„Het overige weet ik,” sprak de vorst; „ge zijt hier gekomen om meer te

weten, van mijn persoon, mijn regeering, mijn krijgsplannen; men heeft

u daarmede belast, niet vermoedend, welke banden u aan mij hechten. Ik

zal u gelegenheid geven uw taak te volbrengen, ik zal u alles toonen,

ik geef u de grootst mogelijke vrijheid, ik verlang alleen uw woord,

dat gij niet vertrekken zult, voor ik u verlof daartoe geef.”

„En zal ik dan vrij zijn?”

„Meent ge dat ik mijn zoon langer in den kerker zou laten zuchten? Kan

ik rekenen op uw eerewoord?”

„Verlangt ge daarvoor iets in de plaats?”

„Ik geef u de vrijheid, ik zal u inwijden in al mijn geheimen, ik zal u

meenemen op mijn tochten, ik zal u mijn plannen van verdediging en

versterking voorleggen, gij zult overal aan mijne zijde verschijnen...”

„Op voorwaarde dat ik hier niets van verrade!”

„Dat vraag ik niet eens! Beloof me slechts dat gij niet vluchten zult.”

Robert dacht even na en sprak toen:

„Ik beloof het u.”

„Dat is genoeg! Morgen zal ik u vragen mij dezen brief uwer moeder voor

te lezen, ik heb getracht het schrift te ontcijferen maar het viel mij

te moeilijk. Laat mij ook haar portret. Tot morgen dus. Gij zult rust

noodig hebben na de gebeurtenissen van dezen dag, en ik eveneens. Tot

morgen, Robert!”

Hij sloeg op een kleinen zilveren gong, die naast hem hing en dadelijk

trad een slaaf binnen, die gehurkt de bevelen zijns meesters afwachtte;

hij gebood hem iets in het Javaansch en gaf Robert een wenk hem te

volgen. Weinige oogenblikken later trad de jonge man in een ruim

vertrek, rijk van divans voorzien, die bedekt waren met kostbare

Oostersche kleeden; de andere meubels waren allen van het fijnste

snijwerk, een zachte geur van bloemen en reukwerk doortrok de kamer, op

een kleinen standaard brandde een lamp, de deur stond half open en gaf

blijkbaar toegang tot een tuin, waarin waterwerken zacht en eentonig

murmelden. De slaaf verwijderde zich na een eerbiedigen groet.

„Is ’t een droom, ben ik waarlijk niet meer in mijn kerker maar in een

vorstelijk vertrek?” vroeg hij zich af. „Het schijnt een

tooversprookje!”

Weinige minuten later lag hij op een der divans uitgestrekt een

rustigen slaap te slapen.

III.

DE GUNSTELING DES VORSTEN.

Den volgenden dag zouden op den aloen-aloen de volksspelen plaats

hebben, waarvan het meest aantrekkelijke ongetwijfeld het gevecht

tusschen buffel en tijger was.

Reeds ’s morgens vroeg daalden de landlieden van het gebergte af naar

den dalem van Pasoeroean, zooals zij in Karta-Soera zich naar den

keizerlijken kraton begaven. De poort welke tot den aloen-aloen toegang

verleende, stond wijd open, daardoor stroomde het volk naar binnen en

nam zijn plaats in buiten de palen, waarmede het zandperk omheind was.

Tegenover den ingang stond de vorstelijke troon, bedekt door een soort

van hemel, die met schitterende kleeden van goud- en zilverborduursel

gedrapeerd was; een gouden stoel was er neergezet voor den heerscher,

en lagere stoelen voor zijn zonen en andere grooten. Links van den

troon, zoo echter, dat men daarop het volle gezicht had, was een soort

van balkon of tribune uit den ringmuur gebouwd, met fraaie rondbogen

versierd, waarvan de openingen door oleander-struiken half bedekt

waren. Dit was de plaats vanwaar de prinsessen het schouwspel kwamen

zien; afwisselend deed de muziek der gamelans en die van Europeesche

instrumenten van de derde of vierde soort haar tonen hooren en wekte de

vroolijkheid der toeschouwers meer en meer op; men kon ’t het volk

aanzien, dat het gelukkig en tevreden was. Alles lachte en schertste

niet luidruchtig, maar kalm, bedaard, innig vergenoegd, zooals het den

Javaan eigen is; tot boven den ringmuur zag het zwart van menschen,

zelfs in de waringinboomen, die het plein omzoomden, waren zij

geklommen.

Doodelijke stilte heerschte er plotseling, de deuren werden

opengeworpen en de vorstelijke stoet verscheen; soldaten in hun witte

en roode rokken met de glinsterende zilveren pieken in de hand openden

den optocht, daarna volgde het paardevolk, met stalen harnassen aan,

die in den zonneschijn met oogverblindend licht vonkelden, terwijl hun

paarden met de bontste kleuren waren opgetuigd. Langzaam en statig

naderden nu de olifanten, welke den vorst en zijn gevolg droegen; op

den voorsten olifant zetelde Radhen Wiro Negoro, in zijn vuurrood met

goud en edelgesteenten opgelegd hofgewaad; de olifant was bijna geheel

bedekt met een kleed van goud brokaat, waarover een Perzisch tapijt

gespreid was, zijn kop ging half schuil in een net van bont zijdewerk,

waarvan in elke maas een robijn of smaragd flikkerde; zijn snijtanden

waren met bloemen omslingerd, snoeren van bloemen hingen ook langs zijn

snuit af. De zetel van den vorst was geheel verguld en met kussens van

een rijk Oostersch weefsel belegd. Wiro Negoro droeg zijn tulband met

arendsveer op het indrukwekkende hoofd.

Hij was echter niet alleen. Anders had hij gewoonlijk een zijner

rijksgrooten of den kroonprins naast zich zitten, in vroegere dagen zag

men daar het meest Kiai Hemboong of den oud-Rijksbestierder, zijn

schoonvader. Nu echter bevond zich daar een geheel onbekend persoon,

eenvoudig gekleed in een zwart gewaad, met een witten tulband op;

niemand herinnerde zich hem ooit gezien te hebben, maar de prinsen en

edelen, die zich op de volgende minder rijk getooide olifanten

bevonden, wisten het beter; gisteren nog bevond zich die jonge man in

den kerker onder een zware beschuldiging, heden was hem de hoogste

eereplaats naast den vorst gegeven.

Wat er gebeurd was sinds gisteren, dit vermoedde echter niemand. Men

giste en raadde, keurde af, haalde de schouders op maar niets kwam

eenig licht brengen in deze duistere, raadselachtige zaak; de prinsen

beefden van ergernis en woede, doch hun toorn was machteloos, hun vader

was immers niet gewoon rekenschap van zijn daden af te leggen.

De Tengereezen waren in alle vroegte ontslagen met het bevel onverwijld

naar hunne bergen te gaan; heden toch moest er overal feest zijn, de

vorst verklaarde echter niet waarom.

„Vindt gij dat de aarde zoo uit de hoogte gezien niet schoon is?” vroeg

hij aan Robert.

„Ik zie niet graag neer op de gebogen ruggen van mijn medemenschen”

antwoordde de jonge man.

„Niets liever zou ik wenschen dan te heerschen over een volk van

overeind staande mannen, doch dit volk is gewoon van uit de hoogte

beheerscht te worden. Ik kan er geen verandering in brengen zonder mijn

troon in gevaar te stellen. Zij werpen zich in het stof voor mij;

welnu, ik verlang het niet, doch zal het ook niet beletten. Maar zie

goed rond, Robert! Dit is voor u een geschikte gelegenheid om te weten

hoe Soerapati hof houdt.”

„Ge hebt er mij hoog genoeg toe geplaatst,” hernam Robert glimlachend,

„wie had ’t mij voorspeld, toen ik gisteren in de donkere lade

uitgestrekt lag, dat mij heden zulk een eer zou geschieden.”

„Nog minder vermoedde ik, dat mijn oudste zoon heden naast mij zou

zetelen in ’t aanschijn van mijn volk.”

„Kennen zij mijn afkomst?” vroeg Robert verschrikt.

Het gelaat van den vorst betrok een weinig toen hij den schrik van zijn

zoon zag, maar onverschillig gaf hij ten antwoord:

„Neen, nog weet niemand er van!”

De stoet ging in plechtigen optocht den aloen-aloen om, totdat hij voor

den troon kwam; de olifant ging daar op zijn knieën liggen en de vorst

steeg af, door Robert gevolgd; zijn lange witte mantel wapperde achter

hem, terwijl hij statig en vol majesteit de treden van den troon

beklom.

Robert zag min of meer verlegen rond, totdat een gebaar van den vorst

hem een zetel vlak naast den zijne aanwees.

Intusschen was ook het vrouwenbalkon gevuld geraakt; Radhen Goesik en

haar dochters, Mas Pengantin’s gemalin en verscheidene edelvrouwen,

allen met dunne sluiers voor het gelaat, namen er haar plaatsen in.

„Wie is de vreemde?” vroeg de vorstin en verbleekte achter haar sluier,

„die daar naast den vorst gezeten is.”

„De man, die mijn echtgenoot heeft gewond,” antwoordde Radhen Soederma

een snik onderdrukkend.

„Dat kan niet zijn,” mompelde haar schoonmoeder.

„’t Is toch zoo edele Vrouwe,” sprak een diepe stem naast haar, het was

die van den Mahomedaanschen opperpriester „die man is dezelfde, die

gister weigerde voor uw echtgenoot neer te knielen toen men hem

gebonden in de pendoppo bracht, die zich zonder blikken of blozen

Christen bekende en die uw zoon aanklaagde als vrouwenroover.”

„En mijn echtgenoot werd het verboden heden in ’t openbaar te

verschijnen,” klaagde de jonge vrouw.

„Van waar dan die verandering?” vroeg Radhen Goesik.

„Dat vraagt ieder zich af, hooge Vrouwe, zonder het antwoord te kunnen

vinden,” vervolgde de Pangoeloe, „maar dit weet ieder: Vreeselijke

dingen staan dit land te wachten. ’t Is niet genoeg dat Allah en zijn

Profeet geminacht worden, dat de vorst de oude Goden der Hindoes hier

weer in hun tempels plaatst, nu begint hij te heulen met de Christenen,

hij verheft een ongeloovigen hond tot de hoogste eereplaats. Wee dit

rijk, wee zijn vorsten!”

Radhen Goesik sidderde.

„Ja er zijn treurige dagen in aantocht, ik voel het, maar wat kan ik

doen, ik ben onmachtig op het hart en de besluiten van mijn

echtgenoot.”

„Radhen Wiro Negoro zal het tot zijn schade weldra ondervinden dat hij

den grooten Profeet versmaadt, en ook gij Vrouwe, gij die u zoo

kleingeloovig en zoo zwak toont, gij, die in uw hart Allah belijdt maar

schroomt van dat geloof bewijzen te geven. Vrees zijn vonnis!”

„Wat kan ik doen?” zuchtte de vorstin, „mijn zonen en ik wij staan

machteloos tegenover zijn krachtigen wil.”

„De druppel water, die geduldig en regelmatig neervalt, zal nog

zekerder den steen doorboren dan het puntige ijzer dat met geweld naar

binnen wordt gedreven. Het is uw plicht, Radhen Goesik, een einde te

maken door list of geweld aan het onwaardige spel dat uw echtgenoot met

zijn volk en zijn gezin speelt.”

„Ik weet niet welk staatsbelang....”

„Aan dien knaap verbonden is? Het zal een staatsbelang van gewicht

ongetwijfeld zijn. Tracht het te doorgronden; zeer ernstig moet de

reden toch wezen, die een vorst verplicht een man, die zijn zoon

verwondde en van wiens afkomst niemand iets weet, met zulke hooge

eerbewijzingen te overladen.”

„Welnu, ik zal ’t beproeven,” beloofde de vorstin. Haar oog verliet den

troonhemel niet; zij zag hoe telkens en telkens Radhen Wiro Negoro zich

terzijde boog om zijn gezel toe te fluisteren, of hem iets aan te

wijzen; er lag een trotsch zelfbewustzijn in ’s vorsten oog, iets dat

zeggen moest tot zijn verbaasde mantri’s en prinsen:

„Gij vindt mijn gedrag onverklaarbaar; doch ik heb goede redenen zoo te

handelen, redenen welke ik niet verkies u bekend te maken, meer dan

ooit ben ik uw meester.”

En niemand durfde hem weerstreven, niemand eenige uitlegging vragen. De

spelen gingen intusschen voort; het tijgergevecht had plaats onder

ademlooze stilte, gevolgd door langdurige juichkreten toen de tijger

naast den stervenden buffel bloedend ineenzeeg; op dit koninklijke

vermaak volgden stierengevechten, daarna steekspelen, waaraan ook de

prinsen deelnamen.

Robert was door al die spelen zeer geboeid, zijn oogen schitterden en

zijn borst ging snel op en neer; met welgevallen sloeg zijn vader hem

gade, zonder dat hij het zelf bemerkte.

„Heldenbloed stroomt door zijn aderen!” dacht Soerapati, „het verraadt

zich ondanks hemzelf.”

Hij stond op en gaf het teeken dat men zich nu zonder hem zou gaan

vermaken, het was bijna middag geworden; de zon blakerde het witte zand

met haar gloeiende stralen, maar nog scheen het volk niet moede te zijn

van de afwisselende spelen. Hanengevecht en vlieger oplaten volgden

thans, toen Radhen Wiro Negoro wilde vertrekken.

De olifanten kwamen voor; hij besteeg den zijne weder gevolgd door

Robert; na hem kregen de anderen hun beurt.

„Ik behoef u niet te vragen of gij u vermaakt hebt,” sprak de vorst tot

zijn zoon, „uw gelaat verried het mij genoeg!”

„’t Is waar, ik heb dit voor mij nog zoo geheel vreemde schouwspel ten

volle genoten. In Europa heeft men daarvan geen begrip.”

„Gij moet mij veel van Europa verhalen Robert, hoe men zich daar

vermaakt, hoe de vorsten er hof houden, hoe zij recht plegen en nog

veel meer bovendien! Maar weet ge waarom ik zulk een haast had te

vertrekken? Straks moet ik mijn hofgrooten en de gezanten van Soerabaya

aan den feestdisch ontvangen, vóór dien tijd wil ik echter een uur vrij

zijn opdat ge mij den brief uwer moeder zoudt voorlezen. Geen oogenblik

is de gedachte aan haar uit mijn geest afwezig geweest!”

De olifanten verdwenen binnen den hof van het paleis; op het

binnenplein voor de pendoppo, werden zij verlaten en de vorst trad

alleen met Robert zijn bijzondere vertrekken in.

„Wat zal men over zulk een voorkeur aan een onbekende bewezen, zeggen?”

vroeg de jonge man, die zich nog maar niet schikken kon in zijn nieuwe

waardigheid.

„Daar bekommer ik mij niet over. Ik heb mijn volk geleerd mij nooit

rekenschap te vragen.”

Zij traden in het koele, frissche vertrek; Soerapati wierp zijn

statiemantel van zich af en strekte zich op den divan uit.

„Lees me nu vóór,” sprak hij, „mijn ziel smacht er naar de taal van

haar hart te hooren. Geef mij dat kistje aan!”

Robert gehoorzaamde, meer en meer voelde hij zich getrokken tot den man

dien hij gisteren nog als een Oostersch despoot had verafschuwd en het

kon ook niet anders of de eer hem thans betoond moest hem aangenaam

zijn na de diepe vernederingen, welke hij in de laatste jaren ondergaan

had.

Radhen Wiro Negoro haalde met eerbied den brief uit het kistje en

bracht dien toen aan de lippen; onwillekeurig voelde Robert zijn oogen

vochtig worden bij dit gebaar en toen zijn vader hem het papier

overreikte, raakte hij het op dezelfde wijze aan. De herinnering aan de

doode, vereenigde hen beiden voor een oogenblik.

Robert begon te lezen, langzaam maar duidelijk, soms met van aandoening

bevende stem; zijn vader verborg het gelaat in de kussens van den

divan; niets verried zijn ontroering dan nu en dan een trilling, die

zijn forsche gestalte doorvoer. Lang nadat Robert geëindigd was, bleef

hij zoo liggen; eensklaps hief hij zich op, legde zijn handen op

Roberts schouders en sprak met doffe stem:

„Robert, wat zou uw moeder thans eischen dat ik voor u deed?”

Nog voordat hij antwoorden kon, trof een valsche, gebroken lach beider

oor, zij zagen om, daar stond onder het half weggeschoven gordijn

Radhen Goesik.

„Laat mij u even storen, mijn gemaal! Het zijn ongetwijfeld hooge

staatsbelangen, zaken van zulk een gewicht, dat vrouwen er niet naar

raden kunnen, welke gij met dien bleeken knaap te verhandelen hebt en

mijn gezelschap zult gij nu gaarne missen,” sprak zij met snijdenden

spot.

„Ge zijt scherpzinnig geweest als altijd, Ratoe!” antwoordde de vorst,

„we kunnen vrouwen zeer goed ontberen in de gesprekken, die wij nu

voeren. Gij weet de tijden zijn ernstig en de gevaren dreigend. Laat

het aan mij over ze te bezweren! Gaat gij terug naar uw vertrekken,

waar de batikspoel, het weeftouw of het dakonspel u wachten. Ik zal er

zorg voor dragen, dat gij in vrede kunt leven met uw beminnelijke

bezigheden.”

„Ik zal u gehoorzamen, Radhen Wiro Negoro, zoodra mijn taak afgedaan

is; ik moest u eerst spreken over zaken gewichtiger dan batikspoel en

dakonspel. Vrees niet, ik zal u niet lang berooven van het zoete

gezelschap van uw nieuwen vriend.”

„De feestdisch wacht mij, ik heb slechts weinige oogenblikken vrij....”

„Gunt ge mij die niet eens!”

„Welnu, spreek spoedig!”

„Als wij alleen zijn!”

„Verlaat ons dan, Robert!”

De jonge man boog zich diep voor de vorstin, die onwillig het gelaat

van hem afwendde en verliet het vertrek.

„Wat wilt ge van mij?” vroeg Soerapati ongeduldig.

„Wie is die knaap?” klonk het woest van haar lippen.

„Ge zult het weten, als het de tijd daartoe is. Komt ge alleen om mij

dit te vragen, dan hadt gij u de moeite kunnen besparen.”

„Neen, ik kom u waarschuwen! Drijf ons niet tot het uiterste Soerapati,

de ontevredenheid gist in alle gemoederen, uw zonen morren daar gij

partij kiest voor hun vijanden, de priesters steken de hoofden bijeen

en hitsen het volk op, daar gij hun eeredienst versmaadt, de edelen

zijn verbitterd daar gij een gevangene van gisteren de eereplaats gunt,

die vroeger slechts aan enkele bevoorrechten geschonken werd. Zelfs uw

Balineezen zijn ontevreden daar gij een christen den voorrang geeft

boven hen, nog is het een kleine adder, die vreesachtig het hoofd

opricht, met een slag van uw voet kunt gij het dier verpletteren, maar

wee u, zoo gij talmt en het tijd geeft te groeien totdat het een

reusachtig monster wordt met duizend hoofden.”

„En wie is het, die aan het monster voedsel geeft, wie is het die zijn

gapende muilen vult met vergift? Mijn huisvrouw, mijn vorstin! Schande

over u Koesoema, dat gij in plaats van mij trouw ter zijde te staan in

deze stormachtige dagen, zooals gij het zoovele jaren deedt, u

tegenover mij stelt uit kleingeestige jaloezie. Bedenk welke gevaren

voor mijn deur staan, ’t is nu geen tijd meer tot kinderachtige

paleistwisten, tot dwaze achterdocht, we moeten vereenigd blijven

vaster dan ooit, willen wij den vijand overwinnen. Geloof me, ’t is

niet goed dat gij allen tegen mij keert, want in het vertrouwen op mij

alleen is uw aller redding en behoud gelegen!”

„En moet ge het mij verwijten dat er tweedracht heerscht, wanneer allen

morren, is het onze schuld of de uwe? Gij overlaadt mij en uw kinderen,

uw priesters en edelen met schande en smaad, vreemdelingen worden door

u gevleid en geëerd en waarom? Wat kan die jongeling u wezen, wiens

gelaat gij gisteren nog niet gezien hadt.”

Met groote stappen ging Soerapati op en neer, daar hij niet toe wilde

geven aan zijn toorn; zoo was hij aan het einde van het vertrek

gekomen, toen Radhen Goesik’s aandacht op het schildpadden kistje viel.

Als een tijger, die zijn prooi bemachtigt, zoo wierp zij er zich op en

nog vóór dat haar man het beletten kon had zij het portret en de beide

stukken van den penning in haar handen gegrepen. Niets ziet met meer

helderheid en is tevens meer verblind dan jaloezie; een ruwe kreet

ontsnapte haar lippen en zij gilde het uit:

„Hij is uw zoon, en die van de Hollandsche. Wee mij en mijn kinderen,

nu zijn wij allen verloren!”

Zonder een woord te spreken, ontrukte de vorst haar het portret en de

munt, klemde haar handen in de zijne en voerde haar met geweld de kamer

uit, ondanks haar heftigen tegenweer.

„Geen woord meer!” gebood hij, „wanneer gij voortgaat onrust te stoken

in mijne omgeving, wanneer gij langer zaden van wantrouwen wilt zaaien

bij uw zonen, en mij belemmert in de moeilijke taak die mij wacht, dan

zal ik mij genoodzaakt zien u gevangen te doen zetten in Banjoe Biroe.

Onthoud mijn woorden Radhen Goesik, ge weet dat ik nooit veel

geschertst heb in mijn leven en ik zal het nu minder dan ooit doen.”

„Tyran, gij vergeet dat ik een prinses ben en gij zijt niets dan een

avonturier, een slaaf!”

Hij was echter weer naar zijn kamer teruggekeerd, waarvan hij de deur

in het slot wierp, terwijl haar luid snikken en kermen nog steeds daar

buiten weerklonken.

„Ik waarschuw u nogmaals dat getier te staken!” beval hij, „of ik zal u

anders op een plaats laten brengen, waar men uw gezang niet zal kunnen

hooren.”

Het geschrei verstomde langzaam en de vorst bergde zijn kostbaarheden

weg.

„Die vrouw zal mij nog veel last en zorg geven,” mompelde hij, „ik moet

haar in ’t oog houden; maar wat kan ’t mij deren, als mijn plan gelukt?

Ik zal hun aller tegenstand wel weten te breken zoodra de tijd er toe

gekomen is.”

Hij wierp zich den statiemantel weer om de schouders en riep Robert,

die in de aangrenzende kamer wachtte.

„Het is tijd voor het feestmaal, Robert,” sprak hij, „laat mij u een

raad geven, mijn zoon! Wees op uw hoede, ge zijt hier reeds omringd

door vijanden, hoewel uw gunst nog geen vier en twintig uur heeft

geduurd. Drink of eet niets, dan wat ik u zend; ik zal u een ijzeren

vest geven, dat ge onder uw kleederen moet dragen en vooral wacht u

voor de vrouwen!”

IV.

DE VERZOEKING.

Robert volgde zijn vader dagelijks, nu eens op zijn tochten van

Pasoeroean naar Bangil en de rijstvelden van Derma, dan weer op zijn

wapenschouwingen of wel hij was getuige van zijn rechtsplegingen en

bracht uren met hem in zijn kabinet door, luisterend naar zijn plannen

van verdediging en van versterking.

„De groote strijd, waarop ik sinds twintig jaar bezig ben mij voor te

bereiden, zal welhaast aanbreken,” zeide hij, „ik heb getracht dien te

vermijden. Men heeft zich niet eens verwaardigd acht te slaan op mijn

aanbiedingen, nu zal ik hen leeren hoe zij met mij hebben te rekenen!

Ge ziet nu alles, Robert, hoe ik gereed ben den vijand te ontvangen.

Meent ge dat ik kans zal hebben mijn grond op den duur tegen hen te

verdedigen?”

Robert haalde de schouders op.

„Gij hebt met veel talent uw verdedigingsplan opgevat, ik sta verbaasd

over uw krijgskundige kennis en echten veldheersblik en het zal den

vijand zeker moeite kosten die moerassen te doortrekken, als zij ten

minste van dezen kant naderen. Zijt gij daar zeker van?”

„Ja.”

„Hoe kunt ge dat weten?”

„Dit is een geheim, dat niet mij behoort, ik kan ’t u dus niet zeggen.

Mijn geheimen, dat ziet ge, bestaan niet voor u.”

„Wanneer zij uw forten naderen dan vrees ik dat deze niet lang bestand

zullen zijn tegen hun vuurwapens, hun kanonnen en granaten.”

„Ik heb ook geschut; doch al zijn deze versterkingen in hun handen

gevallen, dan nog zullen zij voet voor voet elken duim grond moeten

veroveren; mijn maatregelen zijn genomen.”

De verwondering van Robert steeg hoe langer hoe meer, wat kon het doel

zijn van Radhen Wiro Negoro door zoo oprecht met hem te handelen? Hij

maakte hem deelgenoot van al zijn plannen, van al zijn zorgen, van al

zijn belangen, Robert huiverde dikwijls bij de gedachte welk een

grooten schat van kennis hij thans had opgezameld, hoeveel inlichtingen

voor den Hollandschen bevelhebber van de hoogste waarde hij geven kon;

hoe het geheele welslagen van den veldtocht afhing van zijn spreken of

zwijgen; maar hij gevoelde tevens ook hoe juist dit vertrouwen en deze

openhartigheid hem met banden sterker nog dan die des bloeds aan zijn

vader hechtten, hoeveel verantwoordelijkheid hij op zich laadde juist

door dat gemeenschappelijke weten.

Soerapati moest een doel hebben maar welk? Hoe meer hij den vorst

leerde kennen, hoe hooger zijn bewondering steeg voor hem, die met

zulke gebrekkige middelen zooveel tot stand had gebracht en nog zoo

oneindig meer zou kunnen stichten indien hij betere werktuigen in zijn

onderhoorigen had kunnen vinden. Zijn leergierigheid kende geen

grenzen, hij had grooten dorst naar meer kennis en meer wetenschap,

daarom was het hem een genot Robert naar duizenden dingen te vragen,

welke in beschaafde landen aan kinderen bekend zijn, maar waarnaar hij

levenslang nieuwsgierig was geweest.

Tot diep in den nacht duurden soms hun gesprekken, die welhaast aan

Robert evenveel belang als aan zijn vader inboezemden. Zooals het

geheel en al met zijn karakter strookte, dacht de jonge man weinig aan

de toekomst; het tegenwoordige was hem genoeg; dikwijls zuchtte hij er

wel over dat de heer de Wilde met smart op zijn mededeelingen wachtte,

maar hij kon er niets aan doen; hij was door een samenloop van

omstandigheden gevangen geraakt; dit was niets buitengewoons, zulk een

zending was aan vele gevaren onderhevig; het zou een wonder zijn indien

hem geen ongeval overkomen ware.

Hij verhaalde den vorst zijn leven in alle bijzonderheden en vernam op

zijn beurt het wonderbare verhaal van Soerapati’s lotgevallen die hem

van slaaf tot vorst hadden verheven; zoo leerde hij dan ook het

gebeurde te Karta-Soera in 1686 van een geheel andere zijde beschouwen.

„Beken mij oprecht!” vroeg hij eens bijna smeekend, „is ’t waar dat de

gezant Tak verraderlijk door u vermoord is?”

Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java · 第 26 / 30 段