„Is het dan niet een benijdenswaardig beroep, de schoonheid van

vorstinnen te verhoogen door haar sieraden te bezorgen?”

De vorst glimlachte.

„Voor een koopman hanteert gij bijzonder goed de wapenen. Zijt ge

misschien ook in krijgsdienst geweest?”

„Ook daarin heb ik mijn geluk beproefd!”

„Mij dunkt een jonge, krachtige man als gij zou betere diensten als

krijgsman kunnen bewijzen aan uw land, dan als marskramer.”

„Men kiest zelf zijn ambacht niet.”

„Waar zijt ge geland?”

„In Pasaroean, met een visschersschuit.”

„Van waar kwaamt ge toen?”

„Van Soerabaya!”

„Hebt ge ook beproefd aan de gemalinnen van den Depati of aan de

talrijke prinsessen van den Panombahan van Madura uwe sieraden te

verkoopen?”

„Neen!”

„Dat vind ik ten hoogste raadselachtig; de hoven van Madura en

Soerabaya zijn tuinen tot overladens toe van bloemen voorzien; mijn hof

echter bezit slechts eenige schaarsche sierplanten. Wist ge dat niet?”

„Juist daarom wilde ik aan uw vorstinnen mijn kleinoodiën brengen;

bloemen, die eenzaam staan zijn gewoonlijk schooner in kleur en

frisscher in geur dan die, welke elkander in bonte verscheidenheid

verstikken. Kostbare planten bewaart men in bloempotten, maar gemeene

bloemen groeien in het wild.”

„Uw antwoorden vallen snel en vaardig als de pijlen van een geoefenden

boogschutter; ik heb behagen in uw taal, o, jonge man, al begrijp ik

dat gij mijn vijand zijt, die hier binnengeslopen zijt om de geheimen

van mijn rijk aan de Hollanders te verraden. Uw kleur maakte u ten

hoogste geschikt voor deze taak.”

„Ik ben de beschuldigde, gij zijt mijn rechter! Het is aan u deze

beschuldigingen waar te maken.”

„Welnu, toen men u alles afnam, wat gij bij u droegt, heeft men nog een

pakje gevonden, dat gij met de kracht der wanhoop verdedigdet; ge hebt

het niet willen afstaan en toen men geweld gebruikte, deedt ge een

beroep op mij. Aan mij alleen wildet gij het overgeven!”

„Ja, dat heb ik gedaan! En zoo gij het verlangt zal ik ’t u

toevertrouwen, maar dit zweer ik u bij alles, wat mij heilig is, zij

bevatten niets wat op verraad of spionneering betrekking heeft. Het

zijn stukken die mij persoonlijk toebehooren en niemand anders eenig

belang kunnen inboezemen, maar mij zijn ze kostbaarder dan mijn leven.

Wilt gij ze bewaren, dan zal ik ze u geven. Onder een voorwaarde

echter! Zoo gij mij de vrijheid terugschenkt, dan smeek ik u ze mij

weder ter hand te stellen, en zoo ik veroordeeld mocht worden tot den

dood, laat ze mij dan behouden tot mijn laatsten snik en met mij in het

graf nemen. Waarde bezitten zij niet, ik herhaal ’t u nogmaals.”

Hij nam een koord van zijn hals, waaraan een zakje van zwarte zijde

hing en reikte beide aan Radhen Wiro Negoro over. Deze nam ze aan en

legde ze op zijn knieën neder er zijn linkerhand op drukkend.

„Ik beloof ’t u! Zoo ge waarheid gesproken hebt, zal ik handelen

volgens uw verlangen,” zeide hij ernstig en beslist. „Maar nu gaan wij

over tot de behandeling der Tengersche gebeurtenissen. We zullen ons

thans weer van het Javaansch bedienen. Cipier, breng de andere

gevangenen voor.”

Het onderzoek begon, en spoedig werd het den vorst duidelijk dat men op

deze wijze weinig vorderde. De Tengereezen wisten van den eigenlijken

roof op Siwangi gewaagd niets dan van hooren zeggen, den nachtelijken

aanval hadden zij allen bijgewoond. Robert verhaalde eenvoudig en naar

waarheid, dat hij dien morgen dwalend over den bergrug, menschen had

hooren aankomen, en om zijn kostbaarheden niet in gevaar te brengen,

verschool hij zich in het struikgewas aan de helling.

Druk gepraat, levendige smeekingen, eindelijk vrouwelijk angstgeroep

troffen zijn oor; op handen en voeten kroop hij naar den bergrand en

zag een jong meisje zich radeloos verdedigen tegen een twintigtal

mannen.

Zonder te bedenken welke gevolgen zijn handelwijze na zich kon slepen,

schoot hij zijn pistolen af en het gelukte hem de aanvallers op de

vlucht te jagen.

„Ik wist niet dat de vrouwenroover een prins was,” sprak Robert, „ik

zag in hem niets anders dan een boosdoener. Had ik het geweten, ik zou

stellig niet anders hebben gehandeld. Het is de plicht van elken man

bedreigde vrouwen ter hulp te komen.”

„Gij kent goed uw plicht naar ’t schijnt!” sprak de vorst nu weer in ’t

Hollandsch. „Wie leerde u dat?”

„Eene vrouw, wier lessen ik helaas! maar al te dikwijls heb

verwaarloosd.”

„Uwe moeder?”

„Ik heb mijn moeder niet gekend.”

„Uw vrouw?”

„Ik heb geen vrouw.”

„Een zuster?”

„Evenmin.”

„Een bruid?”

„Neen, een vriendin.”

„Die kennen wij hier niet,” zeide de vorst, die er zichtbaar behagen in

vond Hollandsch te spreken en te hooren spreken.

Hierop werd de tweede aanval behandeld en nu moest ook Mas Lembono

voorkomen om getuigenis af te leggen over de gebeurtenissen van den

nacht. Zijn getuigenis was verward; hij gaf het met een verstoord

gelaat en hortende stem; het was haast niet mogelijk hem tot spreken te

dwingen.

Telkens en telkens vlamden Soerapati’s oogen op; hij bedwong blijkbaar

zijn toorn en wierp zijn zoon blikken toe, welke deze niet verdragen

kon.

„’t Is goed,” sprak hij eindelijk opstaande. „Het verhoor is voor

vandaag geëindigd; weldra zal ik rechtspreken. Brengt de gevangenen

naar den kerker terug!”

De vorst verwijderde zich terwijl alle bekkens en gongen in beweging

werden gebracht om hem een afscheidsgroet te brengen. Hij keerde naar

zijn bijzonder vertrek terug, waarvan de ingang door bonte gordijnen

van de overige ruimte afgesloten was. Driftig schreed hij op en neer;

verontwaardiging tegen zijn zonen vervulde hem geheel.

„De lafaards,” mompelde hij, „dat kunnen zij, vrouwen rooven,

godsdienstige gebruiken tot masker verlagen van hun onheilige

doeleinden. Liegen, bedriegen ’t is de vloek van ons ras en die knapen

moeten vorsten worden, in staat om den beschaafden Hollanders het hoofd

te bieden. Hoe klein, hoe nietig stond mijn prins tegenover dien

anderen man, in wiens aderen enkele druppelen Europeesch bloed

stroomen. Hij weet wat hij wil; hij kan zwijgen. Hij zal zijn volk niet

verraden, zelfs niet ten koste van zijn leven; hij weet wat plicht, wat

eer gebieden. Voor mijne zonen zijn dit woorden zonder beteekenis,

ijdele klanken; ik hoorde hem graag dien jongen, liever dan den laffen

Lembono.”

Daar herinnerde hij zich eensklaps dat hij het zwart zijden zakje van

den gevangene nog in de hand hield; hij zette zich aan zijn tafel neder

en weifelde een oogenblik.

„Ik zal het toch openen; ik wil weten of hij een leugenaar is,”

mompelde hij en zijn kris nemend sneed hij het open.

Er vielen eenige papieren uit, een halve zilveren penning, een portret,

enkele verdroogde bloemen, een blauw lint, herinneringen aan zijn

moeder en aan Digna.

„Liefdesgedachtenissen, meer niet,” sprak Soerapati glimlachend, „geen

stukken die zijn taak omschrijven.”

Plotseling verbleekte hij en sprong op, beurtelings nam hij het portret

op en den penning, liet ze vallen en ontsloot snel een schildpadden

kistje, dat ter zijde van hem stond; zijn bevende vingers zochten

daarin zoolang tot hij een zilveren schijf vond, hij paste deze aan den

halven penning. Hij werd één geheel; als verpletterd zonk hij op zijn

zetel terug, het portret in zijn eene hand geklemd, den penning op de

tafel drukkend.

„Is ’t mogelijk, groote Goden,” stamelde hij... „haar zoon.”

II.

VADER EN ZOON.

Robert zat of liever lag in zijn gevangenis, een duister laag hok,

waarbij de gevangenis onder het stadhuis van Batavia nog een paleis

scheen; een keten verbond zijn voeten aan een ring in den muur, zijn

handen waren ook aan elkander geboeid. Hij lag achterover op een matje,

naast hem stond een halve klapperdop met rijst gevuld en een kleine

gendie (kruik) met water. Hij roerde ze echter niet aan; nauwelijks

wist hij dat het voedsel zich daar bevond, zoo donker was ’t hier. Het

eenige licht kwam van een halven cirkel, in een der hoeken van den

muur, waarvan de andere helft zeker de naaste gevangenis verlichtte.

Den ingang kon men slechts kruipend doorgaan, hij kwam op een

onderaardsche gang uit. Boeloe Kidoer kon misschien nog recht opstaan

in het hok; de vrij lange Robert raakte bijna den zolder als hij er in

neerhurkte.

Dus had hij besloten maar te blijven liggen, hoewel hij door de

gedwongen houding, aan al zijn ledematen zware pijn gevoelde. Het

scheen nu avond te zijn, want zelfs door den halven cirkel was nu niets

meer zichtbaar; in de verte hoorde hij de eentonige muziek van den

gamelan, die zeker het een of ander feest moest opluisteren, soms

vergezeld door het krijschend zingen der danseressen en dan werd het

weer voor een poos stil.

Robert had echter genoeg met zijn gedachten te doen om zich veel bezig

te houden met de Javaansche muziek buiten den kerker.

Zijn geheele zonderlinge levensloop trad hem voor den geest; wanneer

hij even insluimerde verbeeldde hij zich weer in het deftige huis op de

Heerengracht te Amsterdam te zijn bij zijn goede pleegouders, of wel in

den fraaien tuin van Amstelvreugd naast zijn verloofde.

Als hij door een harden slag van den gamelan of door het knabbelen van

een muis aan zijn haren verschrikt opvloog, kostte het hem moeite zich

te verbeelden dat hij zich in de gevangenis bevond van een Javaanschen

kraton, overgeleverd aan de genade van een oppermachtig meester, die

hem geheel scheen te doorgronden en niet met zich spelen liet.

„Mijn lot is beslist,” dacht hij, „de vorst zal mij tot spreken

dwingen. Blijf ik zwijgen, dan zal hij mij dood laten martelen; spreek

ik, dan treft mij de straf der spionnen. In elk geval mijn zending is

mislukt gelijk mijn geheele leven mislukt is. Zal Digna ten minste

weten dat ik mijn plicht heb gedaan tot het einde? In elk geval ’t is

beter dat ik hier een wreeden dood sterf dan dat ik in de Bataviasche

kazernen zedelijk ware ondergegaan. Sinds mijn laatste gesprek met haar

heb ik mij niets te verwijten, geen lichtzinnigheid, geen

uitspattingen, geen vloeken meer. Alles zou ik haar kunnen bekennen,

alles, maar ik zal haar nimmer terugzien.”

Eén woord had hij opgevangen vóór zijn vertrek van Soerabaya dat hij

maar niet vergeten kon; iemand had gezegd, een te hoog in rang dan dat

hij dien om nadere inlichtingen zou vragen, dat de Raad van Justitie

Voorneman overleden was. Digna vrij! Dwaas hart! hij schiep zich op dat

enkele woord droombeelden, zijn zending uitstekend gelukt, de

Hollanders overwinnaars van Soerapati, hij bevorderd tot hoogen rang en

dingend om de hand der jonge weduwe!

Welke onzinnige gedachten! Zelfs al bevatte het gerucht waarheid, al

ware Digna ook weduwe, welke breede klove gaapte er nog steeds tusschen

hem den naamlooze en haar de rijke, schoone vrouw. Hoe zou zij ooit

gedempt kunnen worden! Maar ach! een korreltje hoop is dikwijls genoeg

voor een geheel menschenleven om er van te bestaan en is het korreltje

eindelijk opgeteerd dan is ook het leven vaak ten einde.

Zou hij niet kunnen vluchten? Wanneer hij nu ontsnapte had hij reeds

veel, zeer veel aan zijn meesters kunnen melden. Soerapati was een

vijand, waardig zich met zijn landgenooten te meten. Welk een verschil

met den spotkeizer Pakoe Boewana, dien hij naar Karta-Soera had

vergezeld. Waren de Javaansche vorsten allen aan den Balineeschen

hoofdman gelijk geweest, voorwaar de Hollanders hadden zwaarder werk

gehad om het land aan zich te onderwerpen. Men kon hem vreezen, maar

minachten nooit!

Hoe zou zijn oordeel luiden? Robert had genoeg in zijn blikken gelezen

hoe hij de wandaden zijner zonen verfoeide en de Tengereezen hun

tegenweer niet misduidde, voor deze feiten zou hij niet streng zijn,

maar hij wantrouwde hem nu, hij zou zijn maatregelen nemen om den

dwarskijker onschadelijk te maken, wanneer hij dan ten minste een

spoedig einde maakte aan het proces en aan deze lange, martelende

gevangenschap.

Langzamerhand was hij ingesluimerd; hij sliep en zelfs vast, zoo hoorde

hij niet eens dat het ijzeren luik, de eenige toegang tot zijn kerker,

ontsloten werd en dat een helder licht naar binnen stroomde en zijn

gelaat bescheen.

„Wil Uw Hoogheid zich daarin wagen?” vroeg een stem buiten den kerker.

„Stil, laat mij begaan!” klonk het gebiedend terug en de hooge forsche

gestalte van Soerapati wrong zich door het smalle luik; hij knielde

neer en moest nog het bovenlijf voorover houden om zich niet aan de

armzalige zoldering te stooten. Zoo kon hij zich echter geheel over den

gevangene buigen, die rustig bleef voortslapen, zijn eene met ketens

beladen arm hield hij onder het hoofd, de andere rustte op zijn borst,

de ijzeren schakels van den keten vielen over zijn schouder, een kalme

uitdrukking lag op zijn trekken, zijn donker, golvend haar bedekte zijn

voorhoofd en zelfs zijn eene wenkbrauw.

Lang bleef Radhen Wiro Negoro in deze houding gebukt over den slapenden

vorm van den jongeling; zijn breede borst ging onstuimig op en neer,

zijn scherpe oogen schenen aan de stomme trekken een geheim te willen

ontpersen, hij volgde elke lijn van zijn gelaat, elken omtrek van neus,

lippen, voorhoofd als om daarin een gelijkenis te ontdekken.

De slapende maakte een beweging met de rechterhand, het ijzer rinkelde

en hij ontwaakte bij dat geluid; misschien ware hij weer dadelijk in

slaap gevallen zoo hij niet de donkere figuur boven hem had bemerkt;

hij richtte zich ontzet half op en vroeg:

„Is ’t tijd? Moet ik nu sterven? Welnu, ik ben bereid, maar laat het

gauw zijn, en dan den dood van een krijgsman!”

„Volg mij!” beval de vorst. „Sta op.”

„Zijt gij het zelf, Radhen Adipati?” vroeg Robert glimlachend, „dat is

een eer die zeker niet elken veroordeelde overkomt. Weet ge wat gij mij

beloofd hebt? Geef mij mijn eigendom terug.”

Soerapati antwoordde niet; hij had een breekijzer in de handen en liet

met een behendigheid, welke nog aan die van den ouden roover

herinnerde, de ketens los springen. Verrast zag Robert hem aan.

„Ik zal u voorgaan, gij komt met mij mede!”

Hij kroop door den nauwen ingang en Robert volgde hem werktuigelijk.

Buiten in de gang stond Radhen Wiro Negoro in zijn volle lengte

rechtop; hij was geheel alleen. In zijn hand hield hij een zijden doek,

dezen wierp hij den gevangene over het hoofd, toen nam hij hem bij de

hand en beiden schreden zwijgend voort.

„Mijn laatste oogenblikken zijn geteld,” dacht Robert. „Maar waarom

komt die groote Heer mij zelf halen; waarom moet ik blindemannetje

spelen en waar brengt hij me heen?”

Na omstreeks een kwartier geloopen te hebben, voelde Robert dat hij op

een divan moest neerzitten en de doek werd hem van het gelaat genomen;

zijn verwondering verminderde niet nu hij zich in het bijna Europeesch

gemeubelde vertrek des vorsten bevond en niet op een strafplaats.

Het verschil tusschen deze ruime, zacht verlichte kamer en zijn

ellendig hok was zoo groot, dat zijn schitterende oogen het duidelijk

genoeg uitspraken hoe de verandering hem trof.

„Ik heb u hier gebracht, jongmensch, omdat ik u spreken moest,” begon

de vorst met een stem, die van geheime ontroering beefde. „Neem een

stoel en zet u naast mij voor de tafel.”

Robert gehoorzaamde.

„Antwoord op al mijn vragen naar recht en waarheid. Oneindig veel is

daaraan gelegen niet alleen voor u maar ook voor mij, voor dit land en

voor uw volk.”

Deze plechtige woorden stemden Robert zelf hoogst ernstig. Radhen Wiro

Negoro trok het schildpadden kistje naar zich toe en ontsloot het met

een gouden sleutel, dien hij steeds bij zich droeg; alle kostbaarheden,

door Robert zoo hoog gesteld, lagen daarin bewaard; hij nam het portret

er uit en vroeg:

„Wie is deze vrouw?”

„Mijne moeder.”

„Waar is zij?” bevend en hortend kwam deze vraag van zijn lippen.

Robert zag hem hoe langer hoe meer verbaasd aan.

„Gij hebt gisteren gezegd dat zij dood was. Is dat waar?”

„Ja, zij is reeds lang niet meer! Ik heb haar nooit gekend.”

„En haar... haar man?”

Robert bloosde en wendde zijn blik af.

„Mijn vader heb ik evenmin gekend.”

„Ik vraag u niet naar uw vader! Ik vraag u naar haar echtgenoot,” drong

de vorst grimmig aan; de aderen van zijn voorhoofd zwollen op, en hij

zag den jongen man recht in het gelaat.

„Zij had geen anderen man dan mijn vader!” antwoordde Robert ontwijkend

met steeds klimmende verbazing.

„Geen andere en vaandrig Kuffeler dan!” barstte Soerapati uit. Robert

zag hem open in het gelaat en haalde de schouders op.

„Ik begrijp u niet, Radhen Adipati! Wat gaat mijn moeder u aan en de

naam, dien gij daar uitspreekt, heb ik nog niet eer gehoord.”

„Lieg niet! Ik laat mij niet bedriegen door niemand. Heette uw moeder

niet Suzanna Moor?”

„Inderdaad!”

„En is zij na uw geboorte niet getrouwd met een vaandrig, Kuffeler

genaamd?”

„Mijn moeder is steeds mijn vader trouw gebleven in wien zij haar

wettigen man erkende! Zij is later niet meer hertrouwd.”

Een ontzettende verandering had in de trekken van den vorst plaats;

zijn oogappels rolden wild in hun kassen, zijn neusgaten sperden zich

wijd op en hij siste:

„Niet getrouwd, mij trouw gebleven! Dan ben ik schandelijk belogen...

schandelijk, laag!”

Stom van verwondering staarde Robert hem aan; alles scheen hem nog een

droom.

Met ijzeren hand greep Soerapati thans den jongeling aan en stiet al

stamelend de vraag uit:

„En uw vader, uw eigen vader, hoe is zijn naam? Wie was hij?”

„Hij was een slaaf, Si Oentoeng genaamd.”

Radhen Wiro Negoro liet hem los; hij lachte schel en valsch.

„Si Oentoeng, Si Oentoeng, een slaaf,” herhaalde hij telkens heftig op

en neer gaande, „een slaaf. Ge vergist u, jonge man... hoe is uw naam,

ik bedoel den naam, waarmede uw moeder u noemde?”

„Robert.”

„Welnu, Robert, uw vader is geen slaaf meer, hij heet niet langer Si

Oentoeng, al is die naam profetisch gebleken, want winst heeft hij

gehad, zeer veel zelfs, hoewel men hem zijn kostbaarsten schat heeft

ontroofd. Wilt ge weten hoe thans uw vader heet, wilt ge weten wie hij

is?”

Robert antwoordde niet; hij voelde zich gebonden door den magnetischen

blik van den man vóór hem.

„Uw vader is thans een vorst, die de Hollanders doet sidderen en zijn

naam is Radhen Wiro Negoro.”

„Hoe gij zijt...?”

„Si Oentoeng, de echtgenoot uwer moeder, uw vader.”

„Gij, gij!” riep Robert uit, en week terug, schrik meer dan vreugde lag

in zijn oogen, hij snelde niet toe om zich in de armen te werpen van

den teruggevonden vader. In plaats van den Oosterschen vorst zag hij in

den geest slechts den grijsaard terug, wien hij levenslang den zoeten

vadernaam had gegeven en in dezen man herkende hij slechts den

moordenaar van Digna’s vader!

„Ge schrikt er van, ge verheugt u niet. Ware ik een blanke werkman

geweest ge zoudt mij verheugd in uw armen hebben gesloten, maar nu ik

een bruine vorst ben, nu veracht ge mij, nu schaamt gij u dat ge mijn

zoon zijt. Beken ’t, ik lees het genoeg in uw trekken!”

En hij hield hem bij den arm, dien hij vast in zijn vingers omknelde.

„Maar hoe zal ik u gelooven, Heer! ’t Nieuws verrast mij, ik duizel er

van. Nimmer had ik kunnen vermoeden...”

„Dat de slaaf, de ellendige verleider van uw moeder, zooals de

Hollanders mij beschouwen, zoo hoog zou klimmen, dat duizenden voor hem

sidderen, dat op een wenk van hem geheel het Oosten van Java zich in

het stof neerwerpt. Hij is de eenige macht, die het geweld uwer

landgenooten nog weerstaat, is hij gevallen dan zijt gij indringers,

hier meesters in dit vreemde land, waar binnen wij u niet geroepen

hebben, dat gij slechts betreedt om ons te onderdrukken, daar ge in ons

een lager menschenras ziet. Waarom leeft Suzanna niet meer, zij was de

eenige, die in mij haar gelijke zag, zij is mij trouw gebleven tot den

dood. O had ik ’t eerder geweten, had ik het kunnen vermoeden! Des te

wreeder is nu de scheiding geweest, des te zwaarder trof ons de vloek

van blank en bruin. Maar ge wilt bewijzen, knaap! Gij gelooft mijn

woord niet! Welnu kent gij dezen penning?”

„Hij is de mijne?”

„Hij is half doorgebroken, het zijn deze vingers geweest die het zilver

in tweeën spleten, hier is de andere helft, zie of beide schijven aan

elkander passen.”

Hij legde hem beide stukken voor en Robert boog het hoofd; hij gaf zich

gewonnen, maar in zijn hart klopte nog niets ten gunste van den

vorstelijken vader, hij kon niet veinzen.

„Zijt ge mijn zoon, ja of neen?” ging Radhen Wiro Negoro met toenemende

verbittering voort, „mijn zoon gesproten uit mijn echt met een

Hollandsche, een Christen vrouw! Ontken het langer als gij durft! Zie

dezen ring ook, daarop zijn haar voorletters gegrift.”

„Ik ontken niets, ik geloof uw woorden, maar vergeef me! Thans zijn

mijn gedachten meer bij mijne arme moeder, wier leven door uw schuld

vernietigd werd, bij mij zelf, die de gevolgen draag van haar misstap

dan bij u, Radhen Adipati!”

„Ge durft mij uw geboorte verwijten, dwaas die ge zijt? Ge vergeeft uw

moeder alsof zij, de arme, een zondares ware, maar begrijpt ge dan niet

dat het uw blanke verwanten, uw landgenooten zijn die de schuld dragen

van ons beider scheiding? Heeft uw grootvader mij niet opgevoed, als

ware ik zijn eigen zoon? Deed hij me niet vergeten dat ik slaaf was? Nu

nog spreek ik uw taal, al bleef ze jarenlang mijn tong vreemd, waarom?

Daar ik ze tegelijk met de mijne op het erf van den Heer Moor

aanleerde. Ik deelde haar lessen en haar spelen, ik achtte mij haar

broeder totdat er een oogenblik kwam, dat ik voelde het niet te zijn;

en zij, zij zag mijn kleur voorbij; dat zij er voor boeten moest,

daarvan dragen haar verwanten en niet ik de schuld.”

„Maar zij is u trouw gebleven, zij weigerde hardnekkig elke poging,

door haar vader in ’t werk gesteld om haar daad uit te wisschen, gij

echter wist u te troosten.... Zij stierf treurig en verlaten in den

bloei harer jeugd, gij zijt hoog gestegen, gij hebt een prinses van uw

volk tot uw vrouw gemaakt en u niet meer bekommerd om het meisje, dat

droevig haar jong leven eindigde, om het kind, dat tusschen vreemden

achterbleef.”

Soerapati’s blik verduisterde, hij bracht de hand naar het voorhoofd,

en het duurde eenige oogenblikken voor hij antwoorden kon.

„Kind, uw woorden treffen mij diep, diep in het hart! Ja, ’t is waar,

ik heb mijn arme Suzanna slechts smart en ellende aangebracht;

vervloekt zij ’t oogenblik dat zij mij trouw beloofde, vervloekt het

uur, waarop ik haar offer aannam; maar onwaar is ’t dat ik willens en

wetens haar verliet. Ik zocht vergoeding voor mijn leed ja, in mijn

eerzucht, want liefde heb ik niet meer gekend noch voor mijn vrouw,

noch voor mijn zonen. Wreed bedrog heeft Suzanna van mij gescheiden. Om

harentwille zwoer ik der Compagnie trouw, om harentwil droeg ik de

wapenen der Hollanders, om haar verdroeg ik de beleedigingen van een

vaandrig, en ik zou nog meer verduurd hebben, indien men mij niet haar

ring had teruggebracht, indien men mij niet voorgelogen had dat juist

mijn beleediger haar echtgenoot was. Hij die deze leugen verzon is

buiten mijn bereik; ’t is wel voor hem, want noch zijn grijze haren,

noch de vriendschapsband, die ons voor schier een halve eeuw aan

elkander hecht zouden hem gebaat hebben.”

En zijn hand omklemde krampachtig het gouden gevest van zijn kris.

„Maar,” ging hij voort, en zijn stem klonk zoo teeder en zoo week, dat

Robert hem verrast en vragend aanzag, „ik zal zoo God het wil, aan haar

zoon goed maken, wat mijn arme Suzanna lijden moest. Ge hebt mij nog

niet lief, ge schrikt voor mij. Ik wil uw gevoelens niet dwingen, ik

zal geduldig wachten totdat uw hart zich als vanzelf tot mij keert, we

zullen elkander langzaam leeren kennen, mijn zoon, en daarom verlang ik

dat gij mij thans alles zegt. Hoe is uw leven geweest? Wat hebt gij te

verlangen of te betreuren? Zeg mij alles, maar verhaal mij eerst van uw

moeder!”

„Zij is me even vreemd als gij het nog vóór enkele oogenblikken waart,”

antwoordde Robert, „vreemden heb ik levenslang den zoeten oudernaam

gegeven.”

En hij verhaalde hem in het kort zijn levensloop; zijn gelukkige

kinder- en jongelingsjaren, totdat de plotselinge slag hem van alles

beroofde en de wijde wereld eenzaam en verlaten injoeg; plotseling

zweeg hij, het was toen hij verhalen moest, waarom bij zich in

Soerapati’s handen bevond.

Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java · 第 25 / 30 段