„Maar uwe handen, schoon kind! zijn niet geschapen om den patjol te

hanteeren; evenmin als uw voeten om zich te verwonden op de hoekige

punten der rotsen. Een beter lot heeft Batoro Goeroe, de rechtvaardige

u beschoren.”

„Ik verlang geen beter lot,” hernam het meisje eenvoudig, „ik ben

tevreden met mijn leven, vooral wanneer ik Dorowadi mijn echtgenoot zal

mogen noemen.”

„Gij stelt niet veel eischen! Weet gij dat prinsessen u dat heerlijke

haar zouden benijden?”

Verlegen bond Siwangi haar lokken op in een lossen wrong.

„Waarom martelt gij ze? De sterren schamen zich als zij den glans van

uw hoofd aanschouwen? De vogels zijn in onrust als zij uw stem hooren,

want gij overtreft hen allen. Waar zou ik uw gelijke vinden? Gij zijt

zoo schoon, vooral omdat gij niet weet wat schoonheid is, o kon ik ’t u

zeggen! Ware ik de kristalheldere beek om de regelmaat uwer trekken,

het vuur uwer oogen te weerkaatsen, want andere spiegels kent gij niet,

o schoonste der vrouwen!”

„Heer! Gij schertst met mij! Van hieruit zal ’t u gemakkelijk vallen

den weg naar de Dasar te vinden, vergun dat ik terugkeere naar mijn

huis en naar mijn vader.”

„Waarom wilt gij mij verlaten? Ge kastijdt mij met uwe lippen, ge

straft mij door het afwenden der zwarte diamanten, die gij uwe oogen

noemt. Waaraan heb ik zooveel wreedheid verdiend? Schoot ik te kort in

eerbied jegens u? zeide ik iets dat u met angst vervullen moet? Zeg

mij, wat ge verlangt, maar ontneem mij het onuitsprekelijke geluk niet

van uw bijzijn!”

„Heer laat me gaan! Ik versta niet, wat ge mij zegt, en ik wil het ook

niet verstaan want ik geloof dat het niet voegzaam is naar u te

luisteren. Laat uw dienares terugkeeren, Heer! haar taak is geëindigd,

zij deed wat zij beloofde.”

„En nog ben ik niet tevreden! Nog verlang ik meer van u. Word mijn

vrouw, Siwangi, mijn geliefde!”

„Hoe gij kent mijn naam!”

„Ik kende dien reeds sinds lang. De wensch om u te zien en te spreken

voerde mij hierheen.”

„Op den dag, dat ik weerloos zou wezen, dat slechts een grijsaard mijn

gezelschap was, gij hebt mij verraden, bedrogen! Laat me terugkeeren,

Heer! ik smeek het u!”

Hij was nader en nader tot haar gekomen, op slechts korten afstand

volgden zijn gezellen en sloten haar den weg tot terugkeer af; zij zag

om en schrikte terug. Geheel en al bevond zij zich in de macht der

vreemdelingen; haar vervolger strekte den arm uit om haar te grijpen,

zij sidderde en ontvluchtte hem, doch met groote behendigheid wist hij

haar te bereiken en dwong haar stil te staan.

„Luister naar mij, geliefde! Ik heb vele schoone vrouwen gezien; op

mijn wenk vallen prinsessen in mijn armen want ik ben een vorstenzoon,

en zie, sinds ik u zag—weet ge nog wel toen gij in den kraton mijns

vaders verscheent, om hem uw hulde van vruchten en bloemen te

brengen—kende ik slechts een wensch, u de mijne te mogen noemen. Uw

schoonheid heeft het vuur der begeerte in mijn hart ontstoken, ik slaap

niet meer, want uw beeld vervolgt mij zelfs in den droom. Ik neem het

met mij mede op mijn tochten, in de hoffeesten overal zie ik u, zoetste

der vrouwen, ster, die alle sterren doet verbleeken; al daalde een

widadaran [28] op aarde neder, zij zou zich moeten verschuilen om niet

overwonnen te worden door uw bekoorlijkheden want zelfs Bromo’s

gemalin, moet voor u onderdoen. Ge zijt een koningin gelijk in

schoonheid en in zachtheid, in innemende bevalligheid, in fiere

houding, gij zult het ook wezen in macht want ik zal u kronen met

bloemen en met juweelen als mijn wettige gemalin, als mijn vorstin, ik

zal de volkeren dwingen u hulde te betuigen als gij toestemt de mijne

te worden.”

„Hoe kan dat, daar gij een prinses tot vrouw hebt, Mas Pengantin!”

„Als honig zoo zoet klinkt mijn naam van uw lippen, al trilt uw stem

ook van toorn! Ge zijt in mijn macht Siwangi, die geuriger zijt dan uw

welriekende naam, ik kan geweld gebruiken maar ik versmaad allen dwang,

zoolang ik nog overreding gebruiken mag. Zeg een woord, kan ik hopen op

uw liefde?”

„Schande Heer! zulke woorden tot mij te richten, als ge weet dat ik ze

niet mag aanhooren evenmin als gij ze moogt uitspreken. Ik ben verloofd

en gij zijt getrouwd.”

„Ik zal mijn vrouw verstooten, zoo gij mij wilt liefhebben! en ik zal

me aan u wijden met een liefde, die door niets wordt overtroffen, tot

in de verste eeuwigheid. U wil ik bezitten, u zal ik behouden, hier en

ginds. Steeds mijn geliefde, blijven we vereenigd! Waart gij een bloem,

ô dierbare, ik zou de bij wezen, die u volgde en zich verzadigde aan

den zoeten geur, die uit uw kelk opstijgt, waart gij een boom ik zou de

slingerrank wezen, die zich om u kronkelde! Wees niet wreed, luister

naar mij, geef me eenige hoop!”

„Nimmer! Laat me los! Ik haat, ik veracht u!”

„Meisje, wees voorzichtig, die haat kan u duur te staan komen. Ik heb

gesmeekt en gevleid, maar bedenk dat ik u bevelen, ja zelfs dwingen

kan!”

„Mij dwingen! Nog liever stort ik mij in den afgrond.”

Zij rukte zich met geweld los, doch op een wenk van Pengantin omringden

zijn makkers het meisje; zij slaakte een doordringenden kreet:

„Vader, Dorowadi, komt mij te hulp!”

Maar snel als de bliksem vielen zij op het arme kind aan; een hield

haar handen vast, een ander stak haar een zijden doek in den mond,

Pengantin drukte haar tengere leden vast tegen zich aan; er was geen

middel voor haar om te ontkomen, toen er plotseling iets tusschen het

hooge struikgewas siste en een der gezellen van den prins bloedend

inéénstortte. De anderen zagen verbijsterd rond en lieten de handen

zakken; Pengantin alleen, liet zijn prooi niet los; de doek viel ter

aarde en opnieuw deed het meisje een scherpen gil hooren.

„Batoro Goeroe, help mij!”

Een tweede schot viel; en niemand nog kon zien wie het gelost had; de

schrik sloeg echter den makkers van Pengantin om het hart; kermend

wierpen zij zich naast hun paarden op den grond, eenigen bestegen snel

hun dieren en trachtten weg te rijden, enkelen lieten zelfs deze in den

steek en kozen het hazepad.

„Lafaards,” krijschte de prins, „laat ge mij nu alleen!”

„O prins, het was niet goed den verheven berg te ontheiligen door

vrouwenroof,” riep een der mannen uit; „we hebben u genoeg gewaarschuwd

toen het nog tijd was maar uw hartstocht sleepte u mee; thans treft u

de toorn van de machtige beschermgeesten der Tengersche bergen.”

Met een rauwen kreet liet Pengantin den linkerarm vallen, die het

meisje nog omvat hield; ook deze arm was door een kogel doorboord.

Juichend wilde het meisje, dat zich reeds bevrijd waande voorwaarts

snellen maar de rechterhand van haar belager omklemde nog steeds haar

dunnen pols.

„U vrij laten, nimmer! Ik tart Batoro Goeroe en alle goden die hem

vergezellen. De mijne zult gij zijn!” riep hij met heesche stem; „kom

te voorschijn mensch of duivel, wie ge zijt en val mij aan met open

vizier! Helpt mij, mannen, houdt het meisje vast!”

Maar niemand verweerde zich; een vierde kogel werd afgeschoten doch

raakte hem niet, daar hij snel het hoofd boog. Het vreemde geluid der

schoten schrikte echter de stille echo’s der wouden uit hun rust op; en

Pengantin voelde dat hij weerloos stond tegenover den vijand daar hij

van het gebruik zijner beide armen beroofd was; hij droeg geen

vuurwapen bij zich niets dan evenals zijn makkers, statiekrissen,

verborgen in den gordel. De mannen, die opgingen naar den Bromo moesten

ongewapend zijn en op deze omstandigheid had hij gerekend door zich

niet sterker te voorzien.

Instinctmatig greep hij naar zijn kris en zoo was Siwangi eindelijk

vrij; in een oogwenk was zij tusschen de neergevallen en vluchtende

mannen heengesneld en daalde af naar Tosari, waar haar vader vol angst

haar hulpgeschreeuw en het knallen der schoten had gehoord.

VI.

IN TOSARI.

Pengantin knarsetandde van woede en spijt toen hij zijn prooi zag

ontsnappen; nog was zijn toestand niet benijdbaar. De schutter moest

zich terzijde van den weg aan de helling van den diepen ravijn

verschuilen; maar wie was echter de man, die in het hartje van de

Tengersche bergen zich van Europeesche vuurwapens bediende? De prins

kon op deze vraag geen voldoend antwoord vinden; hij hield er zich ook

nauwelijks mee bezig; al zijn gedachten waren gevestigd op het beste

middel om zich uit zijn moeilijken toestand te redden.

„Ge hebt genoeg den lafaard gespeeld!” sprak hij tot zijn kruipende

bevende gezellen, „we moeten bedacht zijn op tegenweer, ik ben alleen

en gewond, zoo kan ik niets uitrichten. Samen zullen wij sterk zijn

tegen de aanvallers. Staat op, gij, die ongedeerd bleeft en helpt mij

den ellendeling te zoeken en naar verdienste te straffen.”

„Heer, wie zegt u dat gij met menschen te doen hebt en niet met

geesten?”

„Geesten zouden zich van kogels en pistolen bedienen. Ha, ha!

Bijgeloovig gebroed! Bedenk hoe gevaarlijk onze toestand is, wanneer

gij daar onbewegelijk blijft; we moeten vóór- of achteruit! Zullen wij

den tocht voortzetten naar de Dasar?”

„Neen, neen! De goden zijn te vertoornd, zij willen onze offers niet.”

„Ik dacht dat gij slechts Allah aanbadt en zijn profeet gehoorzaamdet,

hoe kunt ge dan de goden der heidenen vreezen? In elk geval, wij mogen

geen tijd verliezen met lange reden maar moeten eerst met den vijand

afrekenen.”

„Wat zullen onze krissen vermogen tegen zijn verreikende wapenen?”

„Laat ons naar de Dasar opstijgen, dan is tenminste onze terugtocht

verzekerd, zoo Mas Lembono ons vergezelt.”

In den somberen gloed die uit Pengantins oogen lichtte, lazen zijn

mannen maar al te wel, dat hij zijn heilloos voornemen om Siwangi te

ontvoeren nog niet had laten varen.

„Wellicht is de geheimzinnige beschermer der deern langs die struiken

teruggekeerd naar Tosari en wacht ons daar af met nieuw geweervuur. In

het opstijgen is het minste gevaar te vreezen; daar boven weet men nog

niets van ’t geen ons hier wedervoer.”

„Maar de geesten zullen het reeds weten,” waagde er een te zeggen.

„En Amin, die gewond is?”

„Leg hem neer, straks vinden wij hem terug, ik ook ben gewond. En

Hassan verroert zich niet, hij is dood! Welnu, werp hem in den

afgrond!”

Na deze wreede bevelen te hebben uitgedeeld bond Pengantin zijn arm in

den zijden doek, die zoo pas Siwangi het roepen had moeten beletten,

besteeg zijn paard en steeg opwaarts, schoorvoetend gevolgd door zijn

aanmerkelijk verminderd gevolg.

Siwangi zat intusschen snikkend en sidderend onder het afdak bij haar

vader; de weinigen, die achtergebleven waren in de dessa omringden het

meisje en toonden haar de levendigste belangstelling.

Met wijd geopende oogen zag haar vader haar aan; zijn oude, gerimpelde

handen beefden sterk maar geen woord ontsnapte zijn mond; telkens viel

zijn hoofd op zijn borst neer.

„Siwangi,” riep een der vrouwen, „let op uw vader!”

Onmiddellijk staakte het meisje haar door tranen en snikken afgebroken

verhaal en wierp zich op haar vader; de oude man liet het grijze hoofd

tegen haar schouder vallen, zuchtte diep, rekte zich uit en alles was

voorbij.

Te midden der verwarring door dit plotselinge sterfgeval veroorzaakt,

kwam een vreemdeling nader.

„Daar is de ellendige roover, de moordenaar!” gilde een vrouw hem met

den vinger aanwijzend, „o, waren wij slechts mannen! Zijn laatste uur

had geslagen.”

„Wees niet zoo overijld, vrouw! Indien er een onder u gered werd uit de

handen van schandelijke misdadigers, dan heb ik er het mijne toe

gedaan. Vraag het meisje zelf, of ik haar schaker ben.”

Siwangi was te overmand door smart, om het gelaat op te heffen en zich

om te keeren.

„Zijt gij mijn redder? Uw stem is niet die van mijn verderver?” snikte

zij, „o waarom moest mijn vader juist nu sterven vóór dat hij u zijn

dank gebracht heeft, wellicht zijt gij wel een afgezant der machtige

goden! Hoe ’t ook zij, ik ben u dankbaar en ook mijn bruidegom zal u op

zijn knieën vereeren.”

De vreemdeling schudde zacht het hoofd.

„Meisje, ik kom hier in treurige tijden zie ik, gij omringt daar een

doode, maar toch, zoo ge meent mij eenigen dank verschuldigd te zijn,

geef mij de aalmoes van eenig voedsel. Sinds dagen dwaal ik tusschen de

bergen rond, zonder mijn bestemming te kunnen vinden, ik hoorde een

doordringend gillen—ik begreep dat men een meisje met geweld ontvoerde

en schoot mijn pistolen in het wild af. Wie ik getroffen heb, weet ik

niet!”

„Gij hebt mij meer gered dan het leven,” zuchtte Siwangi, „en nu

ontnemen de almachtige goden mij mijn geliefden vader, maar slecht, is

’t van mij nu alleen aan mijzelf te denken en niet aan u, mijn

bevrijder! Alles wat wij hebben, alles wat wij kunnen is te uwer

beschikking! Buurvrouw, ik weet niet wat ik zeg, ik geloof dat ik

krankzinnig word. Geef den dapperen held, rijst, vruchten, klappermelk

en legèn [29], laat hem uitrusten binnen ons huis!”

Zij viel weer half onmachtig op het levenlooze lichaam haars vaders

neder; met betraande oogen zag haar redder het arme meisje aan; het was

hem aan te zien dat hij verdwaald en uitgeput was, zijn kleederen,

welke die van een gewonen Javaan schenen, waren gescheurd en bemorst,

zijn voeten doorwond, ook zijn gelaat droeg sporen van de verwondingen

door scherpe doornen veroorzaakt; de loopen zijner pistolen waren

anders door den breeden buikband verborgen nu echter staken zij er

duidelijk zichtbaar uit. Zijn kleur was veel lichter dan die der

overige Javanen, ook de trekken waren te regelmatig en te kloek

besneden om aan een Javaan van onvermengd ras toe te behooren. De

vrouwen haastten zich hem verfrisschende dranken en versterkend voedsel

toe te dienen; een andere trachtte Siwangi van het lichaam haars vaders

te verwijderen.

„Laat mij begaan, vriendin!” smeekte zij, „laat mij zoolang ik kan mijn

vader omhelzen! Morgen reeds zal ik hem moeten toevertrouwen aan de

kille aarde. Vervloekt de hartelooze indringer, die zijn laatste

oogenblikken zoo zwaar deed zijn!”

En langzaam keerde zij zich om en wendde het gelaat naar haar redder,

dien zij nog niet had aangezien, maar nauwelijks had zij hem

aangestaard of zij deinsde ontzet terug. Gillend verborg zij het gelaat

in de handen.

„Hij is het!” riep zij uit, „hij.... de prins!”

„Maar kind! de smart doet u verdwalen! Hoe kan hij dezelfde wezen, die

u aanviel? Niets vorstelijks is er in zijn kleeding, in zijn voorkomen.

Zie hem goed in ’t gelaat!”

De twee vrouwen dwongen haar met zacht geweld de handen van de oogen

weg te nemen en den vreemdeling, die haar vol deelneming beschouwde,

van meer nabij te bezien.

Huiverend naderde zij hem, al haar leden trilden, zij durfde de oogen

nauwelijks opheffen: maar toen hij vriendelijk sprak:

„Kom nader, arm meisje! Zie me aan, ik ben degene niet die u zoo wreed

behandelde;” begon zij meer moed te vatten.

„Ik vergis me;” stamelde zij eindelijk, „uw trekken zijn schier

dezelfde als die van Mas Pengantin, maar uwe gelaatskleur is lichter en

uw stem klinkt niet scherp en barsch als de zijne, zelfs wanneer hij

liefkozen wil. Vergeef mij, de smart maakte mij schier waanzinnig! Gij

zoudt broeders kunnen zijn maar twee broeders geheel verschillend van

inborst en neigingen.”

Zij liet zich nu gedwee als een kind naar binnen leiden; vervolgens

droegen de vrouwen onder luid snikken en klagen ook het lijk van den

grijsaard in de hut, waar zij hem de laatste zorgen wijdden.

Intusschen was de vreemdeling, in wien wij Robert herkenden, op de

baleh-baleh rustig in slaap gevallen; toen hij ontwaakte was de zon

reeds hoog aan den hemel, een verward gedruisch van aankomende mannen

en vrouwen deed zich hooren, vroolijke scherts en druk gepraat hield

hen bezig, toen zij in de feestelijkste stemming het dorp naderden.

Groot was hun ontzetting toen plotseling Siwangi met verwarde haren en

dik bekreten oogen, hen te gemoet vloog.

„O broeders, o bruidegom! weent met mij, klaagt zoo luide dat de

onsterfelijke goden het hooren! Onze vader is niet meer!”

„Hij is gestorven en op dezen vreugdedag? Wee ons, dat voorspelt niets

goeds!”

„En hoe is hij gestorven! Ach! bijna had nog grooter ramp ons

getroffen, uw zuster, uw bruid ware weggevoerd geworden door een

gewetenloozen prins. Schande en oneer ware haar deel geworden; en onze

arme vader zou geschandvlekt nederdalen in de koele aarde!”

„Meisje, ge spreekt koene taal! Zeg ons, wie heeft zich op zulk een

wijze aan u vergrepen? Wie verkortte het leven van onzen

eerbiedwaardigen vader?”

„De zoon van onzen vorst, de onwaardige Mas Pengantin. Slechts

huichelarij deed zijn broeder u vergezellen op den heiligen tocht; een

voorwendsel zocht hij om mij te belagen. Hij wist dat ik alleen zou

achterblijven. Hebt ge hem gezien in de Dasar met zijn gewonden arm?”

„Inderdaad, we zagen hem, hij trof zijn broeder aan bij het feest, waar

is hij heen gegaan? Welk loon moet den verrader treffen?”

„Zullen we onze bruiden, onze zusters niet weerloos kunnen achterlaten

in onze huizen?” riep de vurige Dorowadi uit, „nooit hebben wij den

strijd gezocht, nu echter is ’t onze plicht ons te wreken op den

ellendeling, die misbruik maakt van zijn vorstenbloed.”

„Maar wie heeft u gered, Siwangi?”

„Deze dappere held,” antwoordde het meisje en wees op Robert, die met

kalmen blik de verontwaardiging der Tengereezen beschouwde. „Hij is

mijn redder, Dorowadi laat ons hem danken!”

En beiden knielden voor hem neer en kusten zijn voeten.

„Wonderlijk,” fluisterde een der landlieden tot den andere, „als ik het

niet beter wist zou ik zeggen prins Pengantin in eigen persoon.”

„Ja, de gelijkenis is treffend, maar ook het verschil valt dadelijk

op.”

Dien nacht werd er weinig geslapen in Tosari; de jongste broeder van

Siwangi en Dorowadi gevolgd door verscheidene jongelingen, bleven

waken. Hun voorzorg was niet nutteloos; midden in den nacht hoorden zij

de tjemaraboomen, die den bergrug bedekten ruischen, de takken der

hooge varens kraakten als werden zij vertrapt; alles deed een overval

vermoeden, de jonge mannen ijlden naar de paggers en stelden zich in

staat van tegenweer, hoewel zij zich nog schuil hielden. Uit de diepte

stegen de mannen op van Mas Lembono vereenigd met Pengantins helden;

behoedzaam naderden zij het dorp, dat zij in diepe rust gedompeld

waanden.

De door zijn hartstocht verblinde prins ging aan hun hoofd, hij toch

wist den weg naar het huis; hij vreesde de geweerschoten niet meer, hij

had alles vergeten, alles, behalve het voorwerp van zijn brandend

verlangen. Niets zou gemakkelijker zijn, meende hij dan te dringen in

de woning waar Siwangi sliep, het meisje in de verwarring te rooven,

terwijl de dessabewoners met zijn gevolg slaags raakten.

Als het inlanders gold, die zichtbaar waren bovendien, dan kon hij

gerust op hun moed vertrouwen; hij zou met Mas Lembono in allerijl

wegvluchten, de mannen bleven vechten, wellicht zouden de Tengereezen

al zijn dienaren vermoorden, wat nood? Hij en zijn broeder met het

geroofde meisje waren veilig, al moesten deze allen geofferd worden,

hij had zijn doel toch bereikt en kon tevreden wezen.

Met dit plan naderde Mas Pengantin de pagger, toen plotseling het luide

geroep van: „Amok, amok!” weerklonk, toortsen flikkerden van alle

kanten, een roodachtig licht gloeide boven de dessah, alles verliet de

huizen en snelde voorwaarts naar de pagger.

Ook Robert was opgestaan, hij laadde zijn pistolen en ijlde met de

dorpelingen de aanvallers te gemoet. Reeds bij de eerste schoten, die

hij loste, ontstond er verwarring in het kamp, niemand durfde nog een

stap voorwaarts doen, want zij misten allen vuurwapenen.

De eenige man, die met zijn los kruit in het wilde schoot was hun aller

meester, de beide prinsen zagen dat hier niets te doen viel en volgden

weldra de vluchtelingen, die in allerijl tusschen de bosschen

verdwenen.

In Tosari echter bleef men den nacht doorwaken, en bewees schier

godsdienstige eer aan den ridderlijken beschermer hunner woningen.

Den volgenden morgen werd het lijk van Siwangi’s vader in linnen

gewikkeld en de geheele familie gevolgd door alle dorpelingen

vergezelde het onder luid gejammer naar de begraafplaats. Daar was een

graf van drie voeten diep gegraven; men legde er het lijk in,

zorgdragende dat het hoofd naar den Bromo gekeerd werd; zijn zonen

bedekten het toen met bamboes, waarvan een holle bamboe ter hoogte van

den mond overeind werd gestoken; daarin zou Siwangi gedurende zeven

dagen een verkwikkenden drank gieten om haar vader den dorst te

lesschen; andere spijzen werden dicht bij het graf geplaatst.

Nu keerden de familieleden zich tot elkander en vroegen op schreienden

toon:

„Ontbreekt er ook een uwer?”

En allen antwoordden jammerend en klagend:

„Ja, een ontbreekt. De oudste, de beste onder ons; onze veelgeliefde

vader!”

Eindelijk namen zij met gebogen hoofden en vol teekenen van rouw den

terugweg aan.

Zeven dagen lang moest den doode spijs en drank gebracht worden, daarop

maakte men de bamboe dicht en staakte het brengen van eten; uit den

stam van een pisangboom vormde men toen een soort van pop, waarvan

hoofd en armen rijk met bloemen werden behangen. Deze plaatste men bij

de heilige haardstede, waar haar eten aangeboden werd onder het

opzeggen van gebedformulieren, het besprenkelen met water en het

branden van wierook.

De oudste zoon nam eindelijk met grooten eerbied de pop in de armen en

ging naar buiten door de anderen gevolgd.

„Ach,” weeklaagden allen, „waarom verlaat gij ons? Waren wij niet goed

voor u? Hebben wij u niet opgepast met alle zorg en liefde? En nu gaat

gij heen!”

Met veel plechtigheid werd dat zoogenaamde beeld van den afgestorvene

eindelijk verbrand.

Deze zeven dagen bracht Robert bij de goede, eenvoudige menschen door

en deed nieuwe krachten op voor de moeilijke en gevaarlijke taak, die

hem opgedragen was.

Tot nu toe had hij nog zeer weinig daarvoor kunnen verrichten want toen

hij in Pasoeroean aankwam, werd hem gezegd dat Radhen Wiro Negoro in

zijn buitenverblijf te Kotta Malang verblijf hield.

Robert droeg allerlei Hollandsche snuisterijen bij zich, die hij van

plan was aan het hof te verkoopen, om zich aldus ongezocht den toegang

tot het paleis te verwerven; voorloopig had hij onder het volk verkeerd

en uit hun gesprekken zooveel mogelijk bijzonderheden opgevangen van de

regeering van Soerapati. Zijn koopwaren, kleine spiegeltjes, miniatuur

huishoudelijke voorwerpen van gedreven zilver, platen en

vrouwensierselen werden bewonderd en gekocht.

„Waarlijk als ik hier geen ander doel had dan te verkoopen, zou ik kans

hebben gauw rijk te worden,” dacht Robert maar het verkoopen was

bijzaak en hij moest zorgen dat zijn voorraad niet uitgeput raakte.

Hij had een paar prachtige oorknoppen meegekregen, die voor de vorstin

Radhen Goesik Koesoema bestemd waren en die hij dan ook haar alleen

wilde laten zien; hij vroeg om den weg naar Malang en het toeval

beschikte dat hij met eenige Tengereezen, die hem spoedig als de

eerlijkste en meest vertrouwbare Javanen voorkwamen, een gedeelte van

den weg kon maken; de bergbewoners, hadden echter haast om het groote

feest bij te wonen.

Na hem den weg zoo goed mogelijk te hebben uitgelegd, verlieten zij hem

aan den voet van den berg en nu raakte hij aan het dwalen; ondanks zijn

kompas, viel ’t hem moeilijk zoo niet onmogelijk zich door deze

wildernis een weg te banen. Hij besloot toen op te stijgen in de hoop

een dorp aan te treffen of ten minste een gedeelte van de feestelingen

op hun terugtocht van de Dasar; in plaats daarvan was ’t hem gegeven

den roof van Mas Pengantin te beletten en de dankbaarheid te verwerven

der eenvoudige landlieden, die hem niet wilden laten gaan, vóór dat hij

geheel hersteld was van zijne vermoeienissen.

VII.

BANJOE BIROE.

Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java · 第 22 / 30 段