Een der verrukkelijkste plekjes van Java is zeker het meertje

Blauwwater of Banjoe biroe genaamd, dat zich aan den voet van het

Tengersche gebergte verschuilt; nu nog roemen alle reizigers om strijd

de onvergelijkelijke frischheid, die onder de hooge boomen aan de

oevers van het meer met zijn doorschijnende azuren wateren heerscht.

Donkerblauw is het meer dat uit een bron ontstaat en later als een

riviertje zich naar beneden spoedt om de sawahs in den omtrek te

besproeien; die donkerblauwe kleur dankt zij aan de helderblauwe

steenachtige bedding die tot in de diepste diepte het water bevat.

Duizenden en duizenden visschen dartelen in het kristallen vocht; zij

zijn den inlander even heilig als de talrijke apen die in de hooge

boomen, welke het meer beschaduwen en hun lange takken in het water

doen slepen, stoeien, fluiten, krijschen, als ware hun leven niets dan

een eindeloos spel.

Aan de oevers van het meer verhief zich het lusthuis des vorsten. Het

was een eenvoudig gebouw bijna geheel verscholen onder de hooge boomen

en door een stevigen muur omsloten, die ook het water van vrij nabij

volgde. Hindoesche beelden versierden de oevers; een soort van galerij

was boven het meer uitgebouwd, vanwaar een trapje van eenige treden tot

in het water reikte en het vergemakkelijkte daarin een bad te nemen.

Hoewel het midden op den dag was, heerschte een koelte vol frischheid

onder de hooge boomen en op het water, dat zich letterlijk midden in

het woud bevond. In de galerij vooral was het heerlijk, de zonnestralen

spatten flikkerend rond door het dichte netwerk van het gebladerte en

deden het meer schitteren als een reusachtige vloeibare saffier; op

gele matjes zaten eenige vrouwen, bezig met het dakonspel, de beenen

hadden zij kruiselings onder het lichaam gevouwen en op een divan

hooger dan zij troonde de Radhen Goesik Koesoema.

De jaren waren niet ongemerkt over het hoofd der Mataramsche prinses

heen gegaan en de jaren zijn Javaanschen vrouwen vooral niet gunstig;

toch had zij uit de schipbreuk der jeugd nog veel overgehouden, haar

rijken haardos en vooral een wijze om het hoofd te dragen, die de

geboren vorstin kenmerkte; haar zwevende, onzekere gang had plaats

gemaakt voor den zelfbewusten tred eener vorstin, die weet dat zij

bevelen kan en mag.

Aan de voeten van haar divan zat een verschrompeld oud, klein manneke;

hij kon nauwelijks meer loopen, slechts kruipen, afzichtelijk waren de

trekken van zijn groot hoofd verwrongen, toch was hij nog altijd Radhen

Goesik’s liefste gezelschap.

„Neemt uw spellen en zit verder op,” beval de vorstin haar vrouwen, „ik

heb met mijn raadsman te spreken.”

In een oogwenk waren de matjes opgerold, de dakons ter hand genomen en

de vrouwen snelden weg; men wist dat na een lang zwijgen tusschen de

prinses en haar dwerg zulk een gesprek onvermijdelijk volgde.

„De oude Kiai schijnt nooit meer terug te keeren,” sprak Radhen Goesik

gejaagd, „bijna een jaar is verloopen na zijn vertrek.”

„Boeloe Kidoer had ’t hem voorspeld!” zoo klonk de gebrokene, ratelende

stem van het gedrocht; „de Hollander geeft niet terug wat zich

vrijwillig in zijn steeds geopenden muil werpt. Wat zegt de gemaal

mijner meesteres van zijn afwezigheid?”

„Ge weet dat Radhen Wiro Negoro mij niet eens deelgenoot maakte van

zijn heengaan,” hernam de vorstin bitter, „en nog weet ik niet wat hem

opgedragen was op Batavia te onderhandelen, hoewel ik ’t raad. O,

Boeloe, hoe diep heeft de liefde tot den Hollander wortel geschoten in

zijn ziel. Niets kan ze uitroeien of men moest den krachtigen boom

omhakken.”

„De boom is omgehakt maar niets anders heeft in den nog door vezels

verzaden grond willen tieren.”

„Ik heb er niets in kunnen planten, niets!” en haar stem klonk bijna

jammerend, „en Allah weet hoeveel moeite ik er toe deed, in mijne beste

jaren toen ik jong en schoon was, nu ben ik slechts een schaduw van

weleer, wat zal ik nu vermogen? Ik en mijn kinderen?”

„Ik begrijp uw weeklacht niet, groote Vrouwe. Heeft Soerapati u niet

alles gegeven, wat gij wenschtet? Heeft hij het vertrouwen, dat gij in

hem steldet, beschaamd? Gij hebt een gevluchten slaaf, een struikroover

uw hand geschonken, hij maakte u tot een vorstin machtiger dan Pakoe

Boewana’s Ratoe. Uw kinderen zijn vorsten, uw schoondochters

prinsessen. Wat verlangt ge nog meer?”

Radhen Goesik zuchtte:

„Ge hebt gelijk, Boeloe! Ik ben ondankbaar, ware ik Poerbaya’s gade

gebleven, ik zou het treurig leven eener gevangene hebben geleid te

midden der gehate kafirs. Soerapati heeft mij glans, macht en eer

geschonken, hij heeft mij naast zich verheven....”

„En hij duldt geen andere naast zich. Met niemand hebt gij uw titel te

deelen. Zusje, wat zijt ge veeleischend!”

„Ik beken ’t Boeloe! Velen zouden meenen dat ik nu het toppunt mijner

wenschen bereikt had en toch ben ik niet tevreden, niet gerust. Dit

gebouw Boeloe, door de machtige hand van mijn gemaal opgetrokken rust

op zandgrond; als hij er niet meer is om het te steunen dan zal het in

elkander storten. En ook hij vreest het.... doch nimmer spreken wij

over onze vrees. Ik ben hem niets, niets meer dan zijn Ratoe, de moeder

zijner kinderen, de poetri die hem hielp de ladder te bestijgen, welke

naar roem en macht voert.”

„Maar is dat niet genoeg? Wat wilt ge meer? De tijd is toch voorbij dat

ge smaak vondt in de zoete kwee-kwee, welke hij u in zijn liefkoozingen

boodt? Die moeten u thans walgen, want ge zijt niet jong meer,

grootmoedertje!”

„Dat behoeft gij mij niet te herinneren, dwerg! Daarom juist wil ik de

spijs genieten, die mijn leeftijd past. Ik verlang zijn honigzoete

vleierij, zijn misschien leugenachtige liefdesbetuigingen niet meer.

Naar iets anders heb ik dorst; naar de kennis van zijn plannen, naar de

vertrouwelijke mededeelingen van zijn zorgen en bekommernissen. Ik

wilde met hem de belangen bespreken van zijn... laat me liever zeggen

van ons rijk, want wat ware er van hem geworden zonder mijn liefde,

zonder mijn steun?”

„Hij behandelt zijn Ratoe met een eerbied, waarvan men tot nu toe op

Java geen weerga zag; met niemand deelt zij zijn bezit.”

„Meent ge dat ik dit voorrecht zoo hoog stel? Hoe, ik zou nog liever

aan het hoofd staan van een welgevulden kapoetren dan het eenzame leven

te leiden te midden mijner dienaressen, waartoe hij mij veroordeelt.

Daar zou ik heerschen over mijn gelijken, nu zijn het slechts slavinnen

die mij gehoorzamen en ook mijn zoons dwingt hij tot die Westersche

onthouding en waarom, juist dit is ’t wat mij dag en nacht pijnigt,

omdat het zijn hoogste eerzucht is, den blanken Christenhonden na te

volgen omdat hij slechts van hen zijn heil afwacht, en het voortbestaan

van zijn rijk, terwijl ik daarentegen voor niets insta, zoo hij niet

den Islam ter hulpe roept.”

„Juist, door een beroep te doen op de oude liefde der Oost-Javanen voor

den godsdienst van Batoro Goeroe, die ook de zijne is gebleven, gelukte

het hem deze volken te onderwerpen.”

„Meent ge dat, dwaze? Ja, ’t is waar de Tenger en de Zuidelijke streken

hebben in hem een afgezant der goden gezien, maar Pasoeroean duldt

slechts noode het gezag van een heiden en wat zijn hem de vormen van de

Brahmanen? Een lastig, vervelend kleed, dat hij vol vreugde af zou

werpen om den eeredienst der Westerlingen aan te nemen en met hen

vereenigd een soort van monsterverbond te sluiten. Maar ik de vurige

Mahomedaansche, ik huiver van hun kille aanraking, liever niets dan

vorstin door hen gekroond.”

„Zoo dacht Pangeran Poeger er niet over en uw grootvader keizer Tagal

Wangie evenmin,” grijnsde Boeloe, „wat zou er van Mataram geworden

zijn, indien de kafir zijn reddende hand niet naar hen uitgestoken

had?”

„Die hulp is hun ook duur te staan gekomen, maar Soerapati wenscht

meer; hij verlangt door hen als gelijke te worden behandeld, niet als

een onmondig kind, dat zelf niet met zijn speelgoed overweg kan en dus

de hulp der ouderen en wijzeren noodig heeft.”

„Maar vorstin! de hartstocht doet u dwalen, ge zijt altijd jaloersch

geweest op de Hollanders, eerst om de liefde, welke uw echtgenoot een

christenvrouw toedroeg, later omdat hij van hen alleen steun verwacht

tot instandhouding van hun rijk. Jaloezie is ’t alleen wat uw leven

beheerscht!”

„Ja ’t is waar, ik ben jaloersch! Hadde hij nooit die blanke liefgehad,

nooit zouden zijn gedachten weer telkens zijn teruggekeerd naar hen,

tot wier volk zij behoorde. Gelijk gindsche zonnebloem de zon volgt,

waar zij ook schijnt, zoo blijft zijn oog altijd op haar gericht.

Zonder haar ware hij, de Balinees, geheel Javaan geworden, zou hij mij

liefgehad en vereerd hebben als zijn wettige eerste vrouw, maar hij had

het niet beneden zich geacht ook anderen zijn gunst te bewijzen en ik

had niet gemord, verheugd als ik ware dat hij mijn geloof en mijn

volksgebruiken deelde, maar nu....”

„Gij vreest die doode vrouw meer dan een geheelen kapoetren.”

„Dwerg, ge leest mijn gedachten! Waartoe zou het dienen ze u te

verbergen? Ja, dat is zoo! Evenals het vat, waarin eenmaal doepa [30]

gebrand werd, zijn geuren behoudt, al werpt men er ook later de

sterkste kruiden in, zoo blijft in hem steeds de herinnering leven aan

zijn eerste jeugd, aan zijn grootste liefde. Die herinnering doortrekt

zijn dagen met haar gehaten geur, na Suzanna heeft hij nooit meer

liefgehad, zelfs niet mij!”

Dat laatste woord klonk als een onderdrukte snik.

„En toch wat heeft zij hem geschonken en wat ik!”

„Zusje, zusje! Verwijt de u bewezen gunsten niet! Schrijf ze op, daar

ginds in het water, dan verzinken zij in de diepte, en wees oprecht;

was toen ter tijd de liefde van den roover niet de grootste weldaad,

die de prinses verlangde en waarvoor geen offer haar te groot scheen!”

„Heb ik ze dan ontvangen, Boeloe? Neen, de liefde waarvan ik droomde,

daarnaar honger ik nu nog. Liefde, die alles deelt met den geliefde,

gedachten, hoop, vrees, zorgen, plannen en wat schonk Soerapati mij? De

kostbare gouden kas, waarin echter de schitterende diamant ontbreekt!”

Zij zweeg gedurende weinige oogenblikken en ook Boeloe sprak niets.

„Dwerg,” ging zij voort, „ik weet niets van wat er thans omgaat in het

rijk. Hij heeft Soenan Mas een gastvrijheid verleend, die den armen

vorst zwaar drukt, een gastvrijheid die veel op kerkerstraf gelijkt.

Wat is daar zijn doel mede? Hij is bijna altijd afwezig, hij oefent

zijn soldaten, hij versterkt zijn vestingen. Is er oorlog op til? En

met wien?”

„De machtige Radhen Adipati wijdde mij niet in zijn geheimen.”

„Tegen Pakoe Boewana, tegen den onwettigen keizer zal hij strijden,

maar dan zal ’t ook wezen tegen de Hollanders! O als hij hen

vernietigen, als hij hen verjagen kon!”

„Zal dan zijn liefde jegens hen ook uitgeroeid zijn, vorstin?”

„Hij kan op den duur niet alleen staan tegen zijn volk, tegen zijn

gezin, want ook zijn zonen verfoeien wat ik verfoei!”

„Dus wil mijn goede moeder, de sieraden welke zij van haar gemaal

ontving doen versmelten in krissen, die hem moeten dooden?”

Het antwoord op Boeloe’s tartende vraag, die waarschijnlijk licht

verspreidde op nog duistere plekken in Koesoema’s gemoed, werd haar

echter bespaard.

Mas Pengantin, door Lembono gevolgd, trad binnen; hij zag er ellendig

uit, zijn kleederen waren in wanorde en gescheurd, zijn gelaat bebloed,

zijn arm hing in een zijden doek. Ook Lembono, hoewel minder gehavend

scheen bleek en vermoeid.

„Wat deert u mijn zoons!” riep Radhen Goesik verschrikt uit.

„Moeder, zie, dat hebben vaders vrienden, de trouwe, vreedzame

Tengereezen gedaan!” huilde Pengantin en wierp zich luid jammerend op

den divan naast haar neer.

„Ge ziet er waarlijk niet feestelijk uit voor vrome bedevaartgangers,”

merkte Boeloe Kidoer droogjes op.

„Vloek over de vroomheid van dat huichelachtig volk,” zeide Lembono

bits, „ware ik Radhen Wiro Negoro, ik zou hen allen uitroeien van den

eerste tot den laatste.”

„Spreek geen kwaad van hen, hij deelt hun bijgeloof met hart en ziel en

zoo zij u aangevallen hebben mijn zoons, ligt de schuld aan u,” sprak

de vorstin gemelijk. „Waarom hebt gij aan hun bijgeloovige misbruiken

deelgenomen terwijl gij in uw hart Allah, den eenigen God en zijn

Profeet aanbidt? Gijzelf hebt u schuldig gemaakt aan huichelarij en

afgodendienst.”

„Vader veroorlooft ons niet iets anders te aanbidden dan wat hem

goeddunkt.”

Pengantin ging voort met kermen en met klagen. Brahma, Boeddha of

Mahomed waren hem allen even onverschillig. Hij jammerde zoo wanhopig,

alleen omdat zijn weldoordachte schaking mislukt was, maar dat wist

zijn moeder niet.

„Vertel me alles,” ging zij met vonkelende oogen voort, terwijl haar

dienaressen zich om strijd beijverden den gewonden prins te

verfrisschen en te verplegen. „Vertel me alles Lembono, wat er

gebeurde! Waarom hebben de Tengereezen u aangevallen?”

„Weet ik het? wellicht, omdat zij meenden dat wij hun dwaze

vertooningen bespotten, hoewel we ons uiterste best deden ernstig te

blijven.”

En hij gaf een zeer vrij verhaal van het gebeurde, waarin de arme

bergbewoners werden voorgesteld als verraders en wreedaards, terwijl

hij en zijn broeder onschuldige slachtoffers schenen van hun kwade

trouw.

De vorstin trilde van toorn; zij balde haar handen en sloeg er mede

tegen het voorhoofd.

„Die hoon moet uitgewischt worden; dat volk verdient de zwaarste

straffen. Radhen Wiro Negoro moet toonen dat zij, die zijn zonen

beleedigen, hem zelf aanvallen. Ik zal hem tot wraak aansporen tegen

dat vervloekte ras!”

„De Tengereezen zijn hem dierbaarder dan zijn kinderen!” spotte

Lembono, terwijl Pengantin overdacht of hij de wraakneming niet zoo kon

inrichten dat hij toch in ’t bezit van Siwangi kwam.

Daar snelde de jonge, schoone Radhen Soederma, Pengantins gade, naar

binnen; zij had met haar vrouwen een kleine wandeling gemaakt in den

tuin die zich verder in het woud bevond en hoorde terugkomend van het

ongeval, dat haar echtgenoot was overkomen.

Met alle kenteekenen van schrik en zorg trad zij onder de veranda en

liet de andere vrouwen vertrekken; zij alleen wilde hem helpen, hem

verbinden en verkwikken; op haar arm geleund, wankelde Pengantin naar

binnen, terwijl Soederma bevel gaf den doekoen (lijfarts) haars

schoonvaders te ontbieden.

Radhen Goesik zag haar spottend na en haalde de schouders op. Lembono

glimlachte en fluisterde zijn moeder toe:

„Mijn schoone zuster moest eens weten, waardoor mijn broeder zich die

wonde berokkend heeft. Meent ge waarlijk, lieve moeder dat die

Tengereezen ons zonder eenige reden aangevallen en verwond hebben?”

„Dat is mij tamelijk onverschillig; er kan geen reden zijn zoo

gewichtig om hun vijandig optreden te verschoonen; verlangt gij iets

van hen en willen zij ’t u niet goedschiks geven, dan zijt ge in uw

volste recht het te nemen al gold het ook hun vrouwen en kinderen.”

„Liefste moeder, waart gij slechts onze vorstelijke vader,” vleide

Lembono. „Wanneer komt Radhen Wiro Negoro hier terug?”

„Weet ik zelf of hij hier komt? Hij is naar de grenzen van Kediri,

Nitro vergezelt hem met den prins van Balembangan. Vertel me nu, naar

waarheid wat er voorviel, dan kan ik oordeelen wat aan uw vader dient

verhaald te worden. Het geldt zeker weer een verliefde gril van

Pengantin?”

VIII.

HET VORSTELIJKE GEZIN.

Radhen Wiro Negoro nam de beleediging zijn zonen aangedaan, niet licht

op, juist omdat hij de Tengereezen liefhad en begunstigde, vertoornde

hem hun misdrijf bovenmate. Zijn echtgenoot en zonen hadden niet veel

moeite hem te overtuigen dat zulk een daad zware straf verdiende;

onmiddellijk liet hij een afdeeling zijner soldaten die in Malang

gekampeerd waren, oprukken naar den Tenger; het bevel gaf hij echter

aan een zijner Balineesche hoofdlieden en niet aan een zijner zonen,

hoewel Lembono er dringend om gevraagd had. Pengantin lag nog met

wondkoortsen te bed.

„Ik wil niet straffen vóór ik beide partijen gehoord heb,” sprak hij

ernstig, „mijn mannen kan ik vertrouwen, zij zullen de voornaamste

schuldigen vinden en hen gevankelijk naar Pasoeroean overbrengen.”

„Ik begrijp niet,” zeide Radhen Goesik schamper, „waarom hier nog

onderzocht moet worden naar schuld. Hebben die menschen uw zonen hun

prinsen aangevallen dan verdienen zij voorbeeldig gestraft te worden.”

Radhen Wiro Negoro sloeg weinig acht op de woorden zijner vrouw,

hetgeen hij trouwens bijna nooit deed, maar wendde zich tot zijn zoon

Lembono:

„Ge hoort wat ik gezegd heb, Mas! Wilt ge mij bekennen wat de

aanleiding is geweest tot dien onverwachten aanval dan zult ge mijn

taak zeer vergemakkelijken.”

„Ik begrijp niet, Edele Vader! wat uw bedoeling is,” antwoordde de

prins met afgewend hoofd. „Welke aanleiding zou er bestaan? Ik ben met

mijn mannen opgestegen naar de Dasar, ik heb zelfs den Kraton

ongewapend beklommen met de Tengereezen en wierp in den afgrond de

offers, welke ik medegebracht had; de landlieden schenen zelfs gesticht

te zijn door mijn vroomheid. Daarna namen wij deel aan het offermaal in

de Zandzee en keerden langs den gewonen weg, den berg af. De bewoners

van de verschillende dessa’s verlieten ons de een na den ander in

hartelijke en eerbiedige stemming, waarop wij alleen onze reis

voortzetten.”

„Waar voegde zich uw broeder bij u?”

„In de Dasar, toen wij teruggekeerd waren van den kratertop.”

„En hij vergezelde u op uw tocht benedenwaarts?”

„Ja,” antwoordde Lembono min of meer weifelend.

„Ge waart dus Tosari reeds voorbij, hoe hebben zij u dan kunnen

aanvallen, bij hun dorp.”

„We keerden er terug, daar we verdwaalden en wilden er een

nachtverblijf zoeken.”

„Zie mij aan!” beval Radhen Wiro Negoro streng, daar de prins nog

steeds zijn blikken afwendde, „zweert ge mij, dat hetgeen ge vertelt

waarheid bevat? Uw broeder is ziek en ik kan hem thans niet

ondervragen, maar het onderzoek van de schuldigen zal uitbrengen, wat

hier waarheid is.”

„Wil mijn vader dan meer waarde hechten aan de verklaringen van dat

arme volk dan aan die zijner zonen?”

„De omstandigheden zullen bewijzen, wie het meest geloof verdient. Wat

ik nu van u verlang Lembono, is een plechtige eed. Behelst uw verhaal

waarheid?”

„Bij de geesten van den Bromo...”

„Roep hen niet aan! Neem slechts den grooten Oppergod, den Schepper van

het heelal, tot getuige uwer woorden. Hij heeft alles gezien en

gehoord, wat in het gebergte voorviel. Zweer thans!”

„Ik zweer dat geen logen mijn lippen ontwijdde.”

„’t Is goed! Wee u, al zijt ge ook mijn eigen vleesch en bloed, zoo ge

onwaarheid hebt gesproken.”

Juist trad Soederma binnen, zij wierp zich voor de voeten van haar

schoonvader en wilde zijn voeten kussen, maar hij hief haar vriendelijk

op en vroeg:

„Wat heeft mijn dochter mij te zeggen?”

„Mijn vader en gebieder!” sprak de jonge prinses, „mijn echtgenoot

spreekt zonderlinge taal; uw dochter weet niet of de koorts

waarschijnlijk zijn zinnen verwart, maar telkens ziet hij verward rond

en prevelt een naam, die altijd hetzelfde klinkt.”

Tranen rolden langs haar wangen en zij wrong in stomme smart de handen.

Haar schoonmoeder en zwager zagen elkander bezorgd aan.

„En hoe luidt die naam, mijn kind?”

„Siwangi!” snikte de prinses. „Maar dan verhaalt hij nog vreemder

dingen. Het was niet tegen menschen dat hij gestreden heeft maar tegen

een Dewa; de geesten van den Bromo hebben zich verzet tegen zijn geluk,

daarom moest hij bezwijken, maar hij zal niet ophouden te strijden om

zijn doel te bereiken en telkens, telkens roept hij weer den naam van

daareven. Het zijn niet de Tengereezen, verzekert hij, maar de geesten

van den berg, die zijn arm doorwondden en hem op het ziekbed wierpen.”

„Mijn broeder’s geest dwaalt af!” zeide Lembono scherp, „en mijn zuster

doet onverstandig de woorden, die zijn kranken mond ontvallen, te

herhalen. Zij moet ze laten verstuiven in de lucht en ze niet tot een

zaad maken, dat booze vruchten kan dragen. Het waren menschen van

vleesch en bloed en geen geesten die ons hebben aangevallen, men zal in

Tosari daarvan de sporen vinden.”

„Maar is Siwangi dan ook geen geest?” vroeg Soederma bedroefd.

„Keer naar de legerstede van uw echtgenoot terug, mijn dochter!” zeide

de vorst, „verzorg hem goed en bedroef uw hart niet noodeloos! Ik zal

de schuldigen weten te straffen.”

Maar toen de jonge vrouw vertrokken was, richtte hij zich in zijn volle

lengte op, zijn wenkbrauwen fronsten zich onheilspellend boven de

dreigende oogen en de machtige hand uitstrekkend naar zijn zoon, sprak

hij met donderende stem:

„Ik begrijp waar het om te doen was! Voor de Tengereezen zijn

vrouweneer en huwelijkstrouw nog steeds woorden vol beteekenis; het zal

niet gezegd worden dat Radhen Wiro Negoro deze kostbare schatten zijner

onderdanen niet heeft kunnen beschermen tegen zijn eigen zonen! Het

onderzoek zal worden ingesteld, ik zelf zal ondervragen en ik herhaal

’t nogmaals: Wee hen, die ’t schuldigste waren!”

Lembono verbleekte en zijn moeder zeide verschoonend:

„Maar gesteld eens dat het zoo ware, Edele Vorst! is die zonde dan zoo

onvergefelijk? Mas Pengantin is jong, het warme bloed zijner ouders

vloeit door zijn aderen; wanneer hij wellicht door hartstocht overmand

een landmeisje beleedigde, zoo verdient hij daarvoor toch geen al te

strenge straf. Ook gij hebt eenmaal bemind, ook gij hebt uw liefde niet

weten te bedwingen en moest er de gevolgen van dragen.”

Met gemaakte zachtheid vol snijdenden hoon had Radhen Goesik deze

laatste woorden uitgesproken. Soerapati beet zich op de lippen en wierp

haar een blik toe, waarin duidelijk te lezen was, dat de liefde jegens

haar, zoo deze ooit in werkelijkheid bestaan had, reeds sinds lang

plaats maakte voor wrevel en ergernis.

„Zwijg vrouw!” voegde hij haar scherp toe, „over dingen, waarvan gij

het rechte verstand niet bezit. Deze zaak geldt u niet, ik zal ze

alleen weten te behandelen.”

„Heb ik geen verstand van liefde en hartstocht?” vroeg zij fleemend.

„Ik ben Pengantins moeder en ook ik heb mij laten medeslepen door den

hartstocht der liefde. Ik verliet mijn eersten echtgenoot, een prins

van vorstelijken bloede, om een roover en slaaf te volgen op zijn

avontuurlijken weg. Inderdaad zoo mijn kind schuldig is, hij dankt het

aan ’t voorbeeld zijner ouders, Soerapati!”

Maar de vorst verwaardigde zich niet haar te antwoorden, hij keerde

haar met minachtend gebaar den rug toe en verliet de galerij.

Moeder en zoon bleven samen; Radhen Goesik weende van spijt en Lembono

sidderde over zijn geheele lichaam.

„Wat hij dreigt zal hij uitvoeren, moeder!” mompelde hij.

„Lafaard, die beeft bij het woord van een vader. Zijt ge dan nog zwakke

kinderen die een bestraffing vreezen en geen volwassen prinsen van

geboorte? Hij is een opkomeling, een soldaat die geluk had met zijn

wapens, maar in uw aderen stroomt het vorstelijke bloed, dat ge mij

dankt.”

„Predikt gij ons verzet en opstand?” vroeg de prins fluisterend.

„De omstandigheden zullen het leeren, hij heeft den weg gebaand aan u,

om zijn zetel opgericht te houden, desnoods boven zijn lichaam.”

Zij zag er vreeselijk uit, deze vrouw met haar bloedroode lippen en van

haat glinsterende oogen.

„Hij zal de Hollanders hier binnen halen; hij voert met hen oorlog

alleen om het recht te hebben met hen vrede te sluiten; hij zal de

Hindoesche tempels sluiten evenals de moskeeën en er Christenkerken

voor in de plaats bouwen. De halve maan en de lotusbloem zullen

vervangen worden door het kruis.”

„De Hollanders voeren geen kruis, zij hebben niets dan de

rijksdaalder,” meesmuilde Lembono, „dat geeft mij moed! Met geld zijn

zij het gemakkelijkst te onderwerpen, beter nog dan door wapens!”

„Blijft dan één met u drieën, zoo zijt ge machtig, machtig tegen den

vreemdeling, machtig tegen uw eigen vader!” hernam zij en stond op om

haar zieken zoon te bezoeken.

De soldaten, die naar den Tenger uitgezonden waren, kwamen weldra

terug; zij verhaalden dat hun taak gemakkelijk was geweest; de arme

landbouwers hadden geen andere wapens dan hun kapmessen en de schrik

sloeg hen om het hart, toen zij de krijgslieden zagen naderen.

Eerst dachten zij dat het een nieuwe poging was om Siwangi in het bezit

te krijgen, maar de aanvoerder reed vooruit met een witten doek in de

hand en de oudste der dessa, die het sinds den dood van Siwangi’s vader

was, kwam hem te gemoet om te hooren wat hij verlangde.

De aanvoerder bracht het bevel over van den Vorst, die streng maar

rechtvaardig wilde oordeelen en dus de schuldigen aanraadde zich

vrijwillig over te geven, daar anders de geheele dessa voor het

misdrijf van slechts enkelen zou moeten boeten.

Toen was er een jonkman vooruitgekomen, die in gebroken Javaansch

zeide:

„Ik ben alleen de schuldige, ik heb een meisje beschermd dat weerloos

in de handen was gevallen van een roover, en ’s avonds toen men opnieuw

de misdaad wilde begaan, maar thans met overmacht van wapenen, heb ik

nogmaals mijn wapen gelost. Mijn schoten hebben de aanvallers op de

vlucht gejaagd. Onderzoek vrij deze hutten, gij zult er geweren, kruit

noch lood vinden, niets dan deze wapenen, welke ik u ter hand wil

stellen en die mij toebehooren.”

Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java · 第 23 / 30 段