vragen of die juffrouwen in linnen dan wel in tabak doen. Maar nu ge
mij die heerlijke treurspelen „vol hemelval” voorleest van onzen
Vondel, evenals de schoone historiën van den Drost Hooft of de puntige
gedichten van Constantijn Huygens, nu is ’t mij, of ik een geheel
andere wereld binnentreed, die mij tot nu toe gesloten was.”
„Wat zou het leven zijn zonder den dienst der Muzen, als wij de poëzie
niet hadden om ons te troosten over de onaangenaamheden en
verdrietelijkheden van den dag en in andere sferen te vertoeven, die
ons anders geheel gesloten zouden zijn? En ik heb nog veel Markus, dat
u boeien zal; het is onze plicht natuurlijk eerst kennis te maken met
onze groote Vaderlandsche poëeten, maar daarom behoeven wij nog niet de
beroemde mannen te versmaden, die in andere landen geleefd en gewerkt
hebben. O, ge zult eens zien als we zoo ver zijn, welke hoog verheven
taal Corneille aanslaat in zijn heldenstukken en dan die hemelsche
harmonie van Racine’s verzen en de satiren van Boileau, die vallen
stellig in uw smaak al zijn ze zoo bijtend niet als Vondel’s Roskam en
Rommelpot.”
Glimlachend hoorde hij de levendige bewondering der jonge vrouw aan, en
drukte haar fijne hand vast in de zijne.
„Ge hebt de letteren wel zeer lief, Digna!” zeide hij minzaam.
„En zou ik niet? Zij zijn mijn beste vriendinnen geweest en hebben mij
getroost in zooveel treurige uren.”
„Ik zal u die liefde dan ook van harte gunnen, mijn beste vrouw, en
niet afgunstig zijn noch op vader Vondel, noch op Hooft en Huygens,
die, willen wij hen gelooven welke ze van nabij kenden, zeer gezien
waren bij het schoone geslacht, nog minder op de Franschen al is hun
galanterie ook wereldberoemd. Ge ziet zelf, ik wil van u leeren hen ook
te kennen en hoog te achten, maar voor die papieren vrienden moet gij
de menschen van vleesch en been niet verwaarloozen.”
„Verwaarloozen! Dat meent ge niet, Markus! Ben ik dan niet gisteren nog
in mijn zware kleederen deftig naar het kasteel gereden om bij mevrouw
de Generaal de receptie bij te wonen, drie lange, lange uren heb ik er
mij verveeld, mag ik mij dan vandaag niet schadeloosstellen voor die
verveling?”
„Ge moogt alles, Digna! Maar ge weet aan mijn stand zijn verplichtingen
verbonden, ’t is niet genoeg dat mijn lieve gade een zorgzame huisvrouw
is, die alles in het werk stelt, om mijn leven te veraangenamen en een
goede moeder te zijn voor mijn zoontje...”
„Ben ik dat waarlijk, Markus?”
„Moet gij dat nog vragen? Ik ben meer dan tevreden over u, dat zou ik
overal kunnen verkondigen, maar de wereld vraagt meer; zij wil niet dat
mevrouw Voorneman haar dagen rustig doorbrengt met haar beste
vriendinnen, de Muzen, zij verlangt dat zij ook eenig belang stelt in
de samenleving harer medeburgeressen...”
„In de deugden en ondeugden van haar slaven, in de pronkzucht van
juffrouw A, en in de lichtzinnigheid van juffrouw B; ik moet de kwikjes
en lintjes zeker tellen die mevrouw Zus laatst in de kerk heeft
vertoond en alle belang stellen in de leelijke geschiedenis, die laatst
met de dochter van mevrouw Zoo is voorgevallen. Och, Markus, als ge
wist hoe dit alles mij verveelde en walgde, hoe ik veel liever hier
rustig zit met u, met onzen Vondel en met onzen kleinen Albert.... hé
waar is hij gebleven?”
„’t Schijnt dat hij daar ginds vlinders vangt met Scipio!”
„Ik wilde liever dat hij wat dichter bij mij bleef, ik vertrouw hem
niet geheel alleen met dien knaap, ik vrees dat hij niets goeds van hem
leert.”
„Gij zijt te zwaartillend Digna, Scipio is volstrekt niet slechter dan
eenig ander knaapje van slavenafkomst.”
„Dan moet hij al heel slecht zijn; want deze kennis heb ik tenminste
gewonnen van mijn afluisteren der gesprekken mijner levende
vriendinnen. Die slaven hebben den allertreurigsten invloed op de
kinderen, die men geheel aan hen overlaat; al lachend en schertsend
verhaalden zij mij van de zoogenaamde grappen, die hun kinderen
uithalen en die zij ongetwijfeld van hun slavenmakkers geleerd hebben,
en deze deden mij huiveren. Zooveel ik kan, houd ik dus Albert in mijn
nabijheid.”
Met een blik vol liefde zag Heer Voorneman op zijn jong, ernstig
vrouwtje neer en fluisterde:
„Heb dank Digna; ge zorgt beter voor mijn kind als zijn eigen moeder
het zou gedaan hebben.”
„Stil, laat de dooden rusten Markus!” sprak zij verwijtend, „ik doe
mijn plicht en meer niet! En zullen we nu voor een enkelen dag de
Bataviasche wereld verlaten en onzen ouden vriend hooren spreken?”
„Als die wereld u maar niet komt opzoeken, Digna!”
„O dat hoop ik niet; vandaag tenminste niet. We zullen immers den Adam
in ballingschap nemen nietwaar, dat hadden wij afgesproken. Vreemd, ik
las dit treurspel reeds menigmaal doch nu eerst hier in deze
onvergelijkelijk schoone dreven, kan ik mij recht goed het paradijs
voorstellen; ge moet maar eens hooren... Wat fronst gij het voorhoofd
en trekt gij de lippen samen. Hebt ge weer pijn?”
„Een weinig, ’t is niets, ’t gaat voorbij.”
„Zal ik uw artsenij halen?”
„Zelf halen, lieve, maar waar denkt ge aan, waartoe hebt gij slaven ten
uwen dienste?”
„Och, ’t is zooveel gemakkelijker zich zelf te helpen; ik vergeet het
telkens dat het ook tot mijn plichten behoort mij te laten bedienen.”
Zij wenkte een der slavinnen, die aan het andere einde der galerij
gehurkt zaten en gaf haar op vriendelijken toon in enkele woorden haar
bevel; toen riep zij Albert, liefkoosde hem, en stiet het kind
zachtkens naar den vader opdat deze hem ook over het haar zou strijken.
„Blijf hier, jongske!” zeide zij vriendelijk, „tot dien grooten
ketapangboom moogt ge gaan, niet verder en dan zal moeder u van avond
naar bed brengen.”
„Zal moeder dat werkelijk doen?” vroeg hij met schitterende oogen en
overlaadde haar met kussen.
„Ja zeker, als Albert gehoorzaam is! En nu Markus zal ik beginnen. Is
de pijn wat dragelijk!”
„Ik denk er niet meer aan, Digna; kom begin spoedig, ik ben vol gehoor,
het groote licht zal ons weldra verlaten.”
Zij zetten zich naast elkander en met haar klankvolle, heldere stem
begon Digna den aanhef der tragedie met de woorden van:
LUCIFER. Ik eerst geheiligd om de kroon van ’t licht te spannen,
En nu van ’t eeuwig licht in duisternis gebannen....
Niet verder was zij gekomen toen zich het rollen van een karos op den
zandweg deed hooren.
„Bezoek!” riep zij uit, het hoofd oprichtend, „ja, neen, men rijdt de
Klapperlaan in, ach hoe jammer!”
„Wel jammer! Waar zullen we hen ontvangen, Digna?”
„Hier natuurlijk, waar anders! ’t Is hier luchtig en frisch.”
Man en vrouw stonden op om de bezoekers te begroeten, die reeds uit de
koets gestapt waren en het bordes betraden; het was een deftig gekleed
echtpaar gevolgd door een jong man, wiens blozende kleur duidelijk
genoeg verried dat zij nog niet lang aan de brandende keerkringszon was
blootgesteld geweest.
„Gij zult ons ten goede houden!” sprak Digna na de eerste begroetingen
vriendelijk en beleefd, „dat wij u in de galerij boven het water
ontvangen; het is daar frisscher dan binnenshuis en zelfs dan op de
stoep.”
„Wij hebben inderdaad van die nieuwigheid gehoord, mevrouw, die u op uw
landgoed heeft ingevoerd,” zeide de bezoekster met een genadig lachje.
De pas aangekomenen waren de Extra-ordinaris Raad van Indië Dammers,
zijn vrouw en dochter en een kersversch uit Europa aangekomen neefje;
de heer Voorneman was dus eenige graden zijn mindere, maar een
vriendschap van jaren herwaarts verbond beide mannen, terwijl ook
Digna’s voorgangster, de overleden mevrouw Voorneman, zeer bevriend was
geweest met mevrouw Dammers.
„Zullen wij dan den heeren voorgaan?” vroeg Digna altijd even hoofsch
haar gast den voorrang gevend.
Mevrouw Dammers was kostbaar gekleed zooals het bij een eerste bezoek
paste; haar kleeding echter meer rijk dan smaakvol, was overal waar het
maar eenigszins kon met goudborduursel bezet, zijde en fluweel
wisselden kwistig met elkander af; een slaaf moest den zwaren sleep
ophouden toen zij over het kiezelzand naar de galerij wandelde.
Hoe moeilijk zij deze kleederen torschte, getuigden de hoogroode kleur,
die haar bolrond gelaat bedekte en de zweetdroppels, welke zij telkens
met haar zakdoek afdroogde; hijgend wuifde zij haar waaier en de enkele
stappen, die zij nog maken moest naar de zitplaats, door de gastvrouw
aangewezen, vielen haar blijkbaar uiterst moeilijk.
Naast die verhitte, aamechtige vrouw in haar zware kleederen kwam
Digna’s licht toilet, frisch en koel uit.
„Hoe verdraagt gij toch de hitte?” vroeg mevrouw Dammers tusschen twee
zuchten in.
„Ik voel geen hitte,” antwoordde het jonge vrouwtje glimlachend.
„Dat wil ik gelooven, als men zich niet kleedt,” was het bitse
wederwoord, dat een lichte blos op Digna’s zachtbleeke wangen wierp.
„Mijn kleed is misschien minder zwaar dan het uwe,” antwoordde zij
kalm, „maar overigens is het niet minder volledig.”
„Uw voorgangster, die wist zich te kleeden! Hebt gij haar japonnen
gevonden? Er waren zulke kostelijke bij; niemand kon indertijd het
tegen haar volhouden of ik moest het zijn. Ieder regelde zich naar ons.
Wij gaven den toon aan en als wij iets nieuws hadden, dan konden wij
zeker zijn, dat over weinige dagen alle andere dames ons tot voorbeeld
hadden genomen, maar wij wisten dat vooruit en zorgden dan weer te
voorschijn te komen in een splinternieuw kleed. Wij deden alles samen,
begrijpt ge en daarom behoefden wij niet bang te zijn dat de een het de
ander afwon. Ja, het verlies der goede Margaretha is zwaar en
onherstelbaar geweest!”
Zij zuchtte nog eens zoo diep; men was intusschen onder de galerij
gekomen en nam plaats op de gemakkelijke stoelen, die de slaven
bijschoven. De drie heeren zaten op eenigen afstand van de dames;
zoodat een algemeen gesprek niet mogelijk was.
Arme Digna, men kon het aan den weemoedigen blik bemerken, waarmede zij
haar Vondel aanzag, hoe veel het haar kostte den levenloozen dichter te
moeten ruilen voor haar diep ademende gast. Zij legde het boek weg om
plaats op tafel te maken.
„Ha, een boek! Dat zal ook niet weten hoe het op Voornelust komt,”
zeide mevrouw Dammers min of meer scherp, „de goede Margaretha was met
mij van oordeel dat een boek slechts hoogst zelden, om niet te zeggen
nooit in vrouwenhanden paste.”
„Mij is dat anders geleerd!”
„O ja, zeker door uw moeder! Ik heb haar nog even gekend.”
„Mijn moeder, hebt gij haar gekend?” vroeg Digna met schitterende
oogen, „o mevrouw, vertel me van haar! Hoe schikte zij zich hier?”
„Ik weet het slechts bij overlevering; zij had vreemde begrippen
evenals gij. Zoolang haar man afwezig was, ging zij niet uit; zij
spaarde haar slaven het werk om het zelf te doen, en zij was zoo wijs
met haar dochtertje dat zij geen slavin goed genoeg achtte om het op te
passen.”
„Daaraan herken ik mijn lieve, goede moeder!” dacht mevrouw Voorneman,
maar sprak het niet uit.
„Ze is, dood nietwaar,” zeide mevrouw Dammers, „na eerst hertrouwd te
zijn. Dat was hier een schrik toen men den dood van uw vader vernam;
kort er op is zij naar Europa vertrokken. Waarlijk, zij had hier ook
wel een goed huwelijk kunnen doen. De Edele heer Dammers is mijn derde
echtgenoot, daarom had zij dus niet behoeven terug te keeren.”
„Ik geloof niet dat mijn moeder toen aan de mogelijkheid van een tweede
huwelijk gedacht heeft!” sprak Digna met van ingehouden
verontwaardiging trillende stem, „eerst later toen zij begrepen had hoe
alleen een weduwe staat en zij mijn stiefvader ontmoette, kwam het
denkbeeld bij haar op nogmaals te huwen.”
„Och, ge praat naar dat ge verstand hebt. Meent ge dat ik niet weet hoe
weduwen denken? Ik ben het zelf tweemaal geweest en ik was even
bedroefd als elk ander, meer misschien nog dan mevrouw Tak, van wie
niemand naar men zegt een traan heeft gezien, en toch was ik den
eersten keer na tien maanden en den tweeden keer na zes maanden weer
getrouwd. Als gij weduwe waart, zoudt gij het zelf ook ondervinden.”
„God beware er mij voor!” zeide Digna oprecht, terwijl de uitdrukking
van haar lippen genoeg verried hoezeer het gesprek haar mishaagde.
„Wilt ge meer van uw moeder hooren?” vroeg mevrouw Dammers.
„Mag ik u eerst eenige verfrissching aanbieden?” was de beleefde maar
koele wedervraag.
III.
EEN VISITE OP BATAVIA.
Net gekleede slavinnen dienden de ververschingen rond; zij bestonden
voor de dames uit thee, limonade en gebak, voor de heeren uit bier
terwijl ook de goudsche pijpen niet vergeten werden.
Mevrouw Dammers dronk het eene kopje na het andere glaasje leeg en
verzuimde intusschen niet met afkeurenden blik toe te zien, hoe de
jonge gastvrouw zelf de behulpzame hand bood om haar gasten te
bedienen.
„Ge kunt nog slecht met uw slavinnen overweg,” zeide ze na een poos,
„gij verwent ze, door hen werk uit de handen te nemen. Dat doet men
hier niet, uw man moest het u afleeren!”
„Ik ben zeer tevreden over haar diensten en mijn echtgenoot ook.”
„Dat wil ik gelooven, die goede Margaretha heeft zich moeite genoeg
voor hen gegeven. Zij was onverbiddelijk streng voor hen; bij elk klein
vergrijp liet zij hen de 20 of 30 geven. ’t Is goed dat gij het weet,
men kan voor een kleinigheid, maar 10 of 12 stuivers, dat door de
negers van den fiscaal laten doen, dan behoeft men hun gekerm niet aan
te hooren; dat is zeer gemakkelijk vindt ge niet? Ik heb vandaag mijn
lijfslavin Tandjoeng nog veertig slagen laten toedeelen, zij had mijn
mooiste ivoren kam op mijn haar gebroken, en verbeeld u, van middag
verklaarde zij te ziek te zijn om mij te helpen. Ik liet haar halen en
zij strompelde naar binnen; maar toen ik haar dreigde dat zij den
volgenden dag er nog twintig bij kon krijgen, keerde het blaadje om en
zij hielp mij zoo handig als ooit te voren. Welke van uw slavinnen is
het laatst aan de beurt geweest?”
„Ik ben niet voornemens lijfstraffen aan mijne bedienden te laten
uitdeelen.”
„Niet! maar lieve mevrouw! waar denkt u aan? U die zoo pas hier komt
wil ons de wet voorschrijven?”
„Ik schrijf niemand iets voor, doch in mijn huis heb ik rechten en ik
wil geene mishandeling gedoogen van arme schepselen, die toch evenals
ik kinderen zijn van denzelfden Vader in den Hemel.”
Met groote oogen zagen mevrouw en juffrouw Dammers de spreekster aan;
een domme lach trok de dikke lippen der jonge dame van elkander. Zij
had nog geen woord gezegd, want zij verstond nauwelijks Hollandsch;
geheel overgeleverd van jongs af aan slaven en slavinnen, was zij,
hoewel van zuiver Europeesch bloed, even achterlijk als de kinderen der
inboorlingen.
„Astaga!” riep zij uit, „begimana Njonja!”
„Kinderen van denzelfden Vader; het mocht wat, die bruine wezens mijn
broeders. Verbeeld je Hendrika, wat mevrouw zegt, dat Tongkeng en
Djamoe uw broers zijn, uw soedara!”
Nonna Hendrika grinnikte; de gastheer had eenige klanken van het
gesprek opgevangen en zag niet zonder bezorgdheid om naar zijn jonge
vrouw die zoo onverholen voor haar meening uitkwam.
Digna hield met geweld haar gevoel in bedwang en wendde zich toen met
haar gewone bevalligheid tot de heeren:
„Zijn de heeren bediend? Belieft mijnheer Dammers geen pijp?” vroeg ze
den jongen baar, die niet rookte.
„Ik vraag verschooning mevrouw, maar ik rook nooit!” antwoordde hij
opstaande en een diepe buiging makend, zoo onhandig dat hij zijn glas
bier omver wierp, welk ongeval hij door zijn linksche bewegingen nog
verergerde.
„O ’t is niets, maak u niet moeilijk,” zeide Digna lachend en boog zich
om het glas, dat niet gebroken was, uit het zand op te rapen, en hem
weer in te schenken.
„Digna! roep Sidha!” zeide haar man zacht verwijtend.
„Er is niets bedorven?” sprak Digna vriendelijk, „kan ik u misschien
genoegen doen met deze gebakjes?”
„Zijn ze niet in olie gebakken?” vroeg hij met een wantrouwende
uitdrukking.
„Wees gerust!” antwoordde zij glimlachend, „daar is geen olie bij
gebruikt. Smaakt u het Indische eten wel, mijnheer?”
„Voor zoover er geen olie bijkomt kan ik mij er in schikken.”
„Hij eet niets als koude rijst met boter en suiker!” riep mevrouw
verontwaardigd, „ik wil hem echter niets anders laten klaar maken, hij
moet zich maar wennen, aan de wijze, waarop wij allen hier eten van den
Edelen Heer Generaal af.”
„Ik vrees dat ik wel doodgehongerd zal zijn, voor ik mij gewend heb,”
zeide de andere droevig, „ik geloof dat ik dien scherpen oliesmaak
nooit dragelijk zal vinden en sta in dit gevoelen niet alleen. Daar
hebt gij den Eerwaarden Heer Predikant Valentyn, die toch reeds sinds
jaren in de Oost is geweest, te Amboina gestaan heeft en nu hier aan de
Kasteelkerk verbonden is; hij verklaarde mij gisteren nog dat het hem
onmogelijk was, de op Javaansche wijze toebereide spijzen te nuttigen
maar u zelf mevrouw, die ook nog sedert kort Europa verlaten hebt, hoe
gevalt u de Indische tafel?”
„Ge vergeet dat ik een geboren Indische ben,” hernam Digna, „’t is
echter waar dat ik sinds lang den smaak der Indische keuken vergeten
ben, ik had er trouwens den tijd toe; maar alles smaakt mij goed. Zoo
de jonge heer Dammers ons eens het genoegen wil doen onze bescheiden
tafel te deelen dan hoop ik hem echter het bewijs te leveren dat men
ook te Batavia de Hollandsche spijzen niet behoeft op te geven.”
„Koerang adjar!” [18] mompelde mevrouw Dammers haar dochter in ’t oor.
„Betoel,” [19] bevestigde de jonge juffrouw.
„Mevrouw, de eer, het genoegen zullen aan mij zijn,” riep de jonge man
verrukt uit.
„Ge spraakt daar over den Eerwaarden Heer Valentyn, neef,” zeide de
oude Heer Dammers, „maar gij hebt daar ook juist een voorbeeld
opgenoemd dat niet verdient nagevolgd te worden. Die Eerwaarde Heer,
verheugt zich in geen sterke gezondheid en maakt zijn ziekelijken
toestand nog erger door zich allerlei kwalen in te beelden en die toe
te schrijven aan de levenswijze alhier.”
„Met uw verlof, Edele Heer!” sprak Digna, „maar ik voor mij geloof dat
de Europeanen hier over het algemeen veel gezonder zouden zijn, indien
zij hun levenswijze en kleeding schikten naar de eischen van het
klimaat.”
„Bijvoorbeeld, zooals u het doet, jong mevrouwtje! Wel zeker, ik zou
ieder raden, die zijn hoofd zag vergrijzen in Oost-Indië, uw raad te
volgen, die u zoo welwillend mededeelt,” beet mevrouw Dammers haar
spottend toe, „u weet alles veel beter schijnt het dan wij, die reeds
over de 20 jaar op Batavia wonen.”
„Vergeef mij mevrouw, het was mijn bedoeling niet u mijn zienswijze op
te dringen,” hernam mevrouw Voorneman altijd even beleefd, „mag ik de
jonge juffrouw nog een kopje thee schenken?”
„Dank u, lust niet,” was het antwoord.
„Nicht Hendrika brandt uw tong nog?” vroeg de jonge heer die zich nu
bij de dames voegde, daar hij voor de lieve gastvrouw een sympathie
voelde, welke hem tot nu toe in dit land vreemd was gebleven.
„Wat?” vroeg zijn nicht.
„Ik vraag u of uw tong nog brandt van dien duivelschen kost, welke u
mij straks heeft doen proeven. Ik voor mij, mijn lippen gloeien nog
telkens.”
De jonge juffer barstte in een ongemanierd gelach uit en haar neef ging
voort nu tot Digna gericht:
„Verbeeld u mevrouw, zij bood mij straks iets aan dat zij vruchten in
gelei noemde en recht smakelijk met de vingers aan haar mond bracht. Ik
hapte toe en ô foei! Het was of mijn verhemelte en tong in lichte laaie
stonden.”
Nonna Hendrika bleef het uitgieren. „’t Was roedjak [20]!” klonk het
alleen tusschen de lachbuien door.
De beide heeren hadden intusschen hun gesprek over politiek hervat, zij
bespraken de kansen op een nieuwen Java-oorlog, die nu hoe langer hoe
waarschijnlijker werden.
De oude, versufte Soesoehoenan Hamangkoe-Rat was overleden tot groote
vreugde van zijn oudsten zoon en erfgenaam Adipati Anoem, die reeds
tijdens het leven van den ouden keizer zich als zijn opvolger had doen
erkennen. De Rijksgrooten bogen voor het geweld, maar zagen toch met
leede oogen den wreeden, wellustigen prins den troon zijns vaders
innemen; met beide handen grepen zij het voorwendsel aan, dat hij
volgens de adats (wetten of gewoonten) van de regeering uitgesloten
moest zijn, omdat hij kreupel was.
Ook de Compagnie was niet ingenomen met den nieuwen keizer, die van
zijn haat tegen de Hollanders geen geheim maakte en van verlangen
brandde hen allen te verdelgen of ten minste uit Java te verdrijven;
van hem kon de Compagnie het allerminst verwachten dat hij een einde
zou maken aan de gespannen verhouding, die sinds den moord op kapitein
Tak, dus sinds 1686, tusschen Karta-Soera en Batavia heerschte. Nog
altijd was de schuld van 1200000 rijksdaalders niet vereffend; in de
brieven, welke hij naar Batavia zond, repte hij geen woord over deze
schuld.
Het verzet in Karta-Soera werd echter hoe langer hoe heviger, totdat
eindelijk ’s keizers oom Pangeran Poeger, na een vernederende straf hem
door zijn neef opgelegd, naar Samarang vluchtte om de bescherming der
Compagnie in te roepen; deze zag nu de kans schoon om invloed te
verkrijgen aan het Mataramsche hof.
Daar er van den nieuwen keizer, Soenan Mas genaamd, niets voor haar te
hopen viel, verklaarde zij hem niet te erkennen maar in zijn plaats
zijn oom te huldigen rondom wien zich dadelijk de voornaamste
rijksgrooten vereenigden en die nu onder den naam van Pakoe Boewana als
keizer optrad; hij beloofde geheele onderwerping en onbegrensde
dankbaarheid aan de Hollanders, die nu, zoodra hij op den troon
geplaatst zou zijn, begrepen een gewillig werktuig ter bereiking hunner
plannen in de hand te hebben.
Maar nog heerschte Soenan Mas in werkelijkheid hoewel hij zijn toestand
gevaarlijk scheen te achten want zijn houding tegenover de Compagnie
veranderde geheel; even trotsch en aanmatigend als zij vroeger geweest
was, zoo kruipend en onderdanig werd zij thans. Hij deed de
buitensporigste beloften wanneer men hem slechts erkennen wilde en zijn
oom aan hem uitleverde. Al zijn pogingen waren vergeefsch; zijn
toestand werd steeds hachelijker, zelfs de gezanten, die hij aan de
Compagnie toezond, onderwierpen zich aan Pakoe Boewana en keerden met
verraad in het hart naar hem terug.
De Compagnie had nu eindelijk besloten om door kracht van wapenen den
afgezetten keizer te bestrijden; onlangs waren er nieuwe strijdkrachten
uit Europa aangekomen, weldra zouden zij Batavia verlaten om naar
Karta-Soera op te rukken. Deze oorlog kon der Compagnie een geduchte
nieuwe macht verzekeren zoo zij tot een goed einde werd gebracht.
„En toch,” sprak de heer Voorneman, „zal er niets gewonnen zijn,
zoolang daar in den Oosthoek, die Balineesche slaaf den scepter zwaait.
Hij is meer te vreezen dan de Mataramsche prinsen in hun verwijfdheid
weggezonken.”
„Maar ook tegen hem zullen wij onze krachten laten oprukken en dan zal
evenmin de steun der Javanen ons ontbreken, want Soerapati of, zooals
hij zich thans noemt, Radhen Adipati Wiro Negoro is de bitterste vijand
van Mataram.”
„Gelooft ge dat waarlijk, vriend? Er is zoo weinig op de vijandschap of
vriendschap dier menschen te bouwen; men zegt dat Soenan Mas zijn hulp
en bescherming zal inroepen, zóó wij voortgaan de ooren te sluiten voor
zijn overdreven aanbiedingen; als dat zoo is, dan zal het tegen dien
geduchten vijand zijn dat wij moeten strijden, des te meer geducht daar
hij kennis heeft van onze toestanden en onze wapenen.”
„Spreekt ge van Soerapati?” vroeg mevrouw Voorneman zich in het gesprek
mengend, waarschijnlijk omdat het haar verveelde naar hare bezoeksters
te luisteren, „is dat dezelfde, die oorzaak was van den wreeden dood
mijns vaders?”
„Juist mijn lieve! Die man was eenmaal slaaf hier op Batavia, men zegt
dat hij wegens een liefdesgeschiedenis met een Hollandsch meisje, in de
gevangenis opgesloten, wist te ontkomen en later naar Karta-Soera
vluchtte; daar wilde de valsche keizer of zijn rijksbestuurders hem
gebruiken om de soldaten der Compagnie te vermoorden. De zaak zal
altijd duister blijven. Uw vader, de buitengewone gezant der Compagnie,
werd op den dag zijner aankomst gedood, door de Balineesche schelmen en
nog is die hoon niet gewroken; de booswicht ontkwam en vestigde zich in
Oost-Java, waar hij thans de opperheerschappij voert en zich
koninklijke eer laat bewijzen. Zelfs het onafhankelijke rijk aan
Balembangan is hem onderworpen; alle vijanden der Hollanders vinden bij
hem een schuilplaats, geheele gewesten van Mataram behooren hem toe,
daar hij ze veroverde en den keizer de macht ontbreekt zich te
verzetten.”