uw erf; hij zal er niet meer binnendringen, en mocht dat toch zijn, en
hij mij overvallen, ik zal geen woord met hem meer wisselen. Wat ik hem
te zeggen had, heb ik hem gezegd en gij weet het evengoed als hij en
ik: Onze wegen zijn voor goed gescheiden na dit laatste onderhoud!”
Maar Digna vermoedde niet hoe de lastertongen aan het werk gingen over
het geheimzinnige feit.
„Weet ge wie de dief was op het erf van den Heer Donker?” vroeg mevrouw
Dammers aan wie ’t maar hooren wilde, „’t is een vreemde geschiedenis.
De Heer Voorneman heeft hem in persoon ondervraagd en dadelijk zijne
invrijheidstelling bevolen.”
„Maar de ware dief is toch gegrepen.”
„Dwaasheid! De Heer Voorneman is op denzelfden avond ziek geworden. Wie
zal zeggen waarom! De goede man is zwak, elke ontroering kan hem
schaden, dat weten wij allen. De vogel is ontsnapt, maar toen dadelijk
weer gevangen op Zorgvrij; hij was onschuldig aan den diefstal, dat is
zeker, maar weigerde alle inlichtingen te geven waar hij dan geweest
kon zijn. De Raad van Justitie sleepte zich toen naar het Raadhuis;
ach, ik heb zoo met den armen man te doen. Hij ondervroeg den
beschuldigde in het geheim en zie, plotseling was de dief gevat en de
onschuld van den gevangene daghelder bewezen. Zoek nu een verband
tusschen die feiten, maar ik zeg altijd: Vertrouw die vrome zusjes met
hun uitgestreken gezichtjes en gladde tong voor den drommel niet!”
En als zette het krachtige woord geen nadruk genoeg aan de rede bij,
wuifde mevrouw Dammers met onstuimige kracht haar waaier op- en neder
en zag triomfantelijk rond.
„Maar hoe is ’t mogelijk, zij is zoo mooi en hij een soldaat!”
„Gelukkig, dat hij soldaat en een krijgstocht op handen is. Let op mijn
woorden! Hij zal daarmede vertrekken. Maar mooi is zij volstrekt niet,
haar neus is veel te klein en wat heeft ze flauwe oogen en ook op haar
ooren valt iets te zeggen.”
De profetie van mevrouw Dammers over den aanstaanden oorlog kwam
letterlijk uit; den 4den Juli 1705 vertrok de ordinaris Raad van Indië
Herman de Wilde van Batavia.
Hij was als veldoverste benoemd over het leger dat uitgezonden werd in
de eerste plaats om den door de Compagnie niet erkenden keizer Soenan
Mas uit zijn rijk te verdrijven en in zijn plaats desnoods met geweld
den Soesoehoenan Pakoe Boewana op den troon van zijn overleden vader en
broeder te Karta-Soera te bevestigen; in zijn lastbrief was hem
opgedragen den Adipati Anoem—zoo werd de niet erkende keizer nog
genoemd—te doen verdagen tot onderwerping binnen een termijn van
veertien dagen, maar na verloop van deze tijdruimte hem onmiddellijk
aan te tasten en zoo mogelijk zich van hem meester te maken.
Zoodra Pakoe Boewana den troon hem toebedeeld door den steun der
Hollandsche wapens, zou hebben beklommen, moest het de Wilde’s eerste
werk zijn het nieuwe tractaat tusschen hem en de Compagnie te sluiten.
Was dit alles ten einde gebracht en had alzoo de macht der Compagnie
een geduchte versterking bekomen in het hart van Java, dan eerst kon
men er aan denken den geduchten vijand der Europeanen, den slavenvorst
Soerapati te bestrijden. De Raad van Indië achtte het nog niet noodig,
hier aangaande iets stelligs te beslissen, maar de Wilde’s plan stond
vast; wat hij nu ging ondernemen was slechts een voorbereiding om het
doel zijns levens te volbrengen en op Soerapati zijn verloren
levensgeluk te wreken.
De Gouverneur-Generaal had eindelijk, hoewel eenigszins schoorvoetend
besloten, de hulp hem in het geheim door Soerapati aangeboden te
weigeren, en de drie afgezanten van den rooverkoning niet meer naar hun
land te doen terugkeeren. Alzoo zou niets Soerapati blijken van hetgeen
tusschen de Hooge Regeering en hen besproken was.
De gevangenissen van de Compagnie waren duister en diep; niemand
behoefde meer iets van hen te hooren; wilde Soerapati de
onderhandelingen opnieuw aanknoopen, niets kon hem beletten te gelooven
dat de vorige gezanten op den langen en gevaarvollen weg omgekomen
waren; aandringen dat de verkleede Chineezen hem uitgeleverd werden,
zou hem moeilijk vallen, daar er geen bewijs voorhanden was van hun
zending.
Zoo bleef diep geheim deze onderhandelingen omhullen en de Compagnie
was vrij om nog altijd naar goedvinden te handelen. Het was de Wilde,
die deze gedragslijn aan den Opperlandvoogd had aangeraden; hij drong
er zelfs op aan dat men zich op nog meer afdoende wijze van het drietal
zou ontdoen; wilde men hun leven sparen, welnu er gingen zoovele
schepen onder zeil naar Ceylon, of naar de ver afgelegene Molukken; wie
zou het vreemd vinden als drie Chineezen daarop werden vervoerd?
De Gouverneur nam echter geen beslissing; hij liet de Wilde aan het
hoofd van zijn gewapende macht vertrekken. Deze bestond uit vier
schepen, 1833 Europeesche en 2016 inlandsche soldaten met de noodige
artillerie.
Op den morgen na ’t vertrek der troepen kwam de Heer Voorneman naar
zijn vrouw en zeide haar:
„De oorlog zal weldra beginnen, Digna, de soldaten zijn vertrokken.”
„Ik weet het,” antwoordde zij rustig. „Moge God hun wapenen zegenen en
het recht laten zegevieren.”
„Hoopt ge dat hij terugkomt?”
„Mag men iemand dood wenschen, Markus? En toch ik geloof dat een
eervolle dood op het slagveld het beste is wat ik voor menigeen hopen
kan.”
„Om zijn nagedachtenis vrij te kunnen vereeren?”
Digna zeide niets meer; zij gevoelde het nu maar al te goed dat de
kalmte en rust uit haar leven verdwenen waren. Markus’ zwakke
gezondheidstoestand en de prikkeling zijner jaloezie maakten hem hoe
langer hoe lastiger voor zijn vrouw. Hij bespiedde al hare woorden en
blikken; haar zachtzinnigheid wond hem nog meer op, haar geduld tergde
hem; nooit was haar iets te veel of te moeilijk, hij erkende het, en
toch was hij niet tevreden over haar. Met kracht en moed trachtte zij
haar nieuwe taak op zich te nemen en daarin de beste afleiding te
vinden voor haar eigen gedachten.
VIJFDE GEDEELTE.
I.
DE VLUCHTENDE KEIZER.
Op den grooten weg, die om den voet van het Willisgebergte leidt en de
landen van Mataram met Kediri verbindt, bewoog zich op een vroegen
ochtend van de maand September een vrij aanzienlijke stoet van mannen,
vrouwen en kinderen, die met blijkbare haast den tocht volbrachten.
Voorop reden verscheidene mannen te paard; talrijke voetgangers, die in
hun midden eenige draagstoelen voerden, vrouwen en kinderen volgden op
grooteren of kleineren afstand; vermoeidheid, angst en zorg lagen op
hun gelaatstrekken uitgedrukt of verrieden zich in hun loomen, tragen
gang, in het droevig geschrei der kleinen en soms in het gesnik der
moeders. Koelies, beladen met leeftocht en balen goed, besloten al
hijgend den stoet.
Hij, die te midden der ruiters reed, was blijkbaar van hoogen rang,
achter hem droeg een dienaar een gouden zonnescherm, teeken der
vorstelijke waardigheid; zij, die hem omringden, waren gekleed in het
hofkostuum van Mataram; hij zelf had een eenvoudig gewaad aan, dat hem
’t bovenlijf bedekte, alleen een rijk met diamanten versierde gouden
kris stak in zijn gordel.
Zijn trekken waren onbeduidend en de uitdrukking zijner oogen half
wezenloos; toch mocht men aan de wijze, waarop hij het hoofd droeg,
zekere majesteit niet ontzeggen; hij kon vooraan in de dertig wezen.
Als de lange sarong, die over zijn rechterbeen viel, door de beweging
van het rijden een weinig opwipte, bemerkte men dat de voet misvormd
was en eenigszins de gedaante had van een paardenhoef.
De weg liep thans door djatiwouden; het was er koel en frisch, want
hoewel de zon reeds sinds eenige uren aan den hemel moest zijn, hield
zij zich tot nu toe voortdurend achter wolken schuil.
„Het gevaar, dat zij ons achtervolgen, schijnt voorbij te zijn,” sprak
de man met den paardenvoet tot den ruiter, die ’t dichtst naast hem
reed, maar die zich toch eenige stappen achter hem bevond.
„Binnen weinige oogenblikken zijn we op Soerapati’s grondgebied
aangeland!” meende deze, „dan dreigt ons geen gevaar meer.”
„Soerapati’s grondgebied!” zeide de andere en fronste dreigend de
wenkbrauwen, „hij heeft geen grondgebied. Behoort geheel Java niet mij
toe, mij en mij alleen? Dat mijn vader en ik hem verlof gaven bewind te
voeren over een deel van onzen grond, is geen reden, waarom hij zich
macht zou toekennen over onze bezittingen.”
Het gelaat van den dienaar bleef onverstoorbaar kalm en de Keizer
vervolgde:
„Ik ben gevlucht uit mijn hoofdstad, maar niet uit mijn rijk. Weldra
zal ik met Soerapati’s hulp den ellendigen Hollander, die zich op de
schouders van mijn laffen oom wil opheffen tot mijn troon, verjagen uit
den Mataram.”
„Groot is het voorrecht geschonken aan Uwe Hoogheid, dat zij in Radhen
Wiro Negoro zulk een trouw vriend en helper bezit.”
„Hij is mijn onderdaan, niets meer! Gehoorzaamheid verplicht hem tot
hulp.”
Het gesprek bleef steken; Soenan Mas, want de ruiter was niemand anders
dan de vluchtende Keizer van Mataram, hulde zich weer in diep
stilzwijgen.
Zware dagen had hij doorleefd; alles was hem ontvallen, de steun zijner
rijksgrooten, de trouw zijner dienaren, de hulp zijner soldaten, zoodra
de tijding Karta-Soera bereikte dat de opperbevelhebber der Hollanders
aan het hoofd eener geduchte legermacht van Samarang was opgebroken om
zijn oom den door de Compagnie erkenden keizer Pakoe Boewana I op zijn
troon te herstellen.
De geheele bevolking was toegesneld om den tegen-vorst, die, gesteund
door zulk een kracht van wapens voortschreed, haar hulde te betuigen;
niemand’s hart had zich gehecht aan den bloeddorstigen, wulpschen
erfprins, die zich de machtige vreemdelingen tot vijanden had gemaakt.
Elke dag bracht tijdingen vol jammer in den kraton; ’s keizers
dringende beden en aanbiedingen tot de Compagnie gericht, werden van de
hand gewezen; tevergeefs bleef Soenan Mas de wettigheid zijner
aanspraken verdedigen, de Wilde bestreed ze en legde hem zelfs den dood
van Tak en zijn gezellen ten laste.
Zoodra hij hoorde dat het leger der Hollanders naar Karta-Soera
oprukte, besloot hij zijn troon en leven duur te verkoopen of het ten
minste door anderen duur te laten betalen.
Hij zond zijn veldheer Soeria Adi Ningrat, met 4000 man naar Oenarang
om de Wilde en zijn soldaten den toegang tot de Mataramsche landen te
beletten; doch reeds weinige dagen later ontving hij het verpletterende
bericht dat Soeria zijn plaats aan het hoofd van het Javaansche leger
verlaten had en naar Samarang getrokken was om zijn onderwerping aan
Pakoe Boewana en dus ook aan de Wilde aan te bieden.
Als een donderslag weerklonk dit bericht in Karta-Soera; nog hoopte men
dat het leger trouwer zou blijken dan zijn veldheer; ook deze hoop werd
verijdeld. Reeds bij de eerste schoten door de voorwaarts rukkende
legers der Compagnie gelost, verstrooiden zich de dappere krijgers en
verdwenen naar alle richtingen.
Nu begon ook de afval aan het hof welig te tieren; weinige mantri’s
bleven den schijnkeizer trouw; alleen en verlaten stond hij daar in het
uitgestrekte hof zijns vaders met de ontzettende zekerheid dat het
zegepralende leger der Hollanders nog slechts enkele dagreizen van hem
verwijderd was en hij op niemand kon vertrouwen, dat niemand hem de
reddende hand wilde toesteken om het zinkende schip weer vlot te
brengen; alles verliet hem, nergens vertoonde zich redding dan alleen
in snelle vlucht.
Adipati Anoem herinnerde zich de beloften en aanbiedingen hem door
Radhen Wiro Negoro gedaan; ijlings zond hij een bode naar Pasaroean om
den machtigen buurman van zijn ongeluk in kennis te stellen en zijn
gastvrijheid te verzoeken; de tijd ontbrak hem echter om het antwoord
te vernemen. Nog vóórdat de bode zijn bestemming bereikt kon hebben,
zag Soenan Mas zich genoodzaakt met zijn vrouwen, kinderen en nog
overgebleven dienaren den kraton te verlaten en oostwaarts te trekken
om daar een schuilplaats te zoeken.
Intusschen deed Herman de Wilde zijn feestelijken intocht binnen de
hofstad, vergezeld door den nieuwen Keizer, dien hij met groote
plechtigheid deed inhuldigen.
Alle rijksgrooten op de enkelen na, die Soenan Mas in zijn vlucht
volgden, kwamen zich aan Pakoe Boewana onderwerpen; zonder
bloedvergieting hadden dus de Hollanders deze schitterende overwinning
behaald.
Niets bleef nu de Wilde over dan met den nieuwen Keizer het tractaat te
sluiten, dat niets anders was dan een bekrachtiging van dat, hetwelk
bijna twintig jaar geleden de Commissaris Tak naar Karta-Soera was
komen brengen, toen hij op zulk een onverwachte wijze den dood vond.
De eenige schaduwzijde van dezen gelukkigen veldtocht was Adipati
Anoem’s ontsnapping; de Wilde vond echter weinig reden dit te
betreuren, daar hij hoopte hierin een voorwendsel te vinden tot een
beslissenden oorlog tegen zijn persoonlijken vijand Soerapati.
„De zaken staan niet duister!” sprak de afgezette Keizer na een poos
tot zijn volgelingen, „alleen Karta-Soera heb ik verloren, maar daar
ginds aan gene zijde der Brantasrivier strekt zich nog een groot,
machtig rijk uit, waarin ik als meester zal ontvangen worden.”
„Is mijn machtige gebieder daar zeker van?” waagde het een der mantri’s
te zeggen, „zou Radhen Wiro Negoro zich niet tegenover hem gedragen als
een onafhankelijk vorst?”
„Hoe zou hij dat wagen? Alles wat hij bezit, alles wat hij is, gewerd
hem door de genadige goedheid mijns vaders, die hem toestond Java’s
Oosthoek te bedwingen.”
„Dat zeide ook de tijger, die zich meester maakte van den uitgestrekten
tuin, en den eigenaar, die zijn rechten wilde doen gelden, met gapenden
muil bedreigde,” fluisterde de hoveling een zijner gezellen toe.
„Soerapati zal blijde en vereerd zijn dat hij mij de gastvrijheid zal
kunnen terugschenken, die mijn vader hem eens verleende,” ging de
Keizer voort, „hij zal zich haasten mij de regeering over te dragen van
die landen, welke mij toebehooren en die hij in mijn naam bestuurt.
Zijn Ratoe is mijn nicht...”
De mantri’s zagen elkander achter ’s Keizers rug spottend aan.
„Deden wij niet goed nog vóór het te laat is Pakoe Boewana onze hulde
te bewijzen?” mompelden eenigen.
„Hij zal onze onderwerping met blijde oogen aanzien; namen wij geen
deel aan den bloedigen dood van zijn dochter, Anoem’s schuldige
gemalin? Hij zal op ons haar dood wreken, nu hij ’t niet meer op zijn
neef vermag.”
Zij zinspeelden op een bloedig drama, dat nog tijdens het leven van den
overleden Keizer in Karta-Soera had plaats gehad.
Adipati Anoem was met een dochter van den tegenwoordigen Keizer Pakoe
Boewana gehuwd; de jonge, schoone vrouw echter minachtte haar
mismaakten echtgenoot en vergat haar plicht; de Keizer veroordeelde
haar en haar minnaar ter dood en liet het vonnis op de ongelukkige
prinses door haar eigen broeders uitvoeren.
Soenan Mas deed bij zijn troonsbeklimming de geheele maagschap van zijn
medeminnaar op wreedaardige wijze ombrengen. De eenige hofgrooten, die
hem volgden, waren zij die in de hoogste mate de wrok van Pangeran
Poeger opgewekt en van hem geen vergiffenis te hopen hadden; wie maar
eenigszins vermoeden kon bij den nieuwen Keizer in gunst te komen, koos
weldra zijn partij.
Een der zoons van Adipati Anoem reed zijn vader bijna ter zijde.
„Heer,” vroeg hij, „zoo het waar is dat Wiro Negoro slechts uw
stadhouder is, waarom heeft dan de overleden Soesoehoenan zoo menigmaal
legers op hem afgezonden en de hulp der Compagnie tegen hem
ingeroepen?”
„Wist mijn vader dan wat hij wilde? Was hij niet de speelbal der
partijen, de gehoorzame dienaar zijner Rijksbestuurders hetzij deze
Amirang Koesoemo of Sindho Redjo heetten? Ik echter heb steeds
vriendschap gekoesterd voor den dapperen Balinees; hij heeft mij zijn
hulp toegezegd om mijn rechten tegen de Hollanders en tegen mijn
ellendigen oom, dien Allah verdelge, te verdedigen.”
„Waarom is hij dan niet bijtijds op Karta-Soera aangerukt om den
Hollanders te beletten voort te rukken en zonder slag of stoot te
zegepralen?”
„Het „omdat” zal ons weldra opgehelderd worden, mijn zoon! Maar nog is
het niet te laat. Ook mijn grootvader, de heilige Keizer Tagalwangi
verliet vluchtend zijn dalem; de dood heeft hem achterhaald, maar deze
vijand die zijn ouderdom bedreigde is, Allah zij er voor geprezen, nog
ver van mij verwijderd. Mijn vader trad spoedig in zegepraal binnen
Karta-Soera terug en werd daar plechtig gekroond.”
„Dank de hulp der Hollanders!”
„Ook de Balineezen zullen niet minder dapper zijn. Immers de
keizerlijke kroon van Mataram met de rijkssieraden bevinden zich in
mijn bezit. Waar zij zijn, daar vertoeft de keizer!”
De djatibosschen, die hier den golvenden bodem bedekten, werden
schaarscher en weken eindelijk geheel terug om het uitzicht te geven op
het dal van de Brantas, die zich tusschen de vlakte slingerde, en de
vruchtbare sawahs, welke haar omzoomden, drenkte met honderden frissche
beekjes.
Van alle zijden begrensden bergen de rivier, welke ze van elkander
scheen te splijten. De Keloet hief er zijn dreigenden hoekigen top
omhoog. De groene hellingen van het Willisgebergte golfden vriendelijk
omlaag naar de bloeiende vlakte; aan de overzijde der rivier wuifden de
hooge kruinen van rijk beladen vruchtboomen zacht op en neer; deze
vruchtboomen deden daar een dicht bosch vermoeden, maar zij die de
streek kenden, wisten dat in haar schaduw zich de stad Kediri
verschool.
Onder de grauwe morgenlucht kwamen de tallooze schakeeringen van groen
en bruin nog niet tot hun recht, maar toen plotseling twee wolken
vaneenscheurden scheen het of een regen van stofgoud uit den hemel op
het landschap neerstortte, en alles van glans en licht doortintelde.
Van alle zijden schitterden de kleuren den ruiters tegen; met schier
oogverblindenden gloed weerkaatste de rivier het vuur des hemels; de
zachte, teere tinten der fijn gevinde acaciabladeren deden het donkere
loof der vruchtboomen nog donkerder schijnen, de sawahs schemerden in
met zilveren wederglanzen witgroen, scherp teekenden zich de sierlijke
kronen der palmboomen af tegen de glinsterend witte lucht.
„De zon beschijnt Kediri! Een goed teeken, vader!” riep een der jonge
prinsen blijde uit.
„Waarom zouden goede teekens mij niet begroeten!”, zei de Soenan Mas
minachtend, „is het recht dan niet aan mijn zijde?”
Een oude mantri zag zijn vrienden twijfelend aan en fluisterde:
„Een Soera van het heilige boek zegt: „Voorwaar—wien God ter doling
voert, die vindt nimmer den rechten weg.” En ik vrees dat onze keizer
zich op een dwaalspoor bevindt.”
„Hij vertrouwt op zich zelf, helaas! Moge zijn waan niet door Allah
gestraft worden, die de hoogmoedigen weerstaat, en de nederigen met
welgevallen aanziet.”
„Ziet ge daar niets schitteren?” vroeg de keizer, „zou men niet zeggen
dat een stoet krijgers nadert?”
Inderdaad flikkerden boven de sawahs, witglanzende lichten, die als
even zoovele sterren op en neer dansten boven een donkere massa, die
nader en nader scheen te komen.
„Het zal Radhen Wiro Negoro zijn, die Uw Hoogheid komt begroeten,”
zeide een der mantri’s.
Men kwam thans van tijd tot tijd groepjes landlieden tegen, die bij het
zien van den keizerlijken stoet eerbiedig naar den kant van den weg
terugweken, maar zich niet ter aarde wierpen, zooals de eeuwenoude
plicht hen voorschreef; de keizer zag het, maar haalde de schouders
verachtelijk op.
„Zij kennen mij niet,” sprak hij vergoelijkend, „de tijd ontbreekt mij
het hun te leeren. Weldra echter zullen zij weten wat de gouden pajong,
die men achter mij draagt, voorschrijft.”
De vlammen naderden meer en meer, steeds met heller gloed blinkend; het
duurde niet lang of men onderscheidde een driehonderdtal ruiters, die
in snellen draf kwamen aangereden; links en rechts van hen wierpen de
landbouwers zich ter aarde, en toen bleek het dat de lichten door de
zon ontstoken werden, in de zilveren lansen, door hen in de hand
gedragen.
De keizer sprak niets meer; zijn oog verslond den afstand, welke hem
scheidde van den naderenden stoet. Men kon dien allengs beter
onderscheiden; aan het hoofd reden een twintigtal mannen, die een wacht
schenen te vormen voor hem die allen aanvoerde. Deze bereed een
prachtig Arabisch paard, rijk met zilver, goud en purper getooid, dat
vlug en sierlijk met fier opgeheven hals, scheen te begrijpen, welken
kostbaren last hij droeg; weldra stonden beide groepen tegenover
elkander. De keizer hield den draf van zijn paard een weinig in,
afwachtend wat de andere stond te doen.
De zonnestralen deden de wit en roode gewaden der nieuw-aangekomenen
gloeien tusschen de groenblauwe kleuren van het landschap; het
verguldsel dat hen bedekte schitterde hel en vroolijk en stak levendig
af bij de bestoven en beslijkte kleeding van den keizer en zijn
dienaars.
Hun aanvoerder, een man in de kracht des levens, reed met zijn staf
vooruit; de anderen bleven op eenigen afstand staan. Zijn paard
steigerde hoog, hij hield echter het vurige dier met al het gemak en
vaardigheid van een, die zich meester weet, in bedwang.
Zijn gestalte was hoog en krachtig, zijn breede schouders en forsche
bouw kwamen tot hun volle recht in het weinig Javaansche kostuum dat
hij droeg; een wit opperkleed gelijk aan dat der Hindoesche radjah’s
omsloot strak zijn bovenlijf; een wijde donkergroen zijden broek was om
zijn enkels vastgesloten, terwijl zijn voeten in sierlijke muilen
staken; goud borduursel bedekte het bovenkleed evenals de donkerroode
mantel, die op zijn rechterschouder met een kostbare diamanten speld
gesloten was en waarvan de sierlijke plooien over het paard fladderden
en verder door den snellen rit in het vrije wapperden. In zijn gordel
staken de gouden gevesten van krissen en tevens ook de gewone stalen
loopen van Europeesche pistolen; een breed Oostersch zwaard hing hem
ter zijde.
Zijn gelaat was donker gekleurd maar er lag trots en majesteit in de
wijze, waarop hij te paard zat, fier zelfbewustzijn lichtte uit zijn
oogen. Zijn lokken waren geheel bedekt door een geelzijden tulband met
een arendsveer gesierd, die door een fonkelenden robijn bevestigd was.
Een zware zwarte baard, waarin echter reeds menige zilveren draad glom,
viel hem op de borst, en verhoogde het vorstelijke on-Javaansche van
zijn voorkomen.
De mannen, die Soenan Mas omringden, schenen klein en onbeduidend, week
en laf, tegenover die hooge, majestueuze verschijning; zelfs naast
zijne volgelingen hoewel minder krachtig en groot dan hun opperhoofd,
geleken zij bijna dwergen.
Snel rende hij op den gevallen keizer aan, en bracht hem naderend, bij
wijze van groet, de rechterhand aan den tulband, daarop strekte hij
deze met een echt koninklijk gebaar uit naar den vorst, die in
afwachtende houding stilhield.
„Wees welkom in mijn rijk, broeder!” sprak hij met zijn klankvolle,
heldere stem, „ik bied u gastvrijheid, steun en hulp aan!”
Het was of een bliksemstraal uit den helderen hemel Soenan Mas in zijn
ijdelen eigenwaan trof.
Stom van verbazing plukte hij aan de teugels van zijn paard en sloeg de
oogen vertoornd neder; dit was het niet, wat hij in Kediri kwam zoeken,
maar niets werd hem meer aangeboden. Door het aan te nemen legde hij de
keizerlijke waardigheid tegenover een onderdaan af, door het te
weigeren ontblootte hij zich van zijn laatste hulp.
„Wie zijt gij?” vroeg hij weifelend.
„Ik ben dezelfde, dien uw vader eens gastvrij opnam in zijn paleis,
Soerapati de gevluchte slaaf en rooverhoofdman, thans echter betaalt
Radhen Adipati Wiro Negoro de schuld van dankbaarheid des vaders af aan
den zoon. Ik zeg het u nogmaals broeder, wees welkom! De God mijner
Vaderen zegende mijne wapenen, en het is goed in de dagen des geluks de
vrienden uit den kwaden tijd niet te vergeten.”
Hij hield de hand nog steeds uitgestoken; Soenan Mas, die verwacht had
hem voor zich ter aarde te zien knielen, bleef hem nog een poos als
wezenloos aanstaren, toen legde hij weifelend ook zijn hand in de
zijne.
„Met dezen handdruk sluiten wij bondgenootschap, broeder,” sprak
Soerapati, „gij allen zijt er getuige van, ik zal u beschermen tegen de
trotsche vreemdelingen, die u uit uw erf verdreven hebben.”
Hij zwenkte zijn paard zoodat hij thans aan de rechterzijde van den
keizer kwam te rijden; met een genadigen hoofdknik groette hij de
prinsen en rijksgrooten en noemde vervolgens enkelen van zijn gevolg
op.