Europeanen bewoond den weg links en rechts van het water; drie bruggen
op gewelven rustend verbinden de beide oevers aan elkander, verderop
zijn het meest winkels van Chineezen, kleine onaanzienlijke, lage
huizen, die uitzicht geven op den tot markt gebruikten breeden weg. In
de winkels zelf vindt men alles wat er op Batavia te koop geboden
wordt; Japansche koopwaren en Europeesche kleedingstoffen, kramerijen
en wapens, uitdragerstuig en kostbare Chineesche vazen. Midden op de
straat staan nog rijen met kramen onder loodsen, drie dwarsgrachten
verdeelen die markten in drieën; de eerste is de groentenmarkt; op de
tweede worden, ’s morgens althans, visschen verkocht, groote kakaps,
hartige bandengs, reusachtige garnalen, de afzichtelijke inktvisch en
de geliefkoosde kapiting of krabben, liggen op houten schragen,
uitgespreid, en vervullen de lucht met hun eigenaardige uitwasemingen.
Smakelijker zijn de nu volgende passers, waarin de heerlijkste vruchten
uitgestald liggen, de geurige ananassen en de bloedroode pompelmoezen
in hun gouden schillen, de rijke verscheidenheid van djamboes en
djeroeks, in alle kleuren en grootten, de harige ramboetans en de
donkerpaarsche mangistan met het witte, donzige hart, geurig vleesch
dat echter een bittere, groene pit omgeeft; manden vol geelkleurige
doekoes en vrachten van katjangs of olienoten; een rijkdom van bloemen,
die de lucht balsemachtig kruiden, witte melati’s in knoppen of ten
volle ontloken, snoeren van tandjoeng, groene en gele kananga’s,
sierlijk samen gebonden tuiltjes van katjapirings en tjampaka’s; al die
kraampjes strekken zich uit tot de derde markt waar eenden en hoenders
hun weinig harmonische geluiden doen hooren.
Op dit uur van den dag zijn er slechts weinige Europeanen hier te zien
en deze behooren nog tot de laagste klassen der bevolking; het zijn
ambachtslieden, smeden, timmerlieden, of metselaars, schoenmakers in
dienst der Compagnie met vrouw en kinderen, die zich door een wandeling
verpoozen van hun zwaar werk gedurende de hitte van den dag, of wel
soldaten in hun havelooze kleeding, die met hongerige blikken naar
zooveel maagopwekkende artikelen rondzien, want de keuken en de portiën
van het regiment zijn schraal en de soldij is wanhopig laag.
Kleurlingen zoeken bij de bloemwinkels trossen bloemen uit, waarmede
zij hun liefjes straks willen verrassen, Javaansche huishoudsters doen
haar inkoopen, al lovend en biedend; eenige Arabieren bewegen zich kalm
en deftig langs de winkels der Chineezen, die op luidruchtigen toon hun
waar te koop aanbieden. Soms verwaardigen zij zich naar den prijs van
het een of ander te vragen maar gewoonlijk halen zij minachtend de
schouders op en zetten hun weg voort, langs de vleeschhal, die op palen
boven de rivier gebouwd is en een hoog zwaar pannendak draagt.
De Europeanen vindt men thans in de deftiger wijken meest aan de
Oostzijde der stad; daar langs de Tijgergracht met haar prachtige
dubbele rij tamarinde boomen, zitten zij op hun stoepen voor hun
gegevelde, wit gekalkte huizen onder het genot der onvergetelijke
Goudsche pijp of zij wandelen langs het water en door de Prinsenstraat
over het Kasteelplein en de Leeuwinne- of Kaaimansgracht terug. Het is
hier een Oostersche stad met een Europeesch aanzien. De ingangen zijn
van onderdeuren, de stoepjes van leuningen en banken voorzien; zag men
daar niet geheele huisgezinnen op straat zitten, men zou zich in een
Noord- of Zuid-Hollandsche stad wanen; ook de kleeding is nog bijna
geheel Europeesch de dames hebben keurslijven aan en rokken van zware
stof, de heeren gaan gebukt onder het verguldsel dat hun kragen en
mouwen bedekt en onder hun zware pruiken.
Weinige wandelaars ziet men hier gemoedelijk naast elkander gaan in
deze straten; de meesten zijn gevolgd door eenige slaven, waarvan er
een het vuurtouw, een ander het zonnescherm, teeken der waardigheid
zijns meesters, een derde zijn snuifdoos draagt; de dames, die meest
allen zich van haar echtgenooten afzonderen, wandelen gevolgd door een
kleinen slaaf, die haar langen sleep ophoudt, terwijl een slavin de
pajong boven haar hoofd uitspant en een paar anderen haar gevolg
voltooien. Zij zelf wuift zich met haar waaier eenige koelte toe, tot
het oogenblik dat zij een andere dame ontmoet, haar meerdere in rang;
eerbiedig wijkt zij dan met haar stoet terzijde om een diepe neiging te
maken, die de andere met een genadigen hoofdknik beantwoordt; straks
stelt zij zich voor dat huldebetoon schadeloos door een andere, op nog
gevoeliger wijze te toonen, dat zij op haar beurt ook de meerdere kan
spelen.
Eenigen dalen de trappen af, die in het metselwerk der grachten zijn
aangebracht en stappen met hun stoet van slaven en slavinnen in de
versierde Chineesche prauwen; slaven brengen de riemen in beweging,
anderen maken met hun instrumenten—javaansche viool, guitaar of
cither—muziek en de booten glijden zachtkens over de grachten totdat de
maan opkomt en haar helder witten glans over de vesting giet.
In het Kasteel dat omgordeld door hooge groene struiken zijn sterke
wallen van witten koraalsteen opheft uit de beide grachten, houdt de
Opperlandvoogd of Generaal, die thans Johan Van Hoorn heet, zijn gewone
middagreceptie op de stoep zijner woning.
Deze woning bevindt zich rechts van het middenplein te midden der
veste; de kleine achthoekige Kasteelkerk verbindt het met de
tegenoverliggende woningen van de gewone Raden van Indië.
Het is evenals alle andere Bataviasche huizen twee verdiepingen hoog;
een breed en hoog bordes geeft iets voornaams aan het uitzicht, evenals
het koepeltje boven het pannendak, waar een schip der Koningin van het
Oosten tot windwijzer dient, herinnering misschien aan het stadhuis,
waarmede Jacob van Campen de „Keizerin van Euroop” versierde.
De receptie is zoo huiselijk mogelijk; de Edele Generaal zit in het
midden, de hoogste in rang naast hem en zoo verder nauwkeurig naar
rangorde zijn de stoelen in halven cirkel geschikt, ieder spreekt met
zijn buurman, en rookt zijn Goudsche pijp; algemeene gesprekken worden
niet gehouden, de etiquette verbiedt iemand dat de Generaal hem hoore
spreken.
Slaven dienen bier rond, en de Oppergebieder drinkt af en toe de
gezondheid van het gezelschap en hun vrouwen, welke toasten
onmiddellijk beantwoord worden; de gezellige ontvangst duurt tot 9 uur.
De wacht van het fort wordt gehouden door hellebaardiers, krachtige
jonge mannen in gele wambuizen en scharlaken zijden met lissen
versierde broeken; de overige wachten zijn in treurigen sjofelen
toestand; komt de Opperlandvoogd langs dan moeten zij op het geroep van
den wachthebbenden sergeant onder de wapenen komen, men ziet ze
verschijnen in allererbarmelijkst plunje meestal zonder kousen of
schoenen, met gescheurde wambuizen en blootshoofds.
Hun ellendige verblijfplaatsen zijn aangebracht in de vier punten van
het fort, Parel, Robijn, Diamant en Safier. Indrukwekkender dan de
krijgers zijn de kanonnen, die op de vlakke daken rusten van de tegen
de wallen staande provisiekamers en pakhuizen der Compagnie en die den
geheelen omtrek met vuur en dood bedreigen.
Midden in de stad aan de groote rivier is nog een soort van wachttoren
aangebracht, die eveneens zijn vuurmonden naar alle richtingen geopend
houdt.
Druk en vroolijk leven heerscht er vooral in de zoogenaamde
achterbuurten, ten N. W. der stad, in de Zandzee, maar vooral in de
Lepelstraat, die huis aan huis uit herbergen of kroegen bestaat.
Een lustige muziek lokt daar de vroolijke klanten naar binnen,
matrozen, die op de prauwen wachten, welke hen naar hun schepen moeten
brengen, vóórdat de klok negen slaat, of liever vóórdat de wachten van
het Kasteel door den zandlooper gewaarschuwd negen slagen doen
weergalmen op het bekken, want de Koningin van het Oosten is nog geen
openbaar uurwerk rijk.
Om negen uur toch wordt de groote rivier door een zwaren ijzeren
ketting van de haven afgescheiden; en na dat uur vervliegt ook de
glorie van de Lepelstraat.
Nu echter zijn de lichten pas ontstoken, Jan-Maat met zijn bruin liefje
aan den arm, gaat daar huis in, huis uit, of blijft kijken naar een
troep Javaansche tooneelspelers, topeng genaamd, die voor eenige duiten
hun kluchten vertoonen; een Javaan hurkt met zijn draagbaar keukentje
neer om aan een paar Europeanen, die geen woord Maleisch kennen, zijn
waren te slijten; nauwelijks hebben zij echter een bete geproefd of
luid vloekend en tierend werpen zij het brandende mengsel van zich af
tot groote vroolijkheid der omstanders maar tot minder stichting van
den koopman, die wellicht levenslang op het geld zal moeten wachten.
Uit een der herbergen kwamen twee soldaten der Compagnie; beiden zagen
er uit alsof zij hun laatsten duit daar binnen ten offer hadden
gebracht om voor een oogenblik opwinding te koopen; min of meer
wankelend was hun gang, hoogrood hun trekken, waarop, hoewel in
verschillende mate, ongebondenheid en een ongeregeld leven hun stempel
hadden gedrukt.
De oudste met een bol glimmend gelaat, waarop hier en daar een rosse
plek de vergeefsche pogingen aanduidde, welke de baard maakte om er
door heen te komen, zag er uit of hij een verleden achter zich had,
waarvan de galg de meest gepaste eindpaal moest wezen; zijn havelooze
kleederen waren verscheurd of versteld op een wijze, die een scheur nog
verkieselijker deed schijnen, zijn sluike roode haren, welke niet eens
meer tot den schedel en het voorhoofd reikten, waren door een gedeukten
hoed bedekt; de schoenen trokken slechts de aandacht door hun
afwezigheid, want men kon dien naam niet geven aan de onoogelijke
sloffen, welke hun plaats innamen, en een scheiding maakten tusschen de
bloote voeten en het zand van de ongeplaveide straat.
De andere zag er iets beter uit; werden zijn kleederen beter gedragen
of waren deze nieuwer en minder versleten? Wie kon het zeggen? Niemand
lette genoeg op het tweetal om aan deze vraag eenige aandacht te
leenen. Zoo merkte dan ook niemand op dat deze jonge man—want jong was
hij blijkbaar nog—om zijn kleur gemakkelijk onder de kleurlingen kon
gerekend worden, nog minder dat honger en verdriet uit zijn groote,
zwarte oogen blikten, de pas gebruikte drank had die oogen wel kunnen
benevelen, maar geen blos op de vaalgele wangen geschilderd.
De andere hield hem bij zijn kleed vast:
„Ja, zie je,” sprak hij in vrij gebroken Hollandsch met dikke tong en
volle keel om het andere woord haast zijn rede versterkend met een
Duitschen vloek, „ik zeg maar als we dat niet hadden! Zoo’n teugje
vuurwater is nog ’t beste wat zij in dat beroerde Holland hebben; wat
dunkt jou?”
„Ik wilde dat ik dien ellendigen kost nooit aan mijn lippen had
gebracht en nog liever dat ik hem niet noodig had om mijn honger te
bedwingen en mijn leed te vergeten.”
„Sapperdement Donnerwetter! Heb je leed? Kom, zoo’n flinke jonge kerel
als jij! Wat voor leed kun je hebben? Toch niet om een liefje, hè!
Geloof me, laat je met geen vrouwvolk in, want dat kost geld, veel
geld, en het bedriegt je; wij hebben weinig geld en dat kunnen we
nergens beter gebruiken als daar binnen, dat goedje bedriegt niet,
potztausend! Zullen we hier eens ingaan? Tonne Mie heeft weergaasch
goed bier ook!”
„Neen, van avond niet meer. Hoe zouden we ook kunnen! Ik heb niets
meer.”
„En ik heb crediet! alle duivels! Of wat denk je, weet je wie ik ben?
De Markgraaf von Schweinshausen, daar boven aan den Rhijn, is mijn
volle neef en ik zou stellig in zijn plaats gekomen zijn, als ik aan de
Hoogeschool van Bonn niet dat standje had gehad met den zoon van den
Ridder von Schönfeld, dien ik in een duel neerschoot, den gemeenen
hond, die mij voor dronkaard durfde uitmaken. Na dien tijd heb ik niets
dan ongelukken gehad; eerst trachtte ik in dienst van den grooten
koning van Frankrijk mijn fortuin te beproeven, maar dat was ook mis,
mijn ongelukkige vaderlandsliefde deed me daar spoedig ruzie krijgen
met een superieur nog wel, en die Franschen zijn zoo ongenadig trotsch.
Ik zou zoo waar een kogel hebben opgeloopen, als ik niet bijtijds de
plaat had gepoetst, en van daar kwam ik ja, zie je dat herinner ik me
niet meer, maar dat weet ik wel, dat, waar ik ook geweest ben, en dat
is op verduiveld veel plaatsen, ik nergens in zoo’n beestenboel
verdwaald geraakt ben als hier; dat is geen plaats voor menschen van
fatsoen en stand, en dat zijn toch de meesten van ons, en jij ook! Wat
was je eigenlijk daar in het groote, heerlijke Europa?”
„Ik? Wat ik hier ben! Niets!”
„Maar je bent toch van goede afkomst? Dat zeggen ze allemaal!”
„Wie zegt je dat? Wel neen! Ik heb geen naam, geen familie, geen
vaderland, niets! Ik heb maar een doel, hier een kogel zoeken.”
„Je bent een rare snoeshaan, dat heb ik reeds dadelijk gemerkt. Niets
gaat je goed af, zelfs drinken niet, al doe je nog zoo je best om mee
te doen. Maar als je nergens meer heen wilt, wat doe je langer hier?
Zie je, als je heerlijke concerten gehoord hebt in Duitschland en
Frankrijk, dan maken je die krassen op de viool en dat gepiep van die
fluit misselijk, en als je dan denkt aan de tooneelspelen op de eerste
schouwburgen in de vorstelijke residenties, dan zeg je ook: Ik heb
genoeg van die flauwe pret; maar je hebt zeker nooit iets dergelijks
gehoord of gezien.”
„En ik ben in Amsterdam geweest en ik heb daar op het tooneel den
Lucifer gehoord en Gijsbreght van Amstel, de meesterstukken van onzen
grooten Vondel, ik heb gelachen om Warnar van den Muider Drost en het
Moortje van Brederoo en gehuiverd bij de bloedige spelen van Jan Vos!
O, ’t was zoo heerlijk!”
Zijn doffe oogen fonkelden en dat laatste woord klonk haast als een
smartkreet door de herinnering aan zijn borst ontwrongen.
„Dan heb je toch nog iets gehad! En ik dacht dat jij je niets meer
herinnerde!”
„Was ’t maar zoo! Had ik geen herinnering, ik zou me misschien in dit
pesthol nog eens kunnen t’huis voelen, maar die herinneringen, o, die
herinneringen! Kon ik ze wegspoelen, ik dronk van den morgen tot den
avond!”
„Hé! Ik wou dat het mogelijk was en ik dan in je gezelschap mocht zijn,
maar je wordt gevoelig, knaap! Je hebt een huilenden dronk. Schud die
herinneringen maar af, neem een voorbeeld aan mij! Wat heb ik geen
macht van herinneringen, ik, de volle neef van Freiherr, ik bedoel
Hertog von Schweinshausen, die hier als gemeen soldaat dien, maar ik
blijf er lustig onder en denk, waar ge ook zijt, daar vindt ge weer
dobbelsteenen, vrouwen en wijn, en al is dat alles hier van ’t
allerellendigste kaliber, je moet er maar tevreden mee wezen.”
De andere zuchtte diep; zijn makker had gelijk, hem sloeg de drank
blijkbaar ter neer.
„Ik moest niets meer drinken of anders heel veel,” zeide hij mismoedig,
„zoo’n enkel teugje maakt me nog treuriger. Dan denk ik weer aan alles
wat ik eenmaal bezat en dat ik reddeloos verloor.”
„Niets is verloren, kerel, zoolang jij nog je lijf hebt; ben je dat
kwijt, ja, dan ziet het er eerst leelijk met je uit, maar vóór dien
tijd.... weet je wat? Ga met me mee, ik weet op de Rhinocerosgracht een
zekeren Chinees wonen, een fideele vent, die gunt een dapper soldaat
graag een spelletje kaart; je speelt er op je nog niet ontvangen soldij
zonder eenig pand. Laatst heb ik er nog twee rijksdaalders gewonnen, en
ik weet iemand, die nu een karos houdt en wel vijftig slaven, die er
honderd dukaten won toen hij nog gemeen soldaat was, daarmee kocht hij
zich vrij, zette een winkeltje op, trouwde een rijke zwarte vrouw,
kocht zich later een schepensplaats en behoort nu tot de groote Hansen,
die met den Edelen Generaal een pijp rooken op de puie zijner woning!”
„Zoover zal ik ’t nooit brengen!”
„Omdat jij herinneringen hebt! Laat die varen en volg me liever,
spoedig zul jij ’t misschien niet meer kunnen doen, want ze zeggen dat
er oorlog in de lucht zit. Daar in Karta-Soera moeten ze weer aan het
rommelen zijn; ’t is waarlijk of de eene bruinvisch niet precies gelijk
aan den andere is. Ik begrijp niet wat het de Compagnie schelen kan,
welke smeerpoes daar de beest speelt, en dan nog verderop boven
Soerabaya, noemen ze dat nest, geloof ik, zit er zoo’n oude snoeshaan,
die hun allemaal te slim af is.”
„Soerapati bedoelt ge?”
„Kan wel; al die koeterwaalsche namen kan mijn Duitsche tong niet
uitspreken. Was het nu maar Rademacher, Schönhausen, von Schweinsfeldt,
zooals ik vroeger heette, nu die kerel is hun allen de baas. Hij moet
vroeger slaaf zijn geweest, zegt men, en nu is hij nog machtiger dan de
koning van Java, en nu begrijp je dat de Compagnie, die ’t hoofd zoo
hoog draagt, dat niet dulden kan en... en... Zou ’t jou kunnen schelen
wie hier de baas was? Mij niets! Als die Javaansche mijnheer mij een
dukaat meer soldij geeft in het jaar en behoorlijke kousen en schoenen,
dan zeg ik die Hollandsche kaaskoppen Adjé. En jij?”
„Een verrader worden, een deserteur? Nimmer!”
„Wat, doe je nog aan trouw? Ha, ha! Die artikelen hebben geen waarde op
de passer. Gaan we nu naar mijn bah-bah [17] of niet?”
„Neen, ik wil rusten, ik denk dat ik ’t nu zou kunnen, het gebeurt me
zoo weinig dat ik slaap.”
„En ik slaap veel te veel, kom, ga mee.”
„Neen, Dikkop, waarlijk niet! Zeg me een woord, denk je dat er
werkelijk oorlog komt?”
„Wis en zeker! Ik ben er niets op gesteld, liever een leven als hier in
de barakken van den Robijn, dan gevaar te loopen een blauwe boon te
slikken.”
Het was geheel donker geworden en de Koningin van het Oosten werd
slechts flauwtjes door de kunst verlicht, als de maan er zich buiten
hield. Zij waren op het met hooge boomen beplante Kasteelplein
aangekomen, dat nog vol stond van de karossen der gasten die de
receptie hadden bezocht, want ook mevrouw de Generaal ontving. Juist
verliet een aanzienlijke dame de landpoort van het Kasteel, de toortsen
der slaven wierpen hun flikkerende lichten in de diamanten en gouden
borduursels harer kleederen; een deftig gekleed heer leidde haar naar
de wachtende karos, die zij met zeldzame gratie besteeg.
„’t Is de pas aangekomen nicht van zijn Excellentie,” zeiden een paar
toeschouwers.
„Hé, wat scheelt je? Val je van ’t stokje?” vroeg de Dikkop zijn
kameraad.
„Och neen, ’t is niets, ik dacht... och, ’t was weer een herinnering.”
„De duivel hale je herinneringen!” gromde de andere. „Daar zal je nog
pret van beleven!”
II.
VOORNELUST.
Als men de ten Zuiden der stad Batavia gelegen Nieuwpoort doorging,
kwam men aan den zwaar belommerden weg, die naar het fort van Jacatra
leidde; aan weerszijden was deze weg omzoomd door fraaie
buitenplaatsen, die echter evenals de huizen in de stad nog volstrekt
niet ingericht waren volgens de eischen van het klimaat in de
keerkringslanden.
Het heeft eeuwen geduurd vóór de taaie, vasthoudende Hollander tot het
duidelijk begrip kwam, dat men in het Oosten niet den leefregel kon
volgen, waaraan hij sinds eeuwen gewend was in zijn geliefd Holland;
die lievelingsgewoonte wilde hij in den vreemde ongaarne missen en
daarom koos hij zijn stevige, solide bouworde zonder er zelfs in ’t
minst aan te denken dat de dikke muren en de goedsluitende ramen, die
hem tegen snerpende Noord- en Oostewinden en strengen vorst moesten
beschermen, hier de zon maar gelegenheid gaven dagen achtereen de
steenen te blakeren en frissche koeltjes beletten vrij door de
vertrekken te spelen; zoo nam hij ook zijn zware kleeding mede, ja
broeide zelfs zijn hoofd door het dragen van allongepruiken, die in
Versailles beter op hun plaats waren geweest.
De landhuizen welke hij zich dan ook buiten de benauwde, moerassige
stad bouwde, waarbinnen de grachten bij de aangename herinneringen aan
de vaderlandsche steden ook minder geurige voegden, geleken het
allerminst op luchtige, sierlijke villa’s, die er geheel op berekend
waren zooveel mogelijk lucht en koelte op te vangen. Het waren huizen
van twee verdiepingen met hechte deuren en puien, kleine ramen zonder
galerijen of veranda’s; boven den ingang was gewoonlijk het wapen van
den bewoner aangebracht, en wie nu de weelderige natuur, de reusachtige
waringins en de slanke palmen wegdacht, kon zich gemakkelijk in plaats
van aan de oevers der Jacatrarivier terugwanen aan de boorden van
Amstel of Vecht.
Rechts van den weg, juist tegenover het oude Chineesche kerkhof,
strekte zich het landgoed Voornelust uit, dat den Raad van Justitie
Voorneman toebehoorde; een statige rij van kokosboomen leidde van de
steenen poort naar het huis, dat in weinig of niets afweek van den
bouwtrant der overige huizingen links en rechts; de tuin was ook min of
meer stijf aangelegd, in zooverre de volle, welige oostersche
plantenwereld zich snoeren liet in een vorm à le Nôtre; toch waren er
eenige verbeteringen aangebracht, die getuigden van den lust des
eigenaars om zijn woning meer in overeenstemming te brengen met de
eischen van het klimaat.
Een soort van zonnetent was terzijde van het huis gespannen, de ramen
en deuren stonden wijd open; achter, ter zijde van de gebouwen tot
huiselijk gebruik en tot huisvesting der slaven gebezigd, was een open
galerij boven de rivier gebouwd en geheel door wingertbladeren en
klimopslingers overschaduwd; de dampen der rivier maakten het hier
vooral tegen het vallen van den avond tot een verrukkelijk, koel
plekje; welriekende bloemen stonden in Chineesche en Japansche potten
in de galerij geschaard en mengden hun geuren met die van de in perkjes
geplante melati’s.
Een jonge vrouw zat op een leuningstoel; ook haar kleeding was lang
niet zoo onpractisch als die van de meeste Bataviasche dames; zij
versmaadde fulp en zijde, goudborduursels en slepen; haar kleed was van
een fijne, lichte stof en grijs van kleur, aan den hals eenigszins laag
uitgesneden, vanwaar een breede kanten kraag op de schouders viel; ook
de mouwen reikten slechts halverwege den fraaien ronden arm, waarom zij
een bevallig kanten weefsel wierpen; haar blonde haren kroesden luchtig
op haar lelieblank voorhoofd, aan weerszijden met losse krullen
versierd; een zacht teer rozerood schemerde onder haar blanke wangen en
verried dat zij nog niet lang aan het verschroeiende Oostersche klimaat
blootgesteld waren.
Zij was nog jong, nauwelijks twintig jaren, een onbeschrijfelijk lieve
uitdrukking lag in haar blauwe oogen en in den glimlach, die om haar
lippen zweefde, als zij luisterde naar het kinderlijk gepraat van het
knaapje, dat met den hoepel door de galerij speelde; het was een
opgeschoten jongen van omstreeks tien jaren met een bleeke, ongezonde
kleur en onnatuurlijk groote oogen.
Als zij den knaap niet te antwoorden had las zij aandachtig in het
boek, dat zij in de hand hield; spoedig raakte zij geheel verdiept in
de lezing, haar oogen kregen een eigenaardige uitdrukking, een mengsel
van eerbiedige bewondering en stil genot, haar lippen trilden soms als
leefde zij met den schrijver of dichter mede, maar zoodra het knaapje
haar aan de korte mouwen trok en vroeg:
„Moeder, mag ik met Scipio in de Klapperlaan spelen,” of wel: „Moeder,
Scipio vraagt of hij wat met mij zal gaan varen.”
Dan kostte het haar blijkbaar moeite zich los te rukken van haar
lectuur, maar toch antwoordde zij dadelijk met denzelfden vriendelijken
lach:
„Neen, lieve jongen, vader en ook moeder hebben liever dat Albert hier
onder mijn oogen met Scipio speelt.”
Scipio was een kleine slavenjongen van denzelfden leeftijd als Albert,
maar veel flinker gebouwd en ook gezonder.
Het knaapje ging met zijn hoepel weer terug naar zijn speelkameraad,
wien ’t blijkbaar verveelde hier steeds onder toezicht zijner meesteres
te moeten blijven.
Het woord „Moeder” tegen de jonge vrouw klonk vreemd uit den mond van
het kind, dat om zijn leeftijd veeleer haar broertje dan haar zoon kon
wezen; maar toch lag er alle teederheid van een zoontje in de wijze,
waarop hij zich telkens, als hij in hare nabijheid kwam, tegen haar
aanvleide en een kus afbedelde, dien zij hem met ware moederlijke
hartelijkheid toestond; ook dat zij telkens en telkens in haar lectuur
gestoord werd, verdroeg zij met onuitputtelijk geduld.
Daar kraakte het gele schelpzand van het pad dat naar het hoofdgebouw
voerde en een man van middelbaren leeftijd met een eenigzins zwak
voorkomen en de bleekgele gelaatskleur, die den oudgast kenmerkte,
naderde de galerij.
Zijn gestalte die vroeger ongetwijfeld lang en krachtig geweest moest
zijn, boog nu een weinig voorover; rimpels doorploegden zijn voorhoofd
maar toch maakte zijn gelaat een aangenamen indruk door den goedigen
blik der lichtblauwe, diepliggende oogen.
Toen hij de galerij naderde, sloeg de jonge vrouw haar boek dicht en
kwam hem met een vroolijken glimlach te gemoet.
„Ik wachtte u reeds met ons beider vriend!” sprak zij. „O Markus, wat
is hij toch een groot man. En hoe weinig heeft men zijn verdiensten
erkend toen hij nog leefde.”
„Ge bedoelt onzen puikdichter den kousenkoopman en pandjesschrijver
Joost van den Vondel, nietwaar vrouwlief? Ja, gij hebt gelijk, ik wist
niet dat we zulk een dichter in ons weinig dichterlijk Holland rijk
waren. Ik heb mijn Vaderland jong verlaten en hier, dat weet gij
genoeg, hebben de Muzen haar zetel niet bij voorkeur opgeslagen.”
„Weten zij hier zelfs, dat er Muzen bestaan?”