machtige Compagnie zich laat weerstreven door een ontvluchten slaaf,
dat zij bijna twintig jaar ziet verloopen voor zij den hoon haar
aangedaan wreekt? Ik was een kind van nauwelijks anderhalf jaar toen
mijn vader stierf, nu ben ik reeds echtgenoot en nog gaat zijn
moordenaar voort de Compagnie te tarten.”
De zachte, vriendelijke oogen van Digna flikkerden van
verontwaardiging. De dames zagen elkander veelbeteekenend aan, de oogen
van den neef rustten vol bewondering op haar schoon door de ontroering
hooger gekleurd gelaat. Haar echtgenoot glimlachte en de Edele Heer
Dammers haalde de schouders op.
„Die gevoelens doen uw kinderhart eer aan, mevrouw,” zoo sprak hij een
weinig spottend, „maar de Compagnie is niet almachtig, vooral in de
laatste jaren heeft zij genoeg moeten voelen hoe ook haar macht grenzen
heeft. Toen uw hooggeachte vader, dien ik het voorrecht had van zeer
nabij te kennen, vermoord werd, was de Gouverneur-Generaal Speelman
juist overleden en had een schromelijke verwarring in de zaken van het
Bestuur achtergelaten, een verwarring waarvan wij nu nog de gevolgen
dragen. Ik voor mij geloof dat de Compagnie een langzaam verval
tegemoet gaat; voor het oogenblik zal zij waarschijnlijk over de
noodige kracht beschikken om geen nederlaag te lijden bij den oorlog,
dien zij tegen Soenan Mas gaat ondernemen; om Soerapati echter aan te
vallen, heeft zij den steun der Javaansche opperhoofden noodig. Bedenk
mevrouw, hoe onberekenbaar veel schade haar een ongelukkige veldtocht
in de oogen der Javanen moet berokkenen. Mag daaraan nu niet het zeer
wettige verlangen naar wraak worden opgeofferd? ’t Is voor alles
noodig, dat wij hun verschijnen als een verhevener soort menschen, hun
geboren meesters, als onoverwinbare strijders.”
„En om dat doel te bereiken, nemen wij hun schatten aan, maken gebruik
van hun twisten ten einde hen onder onze macht te doen buigen, maar hen
te leeren ons te achten als een waarlijk goed en grootmoedig volk,
daaraan denkt gij niet. Ik beklaag er mij over dat mijns vaders dood
niet gewroken is, waarom dan zoo het wreken u te zwaar valt, geen
gebruik gemaakt van het goddelijk recht der vergeving? Waarom maken wij
misbruik van hun ondeugden om ons zelf rijker en machtiger te maken,
waarom... maar het past mij jonge onervaren vrouw niet, mannen van
beproefde ondervinding, verwijten te doen. Gij kunt er ook niets aan
veranderen, ik zou het echter zooveel edeler en christelijker vinden
wanneer de Hollanders in plaats van voor alles aan hun macht en rijkdom
te denken, eens begrepen hoe droevig de toestand dier arme menschen is,
en hoe het onze plicht is nu wij reeds zulk een groot gedeelte van hun
land in het bezit hebben, den Javanen in ruil daarvoor de hoogere
schatten te geven, welke wij bezitten, onze beschaving, onzen
godsdienst.”
„Gij zijt de nicht van den Heer Opperlandvoogd,” zeide mevrouw Dammers
minachtend, „waarom ontvouwt gij aan Zijn Edelheid uw denkbeelden niet,
die in den mond van een predikant beter passen dan in den uwe? Och, wat
zou mijn goede Margaretha zeggen als zij u hoorde?”
„Vergeef me, mevrouw!” zei de Digna bedaarder, „ik ben onbescheiden
geweest, naar ik vrees, maar deze gedachten komen zoo dikwijls in mijn
geest op dat zij als vanzelf mijn mond ontsnappen. Mag ik u nog een
kopje thee aanbieden?”
„Het zal tijd worden op te staan en naar huis terug te keeren,” zeide
mevrouw Dammers. „’t Is geheel donker geworden.”
Weinige oogenblikken later reed de koets, voorafgegaan door flambouwen,
het erf van Voorneman af en de gastheer ging in de rijk met verguldsel
en snijwerk versierde zaal zijner woning, ten prooi aan een hevige
gemoedsbeweging op en neder.
Digna bracht haar stiefzoontje naar bed; toen het knaapje rustig sliep,
keerde zij naar haar echtgenoot terug, die met blijkbaar ongeduld op
haar wachtte. Hij kwam haar te gemoet, zij nam zijn beide handen in de
hare en zag hem vertrouwelijk aan.
„Het spijt mij Markus,” sprak zij, „ik ben zeer onbedachtzaam geweest,
heb ik groot kwaad gedaan?”
Hij drukte haar handen aan zijn lippen en antwoordde met gedempte stem:
„Gij zijt een dweepster, Digna, een lieve, heldhaftige dweepster. ’t Is
uw schuld niet mijn arm kind, maar van uw omgeving, dat gij in haar
midden niet past. O ware ik twintig jaar jonger en had u dan leeren
kennen, welk een man hadt gij van mij gemaakt.”
Diep zuchtend liet hij zich in een der gebeeldhouwde leuningstoelen
vallen zonder haar handen los te laten; zij bleef naast hem staan,
vriendelijk en zacht als altijd.
„Gij moet mij leeren hoe mij in gezelschap dier dames te gedragen. Ze
spreken een taal die ik niet versta. Veel liever luister ik naar de
gesprekken der mannen, die zijn mij begrijpelijker. Verbeeld u Markus,
dat die vrouw mij den raad gaf mijn slaven te laten geeselen zelfs als
zij onschuldig waren om mijn gezag te handhaven, daar ik nog zoo jong
was. En een andere vraag deed ze mij, die ik nog veel minder begrijp.
Ze vroeg of ik met het schip dat eerstdaags naar Japan vertrekt niets
mee gaf aan den onderstuurman; zij had reeds tien kisten klaar staan.
Ik zag haar onnoozel aan en vroeg wat er met die kisten gedaan moest
worden; zij gilde het uit van lachen, en antwoordde: „Wel natuurlijk,
die worden daar verkocht,” en toen ik opmerkte: „Maar de dienaren der
Compagnie mogen geen handel drijven,” lachte zij nog harder en hernam:
„Wie zal ’t hun durven beletten want wee, als iemand het waagde hun te
betrappen. Wij staan te hoog dan dat een ondergeschikt ambtenaar ons
zou aanklagen, zij sluiten hun oogen!” Ik wilde er niets meer van
hooren, maar is dat waar Markus, bestaat hier zulk een geheime handel,
dan behoeft men ook niet te vragen, waarom die schijnbaar zoo machtige
Compagnie inderdaad zoo zwak is; dan komen de schatten enkelen personen
ten goede en niet het Vaderland. Kan de justitie daar niets tegen doen,
Markus?”
Hij keerde den blik af en boog het hoofd, aarzelend hernam hij:
„Het kwaad is te algemeen, te diep ingeworteld, men kan het niet meer
tegen gaan.”
„Van welken stand is mevrouw Dammers eigenlijk Markus,” vroeg Digna,
die instinctmatig voelde, dat zij hier een onderwerp aanroerde dat haar
man pijnlijk viel; „me dunkt zij moet in Holland niet tot de
patricische familiën behoord hebben.”
„Zeer patricisch inderdaad!” antwoordde hij spottend, „haar moeder had
een groentekelder in Leiden, en toen zij met haar eersten man naar Java
vertrok, zegt men dat hij ginds wegens diefstal in de gevangenis had
gezeten. Hij was hier timmerman, doch zij werden spoedig rijk, vraag
liever niet hoe, en toen hij stierf vond zij een veel aanzienlijker
echtgenoot, zoodat niemand het mijn vriend Dammers kwalijk nam toen hij
haar derde man werd. Maar wilt gij vrede hebben, mijn liefste vrouw,
neem de menschen en de zaken zooals zij hier zijn. Luister toe en
spreek met mij over uw bezwaren, doch verkwist uw schoone gedachten
niet aan menschen die niet waard zijn ze aan te hooren, die er
misschien verkeerde gevolgtrekkingen uit maken, welke te eer geloof
zullen vinden omdat men u benijdt om uw schoonheid, uw jeugd, uw
verstand en ontwikkeling!”
„Ik zal uw raad opvolgen, beste man! En zeg mij steeds openhartig
wanneer ik iets miszegd heb. Ik ben nog zoo jong en onervaren!”
„Ge zijt mijn grootste, mijn dierbaarste schat, het licht mijner oogen,
de vreugd mijner ziel, o waarom ben ik geen jonge, krachtige man, in
plaats van een afgeleefde, zieke grijsaard!” riep hij plotseling uit en
strekte hartstochtelijk de armen uit naar zijn vrouw, die verrast, meer
door den klank zijner stem dan door die beweging achteruit ging.
„Ge ontwijkt mij!” zeide hij op moedeloozen toon en zakte toen in zijn
stoel terug, „’t is waar, ge hebt mij lief misschien, als een vader
echter doch niet als een echtgenoot. Er is een ander wiens herinnering
leeft in uw hart en dien gij niet vergeten kunt.”
„Spreek zoo niet Markus!” zeide Digna met neergeslagen oogen, „hij is
dood voor mij, misschien behoort hij ook werkelijk niet meer tot de
levenden. In elk geval ik heb u trouw en liefde beloofd, en met Gods
hulp zal ik die belofte vervullen en slechts leven voor u en voor ons
kind!”
„Ik weet het Digna, ik weet het! Gij zijt een voorbeeldige echtgenoot,
een zorgvuldige moeder; ik dank God dat Hij u aan mij schonk, dwaas ben
ik meer te verlangen, hoe kan ik van u de liefde verwachten, die gij
eenmaal uw jongen vriend in zoo ruime mate geschonken hebt, maar o ge
weet niet hoe ik u heb lief gekregen....”
„Gij hebt mij voor ons huwelijk slechts gesproken van vriendschap en
genegenheid en ik beloofde u beide op mijn beurt daar ik geen liefde
meer weg te geven had. Die heeft de ander medegenomen. God alleen weet
waarheen!”
Haar woorden eindigden in een snik, hij hoorde het en preste de handen
op zijn hart als wilde hij met geweld een duldelooze pijn onderdrukken.
„Vergeef mij,” bad zij en knielde naast hem neer, haar lief, onschuldig
gelaat smeekend naar hem opheffend, „’t is mijn schuld niet; ik heb u
niet bedrogen, ik tracht mijn plicht te doen en hem te vergeten. Niet
ik begon dit voor ons beiden zoo smartelijk onderhoud.”
„Ik doe u geen verwijten Digna, ’t is alles mijn schuld. Ik heb u meer
of minder beloofd dan ik geven kon, maar ik was geen meester van mijn
hart. Eerst na ons huwelijk begon mijn kalme vriendschap voor u over te
gaan in een liefde zoo vurig en hartstochtelijk dat zij belachelijk
schijnt voor mijn grijze haren. Nooit eerder wist ik wat het beteekende
een edele, reine vrouw te beminnen, een vrouw, die den dampkring
zuivert, waarin zij ademt, een vrouw, die ons liefde afdwingt en
tegelijk ook achting, die met ons denkt, leeft en voelt, die van haar
huis een heiligdom maakt, waarin alle deugden geëerd en beoefend
worden. Die vrouw hebt gij mij leeren begrijpen. Helaas! Digna! te
laat! Ik ben wel krankzinnig om u over mijn gevoel te spreken, wellicht
verstoor ik uw kalmte en rust, de gaven, waarvoor gij mij ’t
dankbaarste zijt en die de eenige zijn, welke ik u geven kon. Ik had
mijn geheim naar het graf willen meenemen, waarvan ik misschien nog zoo
kort verwijderd ben.”
Met tranen in de oogen zag Digna hem aan; diep medelijden, innige
toegenegenheid las hij in dien blik, meer niet; zij hield haar handen
gevouwen op de leuning van den stoel, maar stak ze niet uit om hem te
liefkoozen. Hij streek zich over het gelaat, zuchtte diep en stond toen
op.
„Ga even rusten, lieveling!” zeide hij, haar opheffend en een lichten
kus op haar voorhoofd drukkend, „tracht te vergeten wat ik u gezegd heb
en laat alles weer zijn zooals vroeger.”
„Zooals vroeger!” herhaalde Digna bij zich zelf, toen zij alleen was,
„hoe zal dat ooit geschieden? Ik voelde mij zoo rustig, zoo kalm onder
zijne bescherming, zal ik ’t nog steeds zijn wanneer ik weet dat hij
bitter lijdt en ik mijn goede man niet schenken kan, wat hem troost?”
IV.
IN DEN MANESCHIJN.
Batavia schitterde in de heerlijke, zachte stralen der maan, die den
grond als met kantwerk overdekte, die de schaduw van het gebladerte, en
de wateren der rivier en der grachten omtooverde in vloeibaar zilver;
alles wat bij dag in de Oostersche stad het oog kwetsen kon, verdween
nu in den geheimzinnigen gloed, die zich uitspreidde over huizen en
krotten, over den vaak onhebbelijken toestel der kramen, en passers,
over de onfrissche uitwasemingen der grachten, over de havelooze
mannen, vrouwen en kinderen, van allerlei landaard, die de straten en
kaden vulden.
Eenige booten en gondels dreven door de grachten, een hunner was
grooter dan de andere, fraai van vorm en bevatte vroolijk en zelfs hoog
gezelschap, de Opperlandvoogd Johan van Hoorn met zijn vrouw en
dochter, benevens zijn nicht de jonge mevrouw Voorneman, haar
echtgenoot en nog eenigen der voornaamste ingezetenen hadden daar
plaats in genomen. Achter hen voer een schuit gevuld met slaven, die
muziek maakten en het vroolijke gelach overstemde, dat in de verte
ruimschoots weerklonk.
„Zijn Edelheid wordt weer jong!” sprak een heer in een der andere
booten, waarin o. a. ook de Directeur-Generaal zit.
„En geen wonder!” zeide dit hooge personage op eenigszins
verachtelijken toon, „als men zoo omringd wordt door jeugd; alles is
jong rondom onzen Opperlandvoogd, zijne tweede gemalin, de gewezen
mevrouw van Riebeek, de jonge juffer van Hoorn en zijn nicht, zonder
welke geen feest volmaakt is, en die bijna dagelijks op het kasteel
komt.”
„Voorneman schijnt nu gelukkiger in zijn keuze te wezen dan den eersten
keer. Mevrouw Margaretha was even leelijk en lomp als zijne
tegenwoordige vrouw schoon en slank is.”
„Maar ook haar tong is spits en scherp. Voorneman heeft toe te zien dat
zij hem geen nadeel toebrenge!”
Op een der grachten zat een groepje heeren en dames, voor de deur eener
aanzienlijke woning.
„Zulke tochtjes heeft Zijn Edelheid ook niet veel in zijn leven
gedaan,” zeide een dame zeer spijtig.
„Zij schijnen in den smaak zijner nicht te vallen, die anders voor
alles hier op Batavia haar neusje optrekt. Geen wonder dat de
liefhebbende oom haar dit genoegen gunt.”
„Men zegt dat zij een onverdragelijke nuf is.”
„Meer dan dat, zij is een geleerde vrouw. Ik heb van mevrouw Dammers
gehoord op welke onbeleefde wijze zij haar eens in Voornelust ontving.
Zij verkiest verreweg het gezelschap der mannen boven dat der vrouwen;
zij luistert niet naar ons, maar mengt zich het liefst in het gesprek
der heeren.”
„Dan kan de arme heer Voorneman er nog veel verdriet van beleven, want
zulke zusjes zijn niet te vertrouwen.”
„Zij wil ons de wet voorschrijven, dat jonge, dwaze kind!”
Intusschen vermoedde het voorwerp van zooveel ergernis niets van de
vijandige gezindheid, welke zij opwekte. Zij vermaakte zich uitstekend,
de frissche avond met de ongeëvenaarde pracht van een tropischen
maneschijn, de beurtelings droevige dan vroolijke muziek, de geuren der
bloemen, waarmede zij zelf en de andere dames zich getooid hadden en
die de minder zoete miasmen der grachten verdreven, brachten haar in
een wonderbaar weeke stemming; zij drong zich dicht bij haar echtgenoot
aan en drukte zijn hand met een hartelijkheid, welke zijn geheele wezen
met een ongekend zalig gevoel doortrilde.
„Och Markus,” fluisterde zij, „wat kan het leven toch nog zoet en
schoon zijn.”
De Gouverneur-Generaal, zijn vrouw en dochter hadden hun nichtje recht
lief gekregen; haar fijne vormen en geestige scherts deden hun eerst
recht begrijpen hoe zij tot dusver hiervan verstoken waren geweest, en
werden daarom door hen des te hooger geschat.
Voor mevrouw van Hoorn had Digna haar hart uitgestort, hoe zij in
Holland eens had bemind en hoe geheimzinnig haar geliefde haar verlaten
had nadat zijn leven onverwachts een treurige wending nam; hoe zij na
den dood harer moeder met haar stiefvader dien zij niet lijden mocht,
eenzaam achterbleef en dus de hand van den weduwnaar Voorneman, die tot
herstel zijner geschokte gezondheid een jaar in Holland doorbracht,
aannam, daar zij in hem een vaderlijken vriend vereerde en hoe zij zich
nu tevreden en kalm voelde in de vervulling harer plichten; maar wat
zij verzweeg en waaraan zij zelf zoo weinig mogelijk trachtte te denken
dat was Voorneman’s bekentenis. Nu echter scheen het of het bewustzijn
dat hij haar zoo vurig liefhad, haar vleide en niet onaangenaam was.
Zou waarlijk de vergetelheid komen?
Men was uit de Leeuwinnegracht in de Tijgergracht gekomen en voer nu
den binnenwal te gemoet, toen plotseling niet ver van het
Stadhuisplein, een groepje menschen het water naderde; er scheen heftig
gevloekt en gescholden te worden zonder dat iemand vermoedde hoe dicht
de alom gevierde en geëerbiedigde Onderkoning in de nabijheid was; het
rumoer werd nog heviger, er werd blijkbaar gevochten, het regende
slagen en woeste verwenschingen, daar klonk een doffe slag in het
water, een ondragelijke lucht steeg uit het moeras, dat door den zwaren
val in beroering kwam.
Een tweede slag volgde; en zwemmend trachten nu twee mannen, waarvan de
een den ander droeg, den oever te bereiken, maar het water was te laag;
het volk dat de vechters uit nieuwsgierigheid gevolgd was, stond
werkeloos toe te zien, niemand stak een hand uit.
„Moet er niet geholpen worden,” riep Digna doodsbleek en bevend van
ontsteltenis uit.
„Ik geloof niet, dat er veel aan verloren zou zijn, schoone nicht, maar
ge hebt gelijk, wij moeten hen helpen,” sprak de Gouverneur.
En hij beval de roeiers met een paar flinke riemslagen den zwemmer te
bereiken; deze de beweging der boot ziende, kwam hen reeds te gemoet,
hij bezweek schier onder den last, waarmede hij bezwaard was, want in
de heldere manestralen scheen deze groot en breed, terwijl de redder
een tengere, slanke knaap was; met de eene hand greep hij de riem,
welke de roeiers hem toestaken, met de andere trachtte hij nog zoo goed
hij kon den drenkeling op te houden.
Juist zou hij uitgeput door vermoeienis zijn vracht loslaten toen een
der slaven in het water sprong en hem van zijn last onthief.
„Het zijn twee dronken soldaten, Excellentie!” zeide een der twee
hellebaardiers zonder welke de Opperlandvoogd zich nooit naar buiten
begaf, „waar moet men ze laten?”
„Men neme ze voorloopig in onze boot, schrijve hun namen op en laat ze
bij de eerste aanlegplaats uit,” beval de Oppergebieder.
Weldra had men de beide druipnatte mannen vóór ingenomen. De
drenkeling, die nog steeds bewusteloos was, lag op den bodem, de andere
stond recht op, in ellendigen toestand met drijvende kleederen, en
doornatte haren.
„Hoe komt die man in het water?”
„Ik heb er hem in geworpen, Uw Edelheid!”
„En gij reddet hem!”
„’t Was mijn bedoeling niet hem als een hond voor mijn oogen te laten
verdrinken; hij wilde mij aanvallen en ik heb mij verdedigd. Dat hij
zwak op zijn beenen stond is mijn schuld niet en nu niemand hem wilde
redden, moest ik ’t wel doen.”
„Hoe is uw naam?”
„Men noemt mij Walter.”
„En verder?”
„Niets meer!”
„En hoe heet uw kameraad?”
„Hij is bekend onder den naam van Dikkop, zelf noemt hij zich markgraaf
of baron von Schweinhausen of Schweinsmarken, ik geloof echter dat hij
opgeteekend staat onder dien van Kraus.”
„’t Is genoeg! Laat hen uit, bij gindsche brug, hellebaardier!
Waarschuw de naaste wacht; beide mannen moeten ondervraagd worden naar
de oorzaak van hunnen twist; de eene kan dan zijn roes uitslapen.”
„Scheelt u iets, mijn lieve?” vroeg heer Voorneman zijn jonge vrouw,
die bleek en rillend achterover leunde.
„Niets, Markus, niets! de schrik!” antwoordde zij met haar handen het
gelaat bedekkende, als ware zij bevreesd een treurig schouwspel te
zien.
De soldaat zag met brandende oogen de dames aan, zijn lippen waren vast
op elkander geklemd, zijn handen hield hij gebald.
„Zijn we aangekomen? Ik pas niet in dit hooge gezelschap,” fluisterde
hij den hellebaardier toe.
„Ge hebt gelijk,” antwoordde deze spottend, „uw toilet is niet van dien
aard om door groote dames bewonderd te worden.”
Juist kwam een wacht langs, die de beide mannen met zich mee nam; de
eene, die nog steeds bewusteloos was hetzij door zijn roes, hetzij door
zijn val, werd gedragen, de andere volgde met trotsche, brandende oogen
om zich heen ziende.
De Gouverneur-Generaal gaf intusschen bevel naar het kasteel terug te
roeien, daar het tijd ging worden voor het avondgebed.
De vroolijkheid was nu toch verdwenen, want de ziel van het gezelschap
de jonge, lieve mevrouw Voorneman was zoo stil en in zich zelf gekeerd
geworden na het ongeval, dat ieder zich verwonderde over haar
gevoeligheid.
Digna kwam t’huis en bleef nog altijd even afgetrokken, op alle
vriendelijke vragen van haar man gaf zij ontwijkende antwoorden; geen
slaap kwam dien nacht haar verkwikken, en den volgenden morgen
verrieden zwarte kringen om haar oogen, hoe slapeloosheid haar gekweld
had.
„Lieve, ik maak mij zoo ongerust over u!” sprak Markus, die zich gereed
maakte naar zijn werk te gaan.
„Er is geen reden voor, Markus!” antwoordde zij vriendelijk maar nog
altijd even neerslachtig, „ik zal zoo dadelijk met de les van Albert
beginnen, en hoop u straks weer flink en vroolijk te gemoet te komen.”
„Wanneer er iets is dat u hindert, weet ge toch dat ik uw meest
vertrouwde vriend ben,” zeide hij min of meer aarzelend.
„Ik ben van niets meer overtuigd, beste man,” en zij wierp zich aan
zijn borst als een arm gejaagd vogeltje dat een toevlucht zoekt tegen
den dreigenden havik.
Hij kuste haar teeder, streelde zijn jonkske en stapte in de koets, die
voor het bordes wachtte.
Nauwelijks was hij alleen, of Digna wierp zich in een der
leuningstoelen neer en barstte in tranen los.
„Eindelijk, eindelijk!” snikte zij, „kan ik vrij uitweenen. Den
geheelen nacht moest ik mij bedwingen om hem niet te wekken mijn armen,
goeden man! O God! waarom moest ik hem nu weer ontmoeten. Heb ik mijn
rust en vrede dan niet duur genoeg gekocht? Wat is er van hem geworden,
sinds we elkaar het laatst zagen? En hij heeft mij ook herkend aan de
zijde van een ander! Vader in den Hemel, sta me bij! Laat me niet zwak
zijn! Zelfs door geen gedachte wil ik mijn man beleedigen; alles wat ik
nu denk of wensch ten opzichte van Robert is zonde, dat mag ik niet
vergeten! Kon ik Markus maar alles vertrouwen, maar hij ziet er nu
zwakker uit dan ooit, en nu ik weet wat hij voor mij gevoelt, zou het
wreed zijn hem iets te zeggen. En wat moet ik hem bekennen? Dat die
verloopen soldaat, de vriend mijner jeugd is, en dat ik het nog niet
laten kan aan hem te denken, dag en nacht. Heer! Geef mij kracht om
zelfs over mijn gedachten te heerschen!”
„Moeder, mag ik binnenkomen?”
Digna sprong op, wischte zich de tranen van de wangen en zich
omkeerend, antwoordde zij:
„Haal uw boeken maar, lieve Albert! Wij zullen dadelijk met de lessen
een aanvang nemen!”
Het knaapje huppelde weg, en zijn moeder deed haar uiterste best om tot
zich zelf te komen, voor dat hij terugkeerde.
Met een kloeke poging om weer zich zelf te zijn, ging zij aan haar
gewone werk, onderwees haar zoontje, regelde het werk der slaven en
slavinnen, maakte met eigen handen een lievelingsspijs voor haar man
klaar en had de voldoening toen hij t’huis kwam hem met een vroolijk
gelaat te kunnen ontvangen.
’t Was of Markus Voorneman weer opleefde, toen hij den glimlach, die de
zonneschijn van zijn leven was, weer op haar lippen ontdekte; en ook
Digna voelde zich sterker nu zij krachtig tegen haar droeve
herinneringen gestreden had. Al kon zij de gedachte aan Robert nog niet
geheel verdrijven, zij was toch al eenigszins meer naar den achtergrond
gedrongen; het gebeurde van den vorigen avond kwelde haar nog bijna
alleen als de heugenis aan een boozen droom.
V.
JOHAN VAN HOORN.
Wanneer men de zes treden opgaat, van het bordes, dat zich vóór het
zoogenaamde paleis van den Opperlandvoogd bevindt, komt men voor de met
groote spijkerkoppen voorziene poort te staan, waarnaast in twee nissen
de beelden van een musketier en piekenier de wacht schijnen te houden.
Boven deze poort is het gewone merk der Vereenigde Oost-Indische
Compagnie aangebracht, een ineengeslingerde V.O.C. omringd door den
naam van den bouwmeester Cornelis van der Lijn en het jaartal MDCXLVII.
Treedt men deze poort binnen dan komt men in een groote zaal waarvan de
wanden met pieken en musketten behangen zijn, en die trotsch de
vaandels op den vijand veroverd, ten toon stellen. De meubels zijn
anders niet overvloedig, een tafel, een stoel en eenige banken, en een
slaande klok, het eenige openbare uurwerk der stad, dat er op ingericht
is de uren ook naar buiten aan te wijzen; op de banken neemt ’s avonds
de bezetting van het kasteel plaats als de predikant het gebed doet.
Recht tegenover den ingang bij een groote deur houden twee levende
hellebaardiers de wacht; deze deur geeft toegang tot een reeks van
galerijen en open plaatsen en tot de vergaderzaal der Raden van Indië,
waarin de portretten hangen van alle Opperhoofden, die over Ned.-Indië
geheerscht hebben.
Rechts van de groote voorzaal bevindt zich het kabinet van den
Gouverneur-Generaal, waarin hij, hoewel het nog vrij vroeg in den
morgen is, zich reeds ingespannen met schrijven bezighoudt.