geheele leven bijna in Indië had doorgebracht en wiens lokken geheel
vergrijsd waren, nog zeer goed van uitzicht; zijn magere gestalte
scheen langer dan zij inderdaad was, hoewel hij in de laatste jaren
door het voorover zitten een weinig gebogen liep; een vriendelijke
uitdrukking lag over zijn gelaat verspreid. Meestal begroette hij ieder
die hem bezocht met een vroolijken lach, en inderdaad hij had wel reden
te lachen, het zware ambt van Gouverneur-Generaal viel hem licht; hij
had geen tegenstand van den Raad van Indië te vreezen zooals zijn
voorganger, de heer Camphuys; hij had een jonge, mooie vrouw, een lieve
dochter en hij was bezig zich een ontzaggelijk vermogen bijeen te
verzamelen, op welke wijze, hierover laten de geschiedschrijvers van
dien tijd zich niet uit; alleen stippen zij aan dat Zijn Edelheid de
Heer Opperlandvoogd altijd veel zaken deed met de Chineezen en hen
zelfs een voorkeur toonde, die de Hollanders vaak afgunstig stemde.
Op dezen Juni-morgen van het jaar 1705 had de gewone vroolijke
uitdrukking van Zijn Edelheid’s gelaat plaats gemaakt voor een meer
ernstige; hij doorlas verscheidene stukken, maakte eenige
aanteekeningen, raadpleegde een groote kaart van Java, stond toen op,
en ging de kamer eenige malen op en neer.
„Ik weet niet hoe de Raad van Zeventienen er over oordeelen zal, maar
een oorlog is onvermijdelijk,” mompelde hij binnensmonds, „wij kunnen
nooit schooner gelegenheid hebben om binnen Java vasten voet te
verkrijgen. Als wij Soenan Mas ondersteunen dan zal Poeger er zich niet
bij neerleggen en zij zullen met hem toch den strijd beginnen. De vraag
is nu alleen: hoe dient onze houding te zijn tegenover Soerapati?
Moeten wij de vriendschap, of de vijandschap zoeken van dien gedrosten
slaaf?”
Hij bracht zijn gouden schel in beweging en toen de hellebaardier aan
de deur verscheen, beval hij hem:
„Breng den Chinees, die daar buiten wacht, hier binnen!”
„Hier binnen Uw Edelheid?”
„Dat zeide ik immers.”
Weinige oogenblikken later kwam een zeer bejaarde Chinees, in
eenvoudige niet opvallende maar toch deftige kleeding binnen en boog
zich ter aarde voor den Gebieder.
„’t Is goed, Babah!” sprak de gouverneur, die op zijn hoogen
leuningstoel gezeten was, „ik heb gehoord, dat gij in den oosthoek van
Java geweest zijt en daar Radhen Wiro Negoro gezien en gesproken hebt.”
„De groote Heer spreekt zeer juist; ik kom van Pasaroean en heb daar
den dalem bezocht van dien prins en hem zelfs van aanschijn tot
aanschijn gezien.”
„Ik heb ook vernomen, dat gij met dien man gesproken hebt over den
toestand van het rijk van Mataram en dat hij toen zeer openhartig voor
zijn gevoelen uitkwam.”
„’t Is waar; de groote Heer raadt ieders gedachten, Radhen Wiro Negoro,
heeft mij inderdaad vele vragen gedaan over de Edele Heeren op Batavia
en over hun plannen ten opzichte van den Mataram.”
„Ik heb over weinig tijd te beschikken, Babah! Maak het dus kort, wat
is de bedoeling van Soerapati? Wenscht hij waarlijk zich oprecht met de
Hooge Regeering op Batavia te verzoenen, en zoo ja, wil hij den keizer
dien wij als den wettigen erfgenaam van Hamangkoe-Rat erkennen, ook
ondersteunen?”
„Ik geloof niet dat dit in Soerapati’s bedoeling ligt, groote Heer!
Reeds sedert jaren verbindt hem innige vriendschap met Adipati Anoem,
den erfgenaam der kroon, en niets zal hem kunnen bewegen de zijde van
dezen vorst te verlaten, maar ’t kan zijn dat ik mij vergis.”
„Wanneer wij dus den Pangeran Poeger overleveren aan zijn neef en dezen
als keizer op zijn troon bevestigen dan zoekt Soerapati ons
bondgenootschap?”
„Dat hebben zijn eigen lippen aan uw dienaar niet verklaard, hij sprak
slechts van vriendschap en verzoening met de Hollanders.”
„Ik geloof echter zijn woorden niet; hij is trouweloos en valsch, hij
haat de Edele Compagnie, dat weet ik!”
„Zou de groote Heer zich daarin niet vergissen? Radhen Wiro Negoro
wenscht niets liever dan vrede te sluiten met de Hollanders en in
vriendschap met hen Java te regeeren.”
De Gouverneur-Generaal dacht na.
„Is dat zijn geheime bedoeling? De Matarams uitroeien, zelf keizer
wezen en ons daartoe gebruiken. Inderdaad die slaaf durft veel.”
En hardop zeide hij:
„’t Is zonderling dat hij u, een Chinees, tot vertrouwde maakte van
zijn geheimste gedachten.”
Een sluwen blik wierp de andere tersluik naar den Oppergebieder.
„Kent de groote Heer zoo weinig de Chineezen, dat hij niet ontdekt, hoe
slechts mijn gewaad en hoofdversiering Chineesch is?”
Van Hoorn glimlachte even bij de gedachte hoe vaak men hem juist van
zijn voorliefde tot de Chineezen een verwijt maakte.
„Wie zijt ge dan?”
„De afgezant van een vorst is immers heilig! Ik ben Soerapati’s
pleegvader eenmaal zijn medeslaaf, ik heb hem vergezeld bij zijn vlucht
uit Batavia, ik was naast hem toen hij zich aan kapitein Ruys
onderwierp, ik stond aan zijn zijde toen vaandrig Kuffeler hem
uittartte en tot verzet prikkelde. Ik heb hem vergezeld naar
Karta-Soera en verder naar Pasaroean.”
„Hoe, ge waart in Karta-Soera toen mijn zwager de Edele Heer Tak
lafhartig vermoord werd en gij durft u bij mij beroepen op uw
hoedanigheid als afgezant?”
„Heer, zoo ’t u behaagt mijn leven te nemen, er is weinig aan verloren.
Ik ga gebukt onder den last der jaren; alleen door twee jonge mannen
vergezeld, die Soerapati’s zorg mij terzijde stelde, heb ik de groote
reis van Java’s Oosthoek ondernomen. Als het de wil is van den grooten
Heer, dan zal ik sterven, blijde een laatsten dienst aan mijn zoon te
hebben bewezen en overtuigd dat hij mijn dood niet ongewroken zal
laten.”
De kalme toon van den grijsaard bleef op van Hoorn niet zonder
uitwerking. Men moest weten hoeveel belangstelling het geheimzinnige
rijk van den voormaligen slaaf opwekte in alle Bataviasche kringen, om
de nieuwsgierigheid te begrijpen, waarmede van Hoorn den afgezant
aanhoorde; hij ook brandde van verlangen om iets naders van den
geduchten vijand der Compagnie te weten.
„Zeg mij eens,” zoo ging hij voort, „hoe is Soerapati zoo hoog
gestegen? Door welke middelen is hij in ’t bezit gekomen van zoovele
landen, die den keizer van Mataram behooren en welke deze er niet aan
denkt hem te betwisten?”
„Het stond geschreven in het boek van Allah dat hij eens groot en
machtig zou worden en tegen den wil des Hemels baten geen menschelijke
middelen.”
„Maar is het waar, dat de overleden keizer van Mataram hem genegen was
en steeds in briefwisseling met hem bleef?”
„Daar zijn geheimen, die men zelfs zijn vader niet openbaart.”
„Doch zijn betrekkingen met Soenan Mas zijn toch geen geheim. Is het
alleen om dezen prins bij te staan, dat Soerapati ons hulp belooft?”
Een verachtelijke lach vertrok even de trekken van den ouden man, toen
hij ten antwoord gaf:
„Wat is Radhen Wiro Negoro Soenan Mas, wat is hem Pakoe Boewana? Aan
het bondgenootschap met de Hollanders alleen is hem veel gelegen. Aan
de vriendschap der Javaansche prinsen niets! Waarom zou de Edele
Compagnie zijn hulp versmaden? Omdat hij eenmaal slaaf is geweest? Was
de stamvader der Mataramsche vorsten dan geen straatroover? En al werd
Soerapati ook eenmaal in slavernij weggevoerd uit zijn vaderland, hij
is toch van edelen bloede.”
„Ge kunt gaan; zoo ik nadere inlichtingen van u vernemen wil zal ik u
laten roepen!”
De grijsaard wierp zich ter aarde en de handen boven zijn hoofd
uitstrekkend bood hij den Opperlandvoogd een diamanten ring van groote
waarde aan.
„Dit kleinood zendt u mijn meester als een blijk van zijn oprechte en
vriendschappelijke gezindheid,” sprak hij.
De Gouverneur-Generaal had zich intusschen omgewend en veinsde niets te
zien of te hooren.
De andere legde het juweel op de schrijftafel neer en verwijderde zich
al kruipend naar de deur.
Juist trad de hellebaardier aan de poort en kondigde aan:
„Den Edelen Heer Ordinaris Raad van Indië, de Wilde.”
„Dat zijn Edelheid binnenkome en laat dezen man uit! Men volge zijn
wegen en verlieze hem niet uit het oog!” zeide hij in het Hollandsch,
vast overtuigd, dat de inlander hem niet verstaan zou.
Hij had nog juist den tijd eenige papieren over den kostbaren steen te
werpen, dien Kiai Hemboong hem gebracht had, toen de stoere gestalte
van Herman de Wilde voor hem verscheen.
Deze Raad van Indië was nog in de kracht van zijn leven; hij had
scherpe, koude trekken, om zijn mond lag een uitdrukking van
ingehouden, men zou zeggen van versteend leed. Het is met de smarten
van de jeugd als met sommige vloeistoffen, eenige verdampen en
vervloeien in de lucht zonder eenig spoor na te laten, andere bevriezen
of versteenen en de mensch is veroordeeld hen levenslang met zich te
dragen, als een last die zijn leven bezwaart en ternederdrukt.
Herman de Wilde had eens liefgehad met alle krachten zijner sterke
ziel, hij had te hoog opgezien tegen het meisje zijner droomen, dan dat
hij ’t wagen dorst haar zijn liefde te bekennen, en een slaaf, een zoon
van het vervloekte bruine ras, had zich meester gemaakt van zijn
ideaal, het besmeurd door zijn liefkoozingen en voor hem in ’t slijk
vertreden. Zoo tenminste oordeelde de Wilde; gloeiende haat vervulde
hem tegenover dien man. Weinigen was het bekend dat Sie Oentoeng en
Soerapati dezelfde waren; hij bewaarde zijn geheim in het diepste van
zijn hart. Slechts bloedige wraak, meende hij, kon hem verlossen van
het grievende leed, dat zijn dagen verbitterde; eerst als hij den
vermetelen slaaf gestraft had, zou hij in kalmte aan Suzanna kunnen
denken, vrede sluiten met haar nagedachtenis.
Joan van Hoorn reikte hem vriendschappelijk de hand en bood hem een
zetel aan.
„Is er iets nieuws dat u noopt mij zoo vroeg reeds te bezoeken?” vroeg
de Gouverneur-Generaal.
„Nieuws kan ik het niet bepaald noemen; men zegt hier met alle
stelligheid dat Adipati Anoem zich geducht wapent om ons te ontvangen
en dat hij zich de hulp verzekerd heeft van den schurk, die sinds jaren
ongestraft den Oosthoek verdrukt.”
„Dan weet ik nog meer! Dien schurk, zooals gij hem noemt, kunnen wij
onschadelijk maken, meer nog, wij kunnen hem tot onzen vriend en
bondgenoot verkrijgen.”
De Wilde’s oogen schoten vonken.
„Dat is u geen ernst, Uw Edelheid! Bondgenootschap sluiten met een
slaaf, met den verachter van ons gezag, met den moordenaar onzer
broeders? Wat voor goeds kan er voortkomen uit zulk een verbond? En dat
zegt gij, Tak’s zwager!”
„Gij ziet dat de belangen der zaak die wij dienen alle gevoelens van
familieliefde bij mij kunnen doen zwijgen. De vraag is echter nog
steeds, wie moeten wij als hoofdschuldige beschouwen, de Mataramsche
Vorsten of Soerapati?”
„Hem, den ellendeling, dat is duidelijk!”
„Ge zijt vooringenomen tegen den slaaf, De Wilde! Ik voor mij geloof
dat hij een man is, met wien te handelen valt, geen oud wijf als die
prinsjes van Bantam, Cheribon en Mataram, willooze werktuigen in de
handen hunner rijksbestuurders. Hij weet wat hij wil en zoo hij zich
aan ons verbindt, dan zullen wij staat op zijn woord kunnen maken.”
„Juist omdat hij een man is met een wil en een vast plan is hij dubbel
voor ons te vreezen. Waarom was Troeno-Djojo zulk een geduchte vijand,
omdat hij geen stroopop bleek te zijn als die verwijfde vorsten.
Verbind u met hem, weldra zal hij onze meester zijn, die de Compagnie
wetten voorschrijft en ons wellicht uit Java verjaagt.”
De Gouverneur-Generaal dacht ernstig na.
„Ge wilt zeggen, zulke menschen is het voordeeliger tot vijand te
hebben dan tot vriend?”
„Ja, Uw Edelheid, als vijand kan men zich van hen ontslaan. De
vriendschap echter legt verplichtingen op. Zij verblindt de oogen door
geschenken en beloften, en als deze oogen opengaan dan is het te laat!”
„Maar als we den oorlog beginnen zonder den Raad van Zeventienen te
raadplegen, De Wilde, zoo laden we groote verantwoordelijkheid op ons.”
„Indien gij nog eerst naar Europa schrijven moet, geeft ge Soenan Mas
tijd zich te versterken en zich met den hoofdman van het
rooverkoninkrijk te verstaan.”
„Wij zullen uitvoeren wat de Raad van Indië besluit,” sprak de
Gouverneur-Generaal, opstaande, ten bewijze, dat het onderhoud
geëindigd was.
„Houd me ten goede, De Wilde,” sprak hij, „dat ik ga ontbijten; de
staatszaken hebben mij reeds zoo vroeg in beslag genomen, dat het geen
wonder is, zoo mijn maag er zich luide over begint te beklagen.”
Hij schoof de papieren weg en stak toen als toevallig de linkerhand,
waarin hij iets verborgen hield, in zijn borstzak. De Wilde bemerkte
die beweging niet eens toen de Opperlandvoogd hem de rechterhand tot
afscheid reikte.
„Dus Uw Edelheid zal aan die gevaarlijke vriendschap niet meer denken?”
vroeg hij met gefronst voorhoofd.
„Mijn denken laat zich niet beperken, zelfs niet door den raad van een
vriend als gij zijt, De Wilde,” gaf hij met zijn gewone opgeruimdheid
ten antwoord, „en daarom zal ik ook uw woorden overwegen en hen alle
aandacht schenken, die ze verdienen.”
Hij gaf hem een wenk dat hij heen zou gaan; De Wilde boog en vertrok.
De hellebaardier gaf hem zijn degen terug, dien hij binnentredend had
moeten afgeven, daar niemand den Oppergebieder gewapend mocht naderen
en Van Hoorn verwijderde zich door een zijdeur naar zijn bijzondere
vertrekken.
In een open galerij die op een bloementuin uitzicht gaf, zaten drie
dames, mevrouw Maria van Hoorn, geboren Van Riebeek, haar stiefdochter
Petronella Wilhelmina en de nicht van Zijn Edelheid, de jonge mevrouw
Voorneman.
„Hé, wat een verrassing! Mijn drie gratiën vereenigd!” sprak de
landvoogd blijde, „waaraan heb ik het genoegen te danken, mijn lieve
nicht reeds zoo vroeg in den morgen aan mijn tafel te zien?”
Er lag nog steeds een vermoeide trek op Digna’s gelaat; juist hadden de
dames in stilte de opmerking gemaakt dat ook de frischheid harer wangen
reeds den invloed van het klimaat begon te ondervinden en zij hun
zachten blos ruilden voor de mat-bleeke tint der Indo-Europeanen.
Toch was de glimlach, waarmede zij haar oom begroette even vriendelijk
als altijd.
„Mijn man vertrok op den gewonen tijd naar zijn werk en Albert is den
geheelen dag op een kinderfeest verzocht ten huize van den heer de Boo;
ik zag er tegen op zoo lang alleen te zijn en besloot dus voor dezen
morgen het gezelschap te zoeken mijner geëerde tante en mijner lieve
nicht!”
„Dus het mijne niet! Gij stelt me bitter te leur, Digna; ik meende, dat
ook mijn aanwezigheid eenige waarde voor u had!”
„Hoe zou dat kunnen wezen?” zeide mevrouw Van Hoorn, „onze nicht wist
toch reeds vooruit dat zij van te korten duur zou zijn om er op te
kunnen rekenen; zelfs bij ons ontbijt moesten wij dat gezelschap
missen.”
„Hoe minder men iets geniet, op hoe hooger prijs men het placht te
stellen.”
„Foei oom! Is ’t daarom dat gij het ons opzettelijk onthoudt?”
„Opzettelijk? Neen, mijn wellieve! zulk een moed zou mij ontbreken; of
meent ge niet, dat ik het bijzijn der drie schoone bloemen, die mij
omringen, noode opoffer aan dat van lastige bezoekers en muffe stukken
papier, maar de onverbiddelijke plicht dwingt mij langer in hun midden
te leven dan mij aangenaam is. Voor mijn dierbare vrouw heb ik echter
een verrassing die ongetwijfeld ruim zal opwegen tegen het missen van
enkele minuten van mijn gezelschap!”
En haar hand in de zijne nemende, stak hij aan een harer vingers den
kostbaren ring, die hem zoo pas door Soerapati’s afgezant was gebracht.
De zonnestralen braken in den steen en wierpen hun bonte stralen naar
links en rechts, tot groote bewondering der drie vrouwen. Zij
verdrongen zich om den diamant, Digna echter meer uit beleefdheid dan
omdat zij zelf zooveel vermaak had in deze kostbare liefhebberijen.
Maria van Hoorn kuste haar echtgenoot vol dankbaarheid en Petronella’s
lipje hing een weinig bij de gedachte:
„Als vader niet getrouwd was, zou dat geschenk voor mij zijn geweest.”
Niemand vroeg naar de herkomst van het schitterende juweel.
„Wel, mijn schoone Digna, op die voorwaarde mag ook uw gemaal zeker wel
eens te laat aan het ontbijt verschijnen,” schertste Zijn Edelheid.
„Ik zou evenals mijn goede tante vergeving schenken nog vóór mij zulk
een pand der verzoening werd geboden, en denken dat, waar zelfs mijn
machtige oom voor wreede noodzakelijkheid bukt, des te eer mijn
echtgenoot zich daarmede kan verontschuldigen.”
„Altijd even slagvaardig! Ge hebt gelijk; niemand meer dan de
Opperlandvoogd van Oost-Indië is de slaaf van zijn plichten vooral in
dezen ernstigen tijd.”
„Zal er oorlog komen?” vroeg mevrouw Van Hoorn.
„Dat zal de Raad van Indië beslissen,” was het ontwijkend antwoord.
„Tegen Soerapati eindelijk?” en Digna’s oogen schitterden.
„Wat zoudt ge er van zeggen?” was zijn lachende vraag, „als wij met hem
en niet tegen hem gingen oorlog voeren?”
„Oom, dat kan u niet meenen. De Compagnie zou den hoon niet wreken, die
haar twintig jaar geleden aangedaan werd door een slaaf; zij zou zich
met hem verbinden terwijl het bloed mijns vaders nog steeds om wraak
roept?”
„Ik dacht dat uw gevoelens christelijker waren, Digna,” zeide mevrouw
Van Hoorn verwijtend.
„Voor zoover ik weet strijdt het niet met de plichten van een Christen
zijn eigen eer te verdedigen en de eer der Hollandsche vlag is
jammerlijk geschonden door het bedrijf van dien moordenaar; de dood
mijns vaders gaat niet alleen mij, zijn eenige dochter, aan maar geheel
ons vaderland. Het zou een laagheid wezen bondgenootschap te sluiten
met den overweldiger, die zijn rijk gestolen heeft en wederrechtelijk
in zijn bezit houdt.”
„Ge vergeet, lieve nicht, dat Cesar en Alexander in wie gij zulke
groote helden en veroveraars bewondert, op dezelfde wijze in het bezit
van geheele landstreken kwamen. Ik geloof dat een openlijke vijand als
Soerapati verre te verkiezen is boven twijfelachtige vrienden als de
Mataramsche prinsen.”
„En ik herhaal ’t u, dat ik het een eeuwige schande zou vinden als de
Compagnie zich met hem verbond.”
„Zoudt ge er mij minder om achten Digna?” vroeg Van Hoorn steeds
lachend.
Zij zag hem ernstig aan en antwoordde eenvoudig:
„Ja oom, dat zou ik zeker.”
Toen zij ’s middags met haar man naar huis reed, vertelde Digna hem
welk kostbaar geschenk de Gouverneur-Generaal aan zijn vrouw had
vereerd.
„Ik zou niet willen dat gij voor mij zulke kostbare dingen kocht!”
voegde zij er bij.
„Kocht!” een spottende glimlach speelde om de droge lippen van den
ambtenaar der Justitie, terwijl hij dit woord herhaalde.
VI.
WEDERZIEN.
Op den avond van dien dag zat Digna in de galerij op de rivier, met een
boek in de hand, waarin zij echter niet las. Hoeveel moeite zij ook
deed, het was haar niet mogelijk hare gedachten te dwingen zich met het
gelezene bezig te houden en niet hun eigen weg te volgen; met tergende
hardnekkigheid keerden zij telkens naar een punt terug, naar het
verledene dat zij voor goed dood en begraven achtte en dat zich nu
plotseling weer levend en krachtig aan haar geest opdrong.
Vergeefs hield zij zich met andere dingen bezig, trachtte zich te
verstrooien door gedachten aan haar huishouding, aan haar man, aan den
kleinen Albert, aan den naderenden oorlog; hoe zij ook moeite deed,
altijd en altijd wendden zij zich weer tot Robert. Het was Robert, die
nu eens als een ondoorgrondelijk raadsel voor haar stond, dan weer haar
dreigde met zijne gloeiende oogen of zich oploste in een nevelbeeld.
Zou het gezicht van dien avond bij het dansende licht der fakkels, en
het zilveren schijnsel der maan dan slechts een vizioen geweest zijn!
O, mocht het zoo wezen! maar dan drukte zij de hand op het hart en
huiverde; kon het zijn dat dit hart blijde en vroolijk klopte alleen
bij de gedachte dat de vriend harer jeugd in haar nabijheid vertoefde?
Zij dacht zich terug in Amsterdam en doorleefde weder die uren vol
onuitsprekelijk geluk, als zij met hem door den tuin van Amstelvreugd
wandelde, en hij haar nu eens om vergeving bad, als hij iets misdreven
had of haar verzekerde dat zij zijn goede engel, de vreugde en het
geluk, de hoop en steun van zijn leven was. Hoe konden zijn oogen dan
vol gloed op haar rusten, die herinnering alleen deed haar beven van
een gevoel vol zaligheid en geluk!
En zij was getrouwd en zij kon nog aan zulke herinneringen met genot
denken; o schande! Wat was zij diep gevallen en weer nam zij het boek
op, de Zee- en landreizen van Nieuwhoff, die twintig jaar geleden Java
bezocht had; zij vond er kort te voren genoegen in, zijn opmerkingen
met de werkelijkheid te vergelijken, waarom vond zij ze thans zoo
onbeduidend en onbelangrijk?
Zij was alleen t’huis; haar man moest een feest bijwonen, Albert was
nog niet terug, zij had er spijt van Petronella van Hoorn niet te
hebben meegenomen; haar niet veelbeteekenend gepraat zou misschien
afleiding tegen dien folterenden gedachtenstrijd kunnen schenken, en
tegelijkertijd betrapte zij zich op een gewaarwording van blijdschap
omdat zij alleen was, omdat zij de pijniging niet behoefde te doorstaan
van een gedwongen luisteren naar nietige gesprekken, omdat zij nu
zwijgen kon en denken. Denken, neen juist dat mocht zij niet en het was
’t eenige wat haar verlichtte, en tevens kwelde, want er waren twee
personen in Digna’s ziel, de eene die slechts aan het verledene dacht
en de dagen van voorheen opnieuw doorleefde, de andere die een strijd
op leven en dood aan deze herinneringen gezworen had.
Afgemat leunde zij achterover met gesloten oogen, de fijne handen
hielden het boek, dat op haar schoot rustte, nog slechts eventjes vast;
haar lippen bewogen zich zachtkens, schier onmerkbaar.
„Mijn God! sta me bij! Help mij mijn gedachten te overwinnen, de strijd
is zoo zwaar, ik wil Markus’ trouwe gemalin zijn in woord en daad niet
alleen maar ook in gedachten. Geef mij de kracht om den band te
verbreken, die mij nog hecht aan het verledene.”
„Digna,” zeide een gedempte, half fluisterende stem.
Met een hevigen schok rees de jonge vrouw overeind, haar oogen zagen
ontzet voor zich uit, waar zij een welbekende gedaante ontwaarden;
Robert had de soldatenkleeding der Compagnie aan, doch netter en
ordelijker dan die welke hij den laatsten keer droeg.
„Herkent gij mij nog?” vroeg hij en sloeg zijn oogen neer.
„Ge hebt niet goed gedaan hier te komen, Robert,” antwoordde zij, „ge
weet dat ik getrouwd ben en dat het verledene voor mij niet meer
bestaat.”
„Dat hadt ge niet noodig mij te herinneren, mevrouw! Ik weet welke
breede klove de vrouw van den hoofdambtenaar der Justitie scheidt van
den gemeen soldaat, wiens naam zij zich echter nog verwaardigt te
gedenken.”
„Wat komt ge hier doen?” vroeg zij bevend en een steun zoekend bij de
tafel.
„Vraagt ge dat nog? U zien, uw stem hooren, mij verlustigen in den
aanblik van uw schoonheid, uw hoogen rang om mij zelf daarna nog meer
te beklagen, of te verachten, ik weet niet, wat ik meer verdien.”
„Verachting dankt ge aan uw eigen werk; beklag hebt gij vrijwillig van
u gestooten, als gij bekent verachting te verdienen.”
„Weet gij alles, dat ge zoo durft spreken?”
„Ik weet veel, en ’t was niet door u, dat ik het te weten kwam, zooals
het mijn recht was.”
„Uw recht?”
„Ja, uw verloofde had recht te weten, waarom zij door u verlaten werd.”
„Verlaten?”
„Ja, gij hebt mij verlaten, mij, die nog deel nam in uw smart, nadat ik
van vreemden moest hooren welke slag u getroffen had; gij hebt mij geen
gelegenheid gegeven u te troosten en te....”
„Doen hopen, wilt ge dat zeggen, Digna?”
„Laat ons zwijgen over ’t geen had kunnen zijn, Robert. Nu is alles
voorbij; we hebben beiden onzen weg gekozen, niets anders blijft ons
over dan dien te volgen, waar God hem ook voeren mag. Wij zijn dood
voor elkander, gij hebt het gewild, niet ik.”
„O Digna, maak mij niet nog rampzaliger!”
Hij greep haar hand, zij trok die terug met een beweging vol schrik en
zeide:
„Nader mij niet, vergeet geen oogenblik welke afgrond ons scheidt; op
die voorwaarde zal ik u aanhooren, anders roep ik mijn slaven om u te
doen verwijderen.”
„O God, is ’t dan zoover met mij gekomen!” en hij wierp zich op een der
stoelen neer en liet het hoofd vol wanhoop op de tafel vallen,
„weggejaagd als een dief, een landlooper, een hond! Wie had het mij
voorspeld, toen we elkander ’t laatst zagen en we reeds bijna onzen
trouwdag hadden bepaald.”