onbekendheid met de landstreken, waarin Soerapati huishoudt. Nog nooit,
zoolang hij het bewind voert, heeft een Hollander—overloopers niet te
na gesproken—daar den voet gezet; wat wij van zijn regeering en de
inrichting van zijn rijk weten, dat hoorden we slechts uit weinig
betrouwbare inlandsche berichten. En ’t is toch noodzakelijk vóórdat
wij onze hand in dat wespennest steken, iets meer te weten van den man,
dien wij gaan bestrijden. Zou er geen mogelijkheid toe bestaan zich
daar van te vergewissen?”
„Uw raad is niet verwerpelijk maar het hoe biedt ernstige, bijna
onoverkomelijke bezwaren aan. Wij kunnen er spionnen heenzenden, maar
deze moeten toch ook Europeanen zijn, daar wij de inlanders weinig
vertrouwen kunnen en er op hun waarnemingen geen staat te maken is.”
„Een Europeaan hebben wij in de eerste plaats noodig, die alles met
zijn eigenaardigen blik beschouwt en weet, wat hij op moet merken en
welke toestanden zijn meeste aandacht verdienen; maar hoe zullen wij
dezen in Soerapati’s onmiddellijke omgeving laten doordringen? Kleur en
spraak zullen hem verraden.”
„Maar reeds menige Europeaan is naar hem overgeloopen; ik hoorde zelfs
dat reeds menige blanke deserteur hem zijn diensten aangeboden heeft.
Zou men thans ook niet één of meer vertrouwde mannen onder datzelfde
masker naar hem kunnen zenden?”
„Vergeet niet dat de slimme vogel thans meer dan ooit op zijn hoede zal
wezen en wee dengene, die hem wil verschalken. Het is noodzakelijk in
de eerste plaats, dat noch hij noch zijn dienaar vermoeden, dat onze
verspieder in zijn rijk is. Degene, dien wij daartoe afzenden, moet
listig, dapper, welonderwezen zijn en door zijn uiterlijk de
achterdocht der inboorlingen niet opwekken.”
„Waar zou men zulk een zeldzaam wezen kunnen vinden?”
„Daar valt mij iets in! Mijn aandacht werd gevestigd op een jong, knap
soldaat—ik geloof dat hij onlangs bevorderd is—tot korporaal. Hij heeft
een kaart gemaakt van het oorlogsterrein, die ik zeer goed bruikbaar
vond; gelegenheid om zijn moed te toonen heeft hij niet gehad maar de
goede kapitein Wels, die helaas! viel als offer van het moordend
klimaat, meldde mij nog dat in de weinige schermutselingen, die hij had
meegemaakt, zijn dapperheid hem veel te veel deed wagen; doch wat hem
vooral aanbevelingswaardig doet zijn voor dergelijke zending, dat is
zijn donker voorkomen.”
„Is hij Hollander?”
„Ik zou ’t wel denken, hoewel zijn kleur van gelaat en haar meer aan
een Italiaan of Spanjaard herinneren. De arme knaap moet in de laatste
dagen, welke hij te Batavia doorbracht, nog een onaangename zaak hebben
gehad. Men heeft hem beschuldigd van een diefstal, waar slechts een
liefdeshistorietje in ’t spel was. Zijn Edelheid de Opperlandvoogd
beval mij hem door een enkel woordje aan.”
„Het beste zou wezen, wanneer Uw Edelheid hem eens over het onderhavige
geval zelf sprak.”
„Gij hebt gelijk en ik wil het dadelijk doen.”
Hij tikte op de tafel en gaf bevel aan den binnentredenden ordonnans
den korporaal Walter te doen roepen.
Weinige oogenblikken later kwam de korporaal binnen en groette de beide
groote heeren eerbiedig.
„Wij hebben u doen ontbieden korporaal,” begon de Opperbevelhebber de
Wilde, „daar wij ons willen vergewissen of gij de noodige vereischten
bezit om een moeilijke, gevaarvolle zending te volvoeren.”
Robert bracht even de hand aan het hoofd, hij antwoordde niet maar zijn
groote donkere oogen vonkelden van blijde verwachting.
„Hebt gij moed?”
„Ik hoop ’t u te toonen, Heer Opperbevelhebber, als de gelegenheid er
zich toe aanbiedt.”
„Maar er is meer noodig dan de moed, die u aan het hoofd van een leger
doet vechten onder de bevelen uwer meerderen?”
„Ook dat meerdere hoop ik te bezitten.”
„Ge zult list en beleid dienen te gebruiken.”
„Daarin heb ik nog weinig proeven afgelegd, maar ik hoop dat de
gelegenheid als een goede meesteres ze mij zal leeren.”
„Gij spreekt goed, uw uitspraak is beschaafd, ik heb gehoord dat het u
niet aan kundigheden ontbreekt, dat gij u gemakkelijk in het Fransch,
Hoogduitsch en Engelsch kunt uitdrukken. Waar hebt gij uw opvoeding
ontvangen?”
„In Amsterdam.”
„Dus behoort gij zeker tot een goede familie.”
„Ik heb geen familie,” antwoordde hij dof.
„Is Walter uw eenige naam?”
„Mijn eenige.”
„Ik wil niet meer vragen, gij schijnt reden te hebben om uw voorgaand
leven met een diepen sluier te bedekken. Ik eerbiedig uw geheim; maar
nog een vraag: Kent gij Maleisch en Javaansch?”
„Niet meer dan om mij tegenover de inboorlingen te kunnen uitdrukken
voor de gewone behoeften van het dagelijksch leven in het leger. Ik heb
echter, ’t zij met bescheidenheid gezegd, een groot gemak voor het
aanleeren van vreemde talen.”
„’t Is goed, ik zal een Javaanschen Mantri aanwijzen, die u grondig
zijn taal leert; gij weet reeds iets van de taal. Hoeveel tijd denkt
gij noodig te hebben om ze te leeren verstaan en spreken?”
Robert dacht even na.
„Drie maanden.”
„Welnu, reeds heden zullen uw lessen beginnen; en bereid u dan voor op
een hoogst gewichtige zending. Wanneer gij in mijn geest die uitvoert,
dan wacht u van de Hooge Regeering een schitterende belooning,
waarschijnlijk den officiersrang.”
Opnieuw schoten Robert’s oogen stralen vuur; maar hij sloeg ze neer,
zijn lippen trilden en in zijn hart fluisterde hij:
„O Digna, hoe tevreden zult gij dan zijn!”
„Maar ik kan u niet ontveinzen dat er groote, zeer groote gevaren aan
verbonden zijn, en dat ge groote kans loopt uw leven onderwijl te
verliezen.”
Minachtend trok de jonge man zijn wenkbrauwen op.
„Aan mijn leven hecht ik volstrekt niet. ’t Is niets waard, ik zal
gelukkig zijn, wanneer ik het geven mag in dienst van het vaderland.”
„Ge wilt u dus met die taak belasten, al weet gij nog niet, waaruit zij
bestaat?”
„Ja, Heer Opperbevelhebber! Ik zal gelukkig zijn die te mogen
uitvoeren, en ik hoop het in mij gestelde vertrouwen niet te
beschamen.”
Juist trad een jonge onderkoopman, die den gezaghebber Ram moest
spreken, binnen; toen hij Robert zag, die juist het vertrek wilde
verlaten, bleef hij onthutst staan.
„Van Reijn,” zeide hij halfluid, als onwillekeurig.
De andere zag om, als had hij op een doorn getrapt, zijn blos bewees
hoe hij schrikte, maar hij wendde dadelijk het hoofd af, groette zijn
meester en vertrok.
„Kent gij dien man?” vroeg de Heer Ram aan den koopman.
„Ja, Edele Heer, uit Amsterdam. Zijn vader en de mijne waren vrienden,
ten minste....”
„En wie was zijn vader?”
„De oud Expres-commissaris in Indië, Jozef van Reijn.”
„Wat zegt ge, van Reijn, maar die had geen kinderen.”
„Dat heeft men later ook bemerkt; de oude heer had hem met zich uit
Indië meegebracht en hem steeds behandeld als zijn eigen zoon. Hij
voerde geheel en al het leven van een rijken, patricischen jonker,
totdat zijn vader plotseling stierf en toen bleek het dat Heer van
Reijn in het geheel niet zijn vader was. Hij verdween nog voor de
begrafenis en niemand wist tot nu toe, wat er van hem geworden was.”
„En hoe gedroeg hij zich in Amsterdam?”
„Hij was een vroolijke klant, jong en een weinig lichtzinnig, maar
trouw als goud; zijn pleegvader had hem op zijn handelskantoor
geplaatst, zeker met het voornemen hem een aandeel in de zaken te
geven. Niemand weet of hij daarin voorzien had, want zijn haastige
vlucht sneed alle betrekking met zijn vroegere bloedverwanten af. Hij
had echter weinig lust in den koopmansstand; zijn hart trok naar het
militaire leven, maar een teedere verhouding, die er bestond tusschen
hem en de juffrouw van Starenwijck, deed hem in ’s vaders wil
berusten.”
„Dus gij weet niets ten zijnen nadeele?”
„Volstrekt niet. Zijn makkers hielden allen veel van hem; hij was onder
zijne medeleerlingen een der eersten; zijn drift deed hem somwijlen een
misstap begaan, maar hij was eerlijk en oprecht, een liefhebbend zoon
en vurig minnaar.”
„Daar hebben wij niets mee te maken. Ge meent echter zeker te weten dat
deze korporaal en uw vroegere speelmakker dezelfden zijn?”
„Ik geef er mijn woord op. Daarenboven Uw Edelheden zagen zelf hoe hij
op ’t noemen van zijn naam zich omwendde.”
„’t Is wel! Ga nu tot de behandeling uwer eigen zaken over.”
Zoodra hij vrij was, begaf zich Bosma, de onderkoopman naar de kazerne
en vond daar Robert een weinig afgezonderd staan, hij hield een boekje
met Javaansche karakters in de hand.
„Robert,” zeide hij, „gij wilt mij niet meer kennen.”
De andere zag hem aan.
„Neen,” gaf hij ten antwoord, „’t is beter dat we elkander niet meer
kennen ten minste voorloopig niet. Eens hoop ik echter met een nieuwen
naam en een nieuwe toekomst u en ook anderen in de oogen te zien. Dan
neem ik het niet meer als gunst aan dat menschen mijner nog willen
gedenken.”
„Ik hoop dat oogenblik te zien. Ik heb veel goeds van u aan Hun
Edelheden verhaald, misschien zal ’t u voordeel doen.”
„Gij hebt toch niet alles gezegd?”
„Wat ik wist alleen.”
Robert beet zich op de lippen.
„Ook van haar?” vroeg hij.
„Van juffrouw van Starenwijck?”
„Noem haar zoo en niet anders. Ik smeek er u om?”
Bosma wist niet dat Digna vroeger juffrouw Tak en thans mevrouw
Voorneman heette en beloofde het gaarne.
„Laten we elkander voortaan niet meer kennen,” smeekte Robert, „met het
verleden heb ik gebroken. Wat de toekomst mij zal geven en toestaan,
weet God alleen!”
En de Opperbevelhebber zeide hoogst tevreden tot den Heer Michel Ram:
„Ik geloof dat ik den rechten man gevonden heb.”
„Hij is misschien wat jong, wat onbesuisd, wat driftig.”
De andere schudde minachtend het hoofd:
„Met die hoedanigheden zal hij slechts zich zelf schade doen. En ge
hebt zelf gehoord. Hij staat alleen op de wereld. Er is niet veel aan
hem gelegen. Slaagt hij, uitstekend, zoo niet, dan is er slechts een
verloren mensch minder op de wereld.”
V.
MAAGDENROOF.
Fijne, wazige sluiers lagen over de talrijke ribben en valleien van het
Tengergebergte uitgespreid, zachtkens losten zij zich in de gulden
zonnestralen op en een schouwspel van onuitsprekelijke schoonheid
glansde in het morgenlicht.
De trotsche kruinen van den Ardjoeno, de machtige bergkolos van den
Kawi verheffen zich in het Westen, met den kegelvormigen ruwen
Penangon-gan, de groene hellingen van den Tenger dalen als de
onzaggelijke treden van een gigantentrap af naar de zee, die in het
verschiet haar oogverblindenden zilverglans doet wegsmelten in den
gezichteinder en bezaaid is met schepen, waarvan de zeilen als witte of
zwarte vogels zacht op en neer duiken. Tusschen de bergen breidt zich
het hoogvlak van Malang uit, met zijn rijke afwisseling van
hoogliggende rijstvelden, waarvan het donker en lichtgroen op grillige
wijze tegen elkander afsteken; de lichte dampen, die nog over de laagte
zweven temperen de al te schelle kleuren; hier en daar flikkeren
schitterende banden tusschen de zilvergrijze mistsluiers, dat zijn de
stroomen, die van de bergen ruischen en zich naar zee spoeden.
Tegen een der ruggen, die straalsgewijze uitgaan van den kraterrand der
Tengersche bergen, ligt het dorp Tosari, door het eigenaardige volk der
Tengereezen bewoond; links en rechts van de smalle vlakte, waarop het
dorp zich genesteld heeft, vallen de bergwanden bijna loodrecht naar
beneden; een frissche plantengroei, die schier niets tropisch heeft,
vult de ravijnen en berghellingen. De tjemarabosschen wuiven zacht heen
en weer, terwijl in hun schaduw geurige aardbeziën, thijm en vlier
naast reusachtige varenplanten bloeien. Een onbeschrijfelijke
frischheid vervult de lucht, de nachten zijn hier koud en de dagen
missen de verzengende hitte die de tropische zon uitstraalt; tuinen
waarin maïs en uien verbouwd worden, hangen tegen de steile hellingen
en vervangen de rijstvelden die hier ontbreken, terwijl de huizen
omstreeks veertig in getal allen in één richting gebouwd zijn, zoodat
zij uitzicht geven op den heiligen berg Bromo, en de kratertoppen van
het Tengergebergte.
Die huizen hebben een eigenaardig langen vorm en strekken tot woning
aan verscheidene gezinnen; aan het hoofdeinde van het huis verheft zich
de heilige haard, waarin het vuur uit den berg Bromo afkomstig,
onophoudelijk brandt en nimmer uitgedoofd mag worden.
De offeranden van het gezin worden dagelijks op dit altaar neergelegd;
de eenvoudige lieden brengen hun bloemen en vruchten, de eerstelingen
hunner akkers ten offer, aan dengene, in wien zij hun Opperwezen
vereeren.
Heden echter zijn de tuinen en huizen verlaten, de nijvere landbouwers
hebben schop en spade laten rusten; een feestelijk aanzien ademt het
dorp, hoe stil en verlaten het ook schijne. Een enkele grijsaard zit
onder het afdak zijner woning; een enkele vrouw versiert met bloemen
den kalfskop die heden boven het huisaltaar prijkt, terwijl eenige
kinderen aan het spelen zijn binnen de hooge pagger, die de huizen
omsluit.
Het is de dag bestemd voor het groote feest van Kasodo; alle bewoners
op de afgeleefden van dagen, op de zieken en hun verpleegsters na zijn
opgegaan naar boven naar de ontzaggelijke zandvlakte of Dasar,
waarboven de heilige Bromo zijn kruin verheft om daar het groote offer
aan hun Oppergod en de mindere goden te brengen; mannen, vrouwen en
kinderen hebben in alle vroegte den berg bestegen om zich in de Dasar,
een geheimzinnig meer van zand tusschen rotswanden en spitse
steenblokken besloten, te verzamelen. In die vlakte komen de bewoners
van alle dorpen in de valleien en op de bergtoppen bij elkander; de
vrouwen blijven achter; de mannen klimmen op naar den krater om onder
het uitspreken van gebeden en formulieren hunne offeranden in den
afgrond neer te werpen, waarin zij meenen dat de groote Batoro Goeroe
zijn verblijf houdt.
Is de tocht volbracht dan keeren zij terug en zetten zich gezamenlijk
aan den offermaaltijd en keeren tegen het vallen van den avond terug
naar hun eigen dorpen.
Terwijl alles daar boven vereenigd is, en Tosari het voornaamste der
dorpen, stil en uitgestorven schijnt, naderen een twintigtal mannen de
in de rots gekapte ruwe treden, die tot het dorp toegang geven.
„Zij zijn allen weg,” sprak hij, die de aanvoerder van den troep
scheen, „het zal niet baten of wij ons daarbinnen begeven. Zij, die wij
zoeken is er toch niet.”
„Men kan ’t niet met zekerheid zeggen; haar vader is oud en zwak,
wellicht heeft zij hem niet verlaten.”
„Het zou ons veel moeite besparen, zoo wij haar hier konden aantreffen;
de dwerg heeft toch het vermoeden uitgesproken dat zij de anderen
wellicht niet zou vergezellen.”
Een jong meisje was intusschen uit een der huizen getreden door de
eenige deur, die toegang naar buiten verleende, zij bracht de hand voor
de oogen en staarde op naar boven, waar een glinsterende rookwolk als
een reuzenpluim den bergtop sierde en haar uiteinde zachtkens deed
wegdoezelen in de lucht.
Het was een mooi, slank meisje; haar dikke lokken vielen, nog nat van
het water, dat ze bevochtigd had, los over haar schouders neder, zij
droeg een mand vol bloemen in de linkerhand; haar groote zwarte oogen
bleven met eerbied op den Bromo gevestigd en een droevige uitdrukking
gleed over haar gelaat, die geheel in overeenstemming was met den
zucht, die haar lippen ontsnapte maar dadelijk weer speelde er een
glimlach over, terwijl zij met haar bloemen plaats nam onder het afdak,
waar een oude man zich in de jonge zonnestralen zat te koesteren.
Zij zette zich aan zijn zijde neer, nam de melati-knoppen in haar hand,
ontdeed ze van de harige kelken en stak ze toen in de slangvormige
bladen van kenanga’s, waardoor de eenvoudige bloem niet alleen versierd
werd maar ook tevens de beide zoo verschillende geuren zich met
elkander vermengden.
„Betreurt mijn dochter het niet, dat zij hier alleen moet achterblijven
terwijl haar bruidegom en al haar speelgenooten deelnemen aan het
groote offerfeest?” vroeg de grijsaard.
„Hoe kan ik iets betreuren, dat mij reden geeft tot vreugd, of is het
geen vreugde, die mij geschonken wordt, nu mijn vader de volheid der
jaren genieten mag en het mij vergund is hem terzijde te blijven?”
„Het is een overbodige zorg van mijn lieve Siwangi, dat zij het
gezelschap offert van haar vriend en haar vriendinnen om mij dezen dag
nabij te blijven. Niets zou mij heden ontbroken hebben; ik ware stil op
mijn plekje gebleven, een gedienstige buurvrouw had mij licht eenige
versnaperingen gebracht, en zij zou mij bij uw terugkomst hier
weergevonden hebben zooals zij mij verlaten had.”
„En als weer een ongeval mijn armen vader treffen moest, als hem de
wereld opnieuw onzichtbaar werd, gelijk onlangs toen ik met mijn
broeder en schoonzuster onzen tuin omspitte en wij u bewegingloos
terugvonden op de bank binnenshuis? Neen vader, voor alle schatten, die
de goede Godin verleenen kan, zou ik u dezen dag niet alleen hebben
gelaten.”
„Moge Batoro Goeroe de algoede Schepper en Behouder van alles wat
bestaat uw kinderlijke liefde zegenen mijn dochter, en naast uw
bruidegom Dorowadi een lang en gelukkig leven schenken. Hij verleene
mij de gunst uw bruiloft nog in persoon bij te wonen en niet onder de
levenlooze beelden plaats te nemen, die de plechtigheid opluisteren.”
„O vader, uw sterfuur zal nog lang verwijderd zijn.”
„Mijn kind, de tong spreekt zoo gaarne uit, wat het hart wenscht, maar
het lot der menschen hier beneden staat niet in de macht van den
sterveling, het is de onveranderlijke wil der heilige Godheid; wat
eenmaal beschikt is moet gebeuren, er is geen ontwijken aan de
bestellingen des Hemels. Dood en leven behooren den grooten
Albeschikker toe, Hem te wederstreven is groote zonde.”
„Siwangi weet het vader, zij weet het en daarom heeft zij het vuur hoog
doen opvlammen en het versierd met kransen van bloemen en vruchten, nog
een kroon van deze welriekende kenanga’s en melatis wil zij samenvoegen
om ze aan den verheven geest van den Bromo ten offer te brengen. Morgen
zal zij met Dorowadi nogmaals den berg beklimmen en de zandzee
doorwaden om haar gaven neer te werpen in den eerbiedwaardigen
vuurmond. Zij zal het doen om den zegen te vragen voor onze
echtverbintenis en tevens om een lang en gezond leven voor haar vader
af te bidden.”
„Laat uw hart geen wantrouwen koesteren Siwangi, over de raadsbesluiten
der Godheid; wanneer zij bepaald heeft dat de dagen van haar dienaar
zullen eindigen vóór dat uw vereeniging met Dorowadi gesloten is in een
der gunstige maanden, dan zullen uw vrome offers, mijn arm kind, dit
lot niet afwenden van mijn hoofd. Oorlog en dood, leven en lijden, dit
alles hangt af van den wil der verhevene hemelmachten, het is niet
mogelijk daaraan te ontkomen! En wat zoude ik ook nog meer wenschen op
deze aarde? Zijn mijne zonen niet gelukkig met de vrouwen hunner keuze,
heeft mijn dochter niet haar woord gegeven aan den man, wien ik haar
gaarne vertrouwde? En bovenal mag ik niet tevreden zijn daar thans uit
mijn land de goddelooze volgelingen van den Islam verdreven zijn en
onze vorst evenals wij eenvoudige bergbewoners, den almachtigen Batoro
Goeroe als zijn Opperheer erkent en vereert?
„Radhen Wiro Negoro heeft Hem een heerlijken tempel toegewijd.”
„En zijn zoon heeft zich bij ons volk gevoegd om de geesten, der Dewahs
in hun verblijfplaats te vereeren.
„Men zegt immers dat Mas Lembono zich ook naar de Dasar heeft begeven.
De groote Bromo vergelde het den machtigen der aarde, die hem ootmoedig
vereeren.”
„Moge het waarlijk ootmoed en godsvrucht zijn, die den prins deden
besluiten deel te nemen aan ons feest.”
„En wat zou het anders kunnen zijn, Siwangi?”
Maar het meisje antwoordde niet, zij hoorde stappen de woning naderen.
„Het zal onze buurvrouw zijn,” sprak zij en stond op—maar het was geen
vrouw, die plotseling voor vader en dochter verscheen maar een man nog
in den eersten bloei des levens; zijn kleeding was van fijne stof, een
lang afhangend jak verborg echter als een mantel alle onderdeden
daarvan.
„Wees gegroet, jonge dochter,” sprak hij en met de handen op de borst
gekruist, boog hij zich eerbiedig voor de schoone Siwangi, „veroorloof
een armen verdwaalde, dat hij het nederig verzoek tot u richt, hem den
weg te wijzen naar de grijze zandzee.”
„Niets zal haar aangenamer wezen Heer, dan u op het goede pad te
voeren,” antwoordde Siwangi vrijmoedig en zich tot haar vader wendend,
vroeg zij: „veroorlooft gij uw dochter vader, dat zij dezen vreemdeling
een eind begeleide?”
„Wie zijt gij?” vroeg de grijsaard, en richtte zijn doordringende oogen
op den nieuw aangekomene.
„Ik ben niet alleen, oude vader!” hernam deze, „daar komen mijn
gezellen. Wij behooren tot het gevolg van prins Lembono die opwaarts
gestegen is om aan den heiligen berg zijn hulde te brengen, doch in de
duisternis van den nacht verloren wij hen uit het oog, dwaalden door de
bosschen en zegenen het toeval, dat ons op dit bekoorlijk plekje
brengt.”
„Wanneer gij een vriend zijt van den zoon van onzen edelmoedigen en
dapperen vorst, dan roepen wij u van harte welkom toe. Had de ouderdom
mijn beenen niet stram en stijf gemaakt, ik zou opstaan van mijn
zitplaats om u nederig te begroeten en u tevens te verzoeken aan uw
oppermeester te zeggen, hoe dankbaar de harten van ons, Tengereezen,
voor hem kloppen. Toen onze groote stamvader Kiai Dadap Poetih door het
zwaard van den Islam uit zijn paleis van Modjopahit verdreven werd,
vluchtte hij naar dit schier ontoegankelijk gebergte, en deed zijn
kinderen en volgelingen zweren trouw te blijven aan de leeringen en
voorschriften van onzen godsdienst, nimmer zich te voegen naar de al te
verleidelijke lessen van den Arabischen profeet en zoo zijn wij hier
gebleven en vormden een hoogst gelukkig volk, en ik mag het gerust
zeggen met rechtmatigen trots, de reinheid onzer zeden vormt een
heerlijke tegenstelling met de diepe verdorvenheid, die aan gindsche
zijden der bergen heerscht.”
„Ja, de deugden der Tengereezen zijn overal bekend en beroemd,” sprak
de andere min of meer spottend en ongeduldig.
„Aan het hof van Radhen Wiro Negoro worden onze voorschriften opnieuw
in eere gebracht. Veelwijverij is in zijn naaste omgeving ongeoorloofd,
heeft men mij gezegd en door deze wet heeft hij tusschen de Mahomedanen
en zichzelf een afgrond gegraven. Is dat waar?”
„Gij zijt wel onderricht.”
„Batoro Goeroe zij geprezen! Sinds jaren ben ik hier in dit dorp de
oudste, ziekte en ouderdom beletten mij deel te nemen aan den
feestelijken tocht, welken ik zoo dikwijls aanvaardde. Vele dingen heb
ik gezien in mijn lang leven en over vele zaken dacht ik rijpelijk na
en zoo kwam ik tot de overtuiging dat er twee oorzaken zijn, die een
volk opheffen of te gronde richten; de godsdienst en de vrouw!”
„Vergeef mij, goede vader! Een volgenden keer zal uw zoon gaarne naar
uw wijze taal luisteren, maar wij moeten ons haasten onzen tocht te
vervolgen. Zie slechts, hoe hoog de zon reeds boven gindsche bergtoppen
staat, wij moeten ons haasten, willen wij onzen meester nog in de
zandzee ontmoeten. Wellicht wil de schoone jonkvrouw ons wel den weg
wijzen.”
„Mijn dochter is een eenvoudig landmeisje, Heer en niet gewend aan de
hoofsche spreektaal der grooten en edelen. Verschoon haar
bescheidenheid en prijs geene gaven die zij aan de goedheid der goden
dankt en waarop zij dus geen roem mag dragen. Vergezel de heeren een
eind weegs Siwangi, totdat zij zonder verdwalen den bergtop kunnen
bereiken en kom dan ijlings terug!”
Siwangi wenkte den jongen man en zijn makkers, die op kleine zwarte
paarden gezeten waren, haar te volgen en zij hadden weldra het dorp
achter zich; de vreemdeling liet zijn paard onder de hoede der andere
ruiters en ging naast het jonge meisje voort, dat met het grootste
gemak den steilen weg volgde over de groene rib, die naar den krater
voerde.
„Uw leven moet hier toch zeer doodsch en eentonig wezen,” sprak de
reiziger, „elke dag is gelijk aan den andere.”
„Wat deert mij dat?” antwoordde Siwangi, „indien elke dag door den
Hemel met kalmte en vrede gezegend is.”
„Hoe brengt gij uw dagen dan door!”
„Tot nu toe hielp ik mijn broeders hun tuinen beplanten en te
verzorgen, weldra zal ik in dien van mijn echtgenoot mogen werken!”
„Hoe, ge zijt verloofd en uw bruidegom zal u hard laten arbeiden in den
ondankbaren grond?”
„De grond is niet ondankbaar, Heer! Integendeel hij beloont onze
pogingen met rijke vruchten, en is dat niet de grootste zegen voor
zichzelf en zijn gezin te mogen arbeiden?”