich mijner ontfermd, helaas! tot haar ongeluk! Laat haar
voorbeeld u ten goede komen, mijn zoon!”
„Ik begrijp u niet!”
„Breng tot stand wat ik vergeefs beproefde: gij de zoon van gemengden
bloede moet den afgrond dempen, die het volk uws vaders van dat uwer
moeder scheidt.”
„Maar hoe vermag ik dat?” vroeg Robert huiverend.
„Laat mij u openlijk erkennen als mijn zoon en opvolger!—Mijn kroon zal
de uwe worden; gij zult vorst zijn eerst met en later na mij! Gij moet
mij helpen dit rijk nieuwe grondvesten te geven. Te zamen zullen wij
arbeiden om het te doen eerbiedigen van binnen en van buiten; gij zijt
Christen, welaan, belijd openlijk uw godsdienst. Gij hebt een blanke
vrouw lief, erken haar als uwe koningin; ik zal een paleis voor u doen
bouwen zoo heerlijk als er geen bestaat in Europa, mijn legers zullen u
onderworpen zijn, gij zult opperbevelhebber over mijn legers wezen. Ik
blijf u steunen geen andere eerzucht meer kennend dan in alles uw wil
te doen! Gij toch wordt mijn mederegent, mijn kroonprins!”
„Vader!” riep hij eensklaps uit, verschrikt en als verblind door zulk
een vizioen.
„Gij noemt mij, vader!” juichte de vorst, „de Hemel zij gedankt dan
lacht mijn plan u toe! O Robert, ik heb u zoo lief gekregen, als eens
uw moeder mij dierbaar was. Laat mij goed maken aan u wat ik jegens
haar misdreef. Ik zal u overladen met goud en met eer, elke wensch van
u zal mij een bevel zijn, geen verlangen of ik zal trachten het te
vervullen, maar help gij mij den droom mijns levens verwezenlijken.
Laten wij samen dit volk verheffen, want niet waar? Mijn werk is
grootsch, het zou betreurenswaardig wezen als het te niet ging door de
onwaardigheid mijner opvolgers! Gij alleen kunt het redden?”
„En wat wilt ge dat ik doe?”
„Mij terzijde blijven, mij helpen eerst den buitenlandschen vijand te
bestrijden en dan de werken des vredes hier stichten.”
„Den vijand bestrijden maar die vijand dat is mijn volk, mijn....”
„Uw volk? Het volk van den vader is ook dat van den zoon. ’t Is waar,
een treurige noodzakelijkheid blijft het voor u, tegen hen op te
rukken, maar niet ik wenschte den oorlog. Ik heb hen de hand der
verzoening gereikt, mijn bode keerde niet eens terug. Zij moeten eerst
leeren ons te vreezen, mijn kind! dan zullen zij ons achten en
eindelijk eeren. Is dat geen schoone taak, geen taak zooals nog nooit
een jong man werd voorgesteld! Gij hebt slechts te willen, Robert, en
ge wordt mijn opvolger, mijn rechterhand, mijn raadsman, mijn steun!
Zie, welk een rijk ik mij veroverd heb, de geheele kust van de Zuidzee
tot aan den voet van den Lawoe behoort mij, tot daarginds waar de zee
Java van Bali scheidt; grooter is dit land dan dat over de zee, hetwelk
ons hier wetten komt stellen. Gij zijt beschaafd en verstandig, uw
geest is ontwikkeld, uw hart slaat warm voor alles wat goed is, ontferm
u over mijn land en volk! Gij alleen kunt het redden! Zonder uw hulp,
dan verzinkt het weer in den afgrond en al mijn werk is ijdel geweest.
Ik bid u, mijn zoon, verhoor mijn bede!”
Robert bedekte het gelaat met de handen en zweeg, de stem zijns vaders
ging vleiend voort:
„Ge zult zoo gelukkig worden, mijn kind! Alles wat uw hart begeert zal
ik u geven; ik weet, dat alleen kan u voldoen wat u nader brengt tot
het grootsche doel hetwelk ons beiden voor oogen staat. Welke ellende
zal deze streken wachten als een Pengantin er oppermachtig regeert! Kan
ik rekenen op u, zoo zal ik hen allen onschadelijk maken en toch
tevreden stellen; gij alleen zult heerschen na mijn dood. Een
vorstenkroon is verleidelijk maar nog schooner is het te arbeiden aan
het geluk van velen. Wat weerhoudt u?”
„Mijn vaandel verraden, ontrouw worden aan mijn land, aan mijn eed!”
„Hoe is dat land jegens u geweest? Verbreek alle banden met hen, word
een Balinees zooals ik het ben, behoud uw godsdienst, ik veroorloof ’t
u, ik verlang het zelfs en trek dan met mij op—want nog heden rijd ik
naar Bangil—om met mij samen den vijand te bestrijden en dan ons toe te
wijden aan ’t geluk van dit volk, nog heden erken ik u als mijn wettige
zoon en opvolger. Wij zullen samen werken, samen strijden! Gij zult mij
helpen dit volk op te heffen uit zijn diep verval, ik zal u leeren het
te kneden naar uw wil. In mij zien zij een half-god, wanneer gij mij
ter zijde staat, zal ik hen dwingen een hoogere beschaving aan te
nemen, want mijn wil is voor hen een godspraak!”
Robert antwoordde niet, het voorstel schitterde hem in de oogen; hij
was eerzuchtig. Welke man toch, die waarlijk man is voelt zich niet het
hart sneller kloppen bij het aanschouwen van een ruim en vruchtbaar
veld, dat hem ter bewerking toevertrouwd wordt? Zou hij door zijn
weigering of toestemming zijn vader tot wanhoop of tot het toppunt van
vreugde brengen?
„Antwoord spoedig, spoedig de tijd dringt,” smeekte de vorst, en greep
zijn handen vast in de zijne.
Robert sloeg de oogen op en bewoog de lippen wellicht tot een ja.
„De vijand nadert! Er is geen tijd te verliezen,” drong Soerapati aan.
„De vijand,” herhaalde Robert en in den geest zag hij de Hollandsche
soldaten naderen in hun geel en roode uniformen, hij zag de
oranjewimpels en de driekleur boven hunne gelederen wapperen, hij
hoorde het bevel hunner officieren, en de klanken van het geliefde
Wilhelmus-lied troffen zijn ooren. De schoten vielen, kruitdamp
vervulde de lucht, zij streden als leeuwen maar hij stond niet aan hun
zijde, hij voerde een leger van Javanen en Balineezen aan, hij was ’t
die dood en verderf in hun rangen verspreidde. Zij leden de nederlaag,
en op Batavia klonk de treurmare: Onze troepen zijn verslagen dank den
overlooper, den deserteur die gemeene zaak maakte met den vijand. En
ook Digna zou het hooren. Hij huiverde en trok zijn handen uit die
zijns vaders terug.
„Neen, neen,” riep hij met zwakke stem, „laat me los! Ik mag niet. Het
ware een laag verraad tegen mijn landgenooten. Ik zou strijden tegen
mijn volk, ik zou met hen breken, neen nimmer!”
„En ge offert aan een gedachte, aan een denkbeeldigen plicht uw vader
op en met hem een troon, een volk!”
„’t Is mijn plicht, ik kan niet anders!”
’t Was of niet hij maar Digna voor hem die woorden uitsprak en
neerknielend voor de voeten van den vorst, ging hij smeekend voort:
„Vergeef mij vader, maar ik kan, ik mag niet anders doen; wat zoudt ge
zeggen van een uwer mannen, dien gij op verkenning hadt gezonden in het
vijandelijke kamp en die in plaats van u te dienen zich verbond met den
bevelhebber om met hem te zamen u te bestrijden? Niets anders verlangt
gij van mij, ik moet dus weigeren!”
Soerapati’s oogen vonkelden van toorn, zijn stem beefde van ingehouden
woede:
„Gij verkiest hen die vreemden, welke u een bastaard schelden boven mij
die u als zoon en troonopvolger zal erkennen, gij wilt liever daar een
voetknecht zijn dan hier een vorst? Ga, verhaal hen alles, wat ik u heb
geopenbaard, leer hen hoe mij te verderven, mij te vernietigen. Ik heb
’t aan u verdiend, ga!”
Robert stond op en antwoordde met vaste stem:
„Ook dat zal ik niet doen! Ik wil geen verrader zijn, noch van mijn
volk, noch van u, ik zal vertrekken zoo gij het toestaat maar even arm,
even onwetend als toen ik hier kwam. Ik heb niets gezien, niets
gehoord, niets onderzocht!”
„U laten gaan, zoo dwaas ben ik niet. Ik wil dat gij nadenkt, vóór gij
beslist, niet in een paleis echter maar in een kerker. Dan kunt ge
weten, wat gij opoffert. Gij zult terugkeeren naar het hok waaruit ik u
verloste, levenslang zal dat uw verblijfplaats zijn, tenzij gij er in
toestemt mijn zoon te wezen en te handelen zooals het mijn zoon
betaamt. Gij weet te veel dan dat ik u in vrijheid zou kunnen laten.”
Sidderend kromp Robert ineen.
„Radhen Adipati, laat mij sterven, maar niet dat lot! Ben ik dan niet
uw zoon, op mijn eerewoord ik zal u niet verraden!”
„Dat is mij niet genoeg! Gij moet mij gehoorzamen; mijn smeekingen
hebben niet gebaat, ik zal zien wat martelingen op u vermogen.”
Hij sloeg op zijn bekken en gebood den binnentredenden dienaar de wacht
te roepen.
„Bedenk u Robert, ’t is nog tijd,” smeekte Soerapati, „een woord en gij
zijt vorst!”
Maar hij schudde het hoofd, een onwrikbare wil stond in zijne oogen te
lezen:
„Gij kunt me folteren, zooveel gij verkiest, maar mij dwingen nimmer.
Wees op uw hoede, Soerapati, deze daad brengt u geen zegen aan!”
De wacht trad binnen.
„Voert dezen man terug naar de gevangenis die hij verlaten heeft,”
beval de vorst.
V.
DE WAPENSCHOUWING.
In de eerste dagen van September had zich de oorlogsmacht, bestemd om
Soerapati te bestrijden, op den aloen-aloen van Soerabaya verzameld.
De zestien Hollandsche vaandels gaan vooraf, het rood, wit en blauw
wappert vroolijk in de lucht, breedgerande vilthoeden bedekken de
gebruinde gezichten, de gele krijgsrokken worden vervroolijkt door de
roode kragen, de buks dragen zij op den schouder, welgemoed en opgewekt
stappen zij voort onder de statige klanken van het Wilhelmus. Aan hun
hoofd, op een fraai strijdros gezeten, rijdt majoor Govert Knol, wien
het opperbevelhebberschap over het geheele leger is toevertrouwd; onder
hem staan de kloeke, krachtig gebouwde kapitein van Bergen, de dappere,
hoewel wat al te voortvarende en onbedachtzame kapitein de Bevere en de
Soerabayasche officieren Willem Sergeant en Hendrik van der Hout,
waartoe ook nog kapitein Bintang behoort. Deze vijf kapiteins voeren
elk een brigade aan, uit Europeanen en Inlanders bestaande, welke
laatste op hun beurt onder hun eigen hoofden staan. Daar zijn de
Balineezen met hun forsche gestalten, de Ambonneezen hun met koralen
doorvlochten haren, fladderende om het hoofd, de Boegineezen, wier
hoofd en middel alleen bedekt zijn en die een eirond schild aan den arm
dragen, de Makassaren en Timoreezen even weinig gekleed als zij, doch
met naar de hoogte opgekamd haar, luid zingend oprukkend en elkanders
moed opwekkend door verhalen van de heldendaden hunner voorvaderen.
Eindelijk de Javanen, bedaard, klein en tenger, met schuwen blik en
lusteloozen gang, achter hen de kleurlingen, iets grooter en niet veel
levendiger dan zij.