rang, is gereed gemaakt, mijne zonen, de prins van Balembangan, gemaal
mijner dochter, de regent van Bangil, die zich allen verheugen den
Keizer van Mataram te mogen begroeten.”
Maar geen der aangewezenen stapte van zijn paard, allen bepaalden zich
er toe met hun lansen den vreemden vorst te groeten. De soldaten
schikten zich snel met bewonderenswaardige regelmaat in vier rijen, aan
weerszijden van den weg om den stoet door te laten; met opgeheven
lansen bleven zij staan totdat hun vorst met zijn gast en verder gevolg
voortgeschreden waren, toen zetten ook zij zich in beweging en omsloten
den geheelen keizerlijken stoet. Wie dat geleide van gewapende ruiters
de mannen, vrouwen en kinderen zag omringen, zou eer denken aan een
troep gevangenen die onder sterke wacht werd voortgeleid, dan aan een
gezelschap van hooge gasten, vriendschappelijk ontvangen.
II.
IN DEN KRATON VAN KEDIRI.
In een sierlijke veranda van den Kedirischen kraton, vriendelijk met
klimop rond de bevallige bogen omkronkeld, zat de verbannen keizer op
een rustbed in diep gepeins verzonken.
Voor hem stond een blad met ververschingen ruim voorzien; hij gebruikte
niets dan van tijd tot tijd een teug Hollandschen brandewijn uit een
gouden beker, dien hij gretig aan de lippen bracht.
Op eenigen afstand hurkten zijn dienaren op den grond, een eerbiedig
stilzwijgen bewarend; een sombere stemming scheen onder hen te
heerschen, allen zagen op naar het mismoedige, treurende gelaat huns
meesters; niemand waagde echter een opmerking.
Daar trad tusschen de groene bosschages, die rondom het hooge huis een
bevalligen krans vormden, een man nader, die onder de veranda komend
zich op den grond wierp en al kruipend den gebieder naderde.
„Mijn Heer en Meester!” sprak hij, Anoem’s misvormden voet kussend.
„Herkent mijn meester den ouden dienaar zijns vaders niet?”
De keizer, door het hier nog niet ondervonden ceremonieel aangenaam
getroffen, wierp zijn matte loensche oogen op den nieuw aangekomene,
een zwakken grijsaard in Javaansch hofkostuum, verzamelde zijn
herinneringen en riep plotseling uit:
„Amirang Koesoemo! Hoe leeft ge nog?”
„De dienaar leeft om zijn meester zijn diensten aan te bieden.”
„En ik zal ze noodig hebben, oude vriend! Want, ach, ik ben zoo
verlaten, zoo diep gezonken.”
En hetzelfde wezen dat dien morgen nog vol opgeblazenheid en eigenwaan
zich op zijn macht had beroemd, barstte nu in een onmannelijk, bitter
geschrei los; hij wierp zijn hoofd op de kussens, jammerde en steunde
als ware hij een zieke vrouw en geen keizerszoon geweest.
„Heer!” sprak Amirang Koesoemo, die neergehurkt aan den voet der
rustbank zat, „er is geen reden tot tranen en zuchten. ’t Is waar
Karta-Soera is in de macht van den Pangeran Poeger gevallen, maar een
machtige hulp en steun zijn mijn meester verzekerd om troon en hofstad
terug te winnen.”
„Hulp van een slaaf! De zoon van Hamangkoe-Rat hangt af van een
ellendigen Balinees, die zich vermeet hem keizerlijke eer te weigeren.”
„Stil, ô vorst, stil! Vergeet niet dat gij in zijn rijk zijt, dat alles
zich hier voor hem buigt en hij er oppermachtig heerscht.”
„Oppermachtig zegt gij!” klaagde de keizer; „hebt gij vergeten hoe
juist wij hem hieven op het voetstuk vanwaar hij zijn hooge vlucht
begon? Weet ge nog hoe de struikroover in den kraton mijns vaders
verscheen, met geen anderen uitweg dan zich voor ons te vernederen,
dood of vrijheid afwachtend van onze genade, of terug te keeren naar de
wildernis? Gij hebt hem uw dochter geschonken en...”
„En daardoor wapende ik de hand, die den zoon mijns meesters verdedigen
moet tegen de Hollanders.”
„Hun vijandschap haalde ik mij als noodlottig erfdeel mijns vaders op
den hals en meer niet. Waarom stiet ik hun hulp niet af, waarom verkoos
ik liever die van den slaaf? De Hollanders zouden mij ten minste als
keizer erkennen! De Balinees begroet mij als een gevluchte avonturier,
niets meer!”
De schijn zijner verloren waardigheid was het eenige, wat Soenan Mas
betreurde; van zijn macht bespeurde hij steeds zoo weinig, daar hij die
geheel met zijn eigen persoon veréénzelvigde, dat hij het verlies
daarvan nauwelijks bespeurde.
„Alles werpt zich voor hem ter aarde, alles bewijst hem keizerlijke
eer, en mij eert men, als zijn gast, om niets anders. Ieder vergeet dat
ik keizer van Java ben, dat ik Matarams rijkssieraden met mij draag;
hij geeft mij niet eens de eer, die de Sultan van Tjeribon en Bantam
zich gelukkig achten mij te bewijzen als aan hun leenheer. Hij gedraagt
zich als onafhankelijk vorst en, door wiens recht kan hij ’t zijn?”
„Door zijn zwaard, het meest onbetwistbare recht. Maar vergun uw
dienaar, Heer, zijn verwondering uit te drukken over uw ergernis en
mismoed; sedert jaren wist Uwe Hoogheid toch dat Soerapati hier
opperheerschappij voerde.”
„Ja, dat wist ik en verheugde er mij over, maar ik meende dat hij
erkende die heerschappij te hebben ontvangen uit mijn hand.”
Almede was het slechts de schijn dien hij miste; door eenige ceremoniën
had de gastheer den vluchteling tot den gelukkigste der stervelingen
kunnen maken; zonder moeite had Soerapati kunnen veinzen, dat hij zijn
wettigen meester binnen diens eigen erf ontving, in plaats dat hij hem
een weldaad voelbaar bewees.
„Wat deert u zijn macht, o keizer!” ging de oud-Rijksbestuurder voort,
„als hij u de verloren glorie slechts teruggeeft?”
„Ik heb ze toch reeds half verloren, nu hij ze bezit.”
„In naam van den Profeet, laat Radhen Wiro Negoro het niet vermoeden
dat gij met leede oogen zijn macht aanschouwt. Bedenk dat gij en de
uwen geheel aan zijn genade overgeleverd zijt. Mijn keizer bevindt zich
hier in den kraton van een Regent, die een van Soerapati’s trouwste
vrienden en wapenmakkers is. Zijn soldaten, de geoefendste van geheel
Java, vormen uw eerewacht, een eerewacht, die echter slechts een woord
van hem behoeft om u en uw gevolg tot cipiers te strekken.”
In machtelooze woede wierp de schijn-keizer zich achterover, wentelde
zich luid jammerend in de kussens en wrong al kermend zijn handen.
„Wat deed ik dan, ongelukkige? Waarom begaf ik mij in het hol des
tijgers, ik argeloos hert...”
De vergelijking riep op de dunne lippen van Koesoemo een flauwen
glimlach te voorschijn.
„Wat zal mij hier wachten? Vernedering, niets meer! O waarom
ontvluchtte ik de Hollanders? Zoo ik mij in tijds aan hen overgegeven
had, zij zouden mij keizerlijke eer niet onthouden hebben.”
„Gelijk uw vader die aan Troeno-Djojo schonk,” sprak de oude man met
een spotlach.
„Hoe gij zelf mij belacht! ’t Is niet goed Koesoemo, den gevallen
waringinstam te bespotten; vergeet niet, ik ben uw keizer, wat er ook
gebeurd moge zijn. Gij blijft mijn onderdaan!”
Een snelle blik, dien de oud-Rijksbestuurder op den paardenvoet zijns
meesters wierp, ontging dezen niet; als instinctmatig trok hij de
sarong over het misvormde lichaamsdeel.
„Of erkent gij Soerapati ook voor uw meester?” ging de vorst met
pijnlijken drang voort.
„Uw dienaar leeft in zijn koninkrijk, hij geniet zijn gunsten, waarom
zou hij hem niet als zijn gebieder erkennen?”
„Maar hoever strekt zijn rijk of wat hij zijn rijk noemt, zich uit? Zeg
het mij, opdat ik de macht kenne van hem in wiens handen ik mij
overleverde.”
„Zijn rijk raakt den voet der Willisbergen en ontmoet de zee die Java
scheidt van Bali, de Ardjoeno en de Smeroe heffen te midden van zijn
grond hun kruinen op naar de wolken; tot aan de grens van het
Soerabayasche landschap bezit hij onderdanen; in het gebied van de
Ratoe Kidoel [21] deelt hij met haar den scepter. Niets weerstaat de
kracht zijner wapens. De oude koning van Balembangan gaf zijn kinderen
aan de zijne ten huwelijk en diens zoon erkent hem als zijn leenheer.
Geen soldaten van bruinen bloede zijn opgewassen tegen zijn
welgeoefende legers. De Hollanders alleen zijn waardig hem te
weerstaan. Hij is dapper en streng maar strikt rechtvaardig; zijn
krijgers vreezen den blik zijner oogen, maar in hun harten hebben zij
hem innig lief; zij weten dat alles wat hij onderneemt hem gelukt, dat
hij onkwetsbaar schijnt in den strijd, dat zijn wil een wet is, maar
ook dat hij slechts wil wat goed en verstandig blijkt. Zij vertrouwen
op hem en het geheele volk bouwt op zijn vorst als op een steenen rots;
zij gehoorzamen al zijn bevelen, zij aanbidden den indruk van zijn
voeten, daar zij een hooger wezen in hem zien. Ginds in het Oosten aan
den voet van den Bromo vereeren zij hem als den afgezant van Batoro
Goeroe, den leermeester des volks, als een nieuwe verschijning in
menschengedaante van Shiwa hun oppergod, wiens heiligdommen hij
herstelde, wiens eeredienst hij deed herleven.”
„Hoe, hij veracht Allah en zijn Profeet?”
„Hij aanbidt het Opperwezen en laat ieder vrij Hem een naam te schenken
naar de overtuiging zijner ziel; achter zijn dalem heeft hij een tjandi
ter eere van den oppergod der Hindoes gebouwd, mij echter en allen die
Mahomed als den grooten Profeet Allah’s vereeren, laat hij vrij
missigits bouwen. Wien hij zelf vereert in het diepst van zijn hart,
welke god hem deze overwinningen liet behalen en die hem bekleedde met
zulk een macht als nooit op Java werd gezien, dit is een geheim dat
zelfs zijn gemalin mijn dochter niet doorgronden kan.”
„Maar mijn vader was toch machtiger dan hij?”
„Uw vader mijn oude meester ontving de kroon terug uit de handen der
Hollanders, die ze aan Troeno-Djojo hadden ontnomen; uw vader was een
koning, die heerschte over een volk van slaven, hij echter de slaaf,
regeert een rijk van vrije mannen.”
„En hoe komt hij aan die macht? Waarom buigen allen zich vrijwillig
voor hem, die kort te voren nog minder was dan niets, een vluchteling,
een vogelvrije?”
„Eenigen zeggen omdat hij een tooverspreuk kent, die het aantal zijner
manschappen in het oog des vijands vertiendubbelt, anderen omdat hij
bijgestaan wordt door de machtige Dewahs, de goden, door de dienaren
van den Moslem uit Java verdreven, weer anderen beweren omdat hij het
hart der menschen door rechtvaardigheid en goedheid naar zich trekt,
omdat hij zelf slavernij en armoede, doodsangst en schrik van nabij
kennend die aan zijn volk tracht te sparen. Hij deed hen ondervinden,
wat zij nimmer te voren gevoelden, dat de hoeksteen van elke macht niet
vrees behoeft te zijn maar liefde. Dat verhalen sommigen; uw dienaar
ziet en hoort alles maar durft niet beslissen. Een zaak weet hij
alleen, Soerapati is machtiger o Keizer, dan zelfs uw grootvader, de
gevreesde Tagalwangi het ooit geweest is, vóórdat een Hollander zijn
gebied betrad, want zijn macht zetelt in het hart zijner onderdanen en
niet in vrees voor dood en verminking.”
Wezenloos als hoorde hij een vreemde taal aan, luisterde Soenan Mas
naar de woorden van den grijsaard; eindelijk vroeg hij op bevenden
toon:
„Maar als hij waarlijk zoo machtig is, welk bewijs bezit ik dan dat hij
mij niet zal dooden?”
„Hij heeft u gastvrijheid verleend, en nimmer nog werd dit recht door
hem geschonden. Vertrouw op hem!”
„Vertrouwen!”
Soenan Mas zag angstig rondom zich naar zijn beweginglooze hovelingen
met hun zwakke ledematen en statiekrissen, en weer bekroop hem nieuwe
angst.
„Heeft hij mij in geen hinderlaag gelokt? Zal hij mij niet dooden?...”
„Welk belang heeft hij bij uw dood?” vroeg Koesoemo met bittere
oprechtheid. „Waart gij Pakoe Boewana de zegepralende vriend der
Hollanders, wellicht zou dan het nut zegepralen over het recht zelfs
der gastvrijheid. Nu echter zal uw tegenwoordigheid hem niet schaden.
Hij zal met u spreken en dan keert hij terug naar zijn dalem in Kotta
Maroeng bij Pasoeroean, u toevertrouwend aan Goesti Wirajoeda, regent
van Kediri.”
„En gij dan Koesoemo, waar woont gij?”
„Hij schonk mij twintig dessahs en een groote oppervlakte lands rondom
Bangil; ik hoop u daar als mijn gast te ontvangen.”
„Leeft uw dochter de schoone Radhen Goesik nog, en is zij gelukkig?”
„Zij is een machtige Ratoe en het geluk hebben wij allen te zoeken in
onze eigen borst. Vinden wij ’t daar niet dan is het vergeefs dat wij
het van elders verwachten. En wees nu opgeruimd, mijn Vorst! Gebruik de
spijzen, die Radhen Wiro Negoro u zoo mild aanbiedt, versterk daarmede
uw vermoeide ledematen en zie de toekomst met blijde hoop te gemoet!”
„Helaas! wat zal die toekomst mij geven als ik geen keizer meer mag
zijn. Heb ik daarom zoo gevlamd op den dood mijns vaders, die het leven
maar geen vaarwel wilde zeggen? En nu ben ik verworpen en verstooten,
terwijl de ellendeling Poeger zegepraalt.”
„Er staat geschreven in het heilig boek des Profeets: „Wie zich aan
zonde heeft schuldig gemaakt, zal er de zware straf van ondervinden.”
En zoo hebt gij, o Keizer! u met schuld bedekt door den dood uws vaders
te wenschen. Weiger dan ook de straf niet te dragen van uw zonde.”
Soenan Mas wierp hem een giftigen blik toe, doch sprak niets; wellicht
overdacht hij thans reeds met welke verfijnde wreedheid hij eenmaal,
zoo onbeperkte macht opnieuw zijn deel werd, elke minder aangename
behandeling elk beleedigend woord zou terugbetalen.
Daar naderden op het kiezelzand tal van stappen. Koesoemo stond op en
begaf zich naar den ingang der veranda, Soenan Mas richtte zich van
zijn rustbank halverwege op en zag de naderbij komenden nieuwsgierig
aan.
Aan hun hoofd ging Soerapati met den regent van Kediri, die steeds zijn
trouwste vriend en wapenmakker gebleven was; hem volgden zijn drie
zonen en schoonzoon. Zwakke afbeeldsels waren deze zonen van hun vader;
de gelijkenis der trekken en der houding was opvallend maar hun ontbrak
de stalen kracht der spieren, de vrije ontwikkeling en oefening der
ledematen door ontbering en bittere noodzakelijkheid verworven. De
weelde en het gemak hadden de vorstenkinderen reeds bij hun eerste
intrede in de wereld opgewacht, nooit hadden honger en armoe,
verbittering en wrok, die zoo vaak lichaam en ziel des vaders
pijnigden, hun prikkel aan de jonge prinsen doen voelen; maar nooit ook
werden hun zintuigen en geestelijke vermogens gescherpt door de lessen
dier strenge leermeesters.
Een groep edelknapen volgde de vorsten; zij droegen allen de wit en
roode uniformen, die Soerapati in zijn leger ingevoerd had en die
geheel verschilde van de verwijfde hofkleeding aan het Mataramsche hof
voorgeschreven; zij allen spraken en schertsten luide en het werd
Soenan Mas duidelijk dat Radhen Wiro Negoro uit zijn onmiddellijke
omgeving de slaafsche onderworpenheid en domme menschenaanbidding der
Javaansche vorsten gebannen had.
Een oogenblik weifelde hij, en wist niet hoe zijn gastheer te
ontvangen. Het liefst ware hij in dezelfde houding gebleven om hen af
te wachten, een gevoel van ergernis bekroop hem toen zelfs zijne
dienaren zich voor hem ter aarde wierpen, nadat Koesoemo hen daartoe
het voorbeeld gaf.
Deze gewoonte vermocht de vorst niet af te schaffen, zijn eerste
dienaren en vrienden drongen hem deze eerbewijzing zelf op, daar voor
een groot deel het bestaan zijner heerschappij van dit ceremonieel
afhing.
Amirang Koesoemo stond echter dadelijk op; toen zijn gebieder de
galerij betrad, stak deze hem op Europeesche wijze de hand toe, en kwam
tusschen hem en den regent op den Keizer af.
Soenan Mas verhief zich van zijn bank en deed, zooveel mogelijk zijn
kreupelen gang verbergend, eenige stappen vooruit.
„Blijf zitten, vermoei u niet, Radhen Adipati!” sprak Soerapati en
geleidde hem bij de hand naar de rustbank, waarop hij naast hem plaats
nam; het gelaat des keizers vertrok zich pijnlijk, de toespeling op
zijn lichamelijk gebrek was hem altijd onaangenaam, maar nog
smartelijker trof hem de titel dien Soerapati hem gaf.
„Ik ben gekomen om met mijn broeder onze zaken te bespreken,” hij
wenkte den Regent en Koesoemo nader te komen, terwijl de prinsen en hun
gevolg verderop de galerij inwandelden en zich met de Mataramsche
edelen onderhielden.
De beide hofgrooten hurkten op de mat neer voor de voeten der beide
vorsten.
„Van avond keer ik naar Bangil terug,” sprak Radhen Wiro Negoro. „Mijn
drukke bezigheden veroorloofden mij nauwelijks dezen kleinen uitstap,
maar ik vond het passend mijn broeder persoonlijk te begroeten daar ik
niet vergeten kon, hoe twintig jaar geleden uw keizerlijke vader mij op
voorbede van mijn vriend den edelen Radhen Amirang Koesoemo een
schuilplaats in zijn kraton verleende.”
„Uw geheugen schijnt nog wondersterk te zijn, Heer!” zeide Soenan Mas
met een gedwongen lachje.
„Ik heb mij nog volstrekt niet te beklagen over de beleedigingen der
jaren,” hernam de andere en wierp een blik vol trotsche zelfvoldoening
op zijn krachtige armen en gezonde, forsche gestalte. „Niets is mij
ontgaan uit den veelbewogen tijd, dien ik in Karta-Soera mocht
doorbrengen. Ik weet ook, Prins, dat gij een mijner vertrouwdste
vrienden waart en mij de hulp uws vaders niet misgunde.”
„Zonder mijn voorspraak zou u voorzeker niet de gelegenheid zijn
gegeven u op de Hollanders te wreken, nog minder om na het bloedbad in
den Kraton hen te ontkomen. Veel leed heeft het voorgevallene ons op
den hals gehaald; Karta-Soera moest bitter boeten voor hetgeen toen
tegen de machtige blanken misdreven werd en nu nog draag ik de gevolgen
van die daad. Zonder den dood van den gezant Toewan Tak zou er geen
vijandschap bestaan hebben tusschen den Soesoehoenan en de Hollanders;
ik zou in vollen vrede mijn vader opgevolgd zijn.”
„Als gij dien vrede ten minste gewenscht had, Prins!”
„Ik begrijp u niet.”
„Gij en uw vader hebt den oorlog verkozen met de vreemdelingen, omdat
gij hen in uw hart bitteren haat toedraagt maar in het gevaar hun hulp
niet versmaadt, integendeel die knielend inroept. Pakoe Boewana heeft
zich thans ook aan hen verkocht, daar de nood dreigend werd. Is het
gevaar minder dringend dan zal hij weer elders een reddende hand zoeken
om hem van den last der dankbaarheid te bevrijden. Zoo deed uw vader,
en zoo meendet gij ook te doen Prins, maar zij hebben uwe ter elfde ure
aangeboden diensten versmaad. Gij hadt gelijk u intijds tot een ander
te wenden toen hun bijstand u ontviel.”
Verbaasd zag Soenan Mas den spreker aan; hoe kon Radhen Wiro Negoro van
zijn pogingen bij de Hollanders weten? Het geheele weefsel van
laaghartigheid en veinzerij in het ongeluk, bij dwaze aanmatiging in
voorspoed, lag open voor den helderen blik van zijn tegenwoordigen
bondgenoot. Maar een enkele gedachte hield den vluchteling boven alles
bezig.
„En wat wilt ge nu voor mij doen?” vroeg hij.
„Hetzelfde wat uw vader eenmaal voor mij deed. Ik zal vijandschap
zoeken met de Hollanders, schijnbaar om uwentwil, eigenlijk om mijn
eigen oogmerken te bereiken.”
„Ja, ge wilt u op hen wreken en nooit was een wraak rechtvaardiger,
want schandelijk hebben zij u bejegend!”
Een wolk verduisterde het hooge voorhoofd; de lippen trokken zich voor
een oogenblik pijnlijk samen; het was duidelijk dat de hand van den
gast een wond opzettelijk had opengerukt, die nooit genezen was, al
werd zij ook door goud en purper bedekt.
„Wat Soerapati de slaaf en de luitenant der Compagnie geleden heeft,
dat gedenkt Radhen Wiro Negoro niet meer,” antwoordde hij met trotsche
minachting, „mijn bedoeling is niet mij te wreken maar mijn plannen ten
uitvoer te brengen en, daarvoor heb ik werktuigen noodig. Een daarvan
zijt gij Adipati Anoem. Om deze redenen heb ik in persoon u welkom
geheeten op mijn gebied. Ik heb voor mijn volk getoond dat ik u ontvang
als een hoogvereerde gast...”
„Maar niet als uw Keizer!” riep de andere uit, daar eindelijk zijn
gekrenkt gevoel hem dien smartelijken kreet ontwrong.
„Neen, dat niet. Hier ben ik meester, ik spreek tot u als uw gelijke en
dat moet ook mijn volk weten.”
„Erkent dan ook gij zelf Pangeran Poeger als wettige Keizer? Hem de
stroopop der Hollanders?”
Medelijdend haalde Soerapati de schouders op.
„Ook anderen zouden zich gelukkig achten als zij zich op die wijze tot
stroopop konden laten gebruiken. Nog kunt ge terugkeeren, Prins! De weg
ligt open voor u. Wilt ge blijven op den voet, waarop ik u ontving als
mijn gast en beschermeling of wenscht gij hier Keizer te zijn? Ik kan
dan geen twee vorsten in mijn rijk dulden, mijn mannen zullen u
uitgeleide doen tot aan de grenzen van Mataram, hoe slecht bepaald deze
ook zijn mogen. De weg ligt voor u open, Prins! Beslis dan!”
„En mijn herstelling op den troon?”
„Ik zal afwachten wat de Hollanders den nieuwen Keizer laten
verrichten. Vertrouwt gij u aan mij, dan zal ik u tegen hem weten te
beschermen, wilt gij u liever aan uw oom overgeven, keer dan terug
langs den weg, dien gij gekomen zijt.”
„Maar mijn herstel op den troon van Mataram!”
„Het zou dwaasheid wezen te trachten de Hollanders uit Karta-Soera te
verdrijven; het nieuwe tractaat wordt daar gesloten. Zij hebben zich
versterkt, zij zullen zich weten te verdedigen, Een aanvallende oorlog
kan slechts noodlottig voor mij blijken, liever wil ik hen afwachten in
mijn rijk als de tijd daartoe gekomen is. Mijn tijd is beperkt, Prins!
Beantwoord dus spoedig mijn vraag, verkiest ge onder mijn bescherming
en die van mijn vriend den Regent hier in dit paleis te leven, zoo
zweer ik u dat geen Hollander of geen dienaar des Soesoehoenans een
haar van uw hoofd krenken zal. Verlangt gij echter terug te keeren, ook
dit staat u vrij!”
„Terugkeeren naar mijn oom, dien ik in de ijzeren kooi deed opsluiten,
wiens dochter ik deed sterven, terugkeeren, neen dat kan ik niet. Ik
blijf Soerapati, ik blijf!”
„Welnu, mijn broeder, volg mij dan naar den grooten pendoppoh waar het
feestmaal dat ons verbond moet besluiten ons wacht. Wirajoeda, gij
zweert mij bij uw hoofd voor het leven en de veiligheid van mijn vriend
en bondgenoot Radhen Adipati Anoem in te staan!”
De regent boog zich ter aarde en kuste eerst zijns meesters voeten,
daarop die van den gevallen keizer.
„Zoo ik in mijn plicht te kort schiet, dan straffe mij Batoro Shiwa,
den alvernieler!” sprak hij plechtig, want nog steeds vereerde deze
Balinees den God zijner vaderen.
III.
VADER EN ZONEN.
Tegen den avond, begunstigd door schitterenden maneschijn, trok Radhen
Wiro Negoro met zijn gevolg naar het Oosten terug. De hooge gestalte
van den vorst was aan het hoofd van zijn stoet duidelijk kenbaar; de
Regent van Kediri deed hem uitgeleide en Amirang Koesoemo reed aan
zijne rechterhand, want ondanks zijn vrij gevorderden leeftijd was de
oude Rijksbestuurder nog sterk en vlug.
„Is Kiai Hemboong nog niet terug van Batavia?” vroeg Wirajoeda,
„hoeveel maanden zijn toch verloopen sinds zijn vertrek?”
„Ik ben ongerust, zeer ongerust,” gaf Soerapati ten antwoord,
„nieuwsgierigheid naar tijdingen van hem doet mij vooral zoo haastig
terugkeeren naar Kotta Maroeng.”
„Reeds viermaal heeft de maan zich gewisseld na zijn vertrek,” zeide
Koesoemo, „wanneer men hem slechts ongedeerd laat vertrekken?”
„Wat heeft de arme grijsaard misdaan om den toorn der Hollanders op te
wekken? Hij komt slechts de gevoelens vernemen van de Hooge Regeering
te Batavia; verwerpt zij mijn voorstellen, welnu dat ik het wete, maar
wat zal het hun baten, als zij hem vasthouden? Ik had mijn ouden
pleegvader niet moeten toestaan den gevaarvollen tocht te ondernemen;
maar niemand mijner mannen evenaart hem in list en geslepenheid,
daarenboven verlangde hij Batavia terug te zien. Ik begrijp dat gevoel,
hoe vurig wensch ik zelf daarheen terug te keeren, alles te zien met de
oogen van den man, wat den blik van den jongeling stellig ontsnapte,
mijn voordeel te doen met de kunde der blanke mannen. ’t Doet mij nog
leed dat ik niet vermomd zelf de reis maakte.”
„Een vermomming zal u niet baten,” sprak Wirajoeda, „al verduisteren
ook wolken de zon, zij kunnen toch niet bewerken dat men den dag voor
den nacht aanziet. Evenmin zal men in u ooit den vorst miskennen.”
„Den geboren vorst zeker!” hernam Soerapati lachend, „de slaaf in
koningskleeren, ziedaar de werkelijke vermomming.”
„Wacht met Batavia te bezoeken tot gij daar als overwinnaar uw
zegetocht kunt doen.”
Soerapati’s oogen schitterden, een glimlach speelde onder zijn vollen
baard bij het hooren van Koesoemo’s vleienden raad.