Digna vouwde haar handen op de borst; zij voelde zich beschaamd over

haar schoonheid, haar welvaart, haar stand in de maatschappij,

misschien zelfs over haar vlekkelooze deugd tegenover het arme schepsel

dat op zijn nog zoo jeugdig gelaat reeds het merkteeken droeg van

hevige hartstochten, van zonde en schuld. Toch bleef zij zwijgen, geen

woord van medelijden ontsnapte haar mond en hij hernam:

„Gij weet niet in welke hel ik leef, Digna, en nog minder kunt gij

vermoeden, welke hel ik in mij zelf omdraag! Ja, ik heb u verlaten

zonder een woord, zonder een groet, maar was dat mijn plicht niet, toen

ik wist dat ik niet meer de wettige zoon en erfgenaam mijns vaders was

maar een verstooteling zonder naam en zonder geld, moest ik toen niet

de breedte der aarde stellen tusschen mij en het meisje, dat mij trouw

had beloofd? Zij zou spoedig genoeg weten, wat mij van haar scheidde en

voor de onuitsprekelijke laagheid bleef ik gespaard dat ik er nog aan

durfde denken eenige rechten meer te ontleenen aan het mij eenmaal

geschonken woord. Robert van Reijn was niet meer, de andere Robert

mocht den voetzool van Digna Tak niet meer aanraken, dat alleen bleef

me helder na dien ontzettenden nacht, welken ik misschien nog besloot

door een moord.”

„Dat ten minste is u bespaard,” zeide Digna en een schaduw van een

glimlach teekende zich op haar lippen. „Niets heeft geleden door den

slag, dien gij neef Hendrik toebracht, dan alleen zijn neusbeen, dat

gebroken is en hem niet verfraait. Maar denkt ge dan niet, Robert, aan

hetgeen ik lijden moest toen uw schijnheilige oom...”

„Hij is het niet meer of liever hij was het nooit.”

„Toen Heer Gerard van Reijn en zijn gezin de laagste beschuldigingen

tegen u opstapelden en mijn stiefvader raadden God te danken dat ik

bijtijds gered was van een huwelijk met u?”

„En gij zelf, Digna, hebt gij ook den Heere gedankt, dat Hij dien slag

heeft afgewend?”

„Ik heb Hem gebeden voor den armen zwerver.”

Zij voegde er niet bij hoeveel bittere tranen zij gestort had om het te

betreuren dat zij niet reeds zijne gade was, die het recht had haar

rijkdom met hem te deelen en hem te vergezellen, waarheen hij gaan

wilde, als zijn trouwe gezellin.

„Ge hebt dus niet met toorn en afkeer aan mij gedacht, ge hebt u dus

niet geschaamd, dat gij zonder het te weten een armen bastaard hadt

bemind?”

„Ik schaam mij voor niets, waarin geen kwaad schuilt.”

„En weet uw man alles?...”

„Ik heb hem alles gezegd!”

„Zijt ge gelukkig?”

„Ik vervul mijn plicht.”

„Ik vraag of gij gelukkig zijt.”

„Kan er geluk bestaan anders dan in plichtsvervulling?”

„Plichtsvervulling, ik haat niets meer dan plicht!”

„Daarom zijt ge zoo ongelukkig, Robert! Gij doet alles om u van het

verledene los te rukken, maar eerst moet ge daarmee afrekenen; meent ge

dat ik niet bitter en bitter geleden heb, vóór dat ik er toe komen kon

een ander lot te kiezen, dan dat waarin ik jaren lang mijn eenig geluk

zag?”

„Weet ge dat nog en gij schaamt er u niet voor?”

„Mij schamen voor mijn eerste, mijn reine liefde. Hoe kunt ge dat

vragen, Robert! Gij immers hebt mij verlaten!”

„Zeg dat woord niet meer, Digna, ik u verlaten, hoe zou ik durven?”

„Gij hebt getwijfeld aan mijne liefde, aan mijn trouw, gij hebt gemeend

dat ik den rijken koopmanszoon van Reijn liefhad en ik beminde slechts

Robert. Toen de slag u trof, was ’t bij mij dat gij ’t eerst komen

moest om mij te laten beslissen over onze toekomst.”

„O God, uw liefde had mij kunnen redden en ik gaf ze prijs, daarom viel

ik in den afgrond.”

„Die liefde kan, mag ik u thans niet meer geven, Robert. Zonde is het

bijna haar te noemen, maar ik mag u vrij iets anders schenken zoo ge er

prijs op stelt.”

„En wat is dat dan, Digna, alles wat van u komt is mij zooveel, zoo

oneindig veel waard.”

„Mijn achting, Robert.”

Hij wendde het gelaat af en lachte bitter.

„Achting, wat is achting, als ge wist hoe men leeft, daar waar ik thans

ben, als ge wist hoe ik gezworven heb, vóór dat ellendige

zielverkoopers en ronselaars mij hierheen sleepten, als ge wist...”

„Ik wil niets weten, Robert! Niets. Ik weet alleen dat er geen misdaad

is zoo groot en afschuwelijk of God zal ons die vergeven zoo wij ons

berouwvol aan zijn voeten werpen. Wilt ge dat doen, Robert!”

„God heeft mij verstooten zooals mijn vader...”

„Dat is een booze lastering. Ik wil die niet meer hooren!” haar stem

klonk weer zoo vast en beslist gelijk voorheen, toen zij den wilden,

ontembaren knaap door een gebaar, een woord bedwingen kon, „beloof mij,

dat ge uw hart voor God zult vernederen en van Hem dagelijks de kracht

afbidden om uw booze hartstochten te overwinnen.”

„Het zal niet baten,” zuchtte hij.

„Hebt ge het dan reeds gedaan? Verder moet ge uw plicht doen; geen

zonde, geen overtreding van Gods wet moogt ge meer bedrijven. Ik

verbied het u! Weldra breekt de oorlog aan, ge zult moeten strijden

voor de eer der Hollandsche vlag, gij zult de macht van ons vaderland

doen kennen aan de bewoners van Java, gij zult hen leeren hoe wij

streng kunnen zijn maar ook rechtvaardig. Een heerlijke taak wacht u,

Robert! Veel kunt gij goed maken door dapperheid en trouw; verwerp die

gelegenheid niet, richt u op uit uw ellendigen staat, wie weet hoeveel

roem en geluk u nog wachten, terwijl anders niets meer u dreigt dan een

vroege dood vol oneer en schande!”

„O Digna, kon ik dagelijks uw stem hooren!”

„Vertrek thans! Robert, vertrek! De avond valt, ’t is misschien voor

het laatst dat we elkander gezien hebben. Laat ons nu terugkeeren naar

onzen plicht, het eenige dat ons overblijft uit de schipbreuk van ons

geluk. Wij hebben zelf dien plicht gekozen.”

„Ik niet, ik werd bedrogen, verkocht zonder dat ik het wist.”

„Dan is het een lot dat u zeker rechtvaardig trof, een straf die gij

geduldig te dragen hebt. Ik moet mij toewijden aan mijn echtgenoot en

zijn kind. Gij hebt het vaderland!”

„Wat deert mij het vaderland? Zijn deze bruine mannen, de landgenooten

mijns vaders, niet veel meer mijn broeders dan de blanke Hollanders?

Wat belet mij gemeene zaak met hen te maken?”

„Uw plicht en uw eed, Robert; laat mij u thans de taak opgeven, die gij

uitvoeren moet om mijn achting te herwinnen? Daar in het Oosten van

Java regeert een overweldiger, een tiran, hij is het die mijn edelen

vader den dood gaf, hij is het die onze macht over Java tegenwerkt; hij

was eenmaal een slaaf, door een samenloop van raadselachtige

omstandigheden heeft hij het tot vorst kunnen brengen. De Compagnie zal

hem een oorlog op leven en dood aandoen, zijn gezag uitroeien. Nooit

was er een krijg rechtvaardiger. Onderscheid u in dien strijd, kom

terug als een heldhaftig krijger, met het bewustzijn, den dood mijns

vaders te hebben gewroken op zijn moordenaar, op den verdrukker van het

Javaansche volk, op den slaaf-koning.”

De zachte, teedere Digna scheen in een heldin herschapen zoo fonkelden

haar oogen, zoo trilde haar stem van vervoering; zij voelde zich thans

weer meesteres van zich zelf, zij had vrede gevonden met haar eigen

gemoed.

„Ik zal u gehoorzamen, Digna,” antwoordde hij ootmoedig, „mag ik uw

hand kussen?”

„Nog niet, als gij teruggekeerd uit den oorlog een ander mensch

geworden zijt.”

„Zoo ik val, Digna, zult ge dan in vriendschap en vrede aan mij

denken?”

„Ik zal overtuigd zijn, dat gij gevallen zijt als een held, die mijn

achting en bewondering verdient.”

„En zult ge voor mij bidden, dat moogt gij toch!”

„Ik beloof het u, en thans vaarwel! Moed en vertrouwen moge God u

schenken, Robert!”

Een slavin kwam hard uit het huis aangeloopen.

„Mevrouw, de Edele Heer is ziek in een draagstoel t’huis gekomen.”

Zonder nog meer naar den soldaat om te zien, vloog Digna heen naar huis

toe, en zoo bemerkte zij niet, hoe Robert zich langs den weg dien hij

gekomen was, door de bedding van de rivier, verwijderde.

Hij kroop tusschen de struiken voort, totdat hij aan een brug kwam die

over het water lag en toegang verleende tot een ander landgoed. Nergens

was een spoor van leven te zien en hij wist waar het poortje lag, dat

naar buiten voerde; in den donker meende hij het te kunnen vinden, maar

tot zijn schrik vond hij het gesloten; hij rammelde er aan en

waarschijnlijk waren zijn krachtige vingers er in geslaagd het slot

open te rukken, toen plotseling twee mannen van achter het struikgewas

op hem toeschoten en hem ter aarde wierpen.

„Nu hebben wij den dief!” zeide één hunner, wiens eigenaardige

uitspraak van het Maleisch den Chinees verried, „ik dacht wel dat het

zoo’n ellendige soldaat zou wezen. Pak hem beet, koelie, wij zullen hem

van avond nog naar het wachthuis overbrengen. Reeds lang genoeg bleef

hij straffeloos, die schurk!”

Robert verdedigde zich als een wanhopige; met zijn mannenkracht wierp

hij de tengere gestalte van den Chinees van zich af, en worstelde nu

met den Javaan, dien hij ook weldra onder den voet kreeg, doch de

Chinees liet een scherp gefluit hooren en bijna onmiddellijk stormden

een tiental mannen op den enkele aan die zich zoo woedend verdedigde.

Zij wierpen hem ter aarde, knevelden hem vast en ondanks zijn vurige

verzekeringen van onschuld voerden zij hem weg, van het erf naar de

stad.

Intusschen was Digna hevig verschrikt naar huis gesneld, en vond haar

man bleek en met gesloten oogen op een rustbank liggen; toen zij

binnenkwam sloeg hij den blik naar haar op en strekte haar glimlachend

de hand toe.

„’t Is niets, een aanval van mijn kwaal, meer niet,” sprak hij, „’t is

nu al veel beter, maar ik vond het voorzichtiger mij naar huis te laten

dragen dan te rijden; met een weinig rust zal ik wel spoedig weer mij

zelf zijn. Maak u niet ongerust, beste Digna, ’t heeft niets te

beduiden.”

Inderdaad was de aanval niet ernstig. Digna trachtte zooveel zij kon om

hem eenige verlichting te schenken, wat hij echter boven alles behoefde

was rust.

„Ik was van plan hem mijn ontmoeting te verhalen met Robert,” dacht

Digna, „maar het zoude hem thans te veel schokken. Ik zal wachten tot

hij beter is, maar dan beken ik hem ook alles.”

Zij voelde zich dezen avond wonder licht te moede; de strijd in haar

geest was geëindigd; zij wist thans dat zij zelf ook de kracht bezat

haar plicht te doen nu zij den vriend harer jeugd in zijn eigen oogen

had kunnen opheffen en hem den weg wijzen tot zijn zedelijke genezing.

Zij was er zoo van overtuigd haar plicht gedaan te hebben dat zij niet

vreesde Markus alles te bekennen; slechts de gedachte aan zijn

ziekelijken toestand hield haar terug.

„’t Spijt me, de bekentenis zou mij nu zoo licht gevallen zijn,” zeide

zij in zich zelf. Drukke bezigheden lieten haar weinig tijd tot

nadenken op dezen avond. Niet alleen dat zij haar man te verzorgen had,

ook Albert kwam t’huis; zij moest het opgewonden verhaal hooren van

zijn genoten pret, het knaapje ontkleeden en te bed brengen.

Toen zij eindelijk zich ter ruste legde na zich overtuigd te hebben dat

Markus nu ook kalm en zonder pijn was ingeslapen, stelde zij zich met

blijdschap voor hoe ook Robert nu meer verzoend met zich zelf zou

rusten en de beste voornemens voor de toekomst maken. Zij vermoedde

niet hoe haar vriend, in een der ellendige hokken onder het Bataviasche

Raadhuis opgesloten, zijn treurig noodlot vervloekte en slechts met een

verwensching op de lippen en woede in het hart aan het voorgevallene

van den middag terug kon denken, waarvan de herinnering haar met

zooveel zoete kalmte en zelfvoldoening vervulde.

VII.

MARKUS EN DIGNA.

Eenige dagen later had de Heer Voorneman zijn kamer voor het eerst weer

verlaten en zat nu onder de zonnetent, terzijde van zijn woning met

vrouw en kind.

Digna had een guitaar op haar schoot en zong met haar jonge frissche

stem een liedje van Bredero:

’t Zonnetje steekt zijn hoofdjen op

En beslaat der bergen top

Met zijn lichtjes.

Wat gezichtjes,

Wat verschietjes, ver en flauw,

’t Dommelt er tusschen ’t groen en blauw.

Albert zat aan haar voeten en luisterde toe met schitterende oogjes en

neuriede nu en dan met haar mee. Zij hielp hem weer in de maat als hij

ze soms verloor en keek glimlachend haar man aan, die op zijn

gemakkelijken stoel uitgestrekt den blik niet van haar kon afwenden.

Op een klein tafeltje tusschen hen stonden frissche dranken en

gebakjes, benevens de artsenij voor den zieke.

„Vader, wilt ge niet eens proeven,” vroeg Albert met een begeerigen

blik naar de smakelijke schotels. „Moeder heeft zelf dat gebak van

middag gemaakt.”

„Is ’t waar, Digna?” vroeg haar man. „Zijt ge niet wat gaan rusten,

kunnen de slavinnen het dan niet doen?”

„’t Is een gebak, dat mijn moeder in Holland maakte; het was onze

grootste lekkernij; hoe zouden de slavinnen het kunnen bereiden? Ik doe

het zoo gaarne en aan dat rusten ’s middags kan ik mij niet gewennen.

Me dunkt dat het genoeg is, wanneer ik den geheelen nacht slaap. Hier

hebt ge nog een koekje, Albert! Voorzichtig, met die omhelzing, ge

drukt me dood, mannetje, uit louter dankbaarheid. Zal ik nog meer

zingen, Markus, of hebt ge liever dat ik u wat voorlees?”

„Neen, zing voort, lieve! ’t Doet me zoo goed uw stem te hooren en uw

spel!”

Digna begon het tweede couplet.

„Daar is bezoek, foei, hoe vervelend!” riep Albert uit.

Het was de fiscaal, een van Voorneman’s ondergeschikten, die hem

tijdens zijn ongesteldheid kwam bezoeken.

„Zal ik heengaan?” vroeg Digna.

„Stellig niet! Al kan ik u niet meer hooren, ik kan u zien en dat is

reeds veel.”

Zulke woorden deden Digna pijn; zij verrieden maar al te wel hoe vurig

haar echtgenoot haar liefhad en hoezeer de gevoelens verschilden, die

hij voor haar koesterde met de kalme, hoewel warme vriendschap,

waarover zij alleen jegens hem te beschikken had; zij had het, nu er

een paar dagen over verloopen waren, beter gevonden het geval met

Robert maar geheel te verzwijgen. ’t Zou immers slechts dienen om hem

noodeloos te ontroeren.

De fiscaal zette zich bij het gezelschap neer en Digna fluisterde haar

zoontje toe voor haar eenige melati’s te plukken. Zij nam een handwerk

ter hand, want nooit waren haar bezige banden ledig, en leende slechts

een half oor aan de gesprekken der beide mannen, totdat zij plotseling

het hoofd oprichtte en toeluisterde.

„Ja,” zeide de fiscaal, „het is een wonderlijk geval. Het moet hier

vlak bij uw woning gebeurd zijn. Daar kwam de oppasser van den Heer

Donker met zeer veel drukte aan, een Europeesch soldaat met zich

voerend, want Europeaan is hij zeker, ondanks zijn donkere

gelaatskleur, daar hij het Maleisch zeer onvolkomen spreekt en

verstaat. Er moet reeds sinds langen tijd bij hem op het erf gestolen

zijn, nu eens kippen dan weer fruit, of waschgoed dat te drogen hing.

Op den bewusten avond hadden zij eerst de tuindeur opengelaten en

duidelijk zag toen een der bedienden dat de soldaat over het erf naar

de rivier, die er zich dicht bij bevindt, sloop; hij bleef in de vrij

diepe bedding, men hield de wacht en omstreeks een uur later zag men

hem terugkomen. De oppasser en zijn medeslaven grepen hem aan; hij

verweerde zich als een wanhopige en zwaar geboeid moest men hem naar

het cachot voeren. Den volgenden morgen kwam de heer Donker verzoeken

dat hij dadelijk ondervraagd zou worden, maar hij weigert elk antwoord

te geven, alleen zweert hij met de duurste eeden op zijn onschuld.”

„Als hij onschuldig is, waarom sloop hij dan als een dief dat erf op?”

„Juist dat heb ik hem telkens gevraagd. Ik wilde weten, waarheen hij

dan ging en wat hij daar in de bedding der rivier gedaan heeft, maar

hij verklaarde hierop geen antwoord te kunnen geven.”

„Wanneer is het gebeurd?”

„Woensdag avond.”

„En hoe heet hij?”

„Walter! Andere namen beweert hij niet te hebben.”

„Walter, zoo heette ook de knaap, immers, dien wij op den avond toen we

met Zijn Edelheid spelevaarden, uit het water deden halen! Is de majoor

van de zaak onderricht?”

„Zijn getuigenis aangaande den knaap luidde niet gunstig. Hij is een

wilde borst, twistziek, overgegeven aan spel en drank, door ronzelaars

voor het leger der Compagnie aangenomen.”

„Gij zegt, dat hij zeer geporteerd is voor het spel?”

„Ja, dien avond toen hem het ongeval overkwam van in het water te

vallen had hij zoo juist een speelhol in de Lepelstraat verlaten na er

tamelijk veel te hebben gewonnen; zijn kameraad scheen hem daar te

hebben ingeleid en verlangde nu een gedeelte van de winst. Hieruit

ontstond een twist. Hij vluchtte weg, de andere volgde hem en bij de

worsteling viel de vriend, die reeds ver weg was in het water. Hij

sprong hem na, het overige weet UEdele; de majoor legde hem een lichte

straf op, welke hij juist dien dag had doorstaan. Wat is nu lichter aan

te nemen, dan dat hij zich om weer geld voor het spel te verkrijgen,

door diefstal geneert?”

„Maar als hij gestraft is geweest met arrest, dan zal hij in de dagen

voor Woensdag het erf van den heer Donker niet bezocht hebben.”

„Zoo komt het mij ook voor; wanneer hij slechts de reden wilde opgeven,

waarom hij zich in deze streek ophield, maar dat weigert hij

hardnekkig. Morgen zullen wij eens beproeven of de roede beter bij

machte is zijn lippen te openen dan onze vragen.”

„Scheelt u iets, lieve?” vroeg Voorneman zijn vrouw, want hij zag hoe

haar wangen en lippen doodsbleek werden, „deze gesprekken zijn niet

voor uw ooren bestemd. Ga een kleine wandeling doen, terwijl wij onze

zaken verder bespreken.”

„’t Is niets, Markus, ’t Doet mij enkel zoo leed als ik hoor hoe men

arme beschuldigden door pijn wil dwingen hun geheimen los te laten.

Welk bewijs hebt ge dan dat zulk een afgeperste bekentenis geen logen

is?”

„Hoe zouden we anders recht kunnen plegen, lieve vrouw, maar deze

vragen behoeft gij niet te beantwoorden; zij liggen buiten uw bereik.”

De laatste woorden van Voorneman klonken stroever dan die, welke hij

anders tot zijne vrouw placht te richten.

De fiscaal stond intusschen op.

„Ik heb hier niets verder bij te voegen en wensch UEdele een spoedige

beterschap.”

„O wat dat betreft, ik ben reeds genezen, en hoop morgen weer ten

Raadhuize te verschijnen.”

„Deze hoop doet mij met lichter hart naar de stad terugkeeren dan ik

haar verliet.”

Weinige oogenblikken later stonden man en vrouw alleen tegenover

elkaar.

„Markus,” zeide Digna op den rug van zijn stoel geleund. „Ik heb een

ernstig woord met u te spreken.”

„Ik hoor u aan!” antwoordde hij, sloot zijn oogen en klemde de lippen

vast op elkander.

„Die soldaat is werkelijk onschuldig aan hetgeen men hem ten laste

legt: hij kwam niet om te stelen.”

„Sedert wanneer bespiedt mijn gemalin de gangen van een

verliederlijkten, gemeenen soldaat?”

„Ik bid u, Markus, blijf kalm!” smeekte Digna, en plaatste zich nu vlak

tegenover hem, „ik had u reeds eer alles gezegd wat ik u mee te deelen

had, maar uw toestand deed het mij uitstellen; die man is hier geweest,

in gindsche galerij, waar hij mij gesproken heeft!”

Heer Voorneman richtte zich op; het lichtte onheilspellend in zijn

oogen, hij greep haar hand, die zij hem willoos overliet en vroeg met

heesche stem:

„Zeg me nu alles, was dat hij?”

„Ja, de man met wien ik eenmaal verloofd was. Reeds dien avond had ik

hem herkend, maar ik wilde hem niet kennen en dus was het onnoodig u

met hem bezig te houden. Woensdag echter verscheen hij plotseling voor

mij, een half uur vóórdat gij ziek t’huis kwaamt.”

„En gij hebt hem aangehoord? O schande!”

„Dat heb ik en schande kleeft niet aan mij. Zie mij aan, durf ik niet

vrij de oogen tot u opheffen? Meent gij dat ik ’t zou doen, indien mij

een woord of blik ontsnapt ware, mijner en uwer onwaardig?”

Hij zag haar aan, de reinheid die uit haar oogen straalde, hield het

booze woord terug dat hem dreigde te ontsnappen.

„Maar wat hebt ge met hem gesproken?”

„Ik heb hem herhaald, dat het verledene dood was en dat het eenige, wat

ik hem nog schenken mocht mijn achting was, die hij door het leven,

thans door hem geleid, verloren had. Ik wees hem den weg om die achting

te herwinnen door zijn plicht te doen als trouw soldaat in den oorlog

die aanstaande is. Mijn hand heeft de zijne niet aangeraakt en hij kwam

in niets te kort aan den eerbied, dien hij uwe echtgenoote verschuldigd

is, daarvoor sta ik u borg met mijn eerewoord!”

Hij hield nog steeds haar fijnen pols in zijn vingers omsloten.

„Hebt ge hem nog lief, Digna?” vroeg hij met doffe stem.

„Liefde kan men slechts vrijwillig geven, en hoe kan ik hem iets geven,

wat mij niet meer toebehoort?”

„Ge ontwijkt mijn vraag? Ik geloof u, gij zijt te deugdzaam, te rein

dan dat gij zoudt mogen blozen bij iets wat er in deze samenkomst

voorgevallen is, maar zelfs uw gedachten behooren u niet meer Digna, ik

heb er ook recht op. Wat voelt ge voor hem?”

„Diep, diep medelijden.”

„En anders niets, zweert ge mij dat?”

„Martel mij niet, Markus!” riep Digna uit, plotseling opstaande en haar

hand uit de zijne losrukkend, „waaraan heb ik zulk een wantrouwen

verdiend? Waarom wilt ge wroeten in mijn gedachten, in mijn gevoelens,

als ik zelf het beneden mij acht daarnaar te vragen? Ik mag hem niet

meer liefhebben, dat is mij genoeg om mijn plicht te volbrengen.”

„Altijd plicht, o Digna! Waarom is die man tusschen ons verschenen!

Dien avond hadt gij een blik, een liefkoozing voor mij, die ik noch

vóór, noch na dien tijd van u ontving; dat was geen plicht. En nu wordt

gij weer in het verleden, dat ik als dood beschouwde, teruggevoerd en

spreekt opnieuw van plicht.”

„Maar het tegenwoordige, de toekomst behooren immers u, Markus?”

„Als gij hem niet liefhebt, waarom verbleektet gij dan daar straks toen

er sprake van was dien man te geeselen?”

„Omdat ik een mensch ben, Markus! Zult ge nu rechtvaardig jegens hem

zijn, zult ge hem doen vrijspreken?”

„En zoo ik het niet doe?”

„Dat zult ge niet, ge wilt mij niet dwingen voor den fiscaal te

verschijnen om getuigenis af te leggen van zijn onschuld.”

„Zoudt gij dat doen, gij, mijn vrouw?”

„Als er geen ander middel was om hem te redden, ja!”

„En durft gij mij zeggen, wat ge voor dien ellendeling zoudt doen? Weet

ge wel dat ge over uw naam en den mijne schande brengt?”

„Waarom? Omdat ik een vriend mijner jeugd heb gesproken?”

„Een losbol, een soldaat!”

„Aan u is het mij dien stap te besparen, door naar recht en waarheid te

beslissen.”

„Verwacht gij dat van mij?”

„Ja, dat en niets anders.”

„Belooft ge mij dan elke herinnering aan hem uit uw hart te rukken,

geen gedachte meer aan dien ellendeling te wijden?”

„Dat kan ik u niet meer beloven. Ik doe het immers reeds, ik heb het

steeds gedaan van het oogenblik dat ik u mijn woord gaf.”

„Ik geloof u Digna,” antwoordde hij mat, „ik geloof en vertrouw u. Geef

mij uw hand! Hoeveel ’t mij ook kost, ik zal mijn plicht doen, zooals

gij slechts voor uw plicht leeft. Mocht er eens een tijd komen, dat op

het woord plicht tusschen ons geen beroep meer behoeft gedaan te

worden.”

Den volgenden morgen reed de Heer Voorneman naar het Raadhuis en toen

hij terugkeerde, wachtte Digna hem met het middagmaal. Zij vroeg niets,

begroette hem vriendelijk en ging met haar huiswerk voort.

„Hij is in vrijheid gesteld,” zeide de Raad van Justitie en bespiedde

nauwlettend elke trek van haar gelaat, elke verandering van haar kleur,

maar Digna ontroerde niet.

„Zoo,” was haar kalme opmerking, „ik reken er op.”

„En hebt ge geen woord van dankbaarheid voor mij?”

„Moet ik ’t hebben voor Markus mijn man, of voor den Edelen Heer Raad

van Justitie?” vroeg Digna glimlachend. „De eene mag toch op de

uitspraken van den ander geen invloed uitoefenen.”

„Ik heb hem afzonderlijk ondervraagd; hij zag mij aan met gloeiende

oogen, fonkelend van haat; ongetwijfeld verfoeide hij in mij een

mededinger. Helaas!... Op al mijn vragen verwaardigde hij zich niet te

antwoorden. Toen ik hem eindelijk rechtaf vroeg: „Ge zijt op Voornelust

geweest?” zag hij mij bedremmeld aan. „Wie heeft u dat gezegd?”

„Degene, die met u gesproken heeft!” Toen boog hij ’t hoofd en sprak:

„Ik mocht het niet openbaren maar nu zij zelf de goedheid heeft gehad

het te zeggen, heb ik geen reden meer het te ontkennen. Het toeval

wilde, dat juist gisteravond de dief, een arme Ambonnees, op heeterdaad

betrapt werd; zoo ontbrak er dus niets aan de zegepraal der onschuld.

Ik hoop echter dat de toekomstige bezoeken door dien gezel op

Voornelust gebracht, minder geheimzinnig mogen geschieden. Er mochten

eens meer geschillen ontstaan tusschen Markus, den echtgenoot van

mejuffrouw Tak en den Edelen Heer Raad van Justitie Voorneman.”

Digna voelde zich diep gekwetst door den bijtenden spot zijner woorden;

een blik echter op zijn verwrongen en bleek gelaat stemde haar weer tot

medelijden.

Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java · 第 17 / 30 段