gelaatstrekken hoewel lichter van kleur, droegen een merkwaardige
gelijkenis met die van Mas Pengantin, maar zijn stem en houding
brachten den gevreesden en geëerbiedigden Vorst zelf in herinnering.
„Maar wie zijt gij dan?”
„Een arme verdwaalde koopman, die wapens verkoopt, paarlen en
snuisterijen, ik wilde ze uw vorstinnen te koop aanbieden. Het noodlot
heeft er anders over beschikt, maar ik treur er niet om, daar ’t mij
vergund was een arm onschuldig meisje te redden van een treurig lot.”
Men had zijn onderwerping aangenomen, doch met hem eenige Tengereezen,
den oudste, benevens Siwangi’s broeder en bruidegom gevangen genomen;
toen zij gevankelijk weggevoerd werden, vervulde bitter gejammer en
gesteun de lucht, maar de gevangene bergbewoners troostten de
achtergeblevenen.
„Wij komen weldra terug,” zeiden zij, „onze zaak is eerlijk en Radhen
Wiro Negoro is rechtvaardig.”
Zij werden naar den Kraton van Pasoeroean gebracht en daar in den
kerker opgesloten om het onderzoek af te wachten.
Radhen Wiro Negoro besloot ook naar zijn hoofdstad te vertrekken; voor
zijn heengaan bezocht hij nog het ziekbed van zijn zoon. Maar
Pengantin, hoewel lang niet zwaar ziek, hield zich bewusteloos of
slapend om een gesprek met den gevreesden vader te ontwijken.
„Ge zult goed op hem passen, Soederma,” sprak de Vorst tot zijn
schoondochter, „en zoodra hij in staat is te reizen, laat gij hem in
een draagstoel overbrengen naar mijn Kraton.”
„En zal mijn vader dan ook genadig zijn.”
„Ik wil rechtvaardig wezen, kind! Want rechtvaardigheid is de deugd,
die op Java het verst te zoeken is, moge men eenmaal zeggen, Soerapati
bracht haar terug!”
„Geen deugd is ook moeilijker,” fluisterde de prinses en sloeg haar
door waken en tranen afgematte oogen naar den grond. Hij streelde haar
lokken en verliet de kamer om zich naar zijn gemalin te begeven, die
alweer met den dwerg aan haar voeten zat.
„Ik vertrek,” zei de hij kort en afgemeten, „ik reken er op dat gij mij
weldra volgt. Lembono zal mij vergezellen. Een woord heb ik nog te
zeggen. Gij overweegt booze dingen in uw hart, zoolang het zich tot
gedachten en woorden bepaalt, laat ik u vrij; maar pas op, dat ge mij
in geen nieuwe moeilijkheden wikkelt. Reeds genoeg zorgen en lasten
omringen mij, gij behoeft ze niet te vermeerderen, want als gij en uw
zonen er nieuwe bijvoegt konden zij licht aangroeien tot een berg, die
op mij valt en mij verplet. Misschien betreurt ge dat niet eens,
misschien is ’t juist dat, wat gij zoekt, maar bedenk dat ik alleen het
gebouw stut, waarin gij allen als vorsten zetelt. Wanneer ik verdwijn,
dan stort het ineen. Noch gij, noch uw kinderen kunnen het staande
houden! Overweeg dus mijn woorden en sla mijn raad niet in de lucht.”
De vorstin bedwong het toornig antwoord dat op haar lippen, zweefde en
zeide niets dan:
„Vaarwel, ik zal u spoedig volgen.”
Aan Boeloe Kidoer echter gaf zij haar hart lucht.
„Wat zal er gebeuren, Boeloe? Wat zal hij doen met mijn arme zonen; is
’t niet beter dat Pengantin zich niet waagt aan den toorn zijns vaders,
dat hij den Kraton niet meer betrede, maar vluchte naar... naar de
bergen met zijn getrouwen?”
„Bezit hij die?” vroeg de dwerg, „tien, twintig, honderd speelmakkers
en drinkebroeders zijn niet genoeg om een Radhen Wiro Negoro te
weerstaan?”
„Maar hij kan vluchten naar den keizer!”
„Naar Pakoe Boewana?” en de dwerg lachte spottend.
„Naar Soenan Mas bedoel ik!”
Nog luider lachte de dwerg.
„Soenan Mas zal de bescherming van Soerapati verbeuren om zich met die
van zijn vluchtenden zoon te behelpen. Moedertje, ge zijt bedreven in
vele zaken, maar staatsmanswijsheid mist ge nog!”
Juist trad Amirang Koesoemo, Radhen Goesik’s pleegvader binnen en de
dwerg begroette hem met de woorden:
„Grootvadertje, gij komt juist bijtijds, de schoone vingers van uw
dochter willen zich wringen tusschen de treden van den troon van haar
gemaal; zij hoopt die ineen te doen storten en vergeet dat zij de
eerste zal zijn om daaronder begraven te worden.”
„Zwijg onbeschaamde dwerg!” beet de vorstin hem nijdig toe.
„Mijn dochter zal dit onzinnige werk niet beproeven,” zeide de
oud-Rijksbestuurder, „ernstige tijden breken aan. Slechts in eendracht
kunnen wij ons heil vinden. Van twee kanten bedreigen ons èn de
keizerlijken èn de Hollanders, met vereende krachten moeten wij hen
weerstaan. En wie zou het doen, als Soerapati er niet was? Uw drie
zonen, Radhen Goesik, reiken te zamen hem nog niet aan de knie; gebruik
uw invloed niet om uw kinderen tegen hun vader op te zetten. De
burgeroorlog verdeelt het rijk en maakt het zwak tegen den vijand, die
van buiten dreigt. De val des vorsten zal ons aller ondergang zijn!”
„Maar hij zal zich niet ontzien zelfs zijn oudsten zoon zwaar te
straffen.”
„Dit is zijn plicht als de straffe verdiend is.”
„Maak u niet ongerust, moedertje!” grinnikte de dwerg, „de heer vader
zal streng oordeelen, vonnissen misschien, maar hij zal vergeven. Hij
heeft zijn zonen te veel noodig in deze duistere dagen. Wat zal het hem
baten zijn troon te redden, als hij de zekerheid heeft, dat deze na
zijn dood ledig zal blijven? Een man als Soerapati werkt niet voor één
geslacht.”
„Ge handelt slecht, mijn dochter, door heete olie in plaats van balsem
te gieten op de wonden uwer zonen, dat zou hen razend kunnen maken van
pijn. Wees dus op uw hoede! Laat Radhen Wiro Negoro handelen zooals hem
’t best dunkt. Wees overtuigd, dat het ook goed en billijk zal
blijken.”
Radhen Goesik zweeg, maar in haar hart was zij nog niet overtuigd; zij
koesterde echter voor haar pleegvader nog te veel kinderlijken eerbied
om hem te durven tegenspreken.
„De Dewa, waarvan Pengantin droomde, heeft zich doen kennen als een
gewoon sterveling,” hervatte zij na een poos, „hij heeft op mijn zoon
durven schieten de ellendeling. Als ik Wiro Negoro was, ik zou op den
vermetelen knaap het volle gewicht doen neerkomen van mijn toorn, dan
spaart hij ook zijn geliefde Tengereezen.”
„O moedertje, wat zou ’t goed leven zijn onder uw wijzen scepter,”
gichelde Boeloe Kidoer.
In diep nadenken verzonken reed de vorst intusschen aan het hoofd van
zijn leger; links en rechts wierp zich het volk bij zijn nadering in
het stof; hij zag hen nauwelijks aan, zoo hielden ernstige gedachten
zijn geest bezig.
De gebeurtenissen op het Tengergebergte, de oneenigheid met vrouw en
kinderen, kwamen hem juist thans ten hoogste ongelegen. Hij wist dat de
Hollanders zich nu op geduchte wijze uitrustten om hem in zijn eigen
gebied te komen aanvallen; het gevaar grijnsde hem van nabij aan. Zijn
ouden pleegvader en besten raadsman had hij verloren; bittere smart
welde op in zijn borst bij de gedachte dat hij den man, die hem zoo
trouw vergezeld had van het slavenkwartier naar het vorstelijk paleis
nu voortaan zou missen, en dat nog wel door zijn eigen schuld.
Naberouw kwelde hem, daar hij den grijsaard uitgezonden had op zulk een
gevaarvolle onderneming; hij had alleen zich zelf zijn dood of
gevangenisstraf te wijten. Zijn hart was bedroefd, maar daarop mocht
hij geen acht slaan, evenmin als op den toorn, die zijn borst vervulde
bij het herdenken van den tegenstand, hem geboden door vrouw en
kinderen. Neen, hij moest waken, hij moest denken, hij moest sterk
blijven, smart en gramschap verzwakken den mensch, verduisteren zijn
geest en hij diende krachtig te blijven, wilde hij alle moeilijkheden,
alle zorgen, alle vijanden het hoofd bieden.
Hij kon nu zijn zonen niet doodelijk kwetsen door een vernederende
straf, maar evenmin zijn trouwe Tengereezen beleedigen door
onrechtvaardigheid. De eer van zijn kroon door den erfprins
vertegenwoordigd stond aan de eene zijde, het geschonden recht aan de
andere.
„O, dat ik geen zoon bezit, waardig mij op te volgen, in wiens handen
ik gerust mijn taak kan overgeven als ik vallen moet,” verzuchtte zijn
ziel. „De kansen van den oorlog zijn wisselvallig, wanneer ik sneuvel
dan heb ik vergeefs gearbeid, mijn leven lang! Als het kaf der ledige
padikorrels zal alles verstuiven wat ik hier wrochtte. De ellendige
geest, die in mijn zonen heerscht, zal oorzaak zijn van den val van
mijn koninkrijk, dat ik door zooveel bloed en tranen, zooveel zweet en
arbeid vestigde. Zij zullen blijde terugkeeren onder Mataram’s
heerschappij, zich trotsch en tevreden voelen, wanneer zij als regenten
van den Soesoehoenan een schijn van macht mogen behouden in deze
gewesten, waar hun vader eenmaal als onafhankelijk vorst regeerde. Zij
worden slaven van den Islam en van de gewetenlooze hadji’s. Ik ben hoog
geklommen, mijn hoogste eerzucht is voldaan! Wat zal ’t mij baten
indien er niemand is, wien ik bij mijn heengaan de teugels kan
overreiken? Maar hoe komen die treurige voorgevoelens in mij op? Ik ben
nog niet oud, ik ben krachtig en sterk, mijn volk is mij trouw en mijn
lichaam is onkwetsbaar; ik zal de Hollanders leeren dat zij in mij een
anderen vijand hebben dan de Tjeribonsche, Bantamsche of Mataramsche
prinsen, een anderen tegenstander zelfs dan de heldhaftige
Troeno-Djojo. Zij zullen met mij moeten rekenen, ik zal hun wetten
voorschrijven. Waarom moeten zij overal zegevieren, dit land behoort
toch ons en niet hen, den vreemdelingen van over de zee.”
ZESDE GEDEELTE.
I.
DE RECHTSPRAAK.
De Kraton van Pasoeroean was een indrukwekkende ruimte. Evenals alle
andere kratons bestond hij uit verscheidene muren, de kern het
vorstelijke verblijf omvattend; fraaie tuinen, ruime pleinen, woningen
voor de prinsen, rijksgrooten en hofbeambten bevonden zich tusschen
deze muren. Soerapati had er vele veranderingen in laten maken, hoewel
hij den kraton niet gebouwd had. Vroeger zetelde er Ngabi Ongo Djoyo
in, regent van Pasoeroean; deze vorst was echter door hem verdreven
geworden en dus had hij zich met diens woning moeten vergenoegen. Ware
de keus aan hem geweest, hij had voorzeker aan een andere inrichting
verre de voorkeur gegeven; in zijn eigen vertrekken volgde hij nu
alleen zijn eigen smaak en liefhebberijen.
Europeesche meubels, waarvan de modellen uit Soerabaya ontboden waren,
vulden deze ruimte; een breede divan nam een der zijmuren in,
daartegenover stond een schrijftafel met een hoogen gebeeldhouwden
stoel, eenige boeken, die hij met veel moeite bijeenverzameld had,
lagen op de tafel naast schrijfgereedschap en papier; eenige
schilderijen hingen aan de muren, waarde hadden zij niet anders dan die
van de verf, welke er kwistig over geworpen was. Fraaier was de
verzameling wapens, die de wanden van boven tot beneden bedekte, naast
jachttropheeën, welke hij uit zijn tochten in het Zuidergebergte
medebracht. Een uit vellen van koningstijgers samengevoegd tapijt
rustte op den grond.
Niemand echter ontving hij in dit vertrek, zijn heiligdom, of het
moesten zijn trouwste vrienden, de oud-Rijksbestuurder, Kiai Hemboong,
Wirajoeda en nog enkele anderen zijn.
Hij sprak met zijn mantri’s, regenten en andere rijksgrooten, met de
gezanten van naburige vorsten of zijn onderdanen, die hem iets te
verzoeken hadden, steeds in de aangrenzende pendoppo.
Daar troonde hij geheel op de wijze der Javaansche vorsten op een
verhevenheid, met kostbare tapijten bedekt en door draperieën omgeven;
niemand mocht hem nabijzitten dan op een afstand van zes voet. Zijn
rijkssieraden werden door knapen in plaats van door vrouwen gedragen,
wanneer hij plechtig audientie gaf, of zich in statie aan het volk
vertoonde; hij verachtte al den verwijfden omhaal der Javaansche
etiquette en vergat nooit dat hij een soldatenvorst was. Op zijn reizen
liet hij zich alleen door zijn krijgslieden omringen en wanneer hij dan
ook op gewone dagen in zijn pendoppo verscheen, hetzij om gehoor te
verleenen, hetzij om recht te spreken, dan omringde hij zich alleen
door een sterke wacht van soldaten, die met hun pieken in de hand aan
weerszijden van de pendoppo en achter zijn zetel geschaard stonden.
Daar hij geen harem bezat, behoefde hij ook al de overdreven voorzorgen
niet te gebruiken, waarmede de Soesoehoenan den toegang van zijn hof
tegen elk mannelijk persoon versperde, en daar hij zelf den
Mahomedaanschen godsdienst niet beleed, had hij den Pangoeloe geen stem
te geven in zijn raad en kon dus ook gevoegelijk de omslachtige
plechtigheden van den Islam achterwege laten.
Deze twee eigenaardigheden maakten zijn hof zoo verschillend van die
der andere Javaansche vorsten; overigens trachtte hij zooveel mogelijk
nog den schijn van macht en glans te behouden, die bij de Javanen
onafscheidelijk is van de opperheerschappij; daarom mocht ook niemand
hem ooit anders dan kruipend naderen. Zoo hij hierin verandering had
gebracht, dan kon hij verzekerd zijn dat hij een deel van zijn
overwicht in de verblinde oogen zijner onderdanen verloren had.
Heden viel er bijzonder veel te doen; zijn afwezigheid had slechts
enkele weken geduurd en toch vond hij thans vele zaken af te doen, die
zich in zijn afzijn opeengehoopt of verward hadden. De zaak van den
Tenger moest onderzocht worden, daarenboven waren er gezanten gekomen
van Soenan Mas uit Kediri en van den regent van Soerabaya, die
onmiddellijk gehoor verlangden.
Radhen Wiro Negoro gaf bevel de boden van den afgezetten Keizer te doen
voorkomen; deze, twee in getal verschenen onmiddellijk en kropen naar
den troon, waarop de vorst hen afwachtte, omringd door zijn beide
jongere zoons, door Matjanegara den erfprins van Balembangan en zijn
mantri’s; deze waren allen op lage banken gezeten.
„Wat is het verlangen van uw heer, den edelen Pangeran Adipati?” vroeg
de vorst.
„Heer, onze meester zond ons in allerijl naar u heen, zijn hart is in
groote bekommernis, want hij weet niet welk besluit te nemen en daarom
roept hij uw raad in. De Hollanders zonden hem een tweetal verkleede
boden, Chineezen naar het schijnt, die in een heimelijk onderhoud hem
voorsloegen zich met de Compagnie te verzoenen en zijn oom den Pangeran
Poeger als wettig Keizer te erkennen.”
„En heeft de Pangeran Adipati naar hun voorslagen geluisterd?”
„Hij veinsde te luisteren, Heer, en vroeg uitstel om ernstig na te
denken; in dien tusschentijd zond hij ons naar u ten einde uw meening
te vragen aangaande het verleidelijk aanbod.”
„Hoe luidde dit aanbod?”
„De Compagnie beloofde hem genade en vergiffenis, alle eerbetuigingen,
die een Javaansch prins toekwamen, het gezag over eenige landstreken,
vrijheid voor hem, zijn vrouwen en kinderen.”
„En meent uw prins wellicht dat het hem beter zal gaan onder de
bescherming der Hollanders dan onder de mijne? Zoo hij hiervan
overtuigd is, hij trekke naar Batavia of Soerabaya en onderwerpe zich
aan de Compagnie. Hij zal mij dan verlossen van de verplichting zijn
rechten staande te houden tegenover Pakoe Boewana; ik zal met hem vrede
kunnen sluiten naar mijn believen. Zeg uw meester, dat hij den kraton
van Kediri onmiddellijk ontruime om zich aan de voeten der Hollanders
te werpen.”
„Heer, uw geest loopt te snel onze woorden vooruit! Onze Gebieder heeft
slechts toegeluisterd en meer niet. Hij wacht met te antwoorden tot hij
uw gevoelens heeft vernomen.”
„Ik heb ze uitgesproken. Mij is er niets aan gelegen den Pangeran
Adipati in mijn rijk te bezitten. Hij blijve of vertrekke naar zijn
goedvinden. Wanneer hij meent mij tot zijn wil te kunnen dwingen door
het aanbod dat mijne vijanden hem gedaan hebben, zoo vergist hij zich
deerlijk; om zijnentwil schroomde ik niet mij de vijandschap op den
hals te halen der Hollanders; alleen om hem te gerieven, bood ik hem
een schuilplaats aan, waar het hem aan niets ontbreekt en nog is hij
niet tevreden. Hij wenscht dat ik hem keizerlijke eer bewijs, hem, den
vluchteling, dien ik uit genade heb opgenomen in mijn land. Hij acht
het een onrechtvaardigheid dat ik hem geldelijken steun gevraagd heb
wanneer ik voor zijn zaak de wapens opneem; liever wil hij overloopen
naar zijn vijanden, die door zijn schuld ook de mijne zijn geworden.
Wat belet mij aan Goesti Katawangan bevel te geven hem over te leveren
aan Pakoe Boewana, zijn dierbaren oom? Deze zal hem nog hartelijker
ontvangen dan de Hollanders, ik ben er zeker van.”
De gezanten bogen het hoofd ter aarde en smeekten:
„Genade Heer, genade! Dat was de bedoeling niet van onzen Heer. Hij
vroeg slechts uw meening.”
„Die kent hij zonder er ook naar te vragen. Het is tijdverlies het boek
dat men reeds verscheidene malen gelezen heeft, nogmaals te openen.
Acht hij zich zelf Keizer of niet?”
„Ongetwijfeld, Heer, hij is de wettige opvolger der Soesoehoenans van
Mataram!”
„Welnu, dan kan hij in eeuwigheid ook niet het recht van zijn oom
erkennen; twee keizers kunnen niet tegelijk bestaan. Wil hij zich
verzoenen met de Compagnie, het staat hem vrij, maar hij verzoene zich
dan ook als Keizer, hij onderhandele met geen Chineesche boden, maar
met den Grooten Heer van Batavia zelf; zoo deze hem als Keizer erkent,
dan vervalt vanzelf zijn onderwerping aan Pakoe Boewana. Dit is mijn
antwoord. Vertrekt in allerijl en brengt mijn woorden letterlijk aan uw
meester over.”
En hij wenkte dat de boden uitgeleid zouden worden.
Thans was het de beurt van de gezanten, die Depati Soerabaya naar hem
afvaardigde; deze verschenen eveneens al kruipend aan het eind van den
pendoppo.
„Hoe maakt het mijn goede broeder, de Depati?” vroeg Radhen Wiro Negoro
nu veel vriendelijker als daar straks, „welke boodschap brengt ge mij
van hem?”
„De gezondheid van onzen meester laat niets te wenschen over, Edele
vorst! Hij beval ons met eigen oogen ons te vergewissen van den
toestand van zijn broeder, den machtigen Radhen Wiro Negoro.”
„Zeg uw meester dat de toestand van mijn lichaam uitstekend is, maar
mijn geest wordt gedrukt door vele zorgen.”
„Helaas! Heer, dezelfde klacht ontsnapt ook de lippen van mijn meester,
de tijden zijn donker en bang. Het is moeilijk den weg te vinden in de
duisternis.”
„De weg kan lang en moeilijk zijn, dit ontken ik niet, maar wanneer men
het doel vast en zeker in ’t oog houdt dan is er weinig kans tot
verdwalen. Dit zal ook mijn broeder van Soerabaya ervaren.”
„Maar juist het doel Heer, is vaak moeilijk te onderscheiden.”
„Daarom verdwalen er zoovelen; maar de meesten gaan blindelings voort,
zij tasten en zoeken, totdat zij in den afgrond storten.”
„Wanneer zij ten minste het geluk niet hebben een veiligen leidsman te
vinden, en juist deze ontbreekt mijn meester, daarom zond hij mij naar
Uw Hoogheid.”
„Zoo hij verlangt dat ik zijn leidsman zij, dan zal ik hem klaar en
duidelijk den weg doen kennen, dien hij gaan moet.”
„Maar hij mag den rechten open weg niet volgen Heer, zijpaden moet hij
inslaan wil hij niet geheel verderven.”
„Ik haat zijpaden en kronkelwegen, de rechte weg is mij altijd de
kortste gebleken naar het doel. Uw meester heeft de vriendschap der
Hollanders aangenomen, dat weet ik. Zal hij nu ook met hen tegen mij
oprukken?”
„Niets zou hem meer leed doen Heer, maar hij kan niet anders doen...
schijnbaar. Zijn schoonvader, de oude Panombahan van Madura is uw
felste vijand en zoo mijn meester openlijk uwe zijde kiest dan is zijn
lot beslist, de Hollander en de Madurees zullen hem verdrijven, hij is
geheel aan hen overgeleverd. In het geheim hoopt hij uw zaak beter te
dienen, dan hij het openlijk zou kunnen.”
„En op welke wijze dan?”
„Hij zal den veldtocht met zijn troepen medemaken, maar zijn soldaten
zullen niet medevechten, integendeel op beslissende oogenblikken zal
hun hulp den Hollanders falen, nog meer, hij zal hun vertrouwen winnen
en hen voeren op dwaalwegen; gij zult alles weten, wat in hun kamp
omgaat.”
„Uw meester is listig en sluw, zijn diensten zullen mij veel waard
zijn, welke belooning verlangt hij daarvoor?”
„Bescherming voor zijn grenslanden in de eerste plaats en verder wat Uw
Hoogheid in zijn hart rechtvaardig en billijk acht tot loon van zulke
goede hulp.”
„’t Is goed, het vertrouwen van den Depati zal niet beschaamd worden;
ik zal u geschenken medegeven ten bewijze van het verbond dat door ons
gesloten is. Maar begrijp me goed en laat ook uw meester het begrijpen!
Bij de eerste teekenen dat hij zijn belofte schendt, geef ik mijn
krijgsvolk bevel het grondgebied van Soerabaya binnen te dringen, de
akkers te vernielen, de dessa’s te plunderen, de kampongs te
verbranden, de bewoners als slaven weg te voeren. Onthoud dit wel, ik
ben een trouwe vriend maar ook een gevaarlijke vijand. Wanneer ik mijn
woord geef dan, bij mijn kris, zal ik het houden.”
De gezanten bogen zich ter aarde bij ’t hooren zijner krachtige,
dreigende stem en beloofden alles wat hij wenschte.
„Het zij dan zoo, ik noodig u uit op een feest, dat ik morgen in mijn
kraton geef, een gevecht tusschen tijger en buffel; heden avond
verwacht ik u echter aan mijn disch.”
En met een beweging vol trotsche genadigheid, gaf hij hen bevel zich te
verwijderen.
„Breng nu de gevangenen uit het Tengergebergte vóór,” gebood de vorst.
De cipiers voerden de ongelukkigen in ’s vorsten tegenwoordigheid; zij
waren aan elkander gebonden en zwaar geboeid; bij den ingang wilde de
gevangenbewaarder hen dwingen naar den troon te kruipen. De Tengereezen
gehoorzaamden bevend en kusten den grond.
Robert echter weigerde beslist; hij sloeg de geboeide armen over de
borst zoodat de ijzeren ketens luid rinkelden en sprak:
„Ik ben geen Heiden of Muzelman maar een Christen en Christenen knielen
slechts voor God.”
De gevangenbewaarder hief zijn stok op om hem door slagen tot knielen
te dwingen maar het trotsche bloed van Robert bleef tegenstreven, hij
wierp het hoofd fier achterover en riep uit:
„Ge kunt mij doodslaan maar kruipend maak ik dien weg niet; ik ben een
mensch en geen viervoetig dier. De menschen zijn geschapen om rechtop
door de wereld te gaan, de redelooze dieren om het aangezicht naar den
grond te keeren.”
Radhen Wiro Negoro zag het verzet van den vreemdeling en glimlachte
stil voor zich.
„Dwing dien man niet,” beval hij luid, „hij kome voor mijn
rechterstoel, zooals hij verkiest!”
Met lossen gang en hoog opgericht hoofd schreed Robert voort, door twee
cipiers gevolgd, terwijl de andere beschuldigden langzaam achter hem
voortkropen en hij hen dus een eind voor raakte.
Bij den troon gekomen boog hij zich diep. Soerapati zag hem lang
zwijgend en onderzoekend aan, toen wenkte hij de andere gevangenen ter
zijde te laten.
„Hoe is uw naam?” vroeg de vorst eindelijk.
Robert noemde den naam, dien hij aangenomen had.
„Sidin.”
„Zooeven hebt ge verklaard Christen te zijn, hoe rijmt dat met uw
Javaanschen naam?”
„Ik ben een kleurling, en onder hen zijn er velen, die den godsdienst
van een hunner ouders volgen.”
„Wat komt gij in mijn landen doen?”
„Mijn fortuin maken.”
„Men heeft mij de kleinoodiën gebracht die met de wapenen bij u
gevonden zijn. Was het uw eenig doel ze hier te verkoopen?”
„Welk ander doel zou ik hebben.”
„Misschien zijt gij een spion!”
Robert schrikte hevig, want deze woorden werden in zuiver Hollandsch
gezegd; vreemd, wonderbaar schier klonk hem zijn moedertaal in deze
geheel Javaansche omgeving uit den mond van den Balineeschen vorst.
„Ik ben verloren,” dacht hij, „en niet alleen ik, aan wien weinig
gelegen is, maar mijn zending is mislukt.”
„Het is aan u dat te bewijzen,” gaf hij ten antwoord, eveneens in het
Hollandsch, „ik heb u gezegd wat mijn doel was, en er is voor u geen
reden mij van onwaarheid te verdenken. Zoo ik niet door een toeval in
het Tengergebergte verdwaald en opgehouden was, zou ik zonder ongeval
in Banjoe Biroe zijn gekomen om mijn waren aan uw prinsessen te koop te
bieden.”
De vorst luisterde aandachtig en bleef een oogenblik nadat Robert reeds
zweeg in diep nadenken verzonken. Eindelijk begon hij:
„Uw Hollandsch is niet dat van een kleurling. Waar zijt gij geboren?”
„Op Batavia.”
„En wie uwer ouders was Hollander?”
„Mijn moeder.”
„Dat is niet alledaagsch. Zijt gij in Europa geweest?”
„Ja,” antwoordde Robert kortaf, hij gevoelde dat die man met zijn
adelaarsblik weldra geheel zou doordringen in al zijn geheimen en dat
hij dus met verdubbelde waakzaamheid zich zelf moest verdedigen, doch
leugens waren wapenen, die hij liefst niet gebruikte dan in uitersten
nood.
„En dan zoudt ge als een marskramer hier rondgaan om uw waren te
verkoopen? Waarlijk in Europa hadt gij iets beters kunnen leeren.”