„De weg is lang vader, van Pasoeroean naar Batavia; in twintig jaar heb

ik echter veel gedaan. Wie weet, zoo mij nog twintig jaren levens

gegund zijn, of ik niet alles zal kunnen uitvoeren, wat ik wensch,

alles, alles!”

Hij wierp een blik naar achteren, naar zijn zonen die vroolijk en

luchthartig schertsten en lachten.

„Waar spreken zij over?” vroeg hij fluisterend aan zijn vrienden.

„Waarover jonge knapen het liefste spreken, over schoone vrouwen en

over schitterende feesten, over dans en spel! Waarover anders?”

Verachtelijk krulden zich de lippen van den vorst, en Wirajoeda

aanziende, zeide hij:

„Toen wij zoo oud waren, vriend, toen was het niet over zulke vroolijke

zaken dat onze gesprekken liepen. We hadden andere zorgen, andere

belangen; ons leven, onze vrijheid moesten wij verdedigen van uur tot

uur, wij hadden geen tijd te denken aan datgene, wat hun levensdoel

schijnt.”

„Och, hun jeugd zal ook voorbijgaan.”

„En plaats maken voor een mannelijken leeftijd zonder eer en roem. Ik

plantte met veel arbeid en zweet den boom, waarvan de vruchten hun rijp

in den schoot vallen. Wat men zonder moeite wint, dat geniet men ook

zonder vreeze het te verliezen. Mijn zonen leven in weelde en rijkdom,

als ware hun vader een geboren vorst geweest. Het genot najagen is hun

eenig streven; wat zal er van hen worden en van hun kinderen? Een zwak,

verwijfd geslacht als dat van Mataram, nietelingen gelijk aan het

wezen, dat we daar straks verlieten en dat nog aanspraak maakt op den

naam en de eerbewijzingen van een Keizer.”

„Hij is een onschadelijk man; hoe hij in den wijn, trots Mahomed, een

welkome troost vond voor zijn leed!”

„’t Is hem ontgaan, dat wij vertrokken, zoo was hij reeds van zijn

zinnen beroofd door de bedwelming van den drank. En aan zulke schepsels

is dit land, dit heerlijke land overgeleverd; schepsels zoo dom en

tegelijk zoo boos, wier verstand geen teugels kan leggen aan hun woeste

hartstochten, die ongebreideld hun overgroote macht slechts aanwenden

om anderen te verderven. Ontzenuwd door de heillooze leer van hun

leugenprofeet, verschillen zij geheel van de helden onzer oude sagen.

Vrienden, ge weet hoe dikwijls wij de blanke vreemdelingen vervloekten,

die van verre over de zee kwamen om onze schatten te bemachtigen en ons

de wetten te stellen; maar als ik de nietswaardigheid zie van onze

vorsten, dan ben ik geneigd God te danken, dat Hij zich ontfermde over

de arme Javanen, die geen grooter vijanden, geen wreeder verdrukkers

kennen dan hun eigen Prinsen en priesters.”

„Zoo alle vorsten gelijk waren aan u, Heer!”

„Aan mij! Wat kan ik doen, alleen! Ik misken u niet, vrienden, uw

zwaard heeft mij trouw geholpen Wirajoeda, even veel als uw wijze raad

en steun Koesoemo; maar lichter is het een rijk te stichten, volken te

onderwerpen door dapperheid en listig beleid, dan hen te behouden door

strikte rechtvaardigheid en wijsheid. Ik voel het, de taak is zwaar;

zal ik ze alleen kunnen volvoeren? En dan, droevige gedachte, wie

verzekert mij dat, wanneer ik sterf, niet alles jammerlijk ineen zal

storten, daar ik in mijn opvolgers mijn geest niet kan storten,

tegelijk met het leven, dat zij mij danken?”

„En is het daarom dat gij vriendschap zoekt met de Hollanders, vrede en

bondgenootschap?”

„Ik heb ze gezocht vóór ik Adipati Anoem stellige beloften, deed; ik

hoopte mijn gedrag te kunnen regelen naar het antwoord dat zij mij

zouden geven. Helaas! mijn pleegvader keert niet terug. Ik hoop niet

dat hem iets overkomen zij. Zijn dood of gevangenschap zal de druppel

zijn, die den beker mijner wraak doet overloopen, veel heb ik van de

Hollanders verdragen, veel heb ik met hen af te rekenen; zoo Kiai

Hemboong niet terugkeert, dan hoop ik dat de laatste band verbroken zal

zijn, die mijn hart nog aan hen hecht.”

„Meester!” riep Wirajoeda uit, „hoe kan het zijn dat er in uw hart nog

genegenheid leeft voor hen, die u verraden, belogen, vervolgd,

versmaad, gegeeseld hebben? Is al die schande uit uw geest verdwenen?

Leeft er geen wrok meer in uw hart?”

„Ik ben nog bereid alles te vergeven, alles te vergeten, wanneer zij

mij erkennen als hun gelijke, wanneer zij ophouden neer te zien op mij,

als ware ik een van minder geslacht. Laten zij mij erkennen als hun

bondgenoot, geen trouwer vriend zullen zij bezitten. Hoe menigmalen

reeds wierpen de golven des levens mij telkens naar hun kust; ik greep

met beide handen hun grond aan, telkens echter stieten zij mij terug!

Nu echter, wanneer Kiai Hemboong niet terugkomt, dan zweer ik bij de

geesten mijner voorvaderen, zal het voor ’t laatst zijn.”

„Gij verklaart hen den oorlog, om Adipati Anoem in Pakoe Boewana’s

plaats te stellen.”

„Ik zal hen bestrijden, om te zien wie meester zal blijven van de

Oostkust, zij of ik?”

Wirajoeda nam afscheid; Koesoemo steeg van zijn paard om in een

draagstoel plaats te nemen, waar hij voor zijn verouderde ledematen

meer rust kon vinden gedurende den nachtelijken tocht. Soerapati reed

alleen vooruit, diep in gedachten verzonken; zijn wonderbare levensloop

ontrolde zich in breede tafereelen voor zijn geest; hij zag zich weer

jong, krachtig, zoo juist der slavernij ontloopen, het hart vol

liefdesmart; hoelang was dat geleden? En de strijd in die bosschen, het

ongeregelde rooversleven, door den korten soldatentijd gevolgd, toen de

crisis in Tji-Kendoel, de reis naar Karta-Soera, de wanhopige

worsteling aldaar en eindelijk de veroveringstocht in Java’s oostelijke

gewesten. Toen hij daar verscheen was alles hem te voet gevallen; hij

nam bezit van Madioen en Kediri als stedehouder des Keizers, hij zette

de Regenten af en stelde zijn vrienden in hun plaats; in Pasaroean en

het Tengergebergte, waar de leer van Mahomed nog slechts zeer

oppervlakkig doorgedrongen was, vereerden de volgelingen van Batoro

Goeroe hem als een afgezant uit den Soeraloyo. [22]

Wat nog tegenstand durfde bieden deed hij zwichten voor zijn

onoverwinbare wapens; het volk snelde toe, bracht hem blijde zijn

offers, zette de handen in elkander om voor hem paleizen te bouwen zoo

schoon als hij slechts verlangde. Hij trachtte goed en rechtvaardig te

zijn, hen te regeeren niet door vrees en willekeur maar door wijze,

verstandige wetten, maar hoe verder hij vorderde, hoe duidelijker ’t

hem werd dat zijn taak zwaar, veel te zwaar werd voor zijn schouders.

Zijn geest schiep zich heerlijke beelden voor de toekomst, hij droomde

van rijken zooals die waarvan hij eenmaal als kind had gelezen in de

boeken zijns meesters, modelstaten als Griekenland en Rome, de namen

kende hij nauwelijks meer, hij herinnerde zich flauw, daarvan gedroomd

te hebben in zijn kinderlijke illusiën! Maar hoeveel kennis, hoeveel

wetenschap was er noodig om van deze aanhankelijke, goedige maar nog

zoo weinig ontwikkelde wezens menschen te maken, doordrongen van hun

plichten en rechten! O kon hij toch in zijn eigen geest licht

ontsteken, den muur waarmede onwetendheid zijn verstand omringde, doen

instorten, kon hij zelf orde brengen in zijn verwarde gedachten; ja,

hij wilde veel, hij vermocht met zijn zwaard veel te doen, maar het

beste wat hij bezat, zijn meerdere kennis en ontwikkeling, hij dankte

het den Hollanders, hen alleen mocht hij het licht vragen, dat hem kon

verlichten. Bij hen moest hij den steun zoeken dien hij noodig had.

Zij bezaten immers in vollen rijkdom, juist datgene waarvan hij het

gemis zoo pijnlijk voelde; waarom stieten zij hem terug als hij zoo

gaarne van hen ontvangen wilde? Een laatste poging had hij gewaagd,

keerden zij zich weder van hem af, wat dan? Hij kon hen bestrijden, wat

baatte ’t hem, ’t bracht hem niet nader bij de verwezenlijking zijner

grootsche plannen, zelfs al bleef hij hun overwinnaar.

Verscheidene Hollanders had hij tot zich gelokt, om zijn voordeel te

doen met hun kennis; een hunner had belangrijke verbeteringen gemaakt

in zijn kraton, een ander gaf hem lessen in lezen en schrijven, waarin

hij voorheen ook onderricht had gekregen, maar welke kennis hij door

zijn avontuurlijken levensloop door gebrek aan oefening, verwaarloozen

moest; een derde hielp hem zijn soldaten op Europeesche wijze te

oefenen want de wapenhandel bleef nog steeds zijn voorname zorg.

„Ik heb mijn rijk veroverd, ik moet het thans nog beschermen, kan ik

het rustig bezitten, dan eerst begint mijn grootste, moeilijkste taak.

Zal ik daartegen opgewassen zijn?” vroeg hij zich af.

De weg voerde langs de kronkelingen van de Brantas, door dat gedeelte

van Java, hetwelk met recht als de schoonste streek van het

smaragden-eiland geroemd wordt; ter rechterzijde verhieven zich de

steile ruggen van den Keloet, in de vlakte wisselden wouden en

grasvelden elkander af; de zware schaduwen in de diepte werden nog

donkerder, maar zilvergloed lag over de hoogten uitgespreid; zachte,

geurige koeltjes daalden van de bergen neder, alles ademde rust en

vrede in het vergevorderd nachtelijk uur. Het getrappel der paarden en

het praten en lachen der ruiters verstoorden alleen de plechtige

stilte, die over de bergen en dalen rustte. Soerapati zag rondom zich

en diepe weemoed vervulde plotseling zijn ziel, met onweerstaanbaar

geweld keerden zijn gedachten terug naar de dagen zijner jeugd, naar

den morgenstond zijner eerste liefde.

„Ware zij de moeder mijner zonen, hoe anders zou ik te moede zijn!”

mompelde hij, „wat zou ik dan nog vreezen, maar nu? In den boezem van

mijn eigen gezin heb ik den zwaarsten strijd te voeren en als ik er

niet meer ben, dan treft hen en mijn rijk de vloek, die Mataram ten

gronde richt.”

Terwijl hun vader zich met zulke ernstige gedachten bezighield, voerden

zijne zoons, juist zooals de gewezen Rijksbestuurder aanmerkte, veel

vroolijker gesprekken.

Pengantin, de oudste hunner, die gehuwd was met de schoone Soederma,

zuster van den Balembangschen prins Matjanegara, reed een weinig ter

zijde van de anderen en sprak fluisterend met zijn broeder Lembono.

„Ik zou wel willen weten, wat onze broeders daar voor geheimen hebben,”

zeide Matjanegara tot zijn anderen zwager Nitro, „het schijnt dat deze

niet voor onze ooren bestemd zijn.”

Nitro haalde de schouders op.

„Wat voor geheimen kan Pengantin hebben dan die op zijn liefjes en

danseressen betrekking hebben? Geloof mij, hij kent geen andere dan

liefdeslisten.”

„Mijn arme zuster weet dat genoeg. Hij heeft zeker weer de een of

andere dwaze streek in den zin. De mooie serimpies [23] van den

gevluchten Soenan Mas konden hem niet eens boeien, zulk een haast had

hij Kediri te verlaten en naar Pasoeroean terug te trekken. Laat hij

echter op zijn hoede wezen, wanneer hij te ver gaat en het hart van

Soederma al te bitter bedroeft, zal ik onzen vader waarschuwen.”

„Dat moet gij niet doen, broeder! Een verrader plukt nooit de vruchten

van zijn verraad. Pengantin en Lembono hebben de vrouwen lief. Welk

kwaad schuilt daarin? Doen wij niet hetzelfde? Onze zuster handelt

verkeerd, indien zij haar man met haar slendang [24] aan zich wil

binden; de gevangen vogel betreurt zijn vrijheid het meest, en haat den

meester die hem in de kooi sloot. Wanneer zij hem vervolgt met haar

achterdocht, zal haar echtgenoot bitteren tegenzin voor haar opvatten,

hoe schoon en lieftallig zij ook moge zijn.”

„Mijn zuster is een prinses, die niet verdient op zulk een wijze te

worden verwaarloosd.”

„Er is geen sprake van verwaarloozing. Wordt de Toewan Ratoe [25] van

Mataram beleedigd, daar zij meer dan honderd goendiks [26] naast zich

moet dulden? Maar het hof van Wiro Negoro staat geheel alleen op Java;

daar zijn de kapoetrens [27] verboden. Onze vader heeft nooit een

andere vrouw gehad, dan onze moeder Radhen Goesik Koesoema, maar heeft

hij daarom het recht ook ons de vreugde te ontzeggen, welke de groote

profeet van den Islam zijn volgelingen zoo ruimschoots gunt?”

„Uw vader heeft recht tot alles,” sprak de jonge prins, die een

dwepende vereering voor Soerapati koesterde en hem onbegrensde

dankbaarheid meende te moeten bewijzen, daar hij zijn broeders, die

aanspraak maakten op den troon van Balembangan, uit den weg geruimd

had, en na zijn huwelijk met de Pasaroeansche prinses, uit zijn naam

zijn rijk bestuurde.

„Gij wilt dus ook geen andere vrouw bezitten naast mijn zuster?” vroeg

Nitro spottend.

„Nooit!” antwoordde de andere. „Ik ben geen Mahomedaan.”

„En wanneer mijn vader er niet meer is, zal ik dadelijk den Islam

omhelzen. Maar zelfs in Bali is het geoorloofd vele vrouwen te

bezitten, hoeveel goendiks had de Maharadja van Modjopahit voorheen?

Evenals Pengantin, zal Lembono er moeite mee hebben, daar hij de

schoonzoon van den Regent van Kediri is en met Wirajoeda valt niet te

spelen. Hij deelt den innigen haat mijns vaders tegen harems.”

„Uw moeder is niet van dit oordeel.”

„Mijn moeder haat de Hollanders; zoo mijn vader haar geen mededingster

gaf, omdat hij aanhanger is van den godsdienst van Shiwa, niemand zou

meer juichen dan zij, maar in deze gedragslijn erkent zij slechts zijn

zucht om den Christenhonden te gelijken, vandaar dat zij onze neigingen

niet weerstreeft, maar ze aanwakkert.”

„Haar man tegenwerken, zoo mijn vrouw dit ooit waagde....”

Nitro lachte luid.

„Wat zoudt gij doen, kleine Prins, wanneer zelfs de groote Wiro Negoro

met zijn machtig zwaard weerloos staat tegenover de speldeprikken eener

vrouw? Radhen Goesik ziet nog steeds met leede oogen dat het hart van

onzen vader naar de blanke kafirs neigt. Men zegt,” en zijn stem klonk

nu fluisterend, „dat mijn vader’s eerste gemalin een Christen vrouw van

zuiver Hollandsch bloed was en dat hij haar nog niet vergeten is,

hoewel zij hem ontrouw werd. Deze gedachte kwelt mijn moeder dag en

nacht, zij verbittert haar het leven, dwaze, die zij is. In elke

handelwijze mijns vaders, die haar maar eenigszins aan de Hollanders

herinnert, ziet zij een hulde der mededingster gebracht en dit vervult

dan haar ziel met toorn en nijd.”

„Maar wat zegt uw vader van zulke gevoelens?”

„Hij merkt ze nauwelijks op of veinst ze niet te zien en dat doet haar

ergernis ten top stijgen. Arme moeder, zij vreest de blanke vrouw, die

misschien reeds sinds jaren gestorven is, meer dan een kapoetren,

gevuld met de schoonste Javaansche vrouwen. Gaarne zoude zij met dezen

de woning van haar echtgenoot willen deelen, mits zij de zekerheid had,

dat de herinnering aan die ééne geheel uit zijn ziel gewischt ware. Dit

spooksel uit het verledene verontrust haar thans, na twintig jaren, nog

evenzeer als op den dag harer verloving.”

„Zonderlinge liefde,” mompelde Matjanegara.

Intusschen drong Panganten bij zijn broeder Lembono aan:

„Ge moet mij helpen, het schoone Tengersche meisje heeft mijn hart in

vuur en vlam gezet. Ik wil dat zij de mijne wordt.”

„De bewoners van Tosari zijn licht geraakt en dulden geen ijdel spel

met de eer hunner vrouwen en dochters; hoe wilt ge het meisje

ontvoeren? Hun woningen zijn in het schier ondoordringbare gebergte

verscholen, wilt ge haar daar vinden?”

„Gij moet mij helpen, ik zeg ’t nog eens, Lembono! Veins, dat gij den

geest van den Bromo wilt gaan vereeren, zoo ik mijn vader dit verzoek

zal hij begrijpen, dat het slechts een voorwendsel is, Nitro is nog zoo

jong en ik vertrouw hem niet, hij zou voor zich zelf werken als hij ’t

meisje zag, maar gij heet de ernstigste van ons drieën; vader zal u

niet wantrouwen als gij met zulk een verzoek tot hem komt en u de

gevraagde toestemming verleenen. Gij brengt een nacht in Tosari door,

waar ik u zal komen ontmoeten, en daar zullen wij weldra hooren waar

het meisje woont, dat ik laatst met haar vader te Bangil ontmoette.”

„En zoo de zaak ruchtbaar werd, als de Tengereezen om wraak roepen over

de schaking en als het mijn schoonvader ter oore komt, welke rol ik

daarin speelde? Gij weet Wirajoeda laat niet met zich spelen, zijn

eigen zoon liet hij krissen toen deze een Mahomedaansch meisje tot

vrouw nam; hij is wreeder dan onze vader, bij wien hij echter alles

vermag.”

„Gij zijt laf als een vrouw, Lembono; schande over u, dat gij beeft

voor den vader uwer gemalin. Luister naar mij,” en hij boog zich over

den kop van zijn paard om zachter te kunnen spreken, „ik zal u later de

landen van Ponorogo en Soerabaya geven, Nitro en de Balembanger

ontvangen niets van mij, ik zal ze wegzenden naar Bali, zoodra ik hier

meester ben, maar help mij nu, want ik smacht van verlangen naar het

bezit der lieftallige Siwangi.”

„En Soederma?”

„Zij verveelt mij met haar lastige jaloezie. Hoe wreed is vader ons te

dwingen slechts een vrouw te erkennen. Hij begrijpt toch hoe na zijn

dood.....”

Intusschen ging Radhen Wiro Negoro steeds voort grootsche plannen te

vormen tot uitbreiding en instandhouding van zijn machtig Javaansch

rijk.

IV.

EEN MOEILIJKE ZENDING.

Na zijn vertrek uit Batavia scheen Robert een ander mensch geworden;

het was hem ernst met de verbetering van zijn leven. Vooral nadat hij

vernam hoe eenvoudig en edel Digna gehandeld had, om hem de vrijheid

terug te bezorgen, was ’t zijn levensdoel geworden haar achting het

koste wat het koste te herwinnen. Hij deed eenvoudig zijn plicht,

zooals zij hem geraden had, en zoo goed dat de aandacht zijner

overheden op hem viel. Belangrijke krijgsbedrijven hadden er niet

plaats bij dezen veldtocht. Zonder slag of stoot trok het leger van

Herman de Wilde Karta-Soera binnen; eenige schoten hadden de 40000

mannen van Soenan Mas op de vlucht gejaagd. Hun bevelhebber had hen

reeds verlaten om zich aan de Hollanders te onderwerpen; eenige dagen

slechts duurde de tocht; na de teekening van het tractaat keerde de

Wilde terug naar Samarang na eerst een vrij aanzienlijke bezetting

dicht bij Pakoe Boewana’s kraton te hebben achtergelaten.

Eenige dagen na zijn terugkomst in de loge van Samarang zat de Wilde in

ernstig gesprek met den onlangs aangestelden Expres-commissaris en

algemeen Opperhoofd van Java’s Oostkust, Michel Ram.

„Wij hebben een groot werk volvoerd,” sprak de heer Ram, „zonder

bloedvergieten, alleen door de macht van den Hollandschen naam.”

De Wilde haalde de schouders op.

„Het werk is nog niet half gedaan. Wat baat het ons of de ledepop, die

wij daar in Mataram hebben neergezet Pakoe Boewana of Hamangkoe-Rat

heet, als een voortdurend gevaar ons blijft dreigen in het Oosten?

Zoolang de slavenhoofdman niet verdelgd is, blijft onze toestand

dezelfde.”

„Maar dat tractaat, dat door uw zorg geteekend is en zulke belangrijke

voordeelen aan ons verzekert.”

„Ja, het tractaat is geteekend, maar wie staat er voor in dat de

artikelen zullen worden nageleefd? Angst zal Pakoe Boewana dwingen het

niet te schenden, doch wat vermogen de beste voornemens tegen de

ijzeren noodzakelijkheid? Wanneer Soenan Mas uit Kediri komt aanrukken,

vergezeld door een geducht leger Balineezen, wat zal dan onze bezetting

in Karta-Soera baten? Hoeveel wij rekenen mogen op de trouw en de

dapperheid der Javanen dat hebben de jongste gebeurtenissen ons

geleerd.”

„Maar het volk heeft toch Pakoe Boewana’s zijde gekozen, zij allen

hebben Adipati Anoem verlaten.”

„Zeg liever dat hij hun verlaten heeft; wanneer eenige Mahomedaansche

papen komen om de hartstochten van het volk op te zweepen ten gunste

van den gevluchten prins en als hij zelf verschijnt, gesteund door de

troepen van den slaaf, wat zal dan tegen hun pieken en krissen het

papier van het tractaat uitrichten?”

„Uw bedoeling is dus de uitlevering van den Adipati met de wapenen in

de hand te vragen?”

„Mijn wensch is dat voorzeker, doch tot zoover reikt mijn lastbrief

niet; ik zal lang genoeg hebben geleefd wanneer ik dat rooversnest

uitgeroeid heb; voor en aleer zullen vrede en rust niet op Java

teruggekeerd zijn. Wat zal het ons baten of wij van den Soesoehoenan de

naleving eischen der contracten wanneer hij met den besten wil der

wereld buiten staat is zijn verplichtingen te vervullen? Hij, die met

ondergebrachte natiën vrede wil houden, moet hen geen zwaarder lasten

opleggen dan zij redelijkerwijze kunnen dragen want dan alleen is de

vrede bestendig. En zoolang Soerapati, in ’s Keizers eigen rijk een

onafhankelijke macht uitoefent en Anoem tot werktuig gebruikt om den

andere vandaag of morgen uit zijn overgebleven staten te verdrijven,

zoolang kan Pakoe Boewana het tractaat niet naleven.”

„Zoodat een oorlog tegen Wiro Negoro onvermijdelijk is?”

„Heeft de ellendeling niet lang genoeg onze macht getart, wordt het

geen tijd den weggeloopen slaaf, den moordenaar van Kapitein Tak loon

naar werk te geven? Wat zal de Javaan denken van de macht en de

wijsheid der Edele Compagnie, als deze niet eens sterk genoeg blijkt te

zijn om een deserteur, een verrader, een misdadiger in handen te

krijgen en hem zijn verdiende straf te doen ondergaan?”

„Inderdaad, er is veel, zoo niet alles voor ons aan gelegen om den

avonturier onschadelijk te maken, doch de taak is zwaar, de geheele

streek beoosten Kediri bevindt zich in zijn macht. Hij moet er

volstrekte heerschappij over voeren; het volk bewijst hem koninklijke

eer, zijn leger moet zeer geoefend zijn, men zegt door Europeanen, hoe

zal de Compagnie in deze schier ontoegankelijke streken hem kunnen

aanvallen?”

„Wij zullen niet alleen staan; ook de Inlandsche vorsten zijn de

drukkende heerschappij van den slaaf moe geworden. De regenten van

Soerabaya en Madura blaken van verlangen hem te tuchtigen.”

„Is Uw Edelheid daar wel zoo zeker van?”

„Hebben zij dan geen gezanten naar Batavia gezonden om onze hulp in te

roepen.”

„Zou daar achter geen verraad schuilen? Heeft de overleden Soesoehoenan

niet menigmaal hetzelfde gedaan, zich bitter beklagend dat Soerapati

zijn regenten verdreef, en hun landen aan zich zelf onderwierp, lachend

en spottend over de vertoogen des keizers. En nu verraadt zijn zoon

maar al te duidelijk dat hij bevriend is met den Balinees en dat deze

vriendschap niet gewacht heeft op den tijd van tegenspoed om plotseling

te ontkiemen.”

„Wie verzekert ons echter dat de vader de gedragslijn van den zoon

goedkeurde? Adipati Anoem was lijnrecht gekant tegen den

Rijksbestuurder, dat weten wij genoeg, hij aasde op de kroon nog

tijdens het leven van Hamangkoe-Rat. De verzoeken om hulp en bijstand

konden zeer goed oprecht gemeend zijn, maar nimmer wilde de Compagnie

er een gunstig oor aan leenen, niet alleen omdat zij zich niet krachtig

genoeg voelde tot zulk een ingewikkelden oorlog maar ook omdat zij na

Tak’s dood op zulk een gespannen voet met den Soesoehoenan verkeerde.”

„En hem niet vertrouwde! Hoe meer ik den Inlander leerde kennen hoe

meer ik de waarheid inzie van de woorden indertijd door den zeer

strengen maar ook zeer ervaren Commandant Johan Albert Sloot

uitgesproken, toen er gezanten uit Mataram hier heen werden gezonden om

hulp tegen Soerapati in te roepen: „De ondervinding heeft mij geleerd

dat op hun discoursen weinig staat te maken valt, daar het eene

algemeene Javaansche maxime is, dat zij in een samenkomst met ons of in

ons bijzijn, steeds hun discoursen naar onzen smaak en zin zoeken in te

richten.”

„Ook dit heb ik meermalen ondervonden, doch kwam eveneens tot de

slotsom, dat de Javaansche hoofden wanneer het hun voordeel geldt onze

hulp zeer goed kunnen gebruiken. Wanneer zij inzien dat zulk een

buurman als de Balinees, hun alles behalve aangenaam kan worden, zullen

zij zich zeer gaarne van onze hulp bedienen, zelfs wanneer zij weten

dat deze hen niet voor niet wordt verleend. En Soerapati moet zeer

lastig zijn en zeer gevaarlijk juist omdat men hem verstand en zekere

mate van ontwikkeling niet kan ontzeggen.”

„Dat Pakoe Boewana hem liefst honderd voeten onder de aarde wenscht,

zal ik niet betwijfelen maar of zijn buurlieden de Adipati van

Soerabaya en de Panombahan van Madura hem eveneens moede zijn, daarvoor

sta ik niet in. Wees verzekerd dat zij hem vleien, nu vooral nu hij den

ex-keizer in zijn macht heeft, dit belet echter niet dat zij tenzelfden

tijd ook ons tot vriend trachten te houden en Pakoe Boewana ten minste

uiterlijk hulde bewijzen.”

„We moeten die uiterlijke bewijzen van trouw voor lief nemen, totdat

wij overtuigd raken van het tegendeel en ons bepalen hen nauwlettend te

bewaken. Wij nemen hun diensten aan maar schenken hen geen vertrouwen

in ruil. Dit zal onze stelregel wezen.”

Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java · 第 20 / 30 段